Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Chapter 13

Chapter 133,742 wordsPublic domain

»Zeker, zeker! Ge waart zoo dikwijls de geduldige aanhoorder van mijne jeremiaden: ge zult het ook wezen van mijn hooglied!--Suzette is eene vriendin gaan bezoeken. Daarmee is een goed uur gemoeid. We hebben dus mooi den tijd. Stop eene versche pijp, en hoor toe."

* * * * *

Dit gesprek had plaats op eenen winterschen namiddag, in eene gezellige achterkamer, tusschen mijnen vriend Herman Heise en mij. Ik had hem, een jaar of twaalf geleden, te Delft verlaten als het rampzaligste lid van het gansche studentenkorps: een jongen van geest en aanleg, maar die jammerlijk èn met zijn eigen groote lichaam èn met zijnen _weltschmerz_ in de war zat--eene soort van sentimenteelen Roodhuid--mager, menschenschuw en miserabel. Ik vond hem terug als een welbeklant civiel ingenieur, eenen flinken kerel, een practisch man, een nuttig burger, een gelukkig echtgenoot--wijs, wakker en welgedaan.

En nu zou hij, terwijl zijne vrouw hare vriendin bezocht, mij vertellen hoe dit zoo gekomen was.

* * * * *

Een wonder noemde ik het (zoo begon hij), dat er, gelijk ge het zoo vleiend verkoost uit te drukken, van damp nog vleesch, van eene larve nog een mensch uit mij geworden is niet alleen, maar dat ten overvloede ik, in mijnen tijd de vrouwenschuwste aller jongelingen, thans binnen de landpalen met een lantarentje den man zou mogen gaan zoeken, die uit de huwelijks-loterij eenen kostelijker prijs trok. Wel--het wonder zit hem hierin, dat het niet alles, in stee van zoo bijzonder goed, reddeloos verkeerd liep, gelijk het immers, volgens de geijkte maatschappelijke opvatting, had =moeten= doen. Want kijk--het =begin= van mijn geluk was niet in den haak! zoo zouden onze moeders en schoonmoeders en behuwdzusters verklaard hebben; en de éénige reden waarom zij het =niet= verklaarden, was (tusschen twee haakjes) dat zij _in casu_ niet bestonden:--wij waren beiden weezen toen we trouwden, en zonder familie:--onder ons gezegd, eene der eerste en zeldzaamste voorwaarden tot huwelijksheil. Maar alevel, ik moet zelf erkennen dat het begin uit de verkeerde wereld was. Eigenlijk, moet ge weten, heb niet ik Suzette, maar heeft Suzette mij gevraagd!

* * * * *

Hoe zal ik die lange geschiedenis kort maken? eene geschiedenis, bovendien, die, als alle liefdeshistories, zoo bitter weinig om het lijf heeft voor alle menschen behalve twee?....

Het was op eenen somberen namiddag in November van het jaar 1865.... Neen, dat riekt te sterk naar eenen roman van Bulwer!....

Eenzaam dolend langs den Delftschen buitensingel.... Bah! dat wordt weer te tragikomisch!....

Komaan, om er dan eenen slag in te slaan:--het was de mist die het deed! Ja, niemand dan de mist was het!

Niet lang na uw vertrek naar Java, wandelde ik op zekeren namiddag te Delft mijn singeltje om: de Haagpoort uit, de Rotterdamsche poort weer in--zooals wij te voren honderdmaal zamen deden. Het was een van die dagen gelijk ik ze in November even gaarne mag, als zonnegloed in Juli: een kille, grauwe, mistige druiler, een dag zonder ochtend en zonder avond, een dof geschemer tusschen twee nachten. Ik verbeeld mij wel eens dat het klimaat van dit land veranderd is in de laatste jaren: dat het er niet meer als voorheen zoo vriest en zoo sneeuwt in den winter, zoo stormt en zoo hagelt in het voorjaar, zoo stooft en zoo onweert in den zomer. Dit is natuurlijk louter eene poets die mijn geheugen mij speelt. Maar wat het =misten= betreft--dáárop zou ik durven zweren: er was in die dagen méér mist dan tegenwoordig. Zoo'n mist ten minste als er =toen= hing--op dien November-middag, bedoel ik,--neen, zóó eenen heb ik er in mijn later leven nooit weer bijgewoond--of het moest te Londen geweest zijn. Men kon feitelijk geenen boomstam op twintig passen vóór zich onderscheiden.

