Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 16
»Het spreekt van zelf, dat er van de bovenvermelde schikking wel iets uitgelekt was onder de bedienden en in het dorp. De vreemdelingen echter, die in vrij aanzienlijke getale uit een naburig, zeer bezocht zomerkwartier de Nijenhorst plachten te komen bekijken (van buiten, wel te verstaan: het inwendige was voor niemand toegankelijk)--de vreemdelingen, zeg ik, konden er bezwaarlijk iets van gissen. Wat zouden zij er zich ook het hoofd mee gebroken hebben! Wat raakten hen de laatste stuiptrekkingen van eenen verloopen adel!--Zij kwamen: sommigen, om een doel te hebben voor een rijtoertje; anderen, omdat men toch de weinige merkwaardigheden der streek niet onbezocht mocht laten; enkelen, die in de overtuiging geleefd hadden dat adellijke kasteelen nog slechts in de verhitte verbeelding van romanschrijvers te vinden waren, uit wezenlijke nieuwsgierigheid. Deze laatsten schenen dan in den waan, dat er straks uit de slotpoort, over de steenen brug, een geharnast ridder te voorschijn rijden moest, of minstens eene freule met ellenlangen sleep, gevolgd door eenen sierlijken page met eenen valk op de vuist; en niet weinig voelden deze naïeve zielen zich teleurgesteld, bekocht voor hun goede geld, wanneer hun aan het venster van eene der torenkamers eene oude dame gewezen werd als de burchtvrouw--eene heel alledaagsche oude-juffrouwen-figuur, die, volmaakt als nichtje Alida of tante Louise, naald en draad hanteerde, waarmede zij zóó bedrijvig scheen, dat zij zich den tijd niet gunde om even op de bezoekers van haar erf eenen blik te werpen. Allen echter, de teleurgestelden zoowel als de opgetogenen, de wereldwijzen zoowel als de onnoozelen, toonden zich min of meer getroffen, wanneer de mededeelingen van den ouden tuinman, die hun tot cicerone diende, hen tot de gevolgtrekking hadden geleid, dat deze oude dame in dit groote, holle kasteel nu al eene reeks van jaren geheel alléén had gewoond. In den regel ontspon zich dan tusschen den grijzen Bartel en de bezoekers een gesprek van den volgenden aard:--
»»Moederzoalig allinnig, joa, joa! Met Sunt Jan al zeuventien joar", mompelde de witkop.
»»Geen sterveling", vroeg men, »met haar in het slot?"
»»Nou joa, wijlui binnen er: ik en mijn vrouw, die de kokerij bezorgt, en Kris de huusknecht. Moar ik bedoel nou eigenlijk minschen van haar eigen slag, weet ge--zoo van haar eigen kaliber, za'k moar zeggen."
»»Geen zoon of dochter dan? Geen bloedverwanten?"
»»Kiend noch kroai, men lieve meheer!--Wat neefkes en nichtkes in 't butenland--moar die hoeven hier niet an te kloppen--en die kommen ook alêvel niet woar niks te oazen valt. Veur de rest, vrind noch moag. Altoos allinnig!"
»»Ook geene gezelschapsjuffrouw?"
»»Niks nimmendal. Veur joaren het ze eens zoo'n pertret in huus genomen; moar die kon de kleuren niet uut mekoar houwen--van sajet, weet ge--want doar is ze den godganschbren dag mee doende. Doarom het ze die mammesel al gauw weggejoagd. En sedert wou ze er gien van dat spul meer onder hoar oogen zien. Joa joa!"
»»Maar krijgt zij geen bezoek nu en dan?"
»»Zoo veul as nooit, meheer, zoo veul as nooit. Of 't most wezen, vier moal in 't joar, een heerschap uut Amsterdam"----doch hierover scheen de oude zich niet te durven uitlaten.
»»Toen de baron nog leefde, toen was het toch anders, niet waar?"
»»Wel, nou--wat za'k oe zeggen--wel wat anders, moar alêvel niet veul beter toch. Den baron, die had zoo zen gezelligheid buten 's huus, zoo op zen eigen gelegendigheid, weet ge. Moar de baronesse--kiek, 't wordt straks al veertig jaor da'k hier dien--maar 'k kan oe wel verkloaren, nooit heb ik haar anders gekend as moar zoo oakelig op heurzelf--nooit met een schepsel eris vertrouwelijk!"
