Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 14
»Ik zelf? Papperlepap, meneer!--Neen, mijne eigen vingers hebben met dat getrommel daar boven in den toren al lang hunne _geläufigkeit_ verloren. Mijne dochter is 't, die u hoort. De sonaten van Beethoven, het _Rondo capriccioso_ van Mendelssohn, het _Blumenstück_ van Schumann--als gesneden koek, zeg ik u! Netjes en met gevoel, glad en _con brio_!--Had ze mijnen zin gevolgd, dan was ze pianojuffrouw geworden: en dan was haar kost gekocht geweest. Maar zij beweert dat ze niet uit het hout gesneden is om allerlei apen zonder ooren en kippen zonder kop de gamma's en den eersten Czerny in te stampen; en daarin heeft ze wel gelijk, geloof ik: want tot martelaarster is mijn Suzètje ook al niet in de wieg gelegd; eer, vrees ik, zou ze eene pil innemen of uit het zolderraam springen, als men haar het leven te spaansch maakte.... Eene superbe meid, meneer! Je kent haar toch? Eene meid om eenen paal mee in den grond te slaan. Oók trotsch, jawel!--Een juffertje, dat er uitziet als zij, heeft natuurlijk wel eens aanstoot van de heertjes. Dat kan niet anders; bloed is geen karnemelk, en wij zijn allemaal jong geweest;--maar ik beloof je dat zij de snuiters die haar te na komen op de kneukels weet te tikken! Eene kranige meid, hoor, waarop een vader trotsch mag zijn!.... Maar kijk, zoo kom ik nu vanzelf weer op mijn chapiter terug. Trots, zeide ik, is heel goed. Alleen, men kan ook de beste dingen bij den verkeerden kant aanpakken. Een burgermeisje, zeg ik maar, dat nu eenmaal geen fortuin heeft, moet niet te trotsch wezen om haren vader op eene fatsoenlijke manier zijne middelen van bestaan te helpen verbeteren. Wel, meneer--zelfs professors en dominees verhuren kamers aan jongelui! Waarom dan geen arme oude muzikant?--En wanneer men eenmaal kamers verhuurt, dan moet men niet te trotsch wezen om zelf eens een kopje of een glaasje binnen te brengen. En heeft een meisje in zoo'n positie het voorrecht, dat ze er goed uitziet, dan mag zij in alle eer en deugd bedacht zijn op een goed huwelijk, dat haar eene toekomst verzekert; en dan behoeft zij niet met hare zure gezichten elk jongmensch, die misschien met de nobelste bedoelingen met haar in kennis zoekt te geraken, en die daartoe geen geschikter middel weet, dan bij haren vader in huis behoorlijk eene kamer te betrekken----"
Op dit oogenblik werd er driftig tegen de kamerdeur geklopt, en Suzette's stem, in welke eene trilling van toorn niet te miskennen viel, riep van buiten: »Vader, het eten staat op tafel! Zult u haast komen?"..... Had zij iets van zijne luide redeneering opgevangen, en op deze kort aangebonden manier zijn gesnap willen afbreken?... »Ik kom, ik kom!" schreeuwde Holwerd, zichtbaar verward: »Tot weerziens, meneer Heise! Excuseer mijne rondborstigheid! We praten wel eens nader, hoop ik!"--En hij dribbelde snel de kamer uit.
Neen oude! met mij zoudt ge niet veel nader meer praten--ten minste over uwe dochter niet. Ik verachtte den vent na dit gesprek: en toch was ik hem voor zijne borrelpraat half dankbaar. Want nu eerst werd alles mij duidelijk. Nu eerst begreep ik de krenkende positie van het meisje in dit huis:--eene schoone dochter, fier en rein--een veile dronkaard van eenen vader. Nu ook besefte ik in welk eene valsche stelling ik mijzelven tegenover haar geplaatst had. Hoe kon het anders, of zij moest meenen dat ik haar gevolgd was en beloerd had na die ontmoeting op den singel? dat ook ik een dier sujetten was, die zich in hare woning waren komen nestelen om haar strikken te spannen?--Ik begreep hare schuwheid, haren onwil om zich te vertoonen--alles!... Wat moest ik doen?--Heengaan? Maar dat zou op den aftocht van eenen verslagen vijand gelijken. Neen! blijven wilde ik. Ik wilde haar bewijzen, door mijn eerbiedig gedrag, door mijne ingetogenheid, dat zij zich in mij dan toch vergist had. Blijven dus--al ware het slechts om door mijne aanwezigheid de kapers van de kust te houden.
