Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 15
Ik smaakte dezen herfst het genoegen, een paar dagen door te brengen als gast van een oud academievriend, secretaris, en tevens archivaris van eene kleine, maar door hare oudheid belangwekkende stad in het oostelijke deel van Gelderland. Wij hadden ons voorgesteld eens flink op onzen wandel te gaan door de fraaie, houtrijke omstreken, en zoo, al dolend onder Wijnmaands bonte loovers, naar hartelust, als eertijds onder de schaduwen van de Delftsche kerktorens, weer eens te kouten over los en vast. Doch die eeuwige spellebreker, het weder, verkoos ons dit onschuldige genoegen niet te gunnen; en daar het ons wel kende als personen die zich door eene matige regenbui niet van wandelplannen laten afschrikken, zoo goot het zijnen wrok over ons beiden en de rest van het geschapene uit in den vorm van eene onophoudelijke stortvlaag, schuin gedreven door eenen killen, kwaadaardigen blazer uit het noordwesten. Toch hadden wij den hemel misschien nog durven trotseeren; maar de aarde, het mulle slib der bosch- en heidepaden--onmogelijk!--Zoo dan, nadat wij voorshands een weinig uitgepraat waren, en ook reeds van de biljart- en kegelballen in het societeitsgebouw het uiterste tot onze verstrooiing hadden gevergd, begonnen wij ons recht eendrachtiglijk te vervelen. Juist waren wij gevorderd tot dat schrikkelijke stadium van landerigheid, waarin de mensch zóó verre al zijne aanspraken op den titel van redelijk wezen vergeet, dat hij aan het uitvaren slaat tegen de elementen--toen mijn gastheer zich plotseling het bestaan herinnerde van een kabinet van oudheden in het stedeken zijner inwoning. Het was ten raadhuize, een antiek gebouw, op zichzelf al bezienswaardig.
»Heel interessant", zeide hij: »werkelijk!"
»Ge bedoelt", spotte ik, »als een laatste heul voor ongelukkigen, die op eenen druipnatten namiddag ten einde raad zijn met zichzelven?"
»Neen, tóch niet!" hernam hij: »het is eene wezenlijk belangrijke verzameling; en ik zal het mijzelven nooit vergeven dat ik je niet terstond bij je aankomst er heb heengesleept:--ik, die nog wel zooveel als ouderling en diaken er over ben, in goed vertrouwen aangesteld om de belangen er van te behartige en den bloei er van te bevorderen! O schande over mijn hoofd!--Doch kom! nu ook geene minuut langer hier onzen luttelen levensduur verschalkt met geeuwen. Hier is je hoed--daar je paraplu--voorwaarts!"
Wel, wij gingen;--en ik twijfel geen oogenblik, of mijn vriend had ten volle recht, wanneer hij de collectie rijk en belangwekkend noemde. Zij moet het in hooge mate wezen voor eenen kenner van vuursteenspitsen, heidensche urnen, romeinsche munten, middeneeuwsche gedenkpenningen, verroeste wapenen, oorkonden, handvesten, gildeboeken en wat dies meer zij. Mijn leekenoog echter had van deze voorwerpen al ras zijne bekomst, en wendde zich telkens nieuwsgierig naar eene verzameling tapisseriewerk, die, aan den versten zijwand bevestigd, mij reeds op eenen afstand door hare fraaie kleuren en levendige figuren aangetrokken had. Mijn geleider bestrafte mij wegens deze afdoling mijner aandacht; hij wilde dat ik alles recht wetenschappelijk bezichtigen zou volgens den chronologisch opgemaakten catalogus: eerst de merkwaardigheden van het jaar nul, en zoo, al opklimmende, die van het jaar 1880, voor zooveel aanwezig.--»Geduld toch!" riep hij: »het jongste 't laatst!"--Nadat hij mij aldus door de antiquarische stoflagen van ik weet niet hoeveel duizend jaren had doen heenwurmen, landden wij eindelijk bij de tapisserieën aan.