Gij weet--dat was destijds een weertje naar mijn hart. De mist van buiten stemde zoo juist overeen met den mist van binnen. Behoef ik ú, mijn waarde--den éénige die mijne schuwheid wist te bezweren en mijn gemoed uit zijne schulp te doen kruipen--behoef ik ú te herinneren welk een rampzalig, eenzelvig wezen ik was: hoe afkeerig van menschen, hoe verlegen met mijzelven tusschen al die andere jongelieden, die zich (naar het mij toescheen) zoo benijdenswaardig vlug en gemakkelijk, of althans zelfgenoegzaam en vrijpostig, in de vormen des gezelligen levens bewogen?--Gij schreeft het toe aan eene ziekelijke prikkelbaarheid van mijn temperament, en aan de dompigheid van mijne opleiding. Zeer juist; eene ouderlooze en vreugdelooze jeugd ten huize van een orthodox predikant in een zeurig landstadje kon tot eene gezonde ontwikkeling van mijne levensgeesten niet bevorderlijk zijn geweest. Maar er was toch nog eene meer rechtstreeksche oorzaak bij in het spel, die ik zelfs voor ú getracht heb verborgen te houden, omdat ik meende--zeer dwaselijk--dat haar te bekennen, hetzelfde zou wezen als haar te verergeren. Ik leed namelijk (en gij moet het vaak genoeg hebben opgemerkt) in de ergste mate aan eene ziekte, die voor eenen student ellendiger om te dragen is dan een bochel of een vuurroode haarbos:--de =bloosziekte=. Mijn hart werkte als eene pneumatische pomp. De nietigste aandoening dreef mij het snel verschietende bloed golfsgewijze naar hals en wangen en slapen. Het was al genoeg, bij voorbeeld, dat ik op straat iemand te groeten had; dat een vreemdeling mij naar den weg vroeg; dat eene jonge vrouw mij voorbijging, wanneer ik wist dat anderen mij gadesloegen. Beging iemand in gezelschap eenen flater of eene onkieschheid, meestal was hij het niet, die kleurde, maar ik. Richtte men in eenen kring het woord tot mij, en diende ik eenigszins omslachtig bescheid te geven--het geschiedde niet zonder het rijzen van eenen donkeren blos. Onder kornuiten zelfs was het terloops vermelden van deze of gene, vaak mij geheel onbekende vrouw al voldoende om mij zoo rood te doen worden als een kostschoolnufje bij het hooren noemen van den naam haars heimelijk bewonderden luitenants.