Van toen af kon ik het voor mijzelven niet meer verhelen, dat er voor Suzette iets in mij groeide, wat ik (hoe vaak ook vroeger op deze of gene deerne heimelijk verzot) voor geene andere vrouw ooit gevoeld had. Eerst hield ik het nog voor eene soort van medelijden, gepaard aan een ridderlijk verlangen om haar te beschermen. Zij immers moest, evenals ik zelf, zich eenzaam en ongelukkig voelen in de wereld; en hoewel ik zeer goed wist dat twee gekken nooit éénen wijze maken, noch twee lafaards éénen held, zoo waren mij toch wel gevallen bekend, waarin twee eenzaamheden de som hadden opgeleverd van ééne volmaakte gezelligheid, en twee ongelukkigheden die van één onmetelijk geluk. Maar straks geraakte ik tot het bewustzijn, dat de zaak te ernstig werd voor woordspelingen, en dat het eene wonderlijke soort van medelijden is, waaruit een razende drang ontstaat om voor het voorwerp er van op de knieën te vallen en het de voeten te kussen.
Mijn vriend--ik was verliefd! Dat is, verliefd zooals ik met =mijn= karakter het wezen moest: verliefd met eene verholene intensiteit, die weldra mijn geheele =zijn= doordringen zou: met eenen stillen, innerlijken gloed, die langzaam voort zou smeulen tot hij mij gansch zou hebben verteerd. Ik sidderde bij het uitzicht: want het beloofde mij niets dan marteling. En toch deed deze nieuwe pijn mij tintelen van eene ongekende vreugd, van eene vage zaligheid, doelloos, redeloos, hopeloos--en nochtans zoo zalig.... Wel, amice--gij zelf waart indertijd niet van marmer. Gij weet dus alles.... Ik was verliefd!
* * * * *
Drie weken na mijne intrede in meester Holwerd's huis zag ik Suzette voor het eerst terug. Het was op de stoep, terwijl ik tegen het middaguur iets vroeger dan gewoonlijk thuiskwam, en zij juist uit wilde gaan. Mijnen beleefden, diep blozenden groet beantwoordde zij nauwelijks met eene lichte hoofdbeweging. Mijn God! hoe streng die fijne wenkbrauwen, dat blanke voorhoofd zich konden fronsen over die trotsche bruine oogen! Hoe verachtend die neusvleugels trillen, die lippen zich krullen konden!.... Wat zal ik u zeggen?--Ik vond er haar slechts te schooner, te edeler, te begeerlijker om!...... Mijn vriend--ik was verliefd!
En, bij mijnen baard, dat ben ik----ja, 't is zeldzaam wanneer men reeds aan zijne koperen bruiloft denkt----dat ben ik thans nóg!.... Nu echter niet meer als de smachtende slungel op de ongenaakbare nimf zijner droomen--maar als de op zijne beurt trotsche man op de milde, in wedermin bloeiende gade. Nu niet meer in de magerheid van mijn verlangen--maar in de volheid van mijn bezit. Nu niet meer, zooals Jan Luyken zingt--Jan Luyken, die, zoo'n kwast als hij was, toch wel een paar geestige minnedeuntjes uit zijne lier getokkeld heeft--, nu niet meer in »_onzalige eenzaamheyt, vol quijnende ongenuchten_"--maar
_In den blijden staat Van hem wien 't is gegeven Door 't soet gelaat Van zijn beminde nooyt te zijn verzaat!_
Zóó ver echter waren wij toen in lang nog niet.
