Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 12
Tremosine .... het klinkt, niet waar? als een nachtegaalslag, of, liever nog, als de naam van eene schoone vrouw. Mij dunkt, die klank alleen moest er reizigers heenlokken: sentimenteele, wel te verstaan. En nochtans behoort het tot de zeldzaamheden, dat een vreemdeling zich van de voorbijvarende stoomboot hier aan wal láat zetten. Want men zij nóg zoo sentimenteel, toch beklautert men niet gaarne eene ladder Jakobs, zonder vooraf te weten of er daar op de bovenste sport wel iets te zien valt, of er (het klimmen maakt zoo dorstig) wel eene herberg is, of er (zoo al geene engelen) ten minste geene bandieten wonen,--altemaal punten omtrent welke de reisboeken een geheimzinnig, schier onheilspellend stilzwijgen bewaren. Men vergenoegt zich derhalve met het hoofd in den nek te leggen, en op te staren tegen den vervaarlijk hoogen rotswand, met de vraag op de lippen: wáár dit Tremosine wel schuilen mag? Zóó steil toch rijst hier het oevergebergte uit het meer, dat het dorpje, ofschoon dicht aan den rand er van gelegen, van beneden niet zichtbaar is.
Wie het Lago di Garda niet kent, wie slechts de smallere wateren en de tammere stranden bezocht van Como of Maggiore, die maakt zich geen denkbeeld van het ontzaggelijke karakter der rotspartijen langs de noordelijke oevers, noch van de wijde, naar eene zee zweemende uitgestrektheid der twee zuidelijke waterboezems van dit grootste, schoonste en minst bezochte der Italiaansche meren. Eens, in der Aarde jeugd, als zee en bergen nog eene ziel hadden, strekte de blauwe Adriaticus, verliefd op het blank en de schoone vormen der verre sneeuwtoppen, al minnekoozend eenen zijner voelhorens uit tot diep in het Tiroler gebergte; en hij vergat dien weer in te trekken, toen hij later, oud en mat, in zijne bedding terugslonk. Zoo is dus de Benacus een afgehouwen zeearm, verloren tusschen de bergen. Denk u eenen woesten Noorschen fjord, heengetooverd onder Italie's hemel, gesmukt met Italie's plantengroei. Denk u de strenge verhevenheid van het Noorden, en den glans, de weelde, de kleurenpracht van het Zuiden, aan elkander grenzend, met elkander ineenvloeiend. Denk u den eeuwigen winter zijde aan zijde met de eeuwige lente, den granaat en den olijf dicht aan den voet van gevaarten op welke de sneeuw nooit smelt, fonkelende gletscherspitsen nederblikkend op het lommer der citroentuinen, op sappig vijgenloof en bleeke wingerdranken...... O hemelsch oord! uwe heugenis blijft mij een zonnebeeld in de duisternis van mijne winterdagen!
Wel----maar Tremosine?
Het is boud gesproken, misschien--doch ik zou wel eene weddenschap durven aangaan, dat er, buiten mijzelven, nooit een bewoner van het polderland dit dorpje betrad. En vermoedelijk zouden, om al het hierboven aangevoerde, ook mijne schreden er nooit zijn heengericht geweest, indien ik niet met den jonkman Angelo Rubato--mijnen gids en roeier, mijnen schipper en visscher langs de boorden en op de wateren van het Garda-meer--zekeren ochtend een gesprek had gevoerd, waarvan ik u zoo aanstonds verslag ga geven.
Vooraf dient deze knaap wel met twee vluchtige trekken geschetst.
* * * * *
Eene kleine, maar krachtig en sierlijk gebouwde gestalte, een bruine kroeskop en een paar oolijke zwarte oogjes, een kortgeknipte baard, die hem totaan den neus wies, en een altijd lachende mond vol hagelwitte tanden--dáár hebt ge hem, zooals hij onder zijnen gelen stroohoed, in zijne witte broek en blauwe boezeroen, en met zijnen Pius-penning op de ruige borst, in zijne gelapte schoenen stond. Laat geen sterveling mij kwaad van hem zeggen: want schoonere uren sleet ik met geen manspersoon op aarde. Hij had zijne zwakheden, ongetwijfeld. Een onbewaakte sigarenkoker was in zijne nabijheid niet boven bedenking veilig; en eens betrapte ik hem op heeter daad in eene ongeoorloofde betrekking met mijne eau-de-cologne-flesch. Doch wie onzer is vuurproef tegen alle verzoeking? En wat scheldt men niet kwijt aan eenen goeden wil en een onverstoorbaar goed humeur, aan iemand in wien des hemels zon zelfs een welbehagen scheen te vinden, daar zij altoos doorbrak waar hij zeilde of ging?--Men vreest in Italië het booze oog, dat onheil brengt over dengene op wien het zich vestigt. Wel--ook mijn Angelo was _jettatore_: maar in omgekeerden zin. Het =goede= oog was hem geschonken. De toerist die hem tot leidsman had, trof overal mooi weer, koelen wijn en vriendelijke gezichten.
* * * * *
Wij waren, mijn Angelo en ik, op den bedoelden ochtend uit hengelen getogen in de kleine bocht bij Torbole, La Valle geheeten, en vermaard om haren vischrijkdom en om het overheerlijke kleurenspel van haar water--een grondeloos lazuur in het midden, het klaarste smaragdgroen langs het boord, waar eene kleine kiezellaag den ondiepen bodem vormt. Bij het krieken van den dag al uitgeroeid, hadden wij ons verfrischt met een bad, en zaten nu, tegen de zon nog beschut door het oostelijke gebergte, in alle gemoedelijkheid de sardienen te belagen, wier bewegingen rondom het aas wij in de blauwe diepte met volmaakte duidelijkheid konden waarnemen. Het vlugge goedje scheen hongerig: ten minste, de vangst was gezegend boven verwachting: slag op slag haalden wij een rampzalig zilveren diertje uit zijn koel paradijs,--»_hinauf in Todesgluth_", zooals Goethe zegt. Ha! den _todesgluth_ zou Angelo hun bereiden, wanneer hij hen straks in olie bakken zou, hemzelven en mij tot het smakelijkste ontbijt.
Mijn Angelo (moet ik nog zeggen) hield er, bij zijne vele goede en weinige kwade eigenschappen, een lijf- of stopwoord op na: »_Va bene!_"--»'t gaat goed"; soms, in oogenblikken van de hoogste voldoening, afgewisseld met: »_Va benissimo!_"--»'t gaat best!"--Dit woord was zoo volslagen de uitdrukking van des jongelings karakter en levensbeschouwing, het strookte zoo volmaakt met den glanzenden krullebol, de stralende oogen, het rimpellooze voorhoofd en den vergenoegden grijns van het baardige kereltje, dat het nooit te onpas scheen te komen uit zijnen mond. 't Mocht loopen hoe het wilde: de zon mocht onder het roeien u het merg uit de beenderen stoven, of de dolle wind u het zeil aan flarden blazen; het bergpad mocht uitermate steil en steenig wezen, of het geschubde watervee tot aanbijten uitermate onwillig: steeds, als ge op het punt waart in verzuchtingen of verwenschingen los te breken, en uit te roepen dat het nu eens verduiveld =slecht= ging, was Angelo u vóór met zijn blijmoedig en trouwhartig: »_Va bene! Si si, va bene!_"----Aandoenlijk optimisme! Hij vertsaagde niet, noch wanhoopte hij ooit. In zijne tevredenheid over den goeden God, de schoone wereld en zijn welgeschapen eigen-ik, meende hij altoos maar dat alles goed ging. En als ge het hem met eene zoo ongekunstelde overtuiging hoordet zeggen, dan dacht ge onwillekeurig: Waarachtig, het manneken heeft het zoo mis niet! =Goed= gaat het wel niet!--maar het kon toch nog eene heele portie =erger=!
»_Eh, Angelo!_" zeide ik, met eenen blik op het gespartel in ons bunnetje: »_Va bene! eh?_"--en ik verwachtte van den knaap geen ander bescheid, dan een hartgrondig: »_Si si, Signore, va benissimo!_"--Niet gering was dus mijne verbazing, toen hij in stee daarvan heftig uitriep: »_No no, va malo, va pessimo! Corpo della Madonna!_"
Ik keek hem ontsteld aan, vreezende of hij in de diepte temet den boozen waterman gezien had, den Orco, die zich aan al te gelukkige visschers soms met dreigende gebaren heet te vertoonen. Hij zat met de armen over de borst gekruist, sloeg geene acht op zijne sim, die toch de onmiskenbaarste teekenen van leven gaf, en staarde den oever aan met eene uitdrukking van komieke neerslachtigheid op zijn gelaat.
»Angelo, mijn vriend!" riep ik: »in den naam van al uwe heiligen, wat overkomt u?"
Hij bleef een oogenblik zwijgen. Vervolgens sloeg hij zijnen hengel op, nam het vischje dat er aan spartelde van den haak, lachte weer, en sprak: »_Scusi, Signore!_ ik vergat mijzelven.... _Ma questo sasso_--die steen daar--_per Bacco!_ die maakt mij dol!"
Aan den oever hier, moet men weten, ligt een ontzaglijk blok _nagelfluh_, dezelfde steensoort uit welke de Rigi-groep geformeerd is. Hoe het daar verdwaald geraakte, mogen de geologen onder elkander uitmaken. Het staat in de wandeling bekend als de Sasso dei Bimbi: steen der poppetjes, of der kleine kindertjes. De merkwaardigheid er van is namelijk, dat het in de Torboolsche kinderwereld dezelfde geheimzinnige rol vervult als in de Haarlemsche de beroemde iepenboom te Kraantjelek: uit zijne holen en gaten heeten de nieuwgebórene broertjes en zusjes te voorschijn te komen.
»Die steen, Angelo? Wat legt die steen u in den weg?" vroeg ik.
»Kent Signore dien steen?"
»O ja! het is de Sasso dei Bimbi, wijd vermaard."
»En weet Signore waaróm hij zoo heet?"
»Omdat de moeders van Torbole er hare _bambinelli_ onder vandaan halen."
»Juist. En daarom, als er te Torbole een jong paar aan het vrijen raakt, dan gaan ze samen naar den Sasso dei Bimbi, en zeggen tot hem: »Sasso, o Sasso! wij zijn verloofd. Behoed ons!"--En als zij later getrouwd zijn, en zij willen gaarne dat hun echt vruchtbaar zij, dan wandelen zij wederom samen naar den Sasso dei Bimbi, en roepen: »Sasso, o Sasso! wij zijn gehuwd. Zegen ons!"--En de jonge vrouw strooit maïskorrels in de holten van den steen, terwijl de jonge man er een maatje wijn over uitgiet. _Modo infallibile, Signore! Veramente, infallibile!_"
»Zoo zoo? Dat kan ik mij denken.... Maar ik begrijp nog niet, Angelo, hoe dit alles voor u eene reden kan zijn om tegen dien braven steen zoo uit te varen."
»Ah Signore--als ik dien _sasso_ zie, dan denk ik aan kleine kinderen. En als ik aan kleine kinderen denk--"
»Dan denkt ge misschien aan het eene of andere =groote= kind--is het niet, Angelo?"
Geen antwoord. Maar opeens keek hij mij aan met eenen blik en een lachje, die ik duivelachtig zou willen noemen, indien zij niet tevens zoo onbeschrijfelijk guitig waren geweest.--»_Con permesso_", riep hij: »Heeft Signore in Holland veel mooie meisjes?"----
De vraag was eenigszins zonderling gesteld, en bovendien van zóó teederen aard, dat ik mijn gesternte dankte toen juist ter snede een toebijtend sardientje mij helpen kwam om den blos van verlegenheid te verbergen, die mijne kaken in klaprozen begon te herscheppen.
»In Holland," antwoordde ik zoo ernstig mogelijk, terwijl ik het opgewipte vischje loshaakte: »In Holland, Angelo, zijn =alle= meisjes mooi."
»Alle zonder onderscheid?" vroeg hij, met een zweempje van naïeven twijfelzucht.
»Alle zonder onderscheid", herhaalde ik.
»Ook die welke ongetrouwd blijven?"
»Die inzonderheid, Angelo. Want die zijn zóó schoon, dat geen jonkman ze anders dan uit de verte durft te aanbidden."
»_Madre santissima!_ welk een gezegend land!... Maar dan geven de Hollanders ook zeker niet veel om mooie vrouwen? Want overvloed baart onverschilligheid!"
»Toch niet, mijn vriend, toch niet. Aan het waarlijk schoone verzadigt de mensch zich nooit. Wij houden, Angelo, van =alles= wat waarlijk schoon is!"
»_Ebbene!_ dán moet mijnheer eens naar Tremosine, ginds op den berg. Dáár zijn de mooiste meisjes van gansch Italië. Een heel dorp vol. Ah!" riep hij, terwijl hij eenen vurigen handkus naar het zuidwesten wierp: »_gentile, graziose, adorabile, le più belle del mondo!_"----
Zijne geestdrift was inderdaad aanstekelijk; en daar ik niet inzie waarom een reiziger niet met even ongeduldige belangstelling eene collectie schoone vrouwen zou mogen bezoeken, als een museum van muffe oudheden, zoo besloot ik dan ook zonder tijdverlies den door Angelo met zulk eene bijzondere warmte aanbevolen uitstap te gaan ondernemen. Zoodra het ontbijt genuttigd, en de voormiddagwind, de Sovére, die uit den Alpen blaast, met genoegzame kracht doorgezet was, heesch Angelo zijn zeil.
»_Evviva!_" riep hij, toen het doek zich sierlijk bolde, en onze sloep, voor den wind zich neigende, als eene meeuw over het water begon te scheren: »_Evviva la vita!_"--leve het leven!--
Ik heb dien juichtoon, of iets wat er naar zweemde, ook bij ons in het Noorden wel vernomen. Maar altoos was er dan toch iets gedrukts, iets twijfelends in, alsof hij maar half gemeend ware--iets als stond er een mol-teeken voor.
Ik geloof, om hem zóó te kunnen uiten als mijn Angelo, zoo van ganscher harte, zoo recht en vol in den majeur, moet men een schippertje op het Garda-meer wezen, dat zijn dartel scheepje henenstuurt door louter blauw en zonneglans--met een ontbijt van gebakken sardienen achter den steven, en een dorp vol mooie meisjes voor den boeg. _Evviva la vita!_
* * * * *
Tremosine ligt daar op zijne rots als een arendsnest; en inderdaad schijnt het van den waterkant slechts voor arenden bereikbaar. Toch zou het voetpad, dat zich tegen den roodgrijzen kalkwand een achthonderd voet naar boven kronkelt, u wezenlijk meevallen. Steil is het, ontegenzeggelijk; maar het opwekkende gezelschap van eenen schoonen waterval, die u telkens bij eene wending te gemoet of voorbij galoppeert, laat u dit nauwelijks bemerken. Ook verrast het u, langs uwen weg een blad te kunnen plukken van eenen afgedoolden citroenboom, of de hand te kunnen uitstrekken naar de stekels van eenen in het wild groeienden aloë. En bovendien, zoo het stijgen u te streng wordt--wie belet u telke vijf minuten even stil te staan, en naar omlaag te turen over het blauwe meer, welks aanblik al vreemder en ontzaggelijker wordt naar mate gij u hooger er boven verheft?--Zie, hoe het daar gespreid ligt tusschen zijne bergen, gelijk een hemelveld tusschen donkere wolken. Een smetteloos ultramarijn, glanzend en onafzienbaar. Links van u, naar het noorden, het donzige loofwoud van Riva's Campagna, met haren achtergrond van al hooger zich opstapelende alpgevaarten, boven welke in het verste verschiet de ijshelmen schemeren van Brenta en Adamello. Tegenover u, langs génen oever, de machtige, met sneeuw gekroonde Monte Baldo, aan wiens voet de witte huisjes der dorpen verstrooid liggen tusschen het groen. En zuidwaarts heen, waar de schouderen der bergen den plas niet meer knellen, verliest hij zich, breed als eene zee, in eenen wazigen horizon van sidderend goud.
* * * * *
Was dan de weg er heen verrukkelijk--het plaatsje zelf, Tremosine, vond ik een treurig nest, ontieg en bouwvallig als het inwendige van alle Italiaansche dorpen, wier lachend uiterlijk op eenen afstand doorgaans niet minder bedriegelijk is dan de muzikale welluidendheid van hunne namen. Daar ik echter niet gekomen was om de vuile straat en de havelooze huizen van het vlek, maar om de beminnelijke bewoonsters er van, zoo deerde mij dit luttel.
Nu, ik wil bekennen dat ik naar deze laatsten knap nieuwsgierig was, en dat ik rechts en links uitkeek wat ik kijken kon. Ik gluurde eenige winkeltjes binnen, en sloeg onderzoekende blikken omhoog naar de getraliede vensterholten; doch wat ik ook ontdekte, geen vrouwelijk schoon. Ten leste ongeduldig geworden, hield in mijnen gids en schildknaap (die, wat mij bevreemdde, mijnen kijklust volstrekt niet scheen te deelen, doch met zekere haast al verder liep) op gebiedende wijze staande:
»Wel, Angelo, waar draaft gij heen? Waar zitten nu uwe Tremosijnsche Venussen?--Is dit er temet eene?" vroeg ik, naar eene afgrijselijke tooverkol wijzende, die voor hare huisdeur eene lompige mansbroek zat te verstellen.
»Al verder, Signore!" sprak Angelo, met zijn oolijkst lachje: »Hier nog niet!"
»Halt, neen!" riep ik: »geen stap meer. Eerst zult ge mij minstens een half dozijn schoonheden van den eersten rang voor den dag halen!"
»Hier nog niet, Signore. Al verder!"--
Ik was zoo goed niet, of ik moest al verder. Onder het gaan bespeurde ik een drietal hupsche neusjes en een paar of wat mooie oogen--maar overigens niets dan de inheemsche goorheid van tint en magerheid van ledematen.
»Angelo! gij bedriegt, gij besteelt, gij verraadt me! Aan welken Aballino gaat ge mij overleveren, o schavuit?"
»Moge de Madonna mij met blindheid treffen, als Uwe Excellentie zoo aanstonds niet tevreden zal zijn!" hernam hij. »Al verder nog, _Signore mio!_ al verder nog!"----
Dit eeuwige »al verder" bleek te eindigen op eenen afstand van zes of acht minuten buiten het dorp, waar, schier onmiddellijk aan den rand van den in het meer zich stortenden afgrond, eene kleine herberg staat, met hare helder witte muren en haar donker bosschage voor een dorstig creatuur verkwikkelijk om te aanschouwen.
»Dáár! We zijn er!" fluisterde Angelo mij toe. »_Zitto!_ Wij moeten haar verrassen: want zij is zoo schuw als eene forel!"--Meteen wipte hij zijwaarts een plantsoen van olijven binnen, tusschen wier stammen door hij als een roofdier het witte huisje begon te besluipen. Ik volgde hem zoo gluipend als mij mogelijk was, niet weinig benieuwd naar het eigenlijke doelwit van dit avontuur. Opeens stond hij stil, vestigde op mij eenen vragenden, weifelenden blik, bedacht zich even, legde zacht zijne hand op mijne mouw, en richtte op gedempten toon het woord tot mij.
»Signore", sprak hij: »ik geloof niet dat gij Katholiek zijt."
»Inderdaad, Angelo"--stamelde ik.
»Maar", voer hij voort, zonder mijn antwoord af te wachten--»toch geloof ik dat ge een goed mensch zijt, die gaarne aan eenen armen drommel eenen dienst bewijst."--Hier aarzelde hij en keek van den grond op, om de uitdrukking op mijn gelaat te lezen, die, gis ik, niet bemoedigend was. Voor het eerst toch begon ik den knaap een weinig te wantrouwen.
»Signore", hernam hij: »ik heb u bedrogen. Ja, bedrogen--en toch ook =niet= bedrogen. Want toen ik u zeide dat hier een dorp vol mooie meisjes was, toen loog ik. Maar als ik u nú zeg dat er hier ééne is, ééne--ah Signore! die mooi genoeg is voor zes-en-twintig dorpen--dan spreek ik waarheid.... Die ééne woont dáár. Haar naam is Giulietta. En =ik= ben op haar verliefd!--_Innamorato! oh! appasionatamente!_"----
Het is altoos moeilijk, op eene dergelijke confidentie iets snedigs te antwoorden: men weet toch niet of men den patiënt geluk wenschen, dan of men hem zijn rouwbeklag bieden moet. Ik liet dus, zonder iets in het midden te brengen, Angelo maar voortrammelen.
»Verliefd! ja Signore. En nu zou ze mij wel willen, als"----
»Als?"
»Als haar vader mij maar wou."
»En haar vader?"
»Ja--haar vader zou mij wel willen, als ik maar een middel wist te vinden om hem geld te helpen verdienen. Want op geld is hij als een bedelmonnik op eene eierstruif. _Si si!_ En daarom"----
»Nu, Angelo?"
»Als Signore zoo _amabile_ wilde wezen----dan kon Signore"----
»Wel?"
»Dan kon Signore hier blijven eten en overnachten, en eene goede flesch wijn hier drinken; en dan kon Signore den _padrone_ beloven----hij behoeft het niet te doen, maar hij kon het licht beloven--dat hij iets in de krant zal schrijven, om andere Signori uit Holland hier te Tremosine bij den _padrone_ te doen aanlanden; en op die manier------Ahi! Stil!--daar is zij!"----
* * * * *
Daar was zij, Giulietta. Verstoken achter de grauwe stammen van twee eeuwenoude olijfboomen, sloegen wij haar ademloos gade. Zij was uit de achterdeur van het witte huisje getrippeld, met een mandje in de ééne, een mes in de andere hand. Nu knielde zij tusschen de groenten in den kleinen tuin, dien vijgeboomen belommerden, en begon kropsla te snijden. Haar lief profiel teekende zich fijn en zacht tegen het donkere groen van een myrtenhaagje. Eene zware haarvlecht, glimmend zwart, slipte haar over den schouder tot op den grond;--met een enkel bevallig hoofdschudden wierp zij zich die weerbarstige weder over den rug. Toen, onbespied als zij zich waande, stak zij een voor een hare ronde, bruine armen uit, om de korte bovenmouwtjes op te stroopen tot onder de oksels: want het was zeer warm. En bij die forsche beweging geraakte aan den hals haar kleedje los, zoodat daar zichtbaar werd wat het oog aanschouwt, wanneer eene blanke vrucht al zwellend haren bolster heeft doen bersten. Een merel, fluitend in eenen boomtop, deed haar het kopje zijlings omhoog wenden: en ik zag hoe hare oogen, twee morgensterren, van vroolijkheid blonken, hoe hare lippen glimlachten bij den helderen vogeltoon. Maar het korfje was inmiddels met goudgele kroppen gevuld.
»Giulietta!" riep eene mansstem uit het huisje.
»_Adesso! adesso!_"----en reeds was zij opgesprongen en verdwenen, niet wetende hoe ledig zij den moestuin liet voor een paar opgetogen toeschouwers.
* * * * *
»_Madre santissima!_" barstte Angelo los. »Is zij niet hemelsch? Wat zegt Signore dan nu?"
»Ik zeg, Angelo, dat deze landstreek mij wèl toelacht, en dat ik wèl kans zie, mij hier een etmaal den tijd te verdrijven. Maar--wat voor een leger zal ik hier vinden?"
»Het zal proper zijn: Giulietta zal het u spreiden."
»En wat voor eten zal men mij hier voorzetten?"
»Het zal lekker zijn. Giulietta zal het u klaarmaken."
»Dan, mijn vriend--laat haar vooral de kropsla er niet bij vergeten!"
* * * * *
Ik had goênacht gewenscht, en zat, in het hokje dat mij tot slaapkamer dienen moest, bij het getraliede vensterken. Het was een duistere avond geworden. Geene maan, geene starren. Het zwerk, van glanzen moe, had al zijne oogen geloken--om morgen weer des te stralender neer te blikken op de frisch bedauwde aarde. Alles lag ter ruste; geen lichtje te bespeuren, dan de groenachtig gloeiende stippen der glimwormen in het ras, en ver in de diepte, op het watervlak, de fakkel van eenen visscher.
Maar dit belette den myrten het geuren niet, den matten nachtwind niet te suiselen in de kruinen der olijven, of met flauwen zucht een blad te doen ritselen aan dien anderen boom, uit wiens loover eertijds een menschenpaar zich schorten vlocht.
Menschenpaar, menschenpaar! dat was eene harde beproeving, van alle vrucht te mogen eten, behalve van die ééne, die schoonste en zoetste en saprijkste in den hof!--Menschenpaar, o menschenpaar!----kon het wezen dat mijne oogen goed zagen in het donker?--Waart gij daar weer gezeten, als na uwen val--hand in hand, oog in oog--om met wat liefde elkaar te troosten over het verlorene paradijs?--
Ik hoorde een warmer zuchten, dan dat van den zephyr tusschen de twijgen--een luider lispelen, dan dat van het eene blaadje tegen het andere.
Toen kronkelde de slang der afgunst zich om mijne borst. Want ik ben, zooals de dichter zingt--'k ben maar een mensch van vleesch en bloed--en ik zou liegen als ik zei dat ik den schelm niet benijdde, die daar Giulietta zat te kussen onder den vijgeboom.
»_Ohé_, Angelo!" riep ik: »_Va bene?_"
Ik schrok van mijn eigen geluid. Het klonk zoo satanisch.
Even bleef het stil. Toen vernam ik onder mijn venster de stem van eenen gelukkige, die mij toefluisterde: »_Ah Signore, mille, grazie! Va bene, si si! Va benissimo, Signore! va benissimo!_"
Eene min in den mist.
_Doch auch des Abgrunds Nacht, Den öden Wasserraum, des Sumpflands feuchten Nebel Machst Du zum Eden mir!_
»Je bent dus recht gelukkig?" vroeg ik.
»Indien het den Hemel niet verzoeken is, op die vraag bevestigend te antwoorden--dan zeg ik volmondig: ja!"
»Wacht! daar komt toch even de oude fatalistische Adam weer om den hoek gluren! Den Hemel verzoeken door dankbaar zijne zegeningen te erkennen, terwijl men nooit vreest den Duivel te verzoeken door onredelijk gejammer over ongeluk! Welk een duister wangeloof!.... Maar, ronduit gezegd--het is méér dan ik ooit voor je durfde hopen."
»Wat?"
»Alles. Vooreerst je metamorphose: van damp tot vleesch, van larve tot mensch, zou ik meenen. En dan, met veel meer reden nog, je echtelijk geluk."
»Ja ja!" lachte hij: »het kan je alles niet méér bevreemden, dan het mijzelven doet!----O man, met Tannhäuser kan ik uitroepen: »_Ein Wunder war's, ein unbegreiflich hohes Wunder!_""
»Dan laat ik er met Elisabeth op volgen: »_Gepriesen sei dies Wunder, aus meines Herzens Tiefe!_".... Maar mag men het vernemen, dit mirakel?"