»»Dus--eene menschenhaatster?"
»»Krek, joa joa! As een uil in een boom. En altoos veur dat eigen venster doar in dien toren, metter tappestrie, zooas ze 't noemen, van den vroegen uchtend tot voak loat in den nacht. Wat zoo'n minsch zich verkniezen en vergrimmen mot, hè?"
»»Verschrikkelijk!" bracht het eene of andere vrouwelijke lid van het gezelschap in het midden. »En is zij niet bang?"
»»Bang? Hoe meint de juffer dat?"
»»Wel, voor dieven."
»»Och jee, wat zou ze! Dievengespuus hebben we hier niet in de Graofschap; en die weten ook wel terdege goed dat hier 's nachts de deuren niet op een kier stoan. Nee nee!"
»»Nu ja--al is het dan niet voor dieven----hoe zal ik 't zeggen----ik bedoel, als men in zoo'n groot oud huis zoo heel alleen----"
»Dan boog de oude Bartel het hoofd diepzinnig op de borst, en zeide, terwijl hij veelbeteekenend op zijn snuifdoosje klopte: »O zoo! joa, as de juffer op dát sapiter komt--en as ik uut de school wou klappen--hè, nou--dan zou 'k oe roare dingen kunnen vertellen. Want zoo'n oud huus, zie je, dat het zoo zen griezeligheden, joa joa. Moar, juffer, za'k oe eens wat zeggen?--Er binnen van die minschen, die eigenlijk gezeit geen minschen meer binnen, moar zooveul als levende doojen. Van de wereld bin ze afgesturven. Veur niks of niemand hebben ze hart meer. En as den Euvele hun temet eris over den schouwer kiekt, dan droaien ze zich om op hun stoel--en dan hebben ze zóó iets lelliks in hun oogen, weet ge, dat ie 't op een loopen zet, krek as een jonge hoas veur een windhond!--Zoo binnen er, joa joa! zoo binnen er!"
»En Bartel, zijn snuifje genietende, schuifelde naar het hek, om het gezelschap uitgeleide te doen en zijn fooitje in ontvangst te nemen. Want als een kunstenaar in zijn vak, werd hij eerst spraakzaam tegen dat de wandeling was afgeloopen, en bewaarde hij zijn geheimzinnig knaleffect, dat hij meestal op de eene of andere manier wist te pas te brengen, geregeld tot op het laatst. Hij had gesnapt, de slimmert met het domme gezicht, dat de stadslui hem zoodoende voor eenen origineel versleten, en hem daarom te milder bedachten. Wie er al niet komedie speelt!
* * * * *
»Zij echter, wie al dit gevraag en gebabbel betrof--wat was er van haar? Hoe leefde zij?--Was zij werkelijk zoo troosteloos aan de verlatenheid overgeleverd, zoo altoos en volslagen alleen, als de dorpsmare wilde? Verkniesde en vergrimde zij zich zoo? Had zij inderdaad haar gemoed zoo verhard tegen alles menschelijks--ja (de tuinman had er immers op gezinspeeld), tegen de booze geesten zelfs, die er spoken in de leegte welke de mensch aanricht tusschen zichzelven en zijne medeschepselen?
