Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Chapter 17

Chapter 173,684 wordsPublic domain

»Toen zij met het laatste en twaalfde stuk gereed was, bevestigde zij ook dit nevens de elf vorige aan den wand. Vervolgens tooide zij zich met een oud satijnen staatsiekleed--hetzelfde dat zij, veertig jaren geleden, gedragen had toen haar Koning gast was aan hare tafel. Hare ringen stak zij zich aan de vingers; hare diamanten hing zij zich in de ooren; hare witte tressen kapte zij zich als voor een feest. Zóó gedost, verliet zij de torenkamer, met langzamen, statigen tred. Geheel het slot doorwandelde zij--al de gangen en zalen en kamers; en voor elk der antieke meubelen stond zij even stil, als om er afscheid van te nemen, met eenen kalmen blik en eene lichte hoofdbuiging. Ook voor elk der portretten in de ridderzaal hield zij stand, met dien blik en die buiging: het eerst en het kortst voor dat van wijlen haren echtgenoot; toen voor dat van diens vader--en zoo de rij af, het laatst en het langst voor het dreigende gelaat en het helmlooze harnas van Huibert den Ever. Dan klom zij op den grooten toren, en zag rond over het landschap, dat met vredigen glimlach zich koesterde in de namiddagzon. Hierna daalde zij weder af, keerde terug in haar vertrek, schoof den grendel op de deur, kreeg uit eene kast in den muur eene wijnkaraf en een fleschje, schonk zich uit beiden eenen roemer vol, en zette zich daarmede in haren armstoel.--»Zoo!" prevelde zij: »zoo is het wel!..... God, mijn Heer! vergeef het mij!--het is genoeg geweest!--laat alles zich nu vervullen!"..... Aandachtig beschouwde zij nog eens, beeld na beeld, het werk van hare handen. Voor elk der ramen, datzelfde hoofdneigen. En toen haar blik op het twaalfde te rusten kwam, toen speelde er een straal van de middagzon, door het looverschut der beuken heengebroken, op dit tafereel eener troostelooze verlatenheid. Zij tuurde, en tuurde, alsof zij iets vreemds bespeurde aan het doek;--iets vreemds inderdaad: want het gulden licht had al de somberheid van het schemergrauw uit het beeld doen verdwijnen; en het leende aan de bruine erica's er op eenen weerschijn als stonden zij in bloei; en het deed de bleekroode zijde van het avondluchtje glanzen, als ware het een vroolijk morgenwolkje, vóórboô van den schoonsten dag. En ach!--de lippen der oude vrouw begonnen te trillen, hare handen te beven, hare oogen zich te benevelen met eene vochtigheid, die zij er sinds lange, lange jaren niet meer in had voelen opwellen. Zij zag op de zonnige heide zichzelve weder dartelen--vlinders jagend en bloempjes plukkend--een argeloos meisken, een kind als andere kinderen, dat van adel nog niet afwist en van een fatum nog nooit had gehoord. Zij zag er zich als jonkvrouw wandelen, mijmerend wellicht over eene verbodene teederheid--eene maagd als andere maagden, óók met eene kans nog op geluk, vóór zij tusschen haar hart en haren naam, tusschen hare liefde en haren trots, het =slechte= deel gekozen had.... En plotseling liet zij het glas aan scherven vallen, en de saamgevouwen handen preste zij zich heftig op de borst.... »Neen, mijn God!" snikte zij: »zóó toch niet!... Het einde! het einde!... Neem mij weg, o God! neem mij weg!... Maar zóó toch niet!"

»Stond werkelijk hare ure alreeds op het slaan? Of heeft dezelfde wilskracht, die den dood op eenen afstand hield zoolang de taak haars levens nog niet volbracht was, thans, nu het genoeg was geweest, haar hart gedwongen het kloppen te staken?

»Ik weet het niet.

* * * * *

»Weinige dagen later reeds zag men het zaad Abraham's vergaderd in de Nijenhorst, door de poorten in- en uitgaande met gansch zeer groote bedrijvigheid. De wijze Ruben zelf pakte het familie-zilver in; Zebulon de voorzichtige het kostbare porcelein. Middelerwijl torschte Isaschar, de sterke, het portret van Huibert den Ever onder zijnen arm; en Naphtali, die schoone woorden geeft, laadde op zijn handwagentje de helmlooze wapenrusting.--»Nah!" riep hij--»heeft meneer de ridder in de bathalje zijn khopshtuk feloren?--'k Zal meneer helpen, wacht!"--En hij duwde in den ijzeren halskraag eene mutsenbol, roodwangig en onnoozel----waarom al de twaalf stammen lachen moesten, dat hun de tranen langs de neuzen biggelden.