»Ja", sprak hij, terwijl wij, van het drentelen moe, op eene rustbank er vóór ons nederlieten: »dit is nu eigenlijk volstrekt niet oud--jonger nog dan de haren op onze betrekkelijk jeugdige schedels; maar over honderd jaar zal menige edele Brit zijnen cylinderhoed vol goud er voor bieden. 't Is het werk en het geschenk van eene douairière Van Nijenhorst, vóór een paar jaren op haar kasteel, hier niet ver vandaan, overleden. Bekijk het eens terdege. Het is belangwekkend, ziet ge, in eenen =dieperen= zin."
De nadruk dien hij op deze woorden legde, terwijl hij zich in beschouwende houding achterover vlijde, deed mij vermoeden dat hij zelf inderdaad op dit jongste stuk in zijn museum van oudheden méér prijs stelde, dan op al het gesnor uit heidensche grafheuvels of romeinsche kampen.
Het zijn twaalf stuks ramen, elk ter grootte van eenen vierkanten meter ongeveer, op zwaar doek gespannen en in eenvoudige zwarte lijsten gevat, met het geslachtswapen der Nijenhorsten gekroond. Ze bij gobelijns te vergelijken, ware aan die beroemde gewrochten der oude Fransche kunstnijverheid onrecht doen. Gij vindt hier niet de zuiverheid van lijnen, noch de rijke en zorgvuldige kleurenmengeling, die gij in gindsche groote muurtapijten zoozeer bewondert. Op de teekenkunst der douairière valt heel wat aan te merken; vele harer figuren zijn, op den keper beschouwd, niets meer of minder dan wanstaltig; om licht- en schaduwzijde heeft zij zich niet zwaar bekommerd; en niet zelden zondigde zij schromelijk tegen de regelen der perspectief. Maar ter vergoelijking van die feilen strekt, dat hier, wat de hoofdzaak betreft, niet naar modellen, doch geheel uit eigene phantasie gearbeid werd. En dan is er in de wijze van voorstellen, bij groote historische juistheid in de onderdeelen, en bij eene scherpheid van uitvoering, welke op eenigen afstand het stiksel van wol en zijde naar penseelwerk zweemen doet, eene naïeve, hoekige kracht, eene intensiteit, die u aangrijpt en u onwillekeurig aan de waarheid er van doet gelooven. Men voelt hoe het der maakster ernst was met haren arbeid: hoe het haar bij dit werk te doen moet geweest zijn om iets hoogers dan tijddoodend geknutsel.
»Gij zult zoo zonder toelichting er niet veel van begrijpen", merkte mijn vriend na een vrij langdurig stilzwijgen op.
»Dat is wel waar", antwoordde ik: »een beredeneerde catalogus ware bij dit nummer, voor oningewijden, evenmin overdaad als bij uwe onkenbare muntspeciën en onleesbare perkamenten."
»Tot zulk een boekdeel hebben we het hier nog niet gebracht. Doch wilt ge u met mijn mondelijk commentaar behelpen----"
»Onschatbare! wat kon ik beter wenschen!"
* * * * *
»Het eerste raam", zoo begon hij zijne toelichting, »vertoont u de Nijenhorst zooals zij stond opgebouwd vóór vijfhonderd jaren: een geduchte burcht, met dubbele grachten en ringmuren, gekanteelde torens en valpoorten. Niets bijzonders overigens: juist een steenklomp zooals er destijds een vijftig tusschen de wouden en moerassen van het Geldersche genesteld lagen, land en landvolk verplettende onder hun gewicht. Deze afbeelding kan trouwens slechts de copie wezen van eene latere, wellicht geheel apocriefe teekening.