»In zekeren zin, ja. Maar toch, de dorpspraat verkondigde slechts half de waarheid: en zelfs de wijsheidkramende Bartholomeus was met al zijne diepzinnigheid niet veel dieper in dit levensraadsel gedrongen, dan zijne schoffel placht te wroeten in de aarde. Hij toch besefte zoomin als de meeste andere lieden het verschil tusschen geestelijke en persoonlijke eenzaamheid. Niets is ondragelijker dan de eerste. De man die in zijn binnenste nog slechts eene versteening voelt, afgestorven van alles wat hem eenmaal lief of belangwekkend of heilig was--die man is als een op den oceaan verlorene te midden zelfs van het drokste maatschappelijk verkeer, ook waar hij zich opwindt om met de luidruchtigsten luidruchtig te zijn in het vroolijkste gezelschap;--aan krankzinnigheid ontsnapt hij slechts door zich te werpen in eenen tuimel van zinnelijke verstrooiingen. De andere daarentegen, de persoonlijke eenzaamheid, heeft meer den schijn dan het wezen van de zaak. Zij is eene levensgesteldheid bij welke het gemoed, na al kampend en werend geheel de have van algemeen menschelijke neigingen, behoeften, gevoeligheden en illusiën te hebben moeten prijsgeven, met zijn laatst en veelal dierbaarst goed--gelijk een monnik met een kostbaar handschrift in zijne kluis--zich heeft opgesloten in zichzelven, en, aldus gewapend, in zichzelven de genoegzaamheid gevonden heeft. Dit moogt gij, al naar uw wijsgeerig standpunt, samentrekking noemen, of afstomping, een heldhaftig individualisme, of eene treurige monomanie--zeker is het, dat die gesteldheid minder deernis behoeft te wekken, dan de naar alles grijpende, van alles proevende, maar van niets verzadigde alledags-menschen haar in den regel meenen te moeten waardig keuren. Het leven is een puinhoop geworden; van wederopbouwen kan geene sprake meer zijn. Doch de geest heeft uit dien puinhoop éénen schat gered: eene gril, eenen waan, eene ijdelheid misschien--maar aan welken hij zich toewijdt met het gansche overschot van zijne liefde en kracht, en door welken hem op het lest soms eene stille vergoeding nog gewordt voor datgene, wat hij aan geluk in den gewonen zin heeft moeten derven.
»Zóó stond het ook met die oude vrouw daar in den slottoren. Wel als begraven woonde zij daar voor alles buiten haar om, maar nog geenszins dood voor zichzelve. Wel eenzaam was mevrouw de douairière, maar niet alleen; wel zonder vreugde, maar niet zonder troost. Want uit den bouwval van haar bestaan had zij één enkel klein talent weten te behouden, dat haar op den ouden dag geworden was als den kloosterling zijn kunstig manuscript of zijn met zorg gekweekt moestuintje.
»Natuurlijk was dit ook voor haar eerst na bitteren kamp zoo geworden. Men betrekt niet rustig eene kloostercel, dan na de schipbreuk van een fortuin of na het breken van een hart:--en geen varensman van eer laat zich in den grond boren, geen moedig hart laat zich verbrijzelen, zonder tegenweer. Lang en folterend was het lijden geweest van deze vrouw; doch met dit al van zoo bijzonderen aard, dat hare tijdgenooten, hadde zij het hun geopenbaard, het haar eenvoudig als krankzinnigheid zouden hebben toegerekend. Niet allereerst toch had zij geleden voor datgene wat elke vrouw het diepst gegriefd zou hebben: de onverholen liefdeloosheid van haren echtgenoot te haren opzichte. Och neen! Uit liefde immers schonk zij den bloedeigen neef hare hand niet; huiselijk geluk behoorde niet tot de traditiën van haar geslacht; en zij had van hare verlooving af geene reden gezien om zich op het stuk van echtelijke trouw met een beter lot te vleien, dan aan hare moeder en aan hare grootmoeder ten deel gevallen was. Veel minder als gade had zij geleden, dan als baronnesse; veel minder als vrouw, dan als adellijke. Geleden had zij onder hare kinderloosheid: niet, zooals andere vrouwen, uit verlangen naar de zorgen en vreugden van het moederschap, maar omdat zij eenen erfgenaam wenschte voor haar bloed, haren naam, haar wapenschild en haar kasteel. Geleden had zij onder de losbandigheid van den baron: niet omdat hij zichzelven er mee ten gronde richtte, maar wijl hij zijnen en haren oud-adellijken naam er door in smadelijke opspraak bracht: hij, de laatste drager van dien naam. Geleden had zij onder zijne latere grove verkwistingen: alweder niet uit beduchtheid voor de strenge tucht der armoede--maar omdat zij erger nog dan den hongerdood de vernedering vreesde van bij haar leven nog door de firma Shylock & Co. te worden weggedreven uit den burcht harer vaderen. Kortom, de marteling van haar leven had bestaan in de voortdurende krenking, de geleidelijke slooping en het onherroepelijk tot niet gedoemd zien worden van eenen adeltrots, die, als een machtig instinct, al haar voelen en denken en handelen beheerschte. Zij nu had dit knagende leed niet kunnen en niet willen verdooven met genot. Integendeel: zij had het levendig gehouden met alles wat haar eenzaam verblijf in het kasteel er voedsel aan bieden kon. Gespijsd had zij het gelijk eene slang met haar vleesch.