Maanden verliepen er, zonder wezenlijke verandering in onze verhouding. Alleen scheen Suzette mij niet meer zoo opzettelijk uit den weg te gaan, en, als zij mij toevallig ontmoette, niet meer zoo voorbedachtelijk, zoo bestudeerd afstootend tegen mij. Drie dingen moeten, geloof ik, in mijn voordeel bij haar gepleit hebben, althans hare zwarte vermoedens omtrent mijne bedoelingen te haren opzichte in slaap hebben gesust. Vooreerst mijne altoos bloode, maar toch niet onridderlijke hoffelijkheid; ten tweede, dat ik zooveel mogelijk alle verdere vertrouwelijke gesprekken vermeed met haren vader; en eindelijk mijne eenzame, geregelde levenswijze;--ik had mijne vroegere losheden geheel afgezworen; ik zat meest elken avond tehuis, en werkte vlijtig. Soms, bij onze vluchtige ontmoetingen, wilde het mij lijken of er in de wijze waarop zij mij aanzag eene mengeling van bevreemding en medelijden, iets zelfs van belangstelling lag. Dat zij mij nu nog voor eenen vermomden Don Juan, voor eenen huichelenden belager van hare eer verslijten zou, was onmogelijk. Toch bleef zij, koel en streng, elke nadering ontwijken. Slechts bij hooge uitzondering, wanneer het dienstmeisje uit was, bracht zij mij iets op mijne kamer; ik had mij trouwens aangewend zooveel doenlijk mijzelven te helpen. Eéns maar had ik bij zulk eene gelegenheid de vermetelheid bijeengeraapt om haar te zeggen--stamelend en met eenen purperen blos--hoeveel genoegen zij mij des avonds, terwijl ik studeerde, verschafte met haar piano-spel. Sedert merkte ik op dat zij vaker en langer speelde dan te voren.
Een andere verliefde, bedeeld met een weinigje meer zelfvertrouwen, zou allicht uit dit laatste trekje vooral zich wat goeds hebben durven beloven; één punt van sympathische aanraking is immers reeds veel, en de taal der tonen (ook ik speelde klavier) heeft al méér jonge harten tot elkander gebracht, dan die van den mond. Doch ik, met mijne bloosziekte en menschenvrees, met mijne ingewortelde begrippen omtrent de onaantrekkelijkheid van mijnen persoon, met mijne vooropgestelde overtuiging dat ik als vrijer van een jong en aanlokkelijk meisje eene onmogelijkheid was--wat had =ik= mij te beloven?--Ik kon niet inzien, en ik dacht er ook liefst niet aan, wat er uit mijnen hartstocht worden moest. Vrijen en trouwen leek mij meer dan ooit eene voor mij ondenkbare onderneming. Bovendien, ik was innerlijk toch ook veel te fier om door de vrouw die ik liefhad te willen aangenomen worden enkel uit genade, of omdat ik goed genoeg zou zijn om (zooals vader Holwerd zeide) haar eene toekomst te verzekeren; bij al mijne geringschatting van mijne uiterlijke waarde, zou ik van de vrouw die ik huwde toch wedermin gevergd hebben als eene _conditio sine qua non_. Mij bleef dus niets over, dan, naar het voorbeeld van mijnen beminden Don Quixote, van Amadis en Fiérabras en honderd andere edele ridderzielen, genoeg te hebben aan mijne eigene liefde _pure et simple_, in haar te leven om haarzelve, zonder hoop op, ja, kon het wezen, zonder verlangen zelfs naar bevrediging.
Meen niet dat mij dit licht viel!--Ik had goed mij verdiepen in Cervantes--nooit liet zich onder het lezen de nevengedachte weren, dat Don Quixote en Amadis en Fiérabras altegaar maar zielen van papier, maar ridders van stroo en blik waren. Ik had mooi idealiseeren, dagelijks herinnerde mij de natuur met felle nepen, dat de min iets is van vleesch en bloed. Dan was ik bij vlagen den waanzin nabij! Dan wilde ik mij aan Suzette's voeten gaan storten, en haar smeeken zich over mij te erbarmen!.... Maar tijdig nog dook voor mij het schrikbeeld op, dat zij mij uitlachen en wegstooten zou, en dat ik dan zou moeten vertrekken uit de woning waar ik ten minste een wrang genot vond in het bewustzijn van hare nabijheid. Of die andere voorstelling, belachelijk nog in hare pijnlijkheid: hoe vader Holwerd zijne dochter misschien overreden zou mij als kostwinner en bezorger toch maar te aanvaarden: hoe hij met beschonken zalving zijne handen zegenend zou uitstrekken boven onze hoofden: en hoe ik dan 's zondags met Suzette uit wandelen zou moeten langs de Delftsche grachten, blos op blos, linkschheid op linkschheid stapelend--ten spot van heel de straat, en allermeest van mijne beminde!.... Ik blikte dan naar de kast waar ik nog altoos mijne vergiften geborgen hield. Maar de moed tot sterven ontbrak mij zoowel als de moed tot leven. Radeloos liet ik mij op de sofa vallen, en brak los in snikken.