* * * * *

»Wandelt gij thans naar de plek waar de Nijenhorst gestaan heeft, en denkt gij daar neer te zitten om u door den heidewind te laten vertellen van den luister en den trots, het verval en het lijden, den langen doodstrijd en de smadelijke verstrooiing van het fiere huis--zoo wacht u eene teleurstelling, mijn vriend. Gij zult er niets hooren dan het geklop van hamers en het tikken van troffels--eenen vloek en een deuntje wellicht ook uit den mond der werklieden, die bezig zijn er eene plankenzagerij te bouwen."

Alpengloeien.

Het stond bij het brugje, dat den bruisenden bergstroom overspant. Een paal, manshoog; en daar op een houten hokje of nisje, zoo ruim als twee handen saamgebogen; en daar in een madonna-beeldje, zoo groot als een pink--een tinnen popje zoowaar, geen zier kunstiger of kostbaarder dan de soldaatjes, waarvan er een heel bataljon zich kazerneeren laat in eene spanen doos. 't Was het kinderachtigste wat ik ooit ontmoet heb van dien aard.

Glimlachend hielden wij even er bij stil. »Hoe 't mogelijk is!" zweefde ons beiden op de lippen. »Hoe 't mogelijk is, voor zóó iets te gaan knielen in een land, waar de Schepper als met eigene hand de zegeteekenen van zijne grootheid uit de aarde oprijzen deed!"

En wij slenterden verder, opklimmende naar het doel van onze wandeling.

* * * * *

Toen wij boven waren, en ons nederlieten op de mosbank onder de sparren, prijkte bij dalenden avond het Alpenland in volle heerlijkheid. Diep in het dal was reeds de schemering begonnen haar floers te spreiden. Purpere dauw zweefde over de akkers. Donker legerden zich de wouden langs de hellingen. Maar omhoog baadde nog alles zich in stralenglorie. Sneeuwtop bij sneeuwtop stond nog te glanzen in den kring--zonnig verlicht, zilverhel, zoo koel en kuisch zich spitsend tegen het diepe blauw des hemels.

Wonderbeelden, voor hem die getreden komt uit de drassigheid der polderstreek, uit het kille slib der venen. Wonderbeelden, welker pracht de stoute phantasie dan eindelijk rusten doet, verwonnen, ontvleugeld door de stoutere werkelijkheid!--Het oog staart ze aan, opgetogen--hetzij een woeste nevel ze omkleedt met ontzetting, of een zonnestraal ze pralen doet in milde majesteit. En de herinnering neemt ze in zich op, om zich er aan te verlustigen na jaren nog, wanneer des wandelaars leden stram worden en zijne middagen grauw.

Wonderbeelden!... Wij tuurden rond en opwaarts. Wij blikten elkander in de oogen;--wij vonden geen woord te zeggen. Maar stil in die heilige stilte bad vurig en innig ons hart.

* * * * *

Och, dat eene ure als deze wat toeven wilde! De macht van eenen Jozua, om te gebieden: zonne, sta stil! Om den avondstond te doen luisteren naar het smeeken: »_Verweile doch! du bist so schön!_"

Maar de tijd weet van geen talmen. Of pijn u slapeloos woelen doet op uw leger--de slinger schommelt er niet sneller om. Of gij voor 't eerst arm in arm gaat met de geliefde--niet trager bewegen de wijzers zich over de plaat. Zelfs niet voor zaligen staken de seconden hare vlucht.

Aldus was ook de weelde van het alpengloeien, zoo zeldzaam, zoo onbeschrijfbaar heerlijk, slechts weinige oogenblikken ons gegund. Het zilver der sneeuwspitsen zagen wij goud worden. In vuur ontstoken, blonken de toppen ons toe: een vuur, dat weldra verglommen was--vergrauwd, door karmijn en purper heen, tot doffe, looden kleurloosheid. Hooger en hooger klom het duister uit de diepte. De laatste landelijke klanken van het dal verstierven: het laatste getingel van het stalwaarts gedreven rund, het laatste gejodel van den zangerig gestemden herder. De nacht brak aan, in welken geene stem gehoord zou worden, dan die van de stortende wateren.