»Nummer twee van de rij is het portret van den bouwheer dezer sterke veste: ridder Huibert, bijgenaamd de Ever. Wèl verdiende hij dezen toenaam. Een massieve kop, een vierkante neus, een wreede mond, scherpe kleine oogen onder borstelige wenkbrauwen--eene echte wildzwijnen-tronie, niet waar?--Van beroep was hij vrijbuiter. Merkt ge die fijne roode streep wel op, om zijnen hals?--Hij werd er mee geboren, verzekert de huiskroniek der Nijenhorsten; en hij zelf wist zeer goed wat voor eenen dood deze grimmige speling der natuur hem voorspelde. Doch hij placht te zeggen dat de scherprechter zijn hoofd toch nooit hebben zou, want dat het aan den Duivel toehoorde, die het van hem gekocht had ten gebruike bij hoogstdeszelfs kegelspel. Herhaaldelijk (men schreef het aan assistentie van Zijne Helsche Majesteit toe) wist hij aan de wraak der lang geplaagde poorters van deze stad te ontspringen. Maar ten leste deed toch het zwaard der gerechtigheid aan de roode streep bescheid, en moest de koene bandiet zijne schuld laten vereffenen--, ten minste als het zoo heeten mag, wanneer men met slechts éénen kop het gelag betaalt voor honderd welgeslaagde roof-, brand- en schaakpartijen. Zeker niet te duur! Ook had inderdaad die kop, na van den romp te zijn gescheiden, zijne rol volstrekt nog niet uitgespeeld. Een feit, waarvan ook stedelijke bescheiden gewag maken, moet het geweest zijn, dat Huibert's hoofd na de terechtstelling nergens te vinden was. Men doorsnuffelde de woningen rondom de richtplaats; men zocht in de stad en er buiten; men spande den beul, zijnen knecht, en nog een dozijn andere stakkers, die men van medeplichtigheid aan het goochelstuk verdacht, op de pijnbank,--alles vergeefs: het hoofd van den Ever bleef spoorloos verdwenen. Dit werd eene geruchtmakende rechtszaak; uit mijn archief zou ik u nog documenten kunnen voorleggen, die er betrekking op hebben. Het einde was, dat men het geval op rekening van mijnheer den Satan schoof, die, gelijk gezegd, reeds meermalen aan Huibert van de Nijenhorst dienstvaardigheid heette betoond te hebben. Het groteske verhaal leefde in den volksmond voort; en--zooals het gewoonlijk met dergelijke overleveringen ging--er werd door den eenen of anderen sterrekijker eene soort van berijmde voorspelling aan verbonden, hierop neerkomende, dat, als ooit de kop van den ridder teruggevonden werd, de val van de Nijenhorst nabij zou wezen. Legende en profetie vormden langen tijd een der geliefkoosde volkssprookjes van deze streek. »Hoor!" zeide de boeren tot elkaar, wanneer in den winternacht de rukwinden over de heide gierden: »de duivel is weer aan 't kegelen--met heer Huibert's kop!".... Maar de revolutie en de stoom hebben ook de sprookjes uit de wereld gejaagd. Tegenwoordig zou geen boer u meer de legende van Huibert den Ever kunnen vertellen.
»De negen tafereelen die nu volgen, veraanschouwelijken een aantal heuglijke episoden uit het gulden tijdperk van de Nijenhorst en hare bewoners. Hier ziet ge Huibert's achterkleinzoon, den schoonen Reinier, als overwinnaar in het tournooi den gouden eereketen ontvangen uit de handen van Maria van Bourgondië. Dáár eenen anderen weerbaren telg, met zijn slagzwaard den schedel klievende van Aremberg te Heiligerlee. Ginds eenen Nijenhorst, met groote staatsie binnengeleid als afgezant van de Generale Staten bij het Portugeesche hof. Dan een bruiloftsfestijn: een heer van Nijenhorst huwt in 1730 de schatrijke dochter van een Amsterdamsch handelspatriciër, en beide familiën geven in praal en overdaad elkander niets gewonnen. Fraai getroffen is deze reigerjacht, door eenen der baronnen aangelegd ter eere van Prins Willem V. Die heer op het witte paard is de Prins; die rijk gekleede dame naast hem, op den isabel, de overgrootmoeder van wijlen onze douairière. Verder hebben we, nummer elf, eene voorstelling hoe Koning Willem II, als gast op de Nijenhorst, aan tafel eenen dronk wijdt aan de gezondheid van de vrouw des huizes. Een aardig regiment champagner-flesschen, dat daar op het buffet staat!....... _A propos!_ Het moet u opvallen hoe treffend (ofschoon zeker geheel zonder oogmerk) deze reeks tafereelen de opkomst en de verbastering illustreert van de Nederlandsche aristocratie in den loop onzer geschiedenis. Eerst straatroof; dan ridderlijkheid; vervolgens echte heldenmoed; daarna staatsmansbeleid; straks weeldedienst; en eindelijk nog slechts eene slemppartij.