Gij kunt niet beseffen--neen, zelfs gij kunt dat niet--wat ik onder die kwaal geleden heb: hoe zij mijne gansche jeugd bedorven en verlamd, hoe zij geheel mijne toekomst bedreigd heeft met zedelijken en maatschappelijken ondergang. Ik heb later in Darwin's boek over de gemoedsaandoeningen eene treffend juiste beschrijving en verklaring van de bloosziekte gevonden. De groote natuurvorscher zoekt hare oorzaak, kort gezegd, in eene overspannen oplettendheid op onszelven, samengaande met een gevoelig hechten aan de meening van anderen, bijzonder met betrekking tot ons persoonlijk voorkomen. Hadde ik dit hoofdstuk, waarin ik mijzelven terugvond, vroeger gelezen (met de mededeeling er bij, dat het verschijnsel lang zoo zeldzaam niet is), ik zou misschien in die wetenschappelijke openbaring den moed, en in den moed ook de middelen gevonden hebben, om het zwak te bestrijden. Maar nu----och och! het was een deerlijk martelaarschap! Ik verbeeldde mij dat ik de éénige lijder was aan deze kwaal. Ik hield haar voor ongeneeslijk. Al mijne pogingen om haar te verbergen, verergerden haar slechts. Innerlijk dorstend naar sympathie, had ik aan vriendschap, aan gezelligheid behoefte. Van nature tuk op onderscheiding en genot, zou ik mij hals over kop hebben willen neerstorten in den vroolijken maalstroom der jeugd. Maar die ellendige hebbelijkheid sneed mij af van alles wat ik anders begeerig gezocht zou hebben. Want de menschen, allerminst de jongen, hebben geen mededoogen met zulk een zwak; integendeel, zij vermaken zich er mee en zoeken het nog te verergeren, hetzij om zich te goed te doen aan het besef van hunne eigene superioriteit, hetzij uit loutere plaagzucht. En zoo deed deze bezoeking mij alle gezelligheid vermijden, deed mij elke aanraking met flinke mannen en eerbare vrouwen ontvluchten, deed mij een huwelijk als iets onmogelijks, eenen eervollen werkkring als iets onbereikbaars voor mijzelven beschouwen, en liet mij geene uitkomst blikken, dan als landmeter naar de Kaap te trekken, ten einde mij daar te verschuilen onder Boeren en Hottentotten. Zij deed mij gluipend het zonlicht schuwen, omdat de duisternis mijn ongeluk verheelde. Soms wilde ik haar trotseeren--maar dan juist scheen er een springvloed te loopen door mijne aderen; en was eenmaal de roode golf gerezen, dan stond ik onder de menschen als een slungel, met den mond vol tanden, met al mijne ledematen verkeerd, haast met tranen van spijt en schaamte in mijne oogen, wenschende dat ik in den grond verzinken mocht:--ik, een Delftsch student, eene lange, knokige kerel, met de beginselen van eenen knevel al onder den neus, daar blozend en stotterend als een schoolmeisje dat betrapt werd op het kapen van een pruimentaartje!--Mijn potig uiterlijk, dat mijne zotte ziekte des te meer deed uitkomen, behoedde mij aan den anderen kant voor den smaad van hardop uitgelachen te worden; maar het sluiksche gegichel der ommestanders ontsnapte mij niet. Dikwijls jeukten mij de knuisten; slechts de gedachte, dat ik door spektakel mijzelven nog te belachelijker maken zou, weerhield mij om te beproeven of er op de gezichten dier ginnegappers toch niet door middel van eenige welaangebrachte muilperen wat kleur te krijgen ware. Voor gewelddadige experimenten op mijzelven echter deinsde ik niet terug. Nu eens stelde ik mijn aangezicht uren lang bloot aan de werking der zonnestralen, opdat onder de geblakerde huid het opwellen van het fatale rood niet zichtbaar wezen zou. Vaak ook dronk ik mij eene halve roes aan, die mij ten minste gedurende een uur of wat onbedeesdheid en kleurvastheid verzekerde. Om mij te verzetten, zocht ik ruwe, eenzame vermaken; om mij te harden tegen mijne =valsche= schaamte, gaf ik mij af met schepsels die alle =eerlijke= schaamte hadden uitgeschud. Ik was op weg, in alle stilte een lap en een lichtmis te worden. Eenige malen zelfs stond ik aan den rand van zelfmoord. Eerst schafte ik mij eene revolver aan; later weifelde ik tusschen cyankalium en morphine!--Nu, er zijn wel gekken geweest, die om minder zaaks hun pakje zich van den hals hebben geschoven! Gelukkig voor mij, dat ik mijzelven zoo telkens weer uitstel van executie verleende. Wat al goede dingen zou ik anders misgeloopen zijn!

* * * * *

Gelijk gezegd--uit den mist zou er redding voor mij dagen.

Het was op de hoogte van den Constructie-winkel, dicht bij het buitentje dat »_de Groene Haven_" heet. De tot vocht gestolde nevel drupte in dikke droppels uit de boomen; ik had dus mijne paraplu opgestoken, en slenterde, het hoofd vervuld met mijmeringen, die ongeveer zoo vroolijk waren als de natuur om mij heen, langzaam den eenzamen weg af. Opeens--ik zeide u al dat men slechts weinige schreden voor zich uit kon zien--opeens bespeurde ik dat ik op het punt stond in botsing te geraken met een medemensch, en wel, naar de kleeding te oordeelen, met eene van het vrouwelijk geslacht. Eene fladderende grijze regenmantel, óók onder eene paraplu (die hoofd en bovenlijf der gedaante voor mij verborgen hield), was snel uit den grauwen damp komen aanzweven, en het bleek dat wij elkander niet hadden opgemerkt vóór wij als boeg tegen boeg laveerden. Zonder op te zien, week ik rechtsaf uit; doch daar de tegenpartij links uitweek, bleef onze positie onveranderd. Nu stapte ik links af:--de gemantelde echter stapte rechts. Zij weer links, en ik weer rechts; en toen, voor de vierde maal, nógeens zij weer rechts en ik weer links!.... Het was bespottelijk! Zulk een mispas kan het best gemanierde paar voetgangers overkomen; maar in dit geval was hij méér dan zot, doordien onze regenschermen telkens tegen elkander aanbotsten en elkaar met groote veerkracht terugstieten.... Dat ik eene gloeiende kleur kreeg, behoeft wel geene verzekering. Want bij den tweeden zijstap had ik mijne tegenstandster aangekeken, en, ofschoon ik de oogen onmiddellijk weer neersloeg, met dien enkelen schichtigen blik even veel gezien als met eenen halven dag starens.