* * * * *

Wij daalden afwaarts. En zie! wat kwam daar aangestrompeld over het brugje?

Een vrouwtje, eindeloos oud--een bundeltje knoken en lompen--met eene vracht gesprokkelde takken op den krommen rug. Van onder den rooden hoofddoek golfden hare witte lokken te voorschijn, zilver als het schuim der beek. Tokke, tokke, ging haar stokje; loom sloften hare schreden elkander na over de planken. Zij leek wel moe, tot stervens moe. Moe van het sprokkelen? Moe van het leven?--Ik weet het niet. De bergen zag zij niet aan, noch de rozeroode wolkjes, noch den wild voortschietenden stroom, noch de zwarte wouden rechts en links. Maar bij het madonna-popje richtte zij het hoofd op, liet den takkebos zich van de schouders zakken, en knielde neder in het stof, ongezien, zoo meende zij, behalve van God en van Maria.

Ook zij aanbad. Ook zij stortte daar, stil in de heilige stilte, vurig en innig hare ziel uit voor het Hoogere.

* * * * *

Kort, moedertje! maak het kort, opdat het duister niet te ver van huis u verrasse. Een kruis geslagen, den last u weer opgeladen--en verder het oude lichaam opgezeuld tegen het steile bergpad.

Doch Maria de Maagd had er een wonder verricht aan deze grootmoeder van vele kinderen. Want trots het klimmen, was des oudjes tred veerkrachtiger geworden. Rechter droeg zij het grijze hoofd; minder zwaar scheen de vracht haar te drukken. En ik zeg u: daar speelde een trekje van jeugd om haren mond, daar lichtte een vonkje van blijmoedigheid in hare half gebroken oogen, als zij op zijde stapte om voor ons ruimte te maken op het smalle pad, ons nazendend de vrome begroeting van vóór duizend jaren: »_Grüss Gott, Herrschaften! Grüss Gott!_"

* * * * *

Wij hebben niet geglimlacht, toen wij wederom voorbij het popje gingen over de brug.

Gij Eeuwige, leer ons wormen elkander begrijpen!--Wat raakt het, welk het teeken zij, waarin wij U erkennen?--Zou een sneeuwberg ook méér zijn in Uw oog, dan de boersche beeltenis eener kinderdragende vrouw?--Wat raakt het: Montblanc of een tinnen figuurtje--indien slechts de =gedachte= er door gewekt wordt, die loutert en sterkt en opheft?

Gij Eeuwige, leer ons elkander verstaan!

Don Juan del Mulino.

_Cupidon pour dieu adoré Tire d'un petit arc doré Deux traicts de différente sorte; L'un d'eux rend l'amour honoré, Et l'autre trouble et malheur porte._

De predikant Malthus zat aan een der ramen van zijne studeerkamer, en tuurde naar buiten.

Voor zoover het daarbij op het gebruik zijner oogen aankwam, had hij die even goed kunnen sluiten: want hij keek naar niets--en er viel ook niets te kijken, dan een Noordhollandsch weiland, overdekt met sneeuw. Dit was het uitzicht noordwaarts heen. Ook tegen het westen had het vertrek een paar vensters; maar ook daar kon de bewoner niets bespeuren dan eene besneeuwde vlakte, benevens eenen half ontwiekten watermolen aan het einde van eene dichtgevrozen wetering. Waren bovendien nog de beide andere wanden open geweest voor het karige licht van den Januari-dag--de dominee zou ook in het zuiden en in het oosten niets hebben opgemerkt, wat aan zijnen lusteloozen blik eenige verstrooiing hadde kunnen verschaffen. Want de pastorie lag met het kerkje en de daaraan grenzende herberg midden in den polder, een half uur minstens van het naaste dorp, een uur wel van het naburige marktstadje. Er lagen een aantal flinke hoeven verspreid in het rond--alle ver af; er stonden een tien of twaalf iepen bij de kerk, wat schrale esschenstammetjes langs den straatweg, een rijtje knotwilgen hier en daar aan eene sloot; dan, wijd aan den horizon, eene enkele boomgroep en een paar dorpstorens,--ziedaar geheel het landschap. En dit weinige was nu door de dikke sneeuwlaag zoo goed als uitgewischt, althans tot de meest volslagene eentonigheid ineengedoezeld. In het eerst had dit schouwspel de vluchtige bekoring geboden van het nieuwe. Later, toen de zon er op scheen, was het verblindend, vermoeiend geweest. Thans echter, nu een vale, roerlooze hemel zich er over welfde, die sneeuw beloofde, nóg meer sneeuw--thans stemde het dominee Malthus onbeschrijfelijk neerslachtig. Hij was op het stuk van natuurschoon zekerlijk niet verwend; zelfs op den zonnigsten Juni-ochtend was het groen der eindelooze grasvelden van het koeienland zóó rijk niet geschakeerd met paardebloemen en roode klaver, om hem de zinnen te bedwelmen met kleurenweelde. Maar toch, deze volstrekte afwezigheid van =alle= kleur, reeds weken lang nu, maakte op den eenzamen man steeds dieper en dieper den indruk van eene grenzenlooze, hopelooze somberheid....... Noem =wit=, niet zwart, de verf des doods. In zwart liggen alle tinten verholen; uit het diepste zwart flitst te voorschijn de vuurgloed der hel:--warmte, leven dan toch. Maar wit is de ledigheid, de ijlheid--, het koude, stoffelooze, wezenlooze Niet.