»Maar zoo zijn wij nu gevorderd tot het twaalfde en laatste nummer van de rij--: het schoonste misschien--stellig het zinrijkste. Zie! niets dan eene kale, eindelooze heidevlakte, gehuld in schemergrauw. Ter zijde, in het verschiet, een enkele boomstronk, versplinterd alsof de bliksem hem trof. Geen levend wezen: geen raaf zelfs, die krast op den knoest. Boven den somberen horizon slechts eene smalle streep van het matste avondrood, ter herinnering dat ook de volle middagzon de plek beschenen heeft, waar eeuwen lang de Nijenhorst te midden van haar woudpark stond."
* * * * *
Zoo sprekende, had mijn vriend zich van mij afgewend en ging hij voor het venster in de grauwe regenlucht staan turen, blijkbaar in gedachten verzonken. Spoedig echter keerde hij zich weder tot mij, en zeide:
»Er is aan dit legaat, waarmede aan onze jeugdige oudheidkundige vereeniging boven menig aanzienlijker zustergenootschap eene niet geringe onderscheiding bewezen werd, eene geschiedenis verbonden: eene zonderlinge, _unheimliche_, en toch aandoenlijke geschiedenis. Waarlijk, om haar aandoenlijk te vinden, behoeft men geen aristocraat te zijn--zooals ik!" voegde hij er met eenen zwaarmoedigen glimlach bij.
Ik moet hier aanstippen dat mijn vriend de telg is van eene adellijke familie, eenmaal hoog gezien in den lande--thans onbemiddeld, en bij gevolg niet meer in tel. In de praktijk geen humaner en vrijzinniger man, dan hij; nooit echter heeft hij zich van zekere traditioneele begrippen, of wanbegrippen, van zijnen stand geheel kunnen losmaken: iets wat hem, in mijne oogen althans, slechts tot eer verstrekt, en aan zijne persoonlijkheid, ook in den omgang met hen die de dingen uit een verschillend standpunt beschouwen, eene ongemeene bekoring, eene eigenaardige distinctie bijzet.
»Gij zijt", vervolgde hij, »geen oudheidsman, jammer genoeg! Maar van het romantische, ik weet het, kan men u nooit verzaden. Komaan! het regent nog altoos voort. Ik heb lust u een klein opstel voor te lezen, dat ik kortelings in deze rustige kamer neerschreef, en dus ook hier maar wegsloot. Het handelt--zoo half beschrijving, half studie--over het bestaan van de zonderlinge oude dame, die dezen ontzaglijken arbeid daar in enkele jaren tijds met hare handen volbracht. Ik heb haar persoonlijk nog gekend--voor zoover zij zich kennen liet. In hoofdzaak is mijne schets historisch; wat nevenwerk heb ik uit mijne verbeelding moeten aanvullen--niet al te onjuist, durf ik hopen."
Hij kreeg uit eene lade een handschrift, zette zich naast mij op de divan, en las hetgeen hier volgt.
* * * * *
»Verleden jaar stond het er nog. Thans is het verdwenen.
»Het stond er als Simson onder de Philistijnen: Simson van zijn hoofdhaar beroofd, gekneveld en blindgepriemd: altoos, ook zóó nog, eene ontzaggelijke gestalte--doch de sterke en gevreesde held niet langer: een groote romp nog slechts, weerloos en machteloos, gesmaad, geschonden en ten doode gedoemd. Simson's hoofdhaar zou weder aanwassen, zoodat hij, éénmaal sterk nog vóór zijnen val, in den dood nog met vreeselijke wraak zijne beulen overstelpen zou. Voor het arme kasteel echter was niet eens zulk een heldeneinde weggelegd; geenen enkelen steen zijner torens heeft het op de hoofden van zijne sloopers kunnen doen nederploffen.
»Ik bedoel het kasteel waarin mevrouw de douairière woonde. Onder de Philistijnen versta ik den papiermolenaar, den vernisstoker en den fabrikant van zweedsche lucifers, welke zich met ploertige vrijpostigheid reeds dicht aan zijne ringgracht hadden genesteld; benevens de Aziaten, de beunhazen en de kleine industrieelen, die speculeerden op zijne afbraak. Zij wisten, deze brave burgers, tot op eenen stuiver de waarde te ramen van elken boom die er nog overeind stond in het alreeds deerlijk geslonkene en verwaarloosde slotpark; zij rekenden u voor, hoeveel honderd karrevrachten puin en lood en goede brokken eikenhout er zouden weg te rijden vallen; zij telden op hunne vingers de perceelen bouwgrond, in welke het terrein geveild zou worden, wanneer het plantsoen gerooid en de gracht gedempt, wanneer er van den burcht geen steen meer op den anderen zou zijn. Als mevrouw de douairière maar eenmaal verkoos uit te stappen! Het wonder was, hoe zoo een oud en miserabel schepsel nog zulk een taai leven hebben kon!--In waarheid, de oudroesten en opkoopers sloegen aan het wanhopen. Het geldschietend Israël begon zich de haren uit te rukken van wege zijne traag beloonde grootmoedigheid.