Het is curieus, amice, en ik denk dat het ook ú wel eens opgevallen moet zijn, hoe men soms uren lang tegenover eene dame kan gezeten hebben, zonder daarna te kunnen zeggen of hare oogen blauw dan grijs waren, of het tipje van haren neus naar den hemel dan naar de aarde wees, en of zij al dan niet eene moedervlek op de rechter wang had--terwijl een ander maal het gansche beeld eener vrouw ons met eenen enkelen, vliegend snellen oogopslag, onuitwischbaar in het geheugen staat geëtst........ Met dien éénen blik had ik gezien dat het jonge meisje daar tegenover mij rijzig en krachtig gebouwd was--haast even lang als ikzelf: dat zij een prachtig _buste_, eene matte, doch gezonde tint, een kuiltje in de blanke kin, en regelmatige, hoewel ietwat forsch gesneden trekken had; dat zij bruin van oogen en blond van haar was, en dat zij bloedkoralen oorbellen droeg. Eene blondine met bruine oogen----mijn ideaal, moet ge weten! Zuidelijk vuur bij Germaansche zachtheid!----ofschoon, op dat moment--neen waarlijk, zachtheid sprak er toch niet uit dat wezen, en vuur al evenmin! Norsch en koel vonkten die donkere oogen mij tegen; de vleugels van den fraaien neus spanden zich, als van toorn; de frissche lippen presten zich dreigend samen.... Vanwaar, dacht ik bij den derden zijstap, vanwaar deze verstoorde uitdrukking op dit eêl gelaat?... Toen schoot mij plotseling te binnen: o Hemel! als zij eens meende dat gij 't er om deedt, dat ge een vlegel waart, die haar den pas wou afsnijden om haar te beleedigen!... Mijn blos werd scharlaken. Wanhopig, om haar toch mijnen goeden wil en de eerlijkheid mijner bedoelingen te toonen, maakte ik mijnen vierden noodsprong. Doch ik vrees, er zou er nog wel een vijfde en een zesde hebben moeten volgen, indien de schoone zelve niet beter raad uit deze verlegenheid geweten had, dan mijn lummelig ik. Opnieuw haar aankijken, durfde ik niet. Maar ik hoorde haar spottend lachen, en uitroepen: »Och meneer, als u even stil wou staan, dan zou de weg breed genoeg zijn voor ons beiden!"...... Nu stond ik als een paal. Ik voelde dat zij mij voorbijglipte. Ik waagde het òm te kijken. Met vluggen, elastischen tred zag ik haar in den dikken mist verdwijnen. Tien, twaalf schreden----ik was weer alleen--de aarde was woest en ledig, en duisternis rondom mij zweefde over de weilanden.

In de onzaligste stemming wandelde ik verder. Komaan! Een nieuw meesterstuk toegevoegd aan het lange, lange register van mijne pummelarijen. Hoe onbeholpen had ik mij daar weer aangesteld! Geen woord van ontschuldiging jegens het hupsche kind had mijne tong weten te vinden. Geen wóord, geen groet, geene buiging. Gebloosd slechts had ik, altijd maar weer gebloosd. O bloed, bloed, sarrend bloed! Een oog dat ons ergert, kunnen wij uitrukken en vàn ons werpen; maar tegen bloed dat ons plaagt, staat er in den ganschen bijbel geen recept!... Wat echter kon het mij ditmaal schelen! Niemand was ditmaal immers getuige geweest van mijne beschaming!.... Toch, niemand?--En zij dan?... Het vlijmde mij door de borst. Brandender schaamtegevoel had mij niet kunnen pijnigen, indien de spottende blikken van honderd makkers op mij gericht waren geweest. Het meisje was mij wildvreemd. Ik kende haar evenmin als zij vermoedelijk mij. Maar dat juist zij mij had moeten aanschouwen in al mijne onredzaamheid, dat krenkte mijn zelfgevoel dieper, dan al wat ik ooit nog van dien aard had te verkroppen gehad. Zeer beslist vestigde ik mijne keus nu op cyankalium.

