Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 10
Vreeburg, moet men weten, is een dier weinige gelukkige stadjes in Nederland, welke nog verstoken bleven van de zegeningen eener directe spoorwegverbinding. De woningen en het vleesch zijn er dus nog goedkoop, de menschen gemoedelijk. Dit lokt er een aantal kleine renteniers en gepensioneerden heen: vreedzame, gezellige lieden, die er eenen beschaafden toon doen heerschen en er in hunne tuintjes macht van lieve bloemen en fijne vruchten kweeken. Men rookt er nog lange pijpen, kolft er nog, en leeft er zonder hurrie en hoofdpijn, niet jagend van den eenen dag op den anderen--niet luierend toch ook, maar voor alle dingen zich den tijd gunnend die er voor staat. Alles een gevolg der niet-aanwezigheid van den ijzeren weg. Ik durf zelfs op rekening van die afwezigheid het feit brengen, dat rondom Vreeburg nog niet al de buitenplaatsen gesloopt en al de bosschages gerooid zijn, om ruimte te maken voor de vetweiderijen van den onverzadelijken Engelschman.
Zóó, in eene houtrijke streek gelegen, met zijne tuinen en landhuizen buiten, zijne heldere, schilderachtig gegevelde straten binnen den hoogen groenen wal, heeft Vreeburg zoowel uitwendig als inwendig een aangenaam, ja, om der zeldzaamheid wille, een haast romanesk voorkomen. En als om aan die landelijk steedsche liefelijkheid eenen achtergrond bij te zetten van het eerbiedwekkende--zie! daar is het waarlijk grootsche kerkgebouw, de pronk en de trots van het stedeken--het fier en sprekend overblijfsel van zijne vervlogene grootheid. Hoog en machtig verheft zich boven den dichten looverkrans der lindenrijen op den wal de afgeknotte toren, van den adem der eeuwen grauw verweerd, als een strenge, eenzame wachter uren wijd heenblikkend over de groene beemden, en over de gele duinen in het verschiet, en over de verre, glinsterende zee daar achter. De kerk staat op eene kleine verhevenheid, eene terp vermoedelijk uit overoude dagen, toen de zilte golven hier soms nog eenen inval deden. Om haar henen schaart zich een dubbele kring van populieren. Slentert gij onder hun lispelen mijmerend voort, dan zult gij hier en daar den voet zetten op zerken, in welke gij de namen zult gegrift vinden van menschen, die----och! die misschien in hunnen tijd het _Iö vivat_ hebben meegezongen met uwen eigen grootvader.
Dit is het bedehuis waarin Werner's vader organist was--en waarin hij zelf thans, haast een tachtiger, dag aan dag voor de registers zat, om de harmonieën te doen ruischen, van welke zijne ziel nog altoos vol was.
* * * * *
Dicht bij de donkere poort uit de trekschuit gestapt--die mij, wel niet vliegend, maar toch snel genoeg, en inderdaad met eene allergenoegelijkste kalmte, naar de veste Vreeburg had heengebracht--liet ik mij door des schippers knecht de woning wijzen van mijnen vriend. Zij lag een groot kwartier verwijderd--een minzaam buitentje, aan eenen zwaar belommerden straatweg.
Ik schelde en gaf mijn kaartje over. Mijnheer werkte op zijn moesland, zeide men mij. Men zou hem onmiddellijk roepen. Onderwijl liet men mij in zijn studeervertrek. Ik zou daar wel even willen wachten.
Het was eene tuinkamer, die al bij den eersten aanblik mij bekoorde door hare lachende gezelligheid, haren zonnigen, rustigen eenvoud. Bij het eene venster stond een korf vol fijne bloemen; bij het andere een aquarium met goudvischjes, door welks helder vocht juist een zonnestraal met tintelenden, veelkleurigen glans zich henenboog. Een concertvleugel en eenige viool-dozen, eene cello in eenen hoek, eene antieke boekenkast, een quartet-lessenaar, een fraai ouderwetsch uurwerk en vroolijke ornamenten op den schoorsteenmantel, eene groote, met bladen en partituren bedekte tafel en een half dozijn geriefelijke stoelen--ziedaar wat het vertrek nagenoeg vulde. Aan de wanden hingen de oude prenten: droomgezichten van Beethoven en Weber, papa Haydn op zee, Mozart, op het klavier zijnen _Don Juan_ voordragende; voorts portretten van meesters en virtuozen groot en klein--en, smaakvol gerangschikt, eene gansche tropee van gedenkstukken. Hier was zijn eerste lauwerkrans; en daar was zijn laatste. Den laatsten kreeg hij bij zijn afscheid van den kapelmeesters-staf; den eersten bij zijne aanstelling, nu zestig jaren geleden. Dezen zilveren penning won hij als knaap, bij een examen, na voor 't eerst in het openbaar gespeeld te hebben. Hoe trotsch hij er op was! Zijne goede moeder had hem uitgelachen, omdat hij haar verzocht had het groote ronde ding op zijn buisje te hechten, bij wijze van ridderteeken!--Dit vergulde harpje was zijn insigne als eerelid van de dilettanten-vereeniging, op wier gezellige avondjes hij =haar= ontmoette: zijn mooi meisje en lieve vrouw. En hier was de met zilver ingelegde dirigeerstok, dien eenige vrienden hem schonken nadat hij voor het eerst in de stad eene symphonie van Beethoven had doen uitvoeren. Het was de _Eroïca_ geweest. Hemel, welk eene geestdrift! En hoe gloeide hemzelven het hoofd dien avond, in eene roes van opgewondenheid!.... Ook kostbaarder geschenken bezat hij--dat is, die meer geld gekost hadden; maar dááraan, ik wist het, hechtte hij niet; hij hield ze weggeborgen. Aan deze voddekens hechtte hij, die voor hem levendig waren van droevig zoete herinneringen. Och! wij allen garen van die nesterijen op, zonder er veel naar om te zien, zoolang we 't goed en gezellig hebben. Wij weten nog niet hoe dierbaar zij ons kunnen worden, als wij oud en eenzaam geworden zijn, en de trouwe handen, uit welke wij ze vóór jaren ontvingen, de onze niet meer drukken kunnen.
Terwijl ik zoo rondkeek over al dit oude gedoe, van vroeger mij zoo welbekend, hoorde ik in de gang zijne stem. De deur ging open--en handschuddend stonden wij tegenover elkander.
»Wel!" riep hij: »dáár doe je goed aan, jongenlief, dat je nog eens naar den ouden man komt omzien vóór hij het kaarsje uitblaast! Dáár doe je braaf aan!--'t Is leeg om mij heen geworden, mijn jongen! Ze hebben mij hier deerlijk in mijn eentje gelaten!--Om je de waarheid te zeggen", liet hij er na eene korte pauze op volgen: »om je de waarheid te zeggen--ik had óók maar liever mee gewild!"
Ik vond hem erg verouderd. Versuft of vervallen nog geenszins. Nog blonk er wakkerheid in zijn donker oog; nog droeg hij recht den kop, en was zijn handdruk krachtig; nog kon hij de lange, zilverwitte haren zich achter de ooren werpen met diezelfde schuddende hoofdbeweging, die ook zijnen allereersten zwaai met den dirigeerstok begeleid mag hebben. Maar toch, de smart over zijne dooden, méér dan de tijd, had zichtbaar zijn lichaam gesloopt. Ook meende ik onder het praten op te merken, dat hij stiller was dan voorheen, en dat hij dikwijls, als hij iets gezegd of gevraagd had, het antwoord niet scheen te hooren, maar staroogend in zichzelven zat gekeerd. In hartelijkheid evenwel was hij dezelfde gebleven, en aan het oprechte genoegen, dat ik met mijn bezoek hem deed, liet hij mij geen oogenblik twijfelen.
Ik vroeg hem naar Gisela en de tweelingen. Daar betrok weder zijn gelaat. »O!" zeide hij, »die maken 't goed--gezond ten minste. Gisela is bij hare zieke tante in huis, die haar in haar testament wel niet onbedacht zal laten. Wat de jongens betreft"----Hij hield zich in, en schudde het hoofd.
»Nu, de jongens?"
»Ja, nu--gezond en wel, zooals ik je zei--en redelijk goed geplaatst, de een bij de spoorwegen, de ander bij den waterstaat. Heb je ze al ontmoet, sedert ge in het land terug zijt?"
»Nog niet. Ik denk hen in de volgende week eens op te zoeken. Ze komen hier zeker druk?"
»Hier?--O ja! druk, erg druk!.... 't Zal nu wel haast een jaar geleden zijn, dat ik ze een van beiden gezien heb!"
»Een jaar?--een van beiden?--Is er dan--"
»Maar heb je dan van niets geweten?" viel hij mij levendig in de rede. »Niets bemerkt, in de laatste weken vóór je vertrek?"
Ik verklaarde in de verte niet te kunnen gissen wat hij bedoelde.
»Ja ja!" prevelde hij: »het waren een paar gesloten boeken, behalve voor hun zusje--, en die had voor =mij= weer geen geheimen...... Maar vertel mij eerst eens: heb je dat lied nog bewaard--dat liedje van Chamisso, dat we speelden bij ons afscheid?"
»Of ik het nog bewaard heb?--Hoe kunt ge 't vragen? Het zit ingebonden bij mijne lijfstukken."
»Zoo? Braaf!--Dan wil ik je zeggen, dat ik het niet zoo maar voor de aardigheid, niet zonder een ernstig opzet schreef. Ik wist wat er broeide--en ik hoopte--ik dwaas! ik hoopte het te keeren met een notenblad!"
Hierop begon hij mij mee te deelen hoe, reeds in het laatste van hunnen studietijd, de twee broeders, als altoos één van zin, verzot waren geraakt op eene zelfde jonge dame; hoe zij beiden haar met gelijken ijver het hof hadden gemaakt, beiden haar met gelijke hartstochtelijkheid hunne eerste liefde hadden voor de voeten gelegd--en beiden met een gelijkluidend schrijven van het dametje den zak hadden gekregen. Er was tusschen hen een hevig tooneel voorgevallen, waarbij de een den ander in woedende verwijtingen niets gewonnen gaf. »En nu", vervolgde Werner, »nu haten zij elkander onverzoenlijk. In geen anderhalf jaar hebben zij elkaar willen zien. Hunne schoone Helena (onder ons gezegd, een nestig nufje) is onderwijl getrouwd met eenen rijken ouden paai; maar niettemin zijn alle pogingen van hunne zuster en mij, om het geschil bij te leggen, vruchteloos gebleven. Gisela trekt het zich deerlijk aan. En ik, die niemand anders meer op de wereld bezit--ik, die mijn leven lang harmonie gezocht heb en harmonie gepreekt--voor mij is het een nagel aan mijne doodkist, dat ik in mijnen hoogen ouderdom nog haat en woede moet zien heerschen tusschen de kinderen van mijn éénig kind.... Harmonia! och, Harmonia!--op mijnen ouden dag heeft zij mij begeven! Geen quartet meer, geen orkest meer, geen gezin meer, geene eendracht meer onder mijne kinderen!... Ik heb mijn laatste liedje vergeefs gezongen, amice!--ik heb mijn laatste liedje vergeefs gezongen!"
Zóó klaagde hij. Het ging mij aan het hart, méér dan ik zeggen kon, hem zoo eenzaam en treurig terug te vinden. Ik beloofde (hoewel met weinig hoop op slagen) mede mijn best te zullen doen om eene verzoening tusschen Walter en Hugo te bewerken. Verder werd er over dit pijnlijke onderwerp niet meer gesproken.
Al koutende over andere dingen, herwon mijn gastheer ook weder een goed deel van zijne vroegere levendigheid. Bijzonder op te wekken scheen hem het uitzicht, dat hij mij straks zijn orgel zou doen hooren, zijn éénig heul en liefsten trooster in zijne muzikale ballingschap. Zoodra wij het middagmaal gebruikt hadden, richtten wij dus naar het Vreeburgsche bedehuis onze schreden.
* * * * *
Het moet, daar wij om den stadswal heen tamelijk geslenterd hadden, al goed naar klokke zeven geloopen hebben, toen wij door de kleine zijdeur naast den toren het huis des Heeren binnentraden. Buiten spreidde de ter kimme neigende Augustus-zon haren luister nog over het houtrijke landschap. Een koeltje, aangestreken over de frissche zee, stoeide met de ranke populieren; hoog rondom den torentop zwierden al krassend de huiswaarts gekeerde kouwen; en op de weiden in de verte loeiden de brave koeien elkander hare ontboezemingen toe--arcadisch bazuingeschal. Daar binnen echter--o heilige stilte! o plechtige schemering!--In half-donker lag reeds het geheele beneden-gedeelte van de eenzame ruimte. Doch hoogerop kleurde het zonlicht, heenbrekend door de beschilderde vensterruiten, pilaren en bogen met phantastische pracht--eenen weergloed van de diepe, rijke verven, die er gloeiden op het glas. De grijze zandsteen geleek opaal. Zacht bewogen zich, wuivend als vredepalmen, de schaduwen der popel-twijgen over deze wonderbaar bonte schijnselen. Eene mystische tinten-mengeling:--duisternis omlaag--hemelsche lichtgestalten in den hooge.
Pas had ik mij in eene der banken tegenover het orgel neergezet, of de tonen van Schumann's _Abendlied_ golfden door den tempel. De dichterlijke grijsaard! Dat hij zoo de stemming voelde van het oogenblik! dat hij, terwijl de kleuren van den avond mijne zinnen omstrikten met rust en glans, niet terstond mij overstelpte met eene wilde _toccata_, maar sussend ook het oor mij streelde als met een avondrood van tonen.
Het orgel zweeg, als om mij tijd te gunnen nog eenen afscheidsblik te doen dwalen over de ras verbleekende kleurvisioenen. Daar preludeerde de speler weder. Hij was een meester in het phantaseeren op bekende koralen. Ditmaal begon hij met nog eenen anderen vromen avondzang:
»_Nun ruhen alle Wälder, Die Menschen, Städt' und Felder, Es schläft die ganze Welt. Ihr aber, meine Sinnen, Auf, auf! ihr sollt beginnen Was eurem Schöpfer wohlgefällt._"
En zoo, met schoone wendingen en kunstig registreeren zijn speeltuig leidende van melodie op melodie, vlocht hij eenen krans tesaam uit die aloude hymnen vol godsvrucht en kinderlijk vertrouwen, die ons allen gesticht en vertroost hebben, wanneer wij ze meezongen met kinderlijken zin.
De schemering sloop hooger langs de pilaren; het begon somber te worden tusschen die holle muren. Maar wat deerde het hem, die daar speelde--wat deerde het mij, die daar luisterde, toen straks het koraal van Luther dreunde--
»_Ein' feste Burg ist unser Gott, ein' gute Wehr und Waffen_"--
zwellend al breeder en machtiger, als om voor zich heen te jagen de duisternis en hare verschrikkingen!
Wederom eene pauze. Ik hoorde de torenklok acht slaan. Achter de beschilderde vensters, tusschen de popels door, glom nog het ambergeel van den westelijken hemel; diep gloorden nog de purperen gewaden der evangelisten, de gulden stralenkransen om hunne hoofden. Maar in de kerk zelve had het duister alle kleuren en lijnen uitgewischt. Nissen en bogen verloren zich in nachtelijk grauw. Alleen van achter het orgel schoot een enkele straal te voorschijn: het licht van de lamp bij welke Werner speelde.
»Zal ik eindigen?" riep hij mij toe.
»Nog niet, nog niet, bid ik u! Eén nummer nog!"
Het was eene orgel-sonate van Sebastiaan Bach.
Eerst een _adagio_, kalm en breed--=wee=moedig, =blij=moedig--zang van herinnering en dankbaarheid en hoop--zielszang van het gemoed dat terugblikt over het leven, en opwaarts blikt naar de eeuwigheid....... En terwijl ik luisterde, enkel aandacht, daar in het donker niets anders dan deze muziek mijne zinnen beroerde--zoo was het mij of ik den ouden man voor zijn orgel zag zitten in hemelschen lichtglans--mensch niet langer, maar verheerlijkt al. Hij tuurde omhoog. Gelijk eene wolk in het luchtruim, zoo trok zijn gansche verleden hem voorbij: de honderden menschen die hij kende en zag heengaan, de duizenden melodieën welke hij hoorde en zong, zijne jeugd, zijn arbeid, zijne grijsheid, al wat hij hoopte en bereikte, liefhad en leed. Tevreden sloot hij de oogen--een zalige glimlach spreidde zich over zijn gelaat--op de laatste tonen van zijn spel was zijne ziel ontvloden.... Harmonia!
Maar plotseling .... neen! Hij leefde nog wel.... Halleluja! brak het speeltuig los. God is kracht--en hij wil dat ook wij krachtig zijn.... Er daverde een storm door de orgelpijpen. Geweldig rolden de golven der fuga op mij los. Ik voelde huiverend ze henengaan over mijn hoofd. Eener wild bewogene zee gelijk, die aanbeukt tegen rotsen, zóó liepen zij op tegen de trillende zuilen, en sloegen zij samen in de ronding der verwulven.... En de tempelruimte werd haar te eng: in de hoogte baanden zij zich eenen uitweg. Daar openden zich de steenen bogen: sterren flonkerden mij toe: de hemelen lagen bloot boven mij. En de fuga-tonen, steeds voortjagend achter elkander, werden als het geraas van eenen grooten veldslag, met geschetter en gedreun en de kreten van strijdenden. Een woest gewemel trok voorbij:--groepen van antieke en middeneeuwsche gestalten, profeten en heiligen, martelaren en hervormers, wanhopig zich werend tegen eenen drom van duivelen. Vreeselijk was de slachting; ik kon ze niet tellen, de edelen die er bezweken voor de overmacht.... Maar toen de kamp op het heetst was, en de legioenen der hel overal dreigden te zegevieren, toen trad de bleeke Nazarener voorwaarts op de wolken, met het kruis over den schouder, de doornenkroon op het hoofd. En de duivelen namen gillend de vlucht--en al de gevallenen herrezen--en met een _gloria! gloria!_ begroetten duizendstemmig hem allen. _Gloria! Hosannah in excelsis!_
* * * * *
Het majestueuse slot-accoord stierf weg. Nog luisterde ik naar den nagalm er van, die mij scheen door te dringen tot in des hemels hoogste, tot in der aarde kern. Nog zat ik verslagen en verplet--toen ik Werner's vingerdruk op mijnen arm voelde en zijn vriendelijk aangezicht vóór mij zag, blakend van voldoening, bij het licht van eene lantaarn in zijne hand.
»Wel?" sprak hij: »nog niet in slaap?--Kom, vriendlief, kom! we zouden er nachtwerk van gaan maken!----Maar wat zegt ge? Stroomt er nog vuur door mijne stramme kneukels? Heb ik je hart nog kunnen warmen, je ziel nog kunnen verheffen--zooals vroeger, amice, zooals vroeger?----Niet waar? hier is Harmonia nog machtig!--Och! had ik mijne jongens eens hier! Ik zou er hunne harten wel zóó week orgelen, dat ze weer aanéénsmolten als was!"
* * * * *
Zes weken na dien dag moest ik hem in de aarde helpen leggen.
Ik kwam te Vreeburg des namiddags vóór de begrafenis. In het sterfhuis trof ik niemand dan Gisela en de beide broeders--de laatsten nog altoos even hardnekkig op elkander gebeten. Somber gingen zij elkaar uit den weg; geen woord werd er tusschen hen gewisseld; zelfs van een vertrouwelijk gesprek met het zusje scheen elk hunner zich weerhouden te voelen door eene mengeling van schaamte en trots. Het was pijnlijk om te zien--te pijnlijker wanneer men den doode herdacht, die over dezen onzinnigen wrok nog getobd had, wiens dagen er nog door verkort waren, misschien. Zoo ooit, dan was nú het oogenblik aangebroken om tusschen de tweelingen vrede te stichten.
Doch hoe dit aangevangen, zonder eene losbarsting uit te lokken, wier heftigheid wellicht van kwaad tot erger voeren zou?
De broeders zwierven eenzaam door den tuin, angstvallig elkanders pad vermijdend. Dik gestrooid lagen onder hunne voetstappen de dorre bladers van October.
Ik wendde mij tot Walter met mijne bemiddeling.--»Laat blijven! laat blijven!" kreeg ik ten antwoord: »De schuld is aan =hem=. Die vrouw was nevenzaak, begrijpt ge? Maar ik kwam het eerst. En overigens--laat ongelijk bekennen wie lust heeft, =mij= wil het nu eenmaal niet over de lippen!"
Ik sprak Hugo aan--al met geen beter gevolg.--»Bemoei je er niet mee!" klonk zijn bescheid: »Het was niet zoozeer om het meisje, ziet ge? maar om het recht van 't spel. Vóór hem kwam ik. En ook al ware dit =niet= zoo--de minste zijn =kan= ik nu eenmaal niet!"
Mij bleek dus klaar, dat elk der twee zijn =recht= wel wou gewonnen geven, mits zijn =trots= maar schampvrij liep. Met trots nu is het veel moeilijker onderhandelen, dan met recht. Hadde ik hen naar elkaar kunnen toetrekken, ik zou tot hen gezegd hebben: »Beste vrienden! Geen van u beiden was ooit den anderen eene seconde vóór. Gij kwaamt te gelijk in de wereld; zoogt te gelijk aan de moederborst; leerdet te gelijk den strijkstok hanteeren; bestudeerdet te gelijk de vervoeging van het werkwoord _amare_; voeldet te gelijk uw hart ontvlammen; verklaardet te gelijk uwe passie, en liept te gelijk een blauwtje. Kunt ge nu ook niet te gelijk elkaar bekennen dat ge een paar dwazen zijt geweest, en dat eene zotte minnegril niet waard is dat twee edele harten er elkaar om kwellen?"----Dit alles zou ik tot hen gezegd hebben, indien ik hen bijeen had kunnen krijgen. Maar juist hen bijeen te krijgen, was de kunst.
Ontmoedigd zette ik mij naast Gisela, die op eene bank voor het huis zat. Haar vertelde ik uitvoerig van mijn laatste samenzijn met Werner. Toen ik ook kwam op hetgeen hij gezegd had van zijn lied, dat hij het vergeefs had geschreven voor deze vijandige broeders--toen wischte zij hare tranen weg, keek mij aan met eenen zonderlingen blik, en stond plotseling op. »Help mij!" fluisterde zij mij toe--en zij verdween in het huis.
* * * * *
Wat ging zij doen?--
Ik meende haar plan te raden:--ik vergiste mij niet. Eerst hoorde ik haar in Werner's tuinkamer zachtkens de instrumenten stemmen. Een oogenblik later zweefden hare vingers over het klavier.
Nooit heeft een gevoelvol spel mij dieper aangegrepen.
Door de open vensters stroomden de accoorden, kalm uiteenvloeiend in de stilte van den herfstavond, gelijk het water van eene rivier zich verliest in den oceaan. Een _Lied ohne Worte_ van Mendelssohn, een Beethoven'sch _adagio_----en dan--eene siddering beving mij: het was of ik de spraak van den doode vernam--dan paarde zich hare weeke altstem aan eene welbekende begeleiding:
»_Hab oft im Kreise der Lieben In duftigem Grase geruht, Und nur ein Liedlein gesungen, Und alles war hübsch und gut._"
»Help mij!" had zij mij gesmeekt. Dát zou ik!... Ik ijlde naar binnen--ik nam Werner's viool op--ik stond aan hare zijde, en speelde mee:
»_Hab' einsam auch mich gehärmet, In bangem, düsterem Muth, Und habe wieder gesungen, Und alles war wieder gut._"
De deur ging zoetjes open--er naderde iemand met schuchteren tred. Wij zagen niet op; maar terwijl wij voortspeelden, zwol ons duo aan met de smeltende tonen van Hugo's alt:
»_Und manches, was ich erfahren, Verkocht' ich in stiller Wuth; Und kam ich wieder zu singen, War alles auch wieder gut._"
Men sprak geen woord en wisselde geenen blik;--men speelde slechts. Alleen bespeurde ik in den spiegel, dat nogmaals de deur zich opende. Een hoofd gluurde naar binnen, en trok zich haastig terug. Maar het kwam weerom, gevolgd door den ganschen Walter, die stil de cello ter hand nam, en mee den stok deed glijden over de snaren:
»_Sollst nicht uns lange klagen Was alles dir wehe thut; Nur frisch, nur frisch gesungen! Und alles wird wieder gut._"
»Walter! Hugo!" snikte Gisela--»laat alles weer goed zijn!"....
Ik hoorde twee kussen. Ik zag twee handen in elkander leggen.... Wat er verder plaats had, kan ik niet vermelden. Ik meende dat ik hier gemist kon worden.
* * * * *
De muzikanten bliezen hunne treurtonen; de kluiten ploften op de kist in de groeve. En de talrijke ommestanders konden maar niet begrijpen waarom die twee jongelingen, de kleinzonen van den overledene, zoo hartstochtelijk en onder bitter schreien elkander in de armen drukten.
Genoeg echter, dat wij vieren het begrepen. Genoeg voor ons, dat hij, dien de aarde daar dekte, zijn laatste lied toch niet vergeefs gezongen had.
Harmonia! suizelde het voor ons door de herfstloovers--Harmonia!
In den Hobbelstoel.
_Finis Coloniae._
De heer Dorus Dadelboom, meester in de rechten en beambte ter Secretarie, zat in zijnen wipstoel, buiten onder de kolonnade van zijne woning in de Berendrechtslaan.--»Voorgaanderij", zouden de meeste Hollanders zeggen. Maar Dorus, als academisch gevormd man, verkoos het uitheemsche en klassiek klinkende woord, omdat het hem denken deed aan heerlijke Grieksche tempels. Dit is eene verbeeldingsweelde die den Bataviaan niet àl te veel inspanning kost. Het is zeker, dat de kolommen zijner kolonnade in den regel niet gebeiteld zijn uit Parisch marmer. Doch witkalk (zoo troost hij zich) kan nog blanker wezen.