Het is moeilijk te zeggen, ja dan neen, of deze zelfde gedachte ook dominee Malthus door het hoofd maalde, terwijl hij daar zoo zat te staroogen in het doffe verschiet. Te vermoeden valt het veeleer, dat op dit oogenblik zijn brein in eenen toestand van werkeloosheid verkeerde, of, zoo het al met iets bezig was, dan met mijmeringen even vaag en flets als de streep langs welke de bleeke aarde en het bleeke zwerk samenvloeiden daarginds aan de noorderkim.

Intusschen--nu opeens keek hij toch naar iets, en zeer aandachtig. Juffrouw Dientje, zijne oude huishoudster, had namelijk een overschotje van het middageten uit het keukenraam gegooid, voor de muschjes, die verkleumd tusschen het groen van een paar hulstboompjes scholen. De hongerige diertjes vlogen er gretig op af; maar nauwelijks hadden zij al tjilpend hunne vreugde te kennen gegeven over het onverwachte maal, of daar kwamen uit de iepen een paar ruwe snuiters van kraaien neergestreken, die het arme kleine grut met snavelstooten verjoegen, en nu aan het voedsel zich tegoeddeden met echten bandietenlust. »Vort, leelijkers, vort!" riep Berendina, ten toppunt van verontwaardiging. De roovers slokten er slechts te gulziger om. Eene pantoffel plofte tusschen hen neer in de sneeuw;--zij hupten even zijwaarts, doch hervatteden terstond hun festijn. Toen ondernam mejuffrouw Dina persoonlijk eenen uitval, ten einde de drieste schurken te verjagen. Te laat! Het leste brokje aardappel was juist in eene der zwarte snebben verdwenen.

De dominee glimlachte bitter. Zoo treffend paste dit kleine tooneel in het kille, meedoogenlooze winterlandschap. Was het geene satire op de leer die hij morgen weer verkondigen zou in zijne kerk: de leer van de liefde en van der liefde almacht: de leer van dien Vader der Schepping, zonder wiens wil geen muschje ter aarde valt?--Zie! hier was nu deze Schepping: eene barre ijsklomp, voor geen vogeltje zelfs maar een kruimpje voortbrengend. En daar was ook de liefde. Zie! Wat zij offerde voor de muschjes--de kraaien gingen er straffeloos op te aas.... Toch, eene satire is nooit meer dan eene =halve= waarheid. Want de ware liefde laat niet af. Zie wederom slechts! Juffrouw Dientje was naar buiten gegaan, om nogmaals haren beschermelingen wat voor te werpen. Mocht ook die tweede poging mislukken, zij waagt er eene derde. Gij kunt zeker zijn, dat zij dien namiddag hare breikous niet voor den dag gehaald en hare voeten niet op haar warm stoofje gezet heeft, alvorens zij de muschjes had verzadigd.