»Nu, aan dat taaie leven was dan toch op het lest een eind gekomen. Mevrouw de douairière had werkelijk op zekeren dag--onverwachts nog, eene ware verrassing--aan den algemeenen wensch gevolg gegeven. Zij had begrepen dat zij al die eerlijke huisvaders nu niet langer mocht laten zuchten naar hunnen rechtmatigen buit. Zij zette zich dus in haren ouden leuningstoel, en blies den adem uit haar afgesleten lichaam. En in hetzelfde oogenblik hadden onzichtbare vingeren het doodsmerk gedrukt op het breede front van de oud-adellijke huizinge harer vaderen.
* * * * *
»Dit doodsmerk--och! vijftien jaren geleden reeds hadden matig scherpe oogen het er op kunnen waarnemen. Ook toen reeds had sedert lang de onverbiddelijke macht, die men Tijdgeest noemt, het vonnis van ondergang geveld over burchten en kasteelen, ridders en douairières, over alles wat zijn recht op voortbestaan nog slechts ontleende aan een afgedaan verleden. Maar toch was toen onder de Geldersche boeren een edelman nog een edelman, en een adellijk slot had, in den Achterhoek althans, nog ruimte om te ademen. Zoo stond dan ook de trotsche Nijenhorst, als van eeuwen her, nog schijnbaar veilig te midden van hare uitgestrekte woudgronden; en haar bewoner, binnen hare sterke muren gezeten als op het voetstuk van eene nog niet ganschelijk neergerukte traditie, genoot, zoo niet meer de macht en de voorrechten, dan ten minste nog het aanzien van een adellijk heerschap op zijn domein. Helaas echter! zijn opvolger, de laatste baron, had het tij geheel verloopen gevonden. Het menschengeslacht, dat bij zijn opgroeien den matten naglans der feodale overleveringen nog had aanschouwd, was sedert ook in de Graafschap uitgestorven;--wat de vaders niet meer gevreesd, maar toch uit een overgeërfd gevoel nog geëerbiedigd hadden, dat bleef in het oog der zonen slechts een log en tergend anachronisme, van welks karakter zij niets meer begrepen, welks geschiedenis hun geen belang inboezemde, welks eerbiedwaardigheid hun belachelijk voorkwam: een onding, dat hun door zijne aanmatigende grootte hinderlijk was, en dat dus voort moest. Voort ging het dan ook. De Tijdgeest is als Juggernaut's wagen: eene zegekar voor wie hem volgen: doch wat hem in den weg staat, dat vermorzelt hij. De Joden en de dorpers nu kwamen àchter den wagen. De Nijenhorst en haar heer stonden er vóór. Zij moesten er dus onder.