Onder eene van die buien verraste mij Suzette zelve. Zij kwam, daar er niemand anders tehuis was, mij eenen zoo pas bezorgden brief overhandigen. Ik moest haar tikken niet gehoord hebben. Toen zij den brief vóór mij op de tafel legde, hief ik mijn hoofd uit mijne handen, en staarde met mijne betraande oogen verwilderd tot haar op. Zij keek mij lang en sterk aan, met eenen zonderlingen blik.--»Scheelt er iets aan, meneer Heise?" vroeg zij zacht.... Ik bracht de hand aan mijne keel, die mij als toegenepen zat. Ik kon niet antwoorden, maar ik schudde ontkennend het hoofd.... »U zit, geloof ik, te veel op uwe kamer", hernam zij: »u moest wat meer uitgaan, en wat verzet nemen, zooals de andere jongelui".... Hare altstem trilde een weinig; zij kleurde even terwijl zij het zeide: zij was verrukkelijk schoon.... »Suzette!" riep ik toonloos.... Maar zij was de kamer al uit.
* * * * *
De zomer vlood voorbij. In de vacantie maakte ik, naar gewoonte, eene voetreis van een paar weken in Duitschland. Doch het eenzaam dolen in den vreemde, vroeger mij zoo lief, kon mij niet meer bekoren; ik had aan mijzelven en de natuur niet genoeg meer; of liever, beurtelings te veel en te weinig had ik aan beiden; en er was een tweede noodig geworden om het =te veel= te ontladen, het =te weinig= aan te vullen. Met andere woorden: Suzette's beeld vergezelde mij bij regen en bij zonneschijn--onafscheidelijker dus dan mijne schaduw. Reeds een veertien dagen vóór het hervatten der lessen, zat ik alweer op mijne kamer aan de Korte Breedsteeg te turen naar het gezwatel der lindebladers aan de overzij. Suzette (ik vernam het niet zonder eenen steek van jaloersche bezorgdheid) was uit logeeren bij eene nicht te Amsterdam. Haar vader ontving mij zeer opgewonden. Ik bespeurde dat hij zijn bitter-uurtje weer wat vervroegd had, zoodat hij voortaan reeds omstreeks de middagstonde in eenen kennelijk spiritueusen toestand verkeerde. Zijne vier laatste piano-lessen had men hem opgezegd, en ik meende te bemerken dat zijn Wilhelmus-gebeier uit den toren niet meer zoo energisch klonk als voordezen.
In het begin van September kwam Suzette uit Amsterdam terug. Zij zag er opgeruimder uit dan te voren: bloeiender dus ook: meer dan ooit een toonbeeld van kloeke, trotsche schoonheid. Bij het wederzien reikte zij mij de hand, en vroeg mij hartelijk naar mijne gezondheid. Ik vatte daaruit moed om haar een fraai châlet met speelwerk aan te bieden, dat ik uit het Schwarzwald voor haar had meegebracht. Zij keek donker, trok de lippen samen, bedacht zich even--maar eindigde toch met het glimlachend aan te nemen. Ik voelde, het was eene groote gunst die zij mij bewees--doch aanmoedigends (dit zeide mij haar fronsen) mocht er voor mij niets in gelegen zijn.
Daarna keerde alles weer in de oude voegen terug. De studiën werden hervat; de dagen slonken; de October-regens plasten neder. Suzette werkte harder dan voorheen. Zij liet zich weer uiterst zelden zien, en was dan in haar spreken, hoewel niet onvriendelijk, weer koel en kort. Ik vond haar bleeker, haar wezen gedrukter: een gevolg, vermoedelijk, van ergernis en zorg over haar vaders toenemende dronkenschap en onbekwaamheid tot zijn beroep. Wat mijzelven betreft--haar leed wakkerde mijnen hartstocht slechts aan, zonder evenwel mijnen moed te stalen. De uitkomst voor ons beiden, zoo eenvoudig toch, bleef voor mij verholen in ondoordringbare nevelen. Met een brandend hart en een troebel brein ging ik in den winter--voor mij den laatsten te Delft, indien het eind-examen slaagde--te gemoet.