Dit tweede bedrijf van het stukje _morale en action_, waarbij zijne getrouwe huisverzorgster en het vogelenheir de hoofdrollen vervulden, had den predikant weer een weinig opgebeurd. Hij rees van zijnen stoel, en bemerkte nu dat hij al mijmerend een stuk papier had saamgevouwen tot eene veelhoekige meetkunstige figuur. Onwillekeurig bracht hij het velletje tot zijne oorspronkelijke gedaante terug, sloeg een oog op den gedrukten inhoud van het verfrommelde strooibiljet, en las als volgt:

»_Op Zaterdag den 17 Januari (volle maan) in het lokaal van Ari Harmsen, te Polderbroek,_

$Groote Voorstelling$

_door het gezelschap Acrobaten, Pantomimisten, Café Chantantes en Vaudevillisten, onder directie en met medewerking van den heer Vincentio Buonaventura, eersten bariton van de groote Opera della Scala te Milaan. Schitterend succes in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, in het Feestgebouw te Rotterdam en in La Sodalité te Antwerpen._"

Dominus Malthus fronste de wenkbrauwen. Hij was voorwaar geen kunst-verfoeiend puritein; maar juist als vurig muziekvriend had hij van den tingeltangel eene niet uit te spreken walg; en dat die inrichting nu al aan de steden niet meer genoeg had, doch het platteland begon af te stroopen, om ook de boeren te verliederlijken--dit vond hij treurig en ergerlijk. En deze orgie van gemeenheid, deze muziekmoord en kunstbezoedeling zou hier plaats hebben naast zijne deur! Buurman Harmsen, anders een degelijke kerel, leende daartoe zijne eerzame bovenzaal!--En het brutale program van al die ploertigheid had zich zelfs eenen weg gebaand tot in de pastorie: tot in des dominee's studeervertrek, waar hij zijne preeken schreef, waar zijne boekenkast naast zijn harmonium stond, waar de portretten van zijne groote dichters en kunstenaars geschaard hingen aan den wand!--Hoe kwam dit vieze vod hier tusschen zijne vingers? Vermoedelijk doordien hij het in zijne verstrooidheid had opgenomen van de tafel. Maar hoe dan was het op zijne tafel verdoold geraakt?--Dáárover moest de huishoudster ter verantwoording geroepen worden. De heer Malthus schelde. Berendina kwam.

»Zeg eens, Dientje", begon hij, op eenen toon waarin hij vergeefs zekere strengheid poogde te leggen: »Ik vond hier dit papier liggen. Weet ge daar van?"

»Dit pampiertje?" vroeg mejuffrouw Dina, terwijl zij haren bril in positie bracht en het bewuste stuk uit de hand van haren meester overnam: »Dit pampiertje?--Ik weet van niets, dominee. Er is niets bezorgd. 't Heeft dan zeker tusschen de krant gezeten."--Maar toen zij de eerste regels gelezen had, steeg haar het bloed naar het hoofd.--»Wel goddeloos!" riep zij, de armen over hare maagstreek kruisende: »Wie had er nu zoo iets van Arie Harmsen kunnen denken!--Kijk er eens hier!"--en zij begon uit het programma der voorstelling de zoodanige nummers af te lezen, die het levendigst hare verbolgenheid gaande maakten.--»_Arabische luchtsprongen, uit te voeren door mesjeu Lamberti._ En dat nog wel een gewezen ouderling!"--doelende niet op Monsieur Lamberti, maar op Arie Harmsen.--»Numero drie: _Coupletten, »Als men iets verloren heeft", te zingen door mammezel Celestine._ Moesten de sletten zich niet de oogen uit haar hoofd schamen!--Numero zeven: _De Broedermoord, of de Doodslag van Kaïn aan zijnen broeder Abel, tableau-vivant met bengaalsche verlichting._ Ziedaar nu! niet eens Onze Lieve Heers eigen woord kunnen ze buiten het spel laten, die aterlingen! Numero negen: _Duo uit de opera Don Juan: »Reik mij de hand, mijn leven!" voor te dragen door den heer Vin.... Vincentio Buona.... Buonaventura_--een mooi avontuur, ja, op den avond vóór den Zondag!--_en mammezel Celestine voornoemd._ Nu, dat lievertje zal wel niet neen zeggen. Maar ik voór mij, eer dat ik me met zoo'n schorriemorrie----"

De goede juffrouw had in haar vuur niet opgemerkt hoe de dominee, die eerst maar met een half oor toegeluisterd had, plotseling, haast als met eenen schrik, aandachtig was geworden bij de vermelding van dit nummer negen op het biljet.--»'t Is wèl, Dientje", zeide hij, met een kalmeerend handgebaar: »laat de rest nu maar ongelezen. We zijn dwaas, er ons zoo warm over te maken!"