»Dit had vele jaren zoo geduurd. Jaren lang nog, na het overlijden van den baron, had zij gehaat te leven, en toch gevreesd te sterven. De dood--hoe welkom zou hij haar zijn geweest, indien hij slechts als de verderver van haar lichaam ware opgedaagd. Maar o! die folterende gedachte, dat alles, wat haar gewijd en dierbaar was, tegelijk met haar aan het einde zou gekomen zijn; dat haar naam en titels mèt haar in het graf zouden zinken; dat al hare deftige erfstukken, de oude meubelen en het familie-zilver, de wapenrustingen en de schilderijen, verstrooid zouden raken onder de Semieten; dat de boomen van haar park vallen zouden tot den laatsten; dat haar slot zelfs, eeuw op eeuw de trots en het bolwerk der landstreek, zou weggekruid worden om als puin eenen modderkuil te dempen, of als gruis op eenen kleiweg door boerenklompen vertreden te worden!.... Neen! en dit was geen schrikbeeld, dat zij zich maar in het hoofd haalde;--eene onafwendbare zekerheid was het. Het =moest= gebeuren--spoedig al--morgen reeds, indien zij heden kwam te sterven..... Dan sprong zij van haar leger, in het holle van den nacht, en ontstak eene kaars, en waarde rond door de zalen en kamers, om het oude slot en wat er in was--dat alles waarmede hare verbeelding, haar trots, geheel haar wezen zoo onafscheidelijk inééngevlochten was--nog ééns, nog éénmaal toch te zien. Want morgen, straks reeds, kon zij weggeroepen worden----en dan moest dit alles verstuiven als het tooverpaleis in een sprookje!
»Was het wonder, dat destijds onder het landvolk het gerucht zich verspreidde van een spooksel in het kasteel?--Een licht, flikkerend van kamer in kamer--eene witte gedaante, voorbij een venster sluipend----wat wilde men méér!
»En deze spookmare was in hoogere mate belangwekkend geworden, toen men op zekeren ochtend, nadat in den nacht wederom de verschijning dolende was gezien, mevrouw de douairière bewusteloos had vinden liggen in de groote ridderzaal, vlak nabij het portret en de daaronder geplaatste helmlooze wapenrusting van den bouwheer der Nijenhorst, den grimmigen heer Huibert. Men nam haar op en bracht haar te bed. Verscheidene dagen lag zij in ijlende koortsen. Toen zij na bangen strijd weder tot zichzelve kwam, waren hare haren als witte zijde geworden.
»Wat haar overkomen was--niemand heeft het ooit uit haren mond vernomen. Men mompelde in keuken en tuinmanswoning, straks ook in de dorpskroeg, vreemde dingen: iets van eene oude voorspelling die vervuld, van een vreeselijk voorteeken dat geschied zou zijn--doch waarvan geen mensch, zelfs de oude Bartel niet, het eigenlijke meer wist. De tuinmansvrouw, die de zieke opgepast had, verzekerde dat deze van tijd tot tijd zich plotseling in haar bed had opgericht, en dan met een gebaar vol ontzetting had uitgeroepen: »Het hoofd! het hoofd! Genade!" Ook beweerde Kris de huisknecht bij hoog en bij laag, dat hij dien ochtend, toen men de baronnesse zoo vond, op den stalen kraag van ridder Huibert's harnas eene vlek ontdekt had, die er te voren niet op was geweest, en die----»'t kon wel roest zijn, maar 't had veel meer van bloed!"--En toen deze geruchten zich verspreidden, liet er zich ergens achter het plaggenvuur van eenen heiboer een stokoud, reeds half versuft besje vinden, dat, zeker door deze reminiscentiën geprikkeld, zich de geheele legende van Huibert den Ever weer herinneren kon: hoe hij met den Booze heulde, hoe zijn afgeslagen hoofd den Duivel tot kegelbal werd, en hoe de voorspelling luidde, dat
_Werd de kop ooit weergevonden, Dan was Nienhorst voor de honden--_
--of iets in dien trant! En liefhebbers van curiositeiten snuffelden er oude kronieken op na, waarin werkelijk breedvoerig te lezen stond----
»Maar gij kent reeds die historie. Dit kan ik dus overslaan."