»Was er dan voor deze beiden geen uitwijken mogelijk geweest?--Zeer zeker. Onze moderne samenleving heeft aan haren breeden boezem plaats genoeg zoowel voor den afgedankten edelman als voor den souvereinen kinkel. Hadde de Nijenhorst zich slechts laten verbouwen tot eene sigarenfabriek, of tot eene ijzersmelterij, misschien ware zij gespaard gebleven. Mocht haar heer slechts hebben kunnen besluiten om bij de Geldersche boeren de klandisie af te bedelen als wijnkooper, of als leverancier van comestibles, vermoedelijk had hij zijn hoofd boven water kunnen houden--misschien zelf den stam van zijn doorluchtig geslacht kunnen overplanten in eenen vetteren bodem, waar de oude boom in de toekomst meer eetbare, zij het dan ook minder edele vruchten zou gedragen hebben: eene goede vracht sappige peren, bij voorbeeld, in stee van eenen wrangen oranje-appel of wat. Doch men weet het: wien de Goden verderven willen, dien benemen zij eerst het verstand. Het kasteel verkoos met steenen onverzettelijkheid een kasteel te blijven, de baron met middeneeuwschen hoogmoed een baron. En dan--wat spreek ik van zijn geslacht!--Had hij er nog een? Hij en zijne gade--neef en nicht, die denzelfden naam droegen en de Nijenhorst tot hun gemeenschappelijk stamhuis hadden--waren zij niet de laatsten van dien naam en van dat huis? Moest niet de vloek hen treffen, die sneller nog dan de geest des tijds onzen ouden adel wegslinken doet: de vloek der kinderloosheid, vergelding misschien voor de weeldezonden van zoo menigen àl te vruchtbaren onder hunne voorvaderen?--Alles in het verleden dus; niets in de toekomst!--Zoo sloeg dan den man de moedeloosheid om het hart; en het korte =heden= werd zijn afgod. Echtelijke liefde bond hem niet. Arbeid, dien hij voor eenen zoon wellicht zich had willen getroosten, dacht hem voor hemzelven nutteloos, zoo niet vernederend. Hatelijk werd hem de aanblik van den somberen ouden burg, boven welken hij de mokers van een geminacht plebs reeds zweven zag; hatelijk de klank van den titel, die hem geene eer meer aanbracht; hatelijk het gezelschap van de reeds bedaagde vrouw, die hem geenen stamhouder had kunnen schenken. Genot slechts lachte hem nog toe. Hij volgde het voorbeeld van zoo menigen onwaardigen standgenoot, het voorbeeld zelfs van tot hooger geroepenen dan hij----en Parijs verslond hem--de lichtekooi van Europa, die in haren onverzadelijken schoot al méér deftige ridderhoven heeft te loor doen gaan, dan de Noordzee schepen in hare kolken. Zij at hem op: hem en zijn slot, zijne bosschen en zijn zilverwerk, zijne akkers en zijn porcelein.--Laden wij dus, willen wij billijk zijn, niet op Juggernaut alléén de schuld, wanneer wij van de Nijenhorst enkel de fundamenten, van hare beukenlanen slechts de reeds vermolmde wortelstronken nog overig vinden.
»Na enkele jaren--het had niet lang meer moeten duren, of Lutetia zou den ongelukkige uitgestooten hebben, gelijk de spin eene leeggezogene vlieg uit hare webbe werpt--na enkele jaren dan, had gelukkig een hevige aanval van jicht den heer baron genoopt een einde te maken aan zijne slemperij, en naar huis te keeren, om (beter laat dan nooit) zich met den Hemel te verzoenen, en kort daarop te sterven. Niets was het zijne meer; alles was beleend: doch op eene voorwaarde, door welke hij ten minste gedurende zijn leven zijnen stand nog verzekerde, en, moest hij vóór haar heengaan, ook den stand van haar, die hij wel nooit had kunnen liefhebben, maar die toch zijnen naam nog zou blijven dragen, die van zijn eigen edel bloed was, ja, die immers niet minder dan hij zelf betrekking had op het dak dat hij boven haar hoofd zou laten--háár voorvaderlijk erfgoed ook, waarvan hij tot de laatste roede gronds verslingerd had aan de sletten van het Bal de l'Opéra. De Nijenhorst, met al wat er in en om en aan haar was--zoo bepaalde het verdrag met de firma Ruben Shylock & Co. te Amsterdam--, alles zou ongerept gelaten worden zoolang de baronesse onder de levenden verkeerde; bovendien zou de firma aan de weduwe tot haren dood een bescheiden jaargeld uitkeeren, dat, nevens het vruchtgebruik van het nog maar magere goed, haar in staat zou stellen, voor het oog der wereld althans, op den ouden voet te blijven voortleven. Zij zelve (het lag voor de hand) mocht geenen vlierstruik doen omhakken, geen meubel verwisselen; en zoodra de laatste snik haar over de lippen was, zou Shylock komen om zijn pand.
»Nu begrijpt men waarom Israël jubelde aan den Amstelstroom, toen de tijding kwam dat eindelijk, eindelijk mevrouw de douairière het besluit had kunnen vatten om uit dit tranendal te scheiden.
* * * * *