»Warm over maken?" hernam Berendina: »Zou ik me daar niet warm over maken, over zulke spectakels, haast op den drempel van Gods huis, en dat wel op den avond vóór dat dominee preeken moet!--O dominee! dominee! dat er nu toch geen wet of geen autoriteit bestaat om zóó iets te verbieden!--Zie er eens aan! Dan geven ze ook nog een komedie-stuk. Kijk! »_Frans en Fransientje, of het scheurtje in het kamerschut", voddeviel met zang in één bedrijf._ En dan--alsof 't dan nóg niet genoeg was--dan moeten ze nog dansen. Jawel! dan moeten me die lompe machines van boeremeiden----"

»Genoeg, Dientje, genoeg!" viel dominee haar glimlachend in de rede: »Ga nu heen: ik moet studeeren. En neem dit papier maar weer mee. Of neen--ge kunt het nú ook wel hier laten."

»Zeker, dominee, zeker!"----en het trouwe schepsel had, onhoorbaar, de kamerdeur reeds achter zich gesloten. Geen hooger machtwoord toch voor juffrouw Dientje, dan dat de dominee »studeeren moest". Voor des leeraars studie koesterde zij eenen onbegrensden, bijna godsdienstigen eerbied. Zij stelde zich voor hoe hij daar dan ging zitten in zijnen armstoel, met zijne lange pijp in den mond, om, als uit den hooge bezield, die stichtelijke predicaties neer te schrijven, die schoone gedachten uit te denken, die troostende waarheden te vergaren, waarmede hij elken zondag-ochtend haar ontvankelijk gemoed verkwikte. De stille, altoos zachtzinnige grijsaard, met wien zij de vijftien jongste jaren haars levens in schier volslagen afzondering gesleten had--hij was haar afgod. Zij aanbad zijnen persoon, en (uiterst zeldzaam geval bij lieden van haar slag en in hare betrekking) ook zijne leer aanbad zij. Zich het Nederlandsche Gereformeerde Kerkgenootschap te denken zonder =hem=, was voor Dientje even onmogelijk, als zich hare keuken te verbeelden zonder hare glanzende koperen braadpannen; en hoe Onze Lieve Heer het stellen zou op aarde, als dominee Malthus er niet meer was--ziedaar een vraagstuk in hetwelk zij zich maar liever niet verdiepte.

Hadde zij thans echter zich zóóver kunnen vergeten van door het sleutelgat te gluren, dan zou zij bespeurd hebben dat dominee's studeeren, terstond na haar vertrek, zich richtte op heel iets anders dan zijne leerrede voor morgenochtend of morgenmiddag. De heer Malthus had het strooibiljet van den tingeltangel weer van de tafel genomen; hij staarde er eene wijle op, diep in gepeins verzonken, en ging er vervolgens mee op en neer loopen, neuriënd, zachtkens voor zich heen, den onvergankelijken minnezang uit _Don Giovanni_:

»_Là ci darem la mano, Là mi dirai di si._"

Daarna zette hij zich in zijnen armstoel bij den haard, wierp brandstof op het vuur, en blikte, altoos nog met het papiertje in de hand, in den opflikkerenden gloed.

Wat hij er in zag?----Och, wat ziet men in het vuur van zijnen haard, wanneer men oud geworden is, en eenzaam op eenen grauwen winterdag in zijne kamer zit, en zoo juist een liedje geneuried heeft, waaraan de geur nog hangt van den bloeitijd eener wilde jeugd?

* * * * *

Dominee Malthus dacht aan iets, dat hem eigenlijk geen enkel uur uit de gedachten bleef, maar dat thans met eene ongewone levendigheid zich opdrong aan zijne herinnering.

»_Là ci darem la mano!...._" Veertig jaren her--jawel, het was veertig op eenen prik--, had zekere Lodewijk Malthus, student in de godgeleerdheid, het hooren zingen in den schouwburg van Neerland's grootste academie-stad. Daar kwam toen maandelijks eene Italiaansche opera-troep uit Amsterdam spelen. Op eenen avond gaven ze _Don Giovanni_. De bariton was voortreffelijk; Donna Anna eene fiere _grandézza_; Zerlina een snoepig bekje. De jonge theologant echter had oog en oor slechts voor Donna Elvira, de tragische.