* * * * *
Hier poosde de lezer. Hij stond op, stapte een paar malen de kamer op en neer, en sprak, half tot mij, half tot zichzelven:
»Het heugt mij nog heel goed hoe de menschen hier in de stad over het geval redeneerden. 't Is nu--laat eens zien .... vijftien, zeventien, negentien jaren geleden. Juist was ik met kerstvacantie naar huis gekomen.
»Sommigen geloofden stellig en vast, dat de douairière eene verschijning gezien had; anderen, dat zij nu volslagen krankzinnig geworden was; nog anderen, onder welken een plattelandsheelmeester, dat zij den avond te voren wat zwaar gesoupeerd moest hebben. Ikzelf, in die dagen een _esprit des plus forts_, deelde het gevoelen dezer laatsten; en ik herinner mij hoe ik, met al de beslistheid van mijne achttien jaren, mij in dien zin uitliet tegenover mijnen vader, die een weinig naar mysticisme overhelde. Ik schreeuwde dat het niets kon geweest zijn dan eene hallucinatie, eene _deceptio visus_.
»»Inderdaad?" antwoordde mijn vader: »is dat zoo zeker?"
»Ik vroeg hem of hij dan werkelijk in het algemeen aan de mogelijkheid van geestverschijningen geloofde.
»»De ónmogelijkheid er van", hernam hij, »is althans onbewezen en onbewijsbaar. En wat dit bijzonder geval aangaat, zoo is het niet de vraag wat =ik= geloof, of wat =gij= gelooft, maar wat de baronnesse geloofde; en, bijgevolg, wat de baronnesse gezien kan hebben in dien nacht--met =hare= oogen namelijk: niet met de uwe, ook niet met de mijne, maar met de =hare=. Het eene oog ziet niet als het andere. De hond is in het donker blind voor dingen die de kat zeer duidelijk waarneemt; evenals de nachtvogel in het zonlicht datgene niet zien kan, wat de wakkere hen er met eenen oogopslag in bespiedt."
»»Maar", voerde ik aan, »dit heeft betrekking op tastbare, niet op ontastbare zaken: op feiten, niet op hersenschimmen."
»»En heeft ooit iemand", riep hij, »heeft ooit iemand nog tusschen het tastbare en het ontastbare de grens kunnen bepalen? of ooit kunnen aanwijzen wáár het rijk der feiten eindigt, het rijk der schimmen begint?.... Loop heen toch met uwe quasi-wetenschappelijke machtwoorden! Er overkomt mij iets, dat noch ik noch gij noch iemand verklaren kan, maar dat mij vreeselijk aangrijpt. O! roept gij: dat is niets! belachelijk!--eene hersenschim! eene hallucinatie!... Maar hier: mijne haren zijn er wit door geworden, mijne gemoedsstemming is er door omgeslagen, levenslang moet ik onder den indruk er van blijven.... Wat raakt het mij nu, of gij heel wijsgeerig mij komt vertellen dat =zoo iets niet wezen kan=, dat het eene hersenschim van mij geweest moet zijn!--Te drommel! kunnen of niet, voor mij =was= het. Het moge voor u en uwe philosophie eene hersenschim zijn geweest--voor mij en mijn leven was het een feit!"
»Ik heb dat antwoord nooit vergeten. En ik wil u wel zeggen dat eene andere gedachtenrichting dan die van mijne jeugd, misschien ook eene enkele ervaring, mij sedert met het aanwenden van die quasi-wetenschappelijke machtwoorden, zooals mijn brave vader ze noemde----
»Doch waartoe eene bekentenis, die nu eenmaal in de wereld van het hedendaagsche denken niet meer thuis behoort, en die bij mijne meer verlichte tijdgenooten slechts lachlust wekken kan!....... Kom! het begint zoowaar al te schemeren. Willen we ons etensuur niet verzuimen, dan moet ik met het slot van mijne historie wat spoed maken. Gij wilt het toch hooren?"