* * * * *
Herfstdag na herfstdag sleepte zich traag daarhenen--met storm, met regen, met droef gesluierde luchten, of met weemoedigen zonneschijn. Straks alweer November; en mèt haar de mist weer, de eeuwige mist. Ik weet niet hoe het kwam, maar ik haalde mij in het hoofd dat er ook ditmaal uit dien mist iets avontuurlijks, iets beslissends voor mij moest opdoemen--eene lotswending tot een nieuw leven, óf tot den dood.
Moet ik zeggen dat die _ahnung_ mij niet bedroog?--Zeker is het, dat November's mistigheid het hare bijdroeg om mij te wikkelen in een avontuur, welks afloop mij aanmerkelijk deed stijgen, zoo niet in Suzette's, dan toch in mijne eigene schatting.
Op eenen avond, kort na het eten, had ik bij eenen mijner kennissen een boek te halen. Het mistte zwaar--juist als ongeveer een jaar geleden; alleen, het was nu geen natte, grauwe, maar een droge en witte nevel, uit welken de profeten vorst voorspelden. Pas buiten de deur, bespeurde ik aan den hoek der straat twee schimmen. Argeloos liep ik voort. Toen zag ik dat het een man was, die met uitgestoken armen een meisje zocht te omhelzen, dat zich heftig tegen hem weerde. Onmiddellijk herkende ik Suzette;--den man, met den rug naar mij toegewend, kon ik niet in het aangezicht zien. Hem toornig in den nek te grijpen en aan eenen kant slingeren, met een: »kerel, laat af van die dame!", was het werk van eene seconde. Zijn antwoord was een duchtige vuistslag op mijn linker oog;--meteen had ik hem met het rechter herkend:--Duplis, een halfbloed, onder al de studenten gevreesd om zijne tijgerachtige lenigheid en kracht. Maar hier toch was de _karbau_ den _matjan_ te sterk. De woede staalde mijne zware knoken tot plethamers. Eén slag tapte hem het bloed uit den neus; een tweede dreef hem de tanden door de lip. Daarop den gelen aterling bij den strot vattende en hem achterover wringende, zou ik hem de ribben gebroken hebben over een ijzeren hek--indien niet Suzette mij met stevigen greep weerhouden had.... Als een vos die in eene klem zijnen staart heeft laten zitten, zoo droop Zwartjan den hoek om.
Suzette stond eerst roerloos; toen legde zij den arm in den mijnen, en zoo gingen wij den korten afstand huiswaarts. Ik voelde haar lichaam beven. Zij zeide niets. Maar even vóór de deur brak zij in een heftig snikken los. »O!" stiet zij uit, terwijl hare vuist zich balde en hare oogen vonken schoten door de tranen heen: »die ellendelingen!--En dat noemt zich heeren! dat noemt zich mannen!... Meneer Heise, laat ik u verder niet ophouden. Ik dank u!"--Zij drukte mij de hand, en liet mij mijns weegs gaan.
En ik?.... »Spreek dan toch! Nu of nooit!" had eene innerlijke stem mij toegefluisterd. Want nog nooit van mijn leven had ik mij zóóveel mans gevoeld: nog nooit voelde ik mij zoo sterk om mij met deze zelfde knuisten door alle hindernissen, zelfs door mijne vermaledeide blooheid heen te slaan.... Maar aan den anderen kant vond ik het zoo min, het ontdane kind thans om liefde te vragen, alsof ik eene belooning verwachtte voor den kleinen dienst van daareven. Ik zweeg dus. Morgen misschien! Morgen! dacht ik.
Morgen echter had ik een blauw oog. Suzette zond mij door het dienstmeisje eene zalf om er op te smeren; maar zelve kwam zij niet om die operatie te bewerkstelligen. Op morgen volgde overmorgen; op déze week de volgende; op November December. Mijn oog had in dien tusschentijd al de kleuren van het spectrum doorloopen: van blauw was het groen, van groen geel, van geel weder normaalkleurig geworden. Maar, in welke dezer schakeeringen ook, Suzette was er niet naar komen zien. En naar gelang het eereteeken van mijne ridderdaad verdween, voelde ik ook mijnen vrijersmoed mij weer in de schoenen zinken, en mijne blooheid er uit oprijzen.
Daar dwarrelde zacht de eerste sneeuw omlaag: fijne, schuchtere vlokjes, door grootere straks in dichteren drom gevolgd.--»Suikerstrooisel!" riepen de kinderen. Inderdaad, het was de dag er voor. Sint Nicolaas reed over de daken. Voor ieder bracht hij wàt--maar voor mij het allerbeste!
In den avond van den 5den December 1866 zat ik eenzaam in mijne kamer. Het gejoel op de straat trok mij niet aan. Bovendien, ik had voor Suzette eene kleine verrassing besteld: eenen prachtband van Chopin's _Notturnos_. Ik wilde wachten of zij behoorlijk bezorgd zou worden.
Terwijl ik dan zoo over een dictaat zat, lezende zonder te verstaan, trad er opeens iemand, zonder kloppen, mijne kamer binnen, en sloot de deur achter zich toe. Suzette stond vóór mij, met het bewuste muziekboek onder den arm. Er was een vochtige glans in hare oogen, eene ongewone bleekheid op haar gelaat.
»Meneer Heise", sprak zij zacht, terwijl ik opgerezen was en bedremmeld tegenover haar stond: »deze muziek heb ik van u.... Neen, ontken het niet! Er is niemand anders in Delft, die mij zúlk een cadeau zou zenden."
Ik stotterde iets--dat het zoo gering was--en dat ik ook mijzelven zooveel genoegen beloofde van het hooren spelen mijner lievelingsmuziek door haar.
Zij legde het boek op de tafel, nam een papier op, dat zij om haren vinger rolde, en zweeg eene wijle, met neergeslagene oogen. Verlegen scheen zij--haast even verlegen als ik.
»En wat", vroeg zij fluisterend--»wat heeft Sint Nicolaas ú wel voor _surprises_ gebracht?"
»Mij?" riep ik: »mij? Wie ter wereld zou =mij= met _surprises_ bedenken?"
»Nu", hernam zij even zacht--»dan heb =ik= er eene voor u--ten minste als gij ze wilt aannemen. Ik breng u----"
»Suzette!" stamelde ik.
Zij sloeg hare oogen rein en helder tot mij op. Om haren fieren mond speelde een mij nog onbekende, een onbeschrijfelijk lieve glimlach. Twee tranen glipten haar over de wangen. Hare lippen beefden, haar volle boezem zwoegde--maar nu niet van toorn.
»Ja", voer zij voort: »ik geloof wèl dat gij ze aannemen wilt, mijne arme _surprise_. Ik weet dat ge mij lief hebt; en ik begrijp waarom ge 't mij niet zeggen durft. Wij beiden gaan onder dat zwijgen ten gronde: ik in dit rampzalige huis, gij in uwe troostelooze afzondering. Als ge gelooven wilt dat ook ik je liefheb, als ge het hart vertrouwen wilt van een meisje dat arm is, dat de dochter is van eenen dronkaard, en dat zichzelve aanbiedt----Herman--hier, dan breng ik je mijzelve----"
»Suzette!--lieveling!"...................
* * * * *
»Riep je, mijn jongen?" vroeg eene stem achter ons.
»Halloh! daar is zij al weerom!" schreeuwde mijn vriend Herman, aldus plotseling in het boeiendste van zijn verhaal gestoord; en hij sprong op, en sloot zijne prachtige blonde vrouw in de armen, en kuste haar met al het vuur eens bruidegoms.--»Suzet! ik heb juist onzen gast hier zitten vertellen hoe we aan elkaar gekomen zijn. En als je niet een kwartier te vroeg van je uitgang terug waart, dan had ik hem óók nog aan zijn verstand gebracht hoe je eenen =man= van mij gemaakt hebt; eerst, met eenen kus of wat, eenen zaligen gek--en daarna, met tact, geduld en liefde, een sterk, gelukkig mensch! Hoe ik aan je arm een held werd, dien de drommel nu mag doen blozen! En hoe we nu al tien jaren na dien gezegenden December-avond----"
»Ta ta!" lachte Suzette, terwijl zij zich voor het klavier zette, en eenige mollige _arpeggio's_ ruischen deed:--»Beste jongen, hoe kan je zoo dóórslaan?--Het was immers alles de mist die het deed!"
Mevrouw de Douairière.
_En hare plaats kent haar niet meer._