Middelerwijl was ik, na nog eenen kleinen omweg gemaakt te hebben, langs het Oude Delft in de stad teruggekeerd. De torenklokken sloegen half vier; het weinigje daglicht begon al te zinken; in enkele huizen liet men de gordijnen reeds vallen, en stak de lichten aan.

Ik woonde toen aan de Hippolytus-buurt; doch de kamer beviel mij niet, of de huisploert maakte het mij lastig--kortom, ik had mijne huur opgezegd, en moest met den laatsten der maand (dat was binnen twee of drie dagen) verkassen. Nog wist ik niet waarheen.

Terwijl ik nu, om den gang langs het Academie-gebouw en de luidruchtige schaar van de daaromtrent lanterfantende jongelingschap te vermijden, de Korte Breedsteeg insloeg, zag ik aan eene woning in die uitgestorven zijstraat een bordje uitsteken, houdende mededeeling, dat aldaar eene gemeubileerde kamer te huur was. Mij docht, die stand kon mij wel passen: er was er geen stillere in gansch Delft, en aan de overzijde had men, over eenen muur heen, uitzicht op den tuin achter een deftig heerehuis. Op de deur las ik eenen mij niet onbekenden naam: »Holwerd, muziekmeester en stadsklokkenist." Ik stapte achterwaarts, om de woning eens op te nemen; vrijmoedig, in de meening dat niemand mij opmerkte, hef ik den blik naar de eerste verdieping----en, verbeeld u, het eerste wat ik zie, is zij--het meisje van daareven, dicht bij het raam over een naaiwerk gebogen!

Ik verstijfde--ditmaal niet blozend, maar bleek wordend tot in de wortels van mijne haren.... Ook zij had mij gezien, en terstond den rug naar het venster gekeerd. Onnoodig! Want sneller dan zij zich wenden kon, was ik op de stoep gesprongen om mij voor haar te verbergen--en tevens, vóór ik het zelf recht wist, had ik mijne hand aan de schelknop.

Wat ging ik doen?--Daar aanbellen?--Nooit!... Maar toch, ja--ik moest wel--ik kon niet meer terug! Zij kon in den spion mijne beweging hebben opgemerkt--het zou kwajongensachtig zijn, indien ik nu wegliep. Ook was er iets in mij dat mij dwong, dat mij den wil ontnam. Ik durfde niet--maar ik =moest=. Het koperen knopje zat mij tusschen de vingers als vastgeklemd: mijn arm behoorde mijzelven niet meer toe: een galvanische stroom voer mij uit den schouder er door heen.... Daar volgde een zachte ruk--en de bel ging over.... Bij haar klingelen was het mij of ik eenen moord begaan had, en of ik het armezondaarsklokje reeds mijne uitvaart hoorde luiden.

Men liet mij vrij lang wachten op de stoep. Ik hoorde eene mansstem, die nijdig riep: »Suzette! kan je niet open doen?"--Eindelijk ontsloot zich de deur, en de heer Holwerd zelf, gemuild en gemutst, stond in het portaal en vroeg mij naar mijn believen. Zijn knorrig gelaat helderde op toen ik hem verzocht mij de kamer te laten zien; het straalde van genoegen toen ik haar tegen eenen niet zeer billijken prijs inhuurde. Drie dagen daarna had ik bij den klokkenist mijnen intrek genomen. De heer Holwerd heette mij met zekere beschonken plechtigheid welkom onder zijn dak. Een halfwas stuk van een dienstmeisje bracht mij het theewater en ruimde mijne kamer. Maar des klokkenisten dochter hield zich onzichtbaar.

* * * * *

Veroorloof mij thans, vóór ik verder ga, eens even aan te pijpen en de sherry-karaf voor den dag te halen. Deze oude herinneringen wekken in mijnen boezem emoties, die mij dorstig maken naar wijn en naar tabaksrook. Wijn die het hart verheugt, en tabaksrook die de zinnen stemt tot kalmte.

* * * * *

Ik geef u mijn woord--zoo vervolgde mijn vriend Herman--dat ik aanvankelijk bij mijzelven geen spoor ontdekken kon van verliefdheid op Suzette, en dat ik (afgezien van dien geheimzinnigen drang tot aanschellen, dien ik mij nog maar niet verklaren kon) eerlijk meende overtuigd te zijn van niet om harentwille, doch om den wille van mijzelven haar vaders rustige en welgelegene voorkamer betrokken te hebben. Wel bleef haar beeld mij met zeldzame klaarheid voor de oogen zweven; wel betrapte ik mijzelven op droomen waarin zij eene rol speelde, en vaak ook op een heimelijk verlangen om, zelf ongezien, haar op hare gangen eens te mogen bespieden. Maar tusschen dit en verliefdheid lag toch nog een gansche oceaan, meende ik. Bovendien had ik het denkbeeld van ooit met mijne onbeminnelijke persoonlijkheid eene jonge vrouw te kunnen bekoren, het denkbeeld van ooit met een werkelijk mooi meisje eene geregelde vrijage te kunnen aanknoopen, steeds zóó verre vàn mij geschoven, dat het ook thans in ernst geen oogenblik bij mij ingang wilde vinden.

Al spoedig echter, naarmate ik het karakter van het meisje en de omstandigheden waarin zij leefde eenigszins nader leerde kennen, zou hierin eene merkbare verandering ontstaan. Deze kennis gaarde ik grootendeels uit den mond haars vaders, die zich geroepen scheen te voelen, de stuursche teruggetrokkenheid van zijne dochter te mijnen opzichte zooveel mogelijk te vergoeden door bij mij op de kamer praatjes te komen maken, waarbij hij dan, met eene vaak naar alcohol riekende gemoedelijkheid, zijne persoonlijke gevoelens omtrent verschillende huislijke en maatschappelijke aangelegenheden onbewimpeld voor mij uitstortte.

De heer Holwerd was geen ondegelijk musicus; maar indien hij van zijne pianolessen had moeten leven, dan zou hij (volgens zijne eigene manier van spreken) zijne keel wel aan den kapstok hebben mogen hangen. Ik geloof dat hem van zijne eertijds bloeiende praktijk nog slechts een viertal uren 's weeks waren overgebleven: twee aan de dochter van eenen rijken kroeghouder, en twee aan eene alleenlevende dame van verdachte zeden. Daar hij echter als stads-carillonist en dirigent van een paar liedertafels een redelijk inkomen genoot, terwijl zijne dochter door handenarbeid goeddeels in haar eigen onderhoud voorzag, zoo hadde hij bij eene matige levenswijze niet noodig gehad eene kamer te verhuren. Ongelukkig was zijne levenswijs het tegendeel van matig. De goede man dronk een weinig; dat is: hij dronk wat veel. Strikt genomen, trof men hem zelden in eenen staat van onbeneveldheid: nooit rechtuit dronken, maar geregeld van 's namiddags twee uur af in meerderen of minderen graad aangeschoten. Om nu deze liefhebberij met een gerust geweten te kunnen bevredigen, behoefde hij méér geld dan hij met zijne muzikale kunstvaardigheden op den beganen bodem en in de hoogere luchtlagen verdienen kon. Vandaar de kamer verhuurderij. En vandaar ook eene voortdurende spanning tusschen hem en zijne dochter. Want Suzette, die niet te trotsch was om zich eene mate van onafhankelijkheid te verzekeren door het bedrijf van hoedenmaakster te beoefenen, droeg het hart veel te hoog om de bel na te loopen en zich de impertinenties te getroosten van eenen »heer op kamers", student of luitenant; en zeer kwalijk duidde zij het haren vader, dat hij geheel onnoodig, louter om zijnen dronkenmansdorst ruimer te kunnen laven, zichzelven en haar deze vernedering aandeed, haar de vrijheid in huis ontnam, het beste vertrek ontroofde, en--wat het ergste was--haar prijs gaf aan de kans van onder haar eigen dak bloot te staan aan de kwetsende vervolgingen, waarvan zij, eene burgerdochter, onbeschermd en zonder stand, op de straat reeds méér dan genoeg te lijden had. Ik kon dit alles opmaken uit eene ontboezeming van den ouden heer zelven.

»Ja, ja!" sprak hij op zekeren namiddag tot mij, terwijl hij dapper van mijnen portwijn proefde: »Trots is goed en wel! Trots is best in een mensch: want zonder trots houdt een mensch zijn hoofd niet uit de modder. Ikzelf ben óók trotsch: op mijnen onbezoedelden naam, op mijne muzikale talenten, op mijne knappe dochter, op mijn dochters pianospel, dat zij van niemand anders dan mij heeft geleerd----"

»Zoo zoo?" viel ik hem in de rede: »Is dat mejuffrouw uwe dochter, die ik 's avonds in de achterkamer wel eens hoor spelen? Ik meende, mijnheer Holwerd, dat u het zelf waart."