»Tot elken prijs!"
Hij zette zich weer tegenover mij, en las verder.
* * * * *
»Wat er dan ook in dien nacht gebeurd moge zijn, wat de baronesse gezien hebbe, of zich verbeeld hebbe te zien--zóóveel is zeker, dat zij, toen zij van haar leger verrees, een veranderd mensch bleek te zijn. De zware ziekte, die haar lichaam had verzwakt, bleek ook haren wrevel gebroken, den geest van verzet in haar gesust te hebben. Of wel, had inderdaad een onheilspellend visioen haar verschrikt, zoo scheen daaruit kalmte over haar neergedaald te zijn: berusting, die zich wellicht hierdoor verklaren laat, dat zij van nu af in den aanstaanden ondergang van haar huis niet langer het werk van menschen zag, doch de vervulling van het fatum haars geslachts. Moest de Nijenhorst verdwijnen--zij deed het ten minste zooals van haren aanvang af verordend was, volgens hare eigene aloude legende.
»Nogeens, hoe dit geweest zij--op de kranke ziel der oude dame scheen de geheimzinnige gebeurtenis heelend te hebben gewerkt. Geene nachtelijke dwaaltochten weder; geene doffe wanhoop meer in haar traanloos oog, geen werkeloos neerzitten in stomme vertwijfeling. Het heden kwelde, de toekomst benauwde haar niet langer; van nu af verkeerde haar geest enkel nog in het verleden. Zij sloot zich op in de ronde torenkamer, verdiepte zich in oude familie-papieren, sloeg eenen grooten voorraad benoodigdheden voor vrouwelijk handwerk in, en wierp zich met rusteloozen ijver op den éénigen arbeid dien zij verstond: het tijdverdrijf dat door haar zelve en door de vrouwen van haar voorgeslacht steeds met smaak en vaardigheid beoefend was: de kunst van de borduurnaald. Voor haar echter was thans dit werk geen ijdel tijdverdrijf meer, doch eene heilige taak, tot wier voltooiing zij zich haasten moest gedurende het korte overschot haars levens. Voor haar werd van nu af die kunst, die kleuren en beelden stikt in het stramien, een als uit den hooge haar aangewezen middel om nog, zooveel in haar vermogen was, der wereld een gedenkstuk na te laten van den glans der adellijke familie die straks uitgestorven, van de sterkte des stamburgs die weldra spoorloos weggevaagd zou wezen. Dag en nacht repte zij de naald; tafereel op tafereel, uit de geschiedenis van haar huis, maalden de bonte draden op het gaas. Hoe sloofde zij zich af over dezen arbeid, tot vaak de oude oogen en de stramme vingers haar den dienst weigerden. Dan, als zij een beeld voltooid had, hing zij het op aan den wand harer kluis, en zat uren lang in beschouwing er van, met eene schier kinderlijke voldoening. Want dit toch behoorde haarzélve nu toe: dit was niet begrepen onder Shylock's inventaris: dit toch zou na haren dood de uitdrager niet te koop kunnen hangen in zijne voddenkraam. Het zou haar en haar slot nog eeuwen kunnen overleven, om te midden eener passende omgeving haren naam in aandenken te houden. Zij had het bij testament vermaakt, dit harer handen werk, aan eene naburige stad. Dáár zou het prijken in de oudhedenkamer van het antieke raadhuis, als een _monumentum aere perennius_ van de Nijenhorst en haren ridderstam.
* * * * *
»Zóó dus had die vrouw in hare stille afzondering datgene gevonden, wat aan vele dier drokke wereldlingen, die haar uit den slottuin aanstaarden als ware zij een levend fossiel, wellicht nog niet toebedacht was: eene roeping, die haar heure eenzaamheid bevolkte met de schepselen der herinnering en der phantasie.
»Achttien jaren was zij onafgebroken met dit naaldwerk bezig. Ter wereld niets anders beslommerde haar meer.