Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Chapter 11

Chapter 113,705 wordsPublic domain

Hij zat en hobbelde zich.--Er steekt achter dat eeuwigdurende gehobbel van Indische menschen méér, dan een oppervlakkig waarnemer zoo wel vermoedt. Het kan namelijk bestudeerd worden als eene vrij vertrouwbare aanduiding van de gemoedsstemming der hobbelaars. Allen hobbelen--maar met verschil. Wie bij voorbeeld vergenoegd of satiriek gehumeurd is, laat zijnen stoel korte, scherp afgebroken wipjes maken. Wie zich landerig gevoelt of onlekker, beweegt zich langzaam, droevig, mat. Wie toornig of in vervoering is, gaat hurre hurre, hop hop hop--als rende hij op een strijdros, met geweldige sprongen, in tuimelenden galop, het voorwerp van zijnen haat of van zijne liefde te gemoet. En zoo voorts. Een fijn opmerker vindt het aantal schakeeringen eindeloos.

De heer Dorus zat dan, en hobbelde zich met zachte, wellustige golvingen. Hem dacht, hij kon den ganschen nacht zoo wel voorthobbelen, en zich er bij denken dat Hoeri's hem wiegden. Zóó behaaglijk voelde hij zich.

Het was inderdaad een behaaglijke avond voor hem geweest. De vrienden, die te zijnent het oude jaar zijne uitvaart hadden helpen vieren, waren zooeven vertrokken--machtig joviaal. De heeren hadden wat quadrille gespeeld, wat muziek verbroddeld, en daarna, als jonggasten die zij waren, zeer opgewonden gekwaakt over koloniale politiek: over wat er edels en dols is in het hollen der radicalen, over wat er verstandigs en hatelijks is in het vastklampen der behoudsmannen: over Nederland's roeping en Indië's bestemming--over allerlei mogelijke en onmogelijke toekomst-dingen.

Wat liefde voor den inlander had daarbij geblaakt! Wat geestdrift voor zijne vrijwording, verheffing en veredeling! Wat ridderlijke verontwaardiging over de barbaarsche misbruiken, die hem koffie doen zweeten voor het Gouvernement, en buffels voor de Pangérans!

»De Javaan moet niet langer dienstbaar zijn!" had er een geroepen: »_Hé, sepada! kassih api, lekas!_"[1]

[1] »Hé, wie daar! Geef vuur, gauw wat!"

»De Javaan moet een vrij man worden!" schreeuwde een ander: »vrij met zijnen eigendom, vrij bij zijnen arbeid, vrij in zijn opstaan en nederliggen!--_Sidin, loe monjet, djangan tidor di sini! Kassih anggor, anak babi!_"[2]

[2] »Sidin, jou aap, wil je wel eens niet slapen hier! Geef den wijn aan, varkenskind!"

»De Javaan moet onze gelijke zijn voor de wet, voor de maatschappij, voor de rechtbank van het zedelijk gevoel!" betuigde een derde, die een half uur later in kleuren en geuren het gezelschap meedeelde hoe hij eene jonge Maleische huishoudster-sultane, van wier liefkoozingen hij genoeg had, zonder veel omhaal van woorden had op de straat gejaagd.

Intusschen was des gastheers zorg geweest, bij die gesprekken een handzaam wijntje gul te doen vloeien. Men heeft ze namelijk nat te houden, die koloniale onderwerpen, trots alle geestdrift. Met goeden drank en geurige sigaren moet men ze besproeien en bewierooken. Anders worden zij licht als zaagsel in den mond, en als oude staatsbladen duf in de neusgaten.

* * * * *

Een vroolijke avond dus--en een schoone nacht. Zoete maneschijn; fluweelen schaduwen;--geene miasmen, en eene ongewone afwezigheid van gevleugeld ongedierte;--de temperatuur oostersch, en toch niet drukkend; de boomen roerloos; alles stil, behalve het heir der cicaden, wier biljoenen de lucht vervulden van een droomig suizen..... Was 't wonder, terwijl de flesch nog wijn bevatte en de manilla nog dampte, dat Dorus van slapen niet weten wou?--Hij genoot rustig de kostelijke, de zeldzame, de ras voorbijgaande stemming, welke druivennat en gezelligheid somwijlen achterlaten in den mensch: eene stemming van volkomen onbezorgdheid, van tevredenheid met zichzelven en alle de dingen rondom: eene stemming die het midden houdt tusschen de kalmte van den lotus-kauwer en de zaligheid van den haschiesch-eter, tusschen Nirwana en het Paradijs. Naar soezen stond Dorus' zin. Naar hobbelen bovenal....... Hop, hop, ging dus zijn wipgestoelte--of het een bootje ware, door zefirs voortgeblazen over de blauwe deining, uit welke straks vrouw Venus opduiken zou.

Nu--vrouw Venus bleef hem verre, tot zijn geluk. Maar wèl begon hij, al soezend en schommelend, tot het bewustzijn te geraken, dat hij niet langer alleen was: dat er dicht naast hem ook een andere stoel hop hop ging--een stoel die zooeven nog roerloos gestaan had en ledig. Hij blikte zijdelings--en zoo waarlijk! daar zat in dien stoel een oud heer, een hoog bejaard man, met kalen schedel, langen grijzen knevelbaard, en gehuld in eene kleedij--half pij, half regenmantel--die Dorus op het vermoeden hielp dat hij de verrassing van dit onverwachte bezoek verschuldigd was aan eenen korist uit de Fransche Opera, waar dien avond _La Favorite_ was ten tooneele gevoerd. Zóó vast verkeerde Dorus in dien argwaan, dat hij opstoof met een: »_Monsieur, que me voulez-vous?_"

»De vrede zij met u! Blijf zitten, mijn zoon!" antwoordde de grijsaard in goed Hollandsch, met een handgebaar vol zalving: »Ik ben niet wat gij gist. Ik zing tenor noch bariton. Mijn naam is Sylvester."

»Sylvester?" riep Dorus, ten hoogste verbaasd over 's mans gave van aldus zijne gedachten te lezen: »Sylvester?--Ik ken geen Sylvester hier te Batavia."

»Maar ge hebt er eenen gekend in uw moederland."

»Sylvester, zegt ge?"

»Den ouden heilige van den oudejaarsnacht!"

»O ja!"

»Gij hebt hem gekend en liefgehad, niet waar?"

»Zeker! Ik heb altoos trouw aan hem geloofd--ofschoon ik in Holland nooit het genoegen had zoo van aangezicht tot aangezicht--"

»Dat was braaf van u. Gelooven zonder zien is juist het ware. Maar wat bevreemdt u dan mijne komst in dezen nacht?"

»Vergeef mij!" sprak Dorus: »Wij zijn hier verre van het land der liefelijke winter-verschijningen. Ik wist niet dat uwe tochten, heilig man, zich uitstrekken tot bezuiden den Equator."

»Overal ga ik rond", zoo luidde het plechtige antwoord: »overal ga ik rond, waar bij het verscheiden van den laatsten December een schot gelost wordt te mijner eer, en menschen warm elkaar de hand drukken bij het dreunen van den klokslag twaalf. Gij begrijpt dit niet?"

»Ik beken, o weleerwaarde vader, dat het mij raadselachtig voorkomt, hoe iemand--"

»Op twintig-duizend plaatsen te gelijk kan zijn?"

»Juist zoo! Gij doorziet mijne overdenkingen, alsof ze van kristal waren; en gij steelt mij de woorden van de tong, als waren het paarlen van grooten prijs."

»Kortzichtige! Zaagt gij de glanzende lichtbaan, die de zon werpt over de golven?--Zij is hier, zij is ginds, zij is duizend mijlen naar het westen, en duizend mijlen naar het oosten: zij is overal waar de zon straalt boven de zee, en waar een menschenoog is om op haar te turen. Zóó ben =ik=. Ik klotste dezen avond door de modder van Londen en door het slijk van Bucharest. Ik zat aan bij oestermalen in pronkerige salons te San Francisco, en tevens hielp ik den feestschotel van _olla podrida_ opdragen in de hut van den Castiliaanschen boer. Ik waadde door drie voet sneeuw te Archangel, en tegelijkertijd klopte ik te Melbourne mij het heete stuifzand uit den baard. Ik was hier, en ginds--duizend mijlen naar het noorden, duizend mijlen naar het zuiden--overal waar het oude jaar wegstierf van de aarde, en waar een menschenhart het eene dankbede nazond of eenen zucht."

Bij deze toespraak zag Dorus den oude nogmaals aan. Weg was alle twijfel. Het moest Sylvester wezen, ja! Zijn toon roerde Dorus. Zijne vriendelijk ernstige trekken deden in hem herinneringen ontwaken van het verlaten huis. Dorus meende sneeuw te bespeuren op dat eerwaardige hoofd; hij meende kerstlichtjes te zien glanzen in des grijsaards goedige oogen:--vóór hem, aan den zilverblauwen hemel, ontrolde zich een visioen van ijs en schaatsenrijders, baanvegers en warme melk, door twee kokospalmen omlijst. Hier zat hij, in den luwen tropischen nacht van dezen eersten dag des jaars: Sylvester--de genius der noordsche huiselijkheid, der wintersche poëzie. Hier zat hij--en hobbelde zich.

* * * * *

»Ik heb mijnen marsch volbracht. Ik zag hier licht, en goede dingen op de tafel. Laat mij hier een weinig rusten."--Zóó sprekende, greep de oude de flesch, schonk zich een boordevol glas in, en ledigde het met toewijding.--»Kom", vervolgde hij: »wij willen, zoo het u wèl is, het gesprek van daareven samen voortzetten."

»Welk gesprek, hoogwaardige? Over wat?"

»Over de koloniale politiek immers, die u en uwe vrienden zoo in vuur bracht. Ik mag die praat wel eens een enkel maal, bij een glas en onder vier oogen."

»Neen, Sylvester, neen!" smeekte Dorus. »Al wat gij wilt, maar dát niet! Smaakt de champagner u, tast toe dan, heilig man! Doch meng mij geen veegsel uit het Binnenhof in mijnen beker. Zie! de nacht is schoon als de droom eens bruidegoms! Laat ons meedroomen--van het verleden--van de toekomst. Gij hebt mee doorleefd wat was; gij blikt als ziener in de dingen die komen moeten. Eilieve, vertel mij wat!"

De grijsaard trok zich den monnikskap half over het hoofd, leunde achterover in zijnen stoel, keek naar het Zuiderkruis--en hobbelde zich.

* * * * *

Hoe lang zij beiden zoo hobbelden naast elkander, is met geene juistheid te bepalen. Eindelijk hoorde Dorus zijnen geheimzinnigen gast, met eene stem die hem zacht en vreemd klonk als kwam zij uit de verte, aldus beginnen:

»Wèl moogt gij zeggen, jonge man, dat ik mee doorleefd heb de dingen die voorbij zijn--ook in =dit= land, al was het maar op éénen dag in elk jaar. Ik zag Batavia geboren worden en groeien; ik kende het benard maar moedig; sterk maar gewetenloos; rijk maar wreed; weelderig maar verloren. Ik woonde bij, hoe deze stad zich uit de luiers vocht als eene jonge leeuwin; hoe zij groot werd en eenen koninginne-titel voerde; hoe zij Europa's lot beslissen hielp door het gewicht harer schatten; hoe zij allengs verzonk in overdaad; hoe zij onderging in bederf; hoe zij den hiel des vreemdelings voelde op haren nek; en hoe zij ten leste, genadig van dien druk bevrijd, haar uitgemergeld leven te hernieuwen zocht door een nieuw stelsel van uitmergeling. Hare geschiedenis was een verloop van snelle wording en rasse ontbinding. Reuzen hebben haar gegrondvest; dwergen hebben haar voltooid;--naar gelang zij wies, werden hare burgers kleiner. Maar in één ding bleef zij gedurende dat wisselend verleden zichzelve gelijk. Steeds was geldwinnen het doel--en was list het eerste, geweld het tweede middel van haar bestaan.

»Het was op Sylvester-dag A. D. 1618, dat ik de eerste maal deze kust betrad. In eene veege sterkte, ginds aan het drassige strand, vond ik eene luttele heldenschaar opgesloten--belegerd door duizendmaal haar aantal, ingesperd te land en ter zee. Geen uitzicht op ontzet--en in de veste zelfs geen kruit haast meer om te schieten. Maar stalen moed, wilskracht en zelfvertrouwen schutten beter nog dan wallen en kanon. Elk dier mannen was eene vesting in zichzelven, en nooit, zeg ik u, heb ik hartiger en hoopvoller de oudejaarsavond-bekers hooren klinken, dan in dien reddeloozen kring. Die helden waren uwe vaderen, jonge man!

»Ik was getuige, jaar op jaar na dien dag, van hunne stoutheid en hunne fortuin. Ik kwam en ging, honderd malen--en telkens droeg de wind mij geruchten toe van hunne veroveringen. Zij reden als een tijgerkat op den rug van een kameel, en woelden met klauw en tand zich dieper en dieper in het vleesch. Niets verschoonden zij; niets lieten zij zich ontglippen; mededoogen was hun vreemd. Zij hielden--in aantal geringer dan elk hunner vijanden afzonderlijk--met de linkerhand de volkeren van het Oosten in bedwang, terwijl zij dan de rechter nog vrij hadden om Britten en Franschen ruim baan te doen maken voor het rood-wit-blauw. Zóó wakker, zóó fier, zóó sterk waren zij toen.

»Zij werden rijk. En let nu op, jonge man! Nooit waren zij angstig geweest voor hun lijf en bloed:--zij zouden het worden voor hunne schatten. Angst maakt wreed. En achter wreedheid schuilt onbewust reeds een eerste besef van verzwakking.--Ik herinner mij den Sylvester-nacht A. D. 1721. In dien nacht hadden een paar booswichten der goede burgerij eene verrassing toegedacht, van welke zij niets zou hebben naverteld. Ik beefde voor de snood belaagde stad.--Doch een jaar later stapte ik voorbij de schandzuil, die men den verfoeilijken Pieter Elberfeld had gebouwd. Uwe vaderen, vriendlief, hadden met de hun eigene beradenheid het gevaar weten af te wenden. Zij hadden het moordkomplot ontdekt, de samenzweerders gegrepen. De twee ergste boosdoeners hadden zij op ijzeren kruisen gebonden, hun de rechterhand afgehouwen, het lichaam met gloeiende tangen gekneed, het hart uit 't lijf gescheurd en in het aangezicht geworpen, vervolgens hen onthoofd en eindelijk gevierendeeld--na al hetwelk men genoegzame zekerheid meende te mogen koesteren, dat deze slechte sujetten hun vergrijp niet licht zouden herhalen. Vier medeplichtigen werden levend op het rad gezet; tien werden er geradbraakt zonder den genadeslag te ontvangen; en drie schuldige vrouwen werden geworgd. Den dag na deze terechtstelling vierde men als plechtige dank-, vaste- en bededag. Batavia ademde weder. Het loofde de wrekende Voorzienigheid, en zong den Heere psalmen.

»Desgelijks deed het (en met niet minder reden) in den Sylvester-avond van den jare 1740, terwijl de wegen nog glibberig waren van het bloed van tienduizend schuldeloos geslachte Chineezen. Ha! dat moet voor Janmaat een festijn zijn geweest! Het bloed der heidenen stroomde ter hoogte van de enkelen langs de straten--zóó verhaalde men mij; en de Hemel had blijkbaar deze vermaledijde afgodendienaars met verlamming geslagen: want als kudden schapen lieten zij zich afmaken, zonder den minsten weerstand te bieden!--_O dies irae!_--Het was in Wijnmaand van dat jaar. Als ik in mijnen December-nacht door de geredde stad de ronde deed, hing er eene lijkenlucht als een nevel boven de daken; en de zee wierp een roodachtig schuim op de kust; en de kaaimans aan den riviermond versmaadden het spartelend levend aas--zóó verzadigd waren zij van dooden.--Maar de Compagnie was behouden. Hosanna! Hallelujah! galmde het opwaarts uit de Kruiskerk aan het Stadhuis-plein.

»Edoch, geene tale Kanaän's mocht hier baten--zoomin als de nieuwjaarsgift die de heer Gouverneur Jacob Mossel op den 1sten van Louwmaand 1755 den Batavianen te huis zond. Deze gift bestond in eene ordonnantie, strekkende tot beteugeling van de overmatige weelde, die stap bij stap in de bezittingen der Compagnie de overhand verkregen had, en nu hooger geklommen was dan ooit. O zotte waan! Alsof dit kwaad door psalmtonen of plakkaten zich weren liet, terwijl de actiën der Maatschappij tot 600 procent gerezen waren! Alsof men mannen weer vroom en vroed kon maken door hun de gouden knoopen van den rok te snijden; vrouwen weer spaarzaam en kuisch door het aantal slavinnen te beperken, die haar de satijnen zonneschermen boven het hoofd, de fluweelen slippen achter de hielen droegen!--Het gif zat dieper dan op de kleederen. Het zat in de spieren, die het verslapte; in het hart, dat het verkankerde; in de hersens, die het verbijsterde, daar alle vernuft zich spitste op zingenot. Zie, mijn zoon! indien geduld en eenvoud de steen der wijzen zijn, die modder omzet in goud--de steen der dwazen is overdaad, die goud verkeert in modder.

»Zoo was dan de bijl aan den boom gelegd. Ruim vijftig jaren daarna trof ik den Landvoogd Daendels aan het werk. De Compagnie lag toen ter aarde besteld:--zij had zich volgezwolgen aan wijn, en was aan waterzucht bezweken--juist als zoo menige van hare aandeelhouders. Maar voor den armen inlander bleef haar naam toch voortleven, en haar zwelgbewind. Een prachtige weg, vindt ge niet dien de mannetjes-man banen deed van Anjer tot Banjoewangi's uithoek?--Wee!--indien gij een duizendste gehoord hadt van het kermen en krijten, van de rottingslagen op naakte lendenen, van de verzuchtingen en de vervloekingen, die als de muziek waren op wier maat men spade en houweel bewoog; indien gij een duizendste aanschouwd hadt van den jammer en den nood, die deze weg aan een millioen menschen heeft gekost--gij zoudt hem betreden gelijk men een slagveld betreedt--met gebogen hoofd, en met eene stemme des bloeds in de ooren, roepende tot u van den aardbodem!--Wee!

»Toen de Brit zijne korte rol hier had afgespeeld; toen de politiek van ontginning, onder de Compagnie beoefend te hooi en te gras, door het Koninkrijk der Nederlanden in toepassing werd gebracht als kunstig geordend stelsel--toen vloeide de maat des onrechts over. Daar brak de opstand los. Het stond hachelijk met de Batavianen in den Sylvester-nacht van het jaar 1825, toen Diepo Negoro waarlijk een knap stuk op weg was om al wat er op Java Hollandsch sprak moedernaakt in zee te jagen.--Doch wederom zegevierden uwe vaderen, jonge man. Wederom triomfeerde een handjevol geweldenaars, die vochten om gewin, over een volk dat kampte om vrijheid. Zoo Java ooit eene ster had aan den hemel, dan ging zij onder en werd uitgebluscht in die dagen, als eene fakkel die men dompelt in den oceaan.

»Maar zeg, vriend, slaapt gij?"

* * * * *

»Slapen!" riep Dorus: »slapen terwijl gij spreekt, man van ervaring! Eer zou ik slapen als de engel Israfil hier naast mij zat, blazende op zijne bazuin!--Gij haaldet op van booze dingen. Hier! laat ons op de betere tijden drinken! _Ad fundum!_"

»Recht gaarne!--Inderdaad", voer Sylvester voort: »men heeft sinds kort naar beter getracht hier te lande. Sedert vond ik vrede hier, van jaar tot jaar. De meester was begonnen den slaaf te sparen;--gelijk men de heesters niet meer vernielde, die de kostbare specerijen droegen, zoo dunde men de arbeiders niet langer uit, die de nog veel kostelijker tonnen gouds voortbrachten. Dit was economie. Later werd het philantropie. Als uw Sidin morgen goedvindt, bij wijze van nieuwjaars-begroeting, u te verzekeren dat gij een aap zijt, en gij waagt 't hem daarvoor te straffen met eene schuchtere oorveeg, dan zet men u op water en brood, terwijl Sidin zich inmiddels vermeien mag met uw bruin liefje!--Haha!--De meester streelt dus al zijnen slaaf!--Of wat?--zijnen slaaf?--Zijnen evenmensch, zijnen naaste, zijnen jongeren broeder, moet ik zeggen! Hij wil hem beschaven, polijsten, verheffen, veredelen tot zijn evenbeeld. Hij is hem gaan loven, bewonderen, berijmelen, bezingen...... Ik ben benieuwd, jonge man, waarmee hij eindigen zal!"

»Benieuwd?" hernam Dorus: »Grijsaard, wat heeft men benieuwd te zijn naar hetgeen men weet? De toekomst legt immers voor u haren sluier af? Gij voorziet immers de dingen die zij brengen zal?--Ai, verklap ze mij! Ik gaar uwe woorden als goudkorrels!"

Sylvester tuurde alweder naar het Zuiderkruis, dook nog dieper in zijnen kap, hobbelde zich eens, en vervolgde al fluisterend:

»Ik zie het, ja--zoo heel ver niet weg tusschen de sterren en de aarde.

»Duizend voet boven de naar Buitenzorg verlegde hoofdstad zweven reusachtige, met vlaggen en wimpels getooide ballons, die vrachten torschen van burgerlijke en militaire beambten in gala-kleed, van schoone vrouwen in zijde en satijn, van bonte muzikanten en trommelslagers. Men gluurt door groote trechters over de zee. Blijkbaar wil men iets of iemand feestelijk opwachten.

»Daar komt door de lucht een vliegtuig aangestevend uit het westen;--als men het even pas zag opdoemen boven de kim, is het reeds genaderd met de snelheid van eenen orkaan. Men wuift met dundoek; kanonnen bulderen; kelen schreeuwen zich schor; »_Wien Neerlands bloed_" en »_Wilhelmus_" schetteren door de wolken. »Hoezee voor den nieuwen Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie!"--En de Landvoogd, dien welkomstgroet vernemend uit de vlakte, diep onder zijne voeten, is zijner blijde ontroering niet langer meester. Hij schiet zijne vliegmachine aan, springt over boord, gevolgd door zijnen stoet van gevleugelde adjudanten--en strijkt klapwiekend neer onder de jubelende menigte.

»Een man van enkel vlerk en geest, zou men zeggen. Als éénig zoon en erfgenaam van eenen _selfmade man_ (eenen Amsterdamschen melkboer, die zich zijn groot fortuin verwierf door louter voortvarendheid en pompwater), staat hij verheven boven elke verdenking van gehechtheid aan oude vooroordeelen, van heulen met reactie. Voorwaarts, Tiberius Voorwaarts is zijn naam--en voorwaarts streven zijne daden. Het is noodeloos, u uiteen te zetten hoe hij van pleidooiloos pleiter opklom tot gemeenteraadslid, van gemeenteraadslid tot volksvertegenwoordiger, van volksvertegenwoordiger tot koloniaal Kamer-specialiteit, van specialiteit tot orakel, en eindelijk van den drievoet tot de best bezoldigde waardigheid in deze gewesten. De gymnastiek toch, welke bij het beklauteren van deze ladder dient, zal over honderd jaren niet aanmerkelijk verschillen van de huidige. Genoeg dus, dat de heer mr. Tiberius Voorwaarts tot op eenen prik de persoon bevonden was om aan de emancipatie van Insulinde de allerlaatste hand, op de beschaving van het Maleische ras het finale politoersel te leggen.

»Ik zie den man aan zijnen volmakings-arbeid. Gerechte Hemel! Ik ken Java niet terug--en nog minder den Javaan; zelf sta ik verbaasd over hetgeen mijn zienersblik mij openbaart. Hoe! deze luchtkasteelen, vliegende boven de bergen; deze electrische manen, den nacht verkeerende in dag; dit net van ijzerdraden, die voor woord en toon den afstand vernietigen: deze prachtige havens, deze wegen van asphalt, deze onmeetlijke plantages van koffie en tabak--zij zijn het werk van Nederlanders! Er zal dan nog eenmaal weder geestkracht gevaren zijn in de Hollandsche natie?----Maar ik begrijp het: de coupon-knippende lijzigheid is er eindelijk uitgewrongen, sedert Rusland's en Oostenrijk's bankroet!

»En Sidin! Is dit Sidin, die zijne gamelan aan de Joden overlevert als oud koper, en zich een electro-dynamisch draaiorgel aanschaft, met de geheele _Götterdammerung_ er op? Sidin, die voor zijne Adinda geabonneerd is op _De Huisvrouw_, en voor zijnen Kromo op de _Vragen des Tijds_? Sidin met handschoenen over zijne kneukels? Sidin met eenen knijpbril op den neus? Sidin kiezer? Sidin socialist?

»Het is veel. Maar nog zal het den Landvoogd Tiberius Voorwaarts niet genoeg wezen. Niet tevreden met de handschoenen, zal hij nog de kneukels, die bruin bleven, veredelen willen tot blankheid. Onvoldaan over de knijpbrillen, zal hij nog de neuzen, die plat en ingedeukt zijn, hervormen willen tot rechtheid.

»Dan echter----"

* * * * *

Sylvester zweeg.

»Welnu!--dan?" vroeg Dorus Dadelboom in ademlooze spanning.

»Vraag niet verder, jonge man!--Als de adelaar zijnen kiekens vliegen leert, verwacht hij dan dat zij in het nest zullen blijven? of dat zij straks vrij zullen drijven op eigen wiek?--_Finis! finis! finis Coloniae!_"

»Sylvester--in 's Hemels naam!"

»Neen!" klonk de stem: »Ik heb eenen haan hooren kraaien: ik moet voort. Dit slechts wil ik u nog zeggen:

»Het zal een schoone dag zijn voor Nederland, wanneer het zal kunnen heenwijzen naar een bloeiend rijk in het verre Oosten, en verklaren: »Dáár ligt mijn werk:--mijne bezitting niet langer--maar mijne stichting. Ik heb genomen. Ik heb tienvoudig teruggegeven. Mijne schuld is gedelgd.""

* * * * *

»Sylvester!" riep de advokaat: »nog één woord!--De band tusschen kolonie en moederland? De Indische baten? De kruk van ons nationaal bestaan?"----

Vergeefs. Niemand hoorde hem meer. De oude was verdwenen. De stoel alleen, in welken hij gekeuveld had, hobbelde nog zachtkens in het maanlicht, neigende als ten groet.

Eene min in den zonneschijn.

_Dahin! Dahin Möcht' ich mit dir, o heiss geliebte, ziehn._

Hoog op de rotsen aan den westelijken zoom van het Garda-meer ligt een schamel gehucht, Tremosine geheeten.