Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe
Chapter 9
_"Ja tibié prikajou étote arrestantof otpoustite. Tvoïe narode doljne dlia ikhe same balchoïe vajestvo imiète i nime addate vcié vieschtchi katori ou ikhe bouili vziati. Ja tabié prikajou ou siberskoïé beregou ikhe lioksché vosvratitcia."_
Drie volzinnen, welke aldus te vertalen zijn en die door Tchou-Tchoûk in het geheel niet misverstaan konden worden:
"Wij bevelen u deze gevangenen in vrijheid te stellen!
"Wij bevelen uw volk hen met den grootsten eerbied te behandelen en hun alles terug te geven wat hun ontnomen is!
"Wij bevelen u allen hen de reis naar het vasteland van Siberië zoo gemakkelijk mogelijk te maken!"
Thans was het geene verbazing meer, maar ontzetting die de stem teweegbracht. Tchou-Tchoûk had zich op zijne knikkende knieën ten halve opgericht, met starende oogen en opengespalkten mond, de handen trillende naar boven geheven, een beeld van stommen schrik. Ook de andere inboorlingen waren opgerezen, niet wetende of zij opnieuw ter aarde zouden vallen of de vlucht nemen.
Daar nam ook het derde afgodsbeeld, dat in het midden stond, het woord. Zijne stem klonk hol en dreigend, vol onmiskenbaren toorn. Iedere lettergreep had een dreunenden naklank en de r's die er in voorkwamen, ratelden als het geknetter van donderslagen.
Ziehier wat deze stem verkondigde, en ieder woord kwam als met het gewicht van eenen moker op de neergebogen hersenpan van Tchou-Tchoûk:
"_Jesle ti take niè sdièlèle élote toje same diène, kakda èti sviati tchéloviéki boudoute jelaïte tchórte s'tvoïé oblacte!_"
Hetgeen wil zeggen:
"Indien deze heilige mannen niet losgelaten worden, den dag waarop zij zulks verlangen zullen, zal onze toorn u en uwen stam treffen!"
Op dit oogenblik lag het opperhoofd met zijne onderdanen, verstijfd van schrik en rillende in al hunne ledematen, languit op den grond, terwijl Cesar Cascabel was opgerezen en zijne handen dankbaar naar de afgodsbeelden ophief als om hen te zegenen voor hunne genadige bescherming.
Intusschen hadden zijne reisgenooten werk om niet in eenen schaterlach uittebarsten en aldus de geheele vertooning te doen mislukken.
Het was eene eenvoudige buiksprekerskunst die deze bewonderenswaardige man, wiens gelijke men niet licht onder kunstenmakers vinden zal, bedacht had om Sjoe-Sjoe, dien besten, braven kerel, knollen voor citroenen te verkoopen.
Er was inderdaad niets meer noodig om de bijgeloovige inlanders beet te nemen. "Die mannen uit het Westen"--hoe kwam Cascabel aan deze vernuftige betiteling?--"die mannen uit het Westen zijn heilig; waarom houdt Tchou-Tchoûk hen gevangen?"
Welnu, Tchou-Tchoûk dacht er niet aan hen langer gevangen te houden! Zoo spoedig zij maar wilden zou hij hen laten trekken, en hij met zijne onderdanen zouden hun al de hulpvaardigheid bewijzen, verschuldigd aan vreemdelingen die zoo zichtbaar door hoogere machten beschermd werden!
Ortik en Kirschef, die niet vermoedden welk een meester Cascabel in het buikspreken was, konden hunne verbazing niet ontveinzen. Maar Kruidnagel riep vol geestdrift uit:
--Patroon, patroon, wat een genie!... Wat een slimmert!... Welk een man.... ten minste....
--Ten minste als het geen godheid is! voegde Cornelia er bij en zij boog zich voor haar man als ware hij inderdaad een afgodsbeeld.
De poets was gebakken. Het was gelukt, dank zij de onbegrijpelijke bijgeloovigheid dezer Noordsche eilandbewoners, welke alles overtreft wat iemand zich voor kan stellen. Die karaktertrek had Cascabel terdege opgemerkt en daardoor was hij op het denkbeeld gekomen om zijn buiksprekerstalent ten dienste van het algemeene belang aan te wenden.
Het spreekt van zelf dat Cascabel en zijne reisgenooten met al de eerbewijzingen, verschuldigd aan personen die onder de hooge bescherming der goden stonden, huiswaarts werden geleid. Tchou-Tchoûk was onuitputtelijk in betuigingen van eerbied, waarmede eene goede hoeveelheid angst gemengd was. Het scheelde niet veel of hij zou voor ieder lid der familie Cascabel op zijne knieën gevallen zijn, zoo goed als voor het machtigste afgodsbeeld. Hoe hadden trouwens de onwetende bewoners van Tourkef kunnen vermoeden dat zij beetgenomen werden door eenen grappenmaker? Zij konden niet twijfelen, het moesten wel de goden in de _Vorspük_ wezen, die hunne dreigende stemmen hadden doen hooren. Het was wel ter dege hun tot dusver stom gebleven snavel die deze bevelen, in goed verstaanbaar russisch, had afgekondigd. Bovendien waren zij er in zeker opzicht op voorbereid. Jako, de papegaai in de _Schoone Zwerfster_, praatte immers ook? Dat had toch ook niemand ooit gehoord, dat een vogel spreken kon. Even goed als dat vreemd-gevederde gedierte moesten hunne afgodsbeelden, die immers ook vogelenkoppen hadden, zich verstaanbaar kunnen maken.
Van dat oogenblik af konden Sergius, Cascabel en de anderen, de beide russische matrozen er onder begrepen, die door hen werden opgeeischt, zich als in vrijheid beschouwen. De winter was bijna voorbij en het weder begon dragelijk te worden, zoodat onze schipbreukelingen besloten hun vertrek van de Liakhoff-eilanden niet lang meer uit te stellen. Niet dat zij eene verandering in de gezindheid der inboorlingen te duchten hadden: daarvoor waren deze veel te goed "ingepakt." Sjoe-Sjoe was nu de vertrouwdste vriend van Cascabel geworden; hij zou zijne schoenen gepoetst hebben als dat van hem verlangd was geworden. Natuurlijk had de brave man zich gehaast alles, wat uit de _Schoone Zwerfster_ geroofd was, terug te doen geven en hijzelf kwam, eerbiedig de knieën buigende, Cascabel den barometer aanbieden dien hij nog altijd als een kommandeurskruis om zijnen hals droeg. Cascabel had zich toen verwaardigd hem de hand toe te steken en Tchou-Tchoûk had die onderdanig gekust, als eene hand die in staat was den bliksem te slingeren en den storm los te laten.
Kortom, op den 8sten Maart was alles voor het vertrek gereed. Cascabel had een twintigtal rendieren aangevraagd om zijnen wagen te trekken en zijn vorstelijke vriend had hem er terstond honderd aangeboden, maar Cascabel bedankte daarvoor en hield zich aan het eerstgenoemde cijfer. Alleen vroeg hij nog om het noodige voeder voor de beesten gedurende den tocht over het ijsveld.
Des morgens van den genoemden dag namen dus Sergius, de familie Cascabel en de twee russische matrozen van de bewoners van Tourkef afscheid. Het geheele dorp was uitgeloopen om hen te zien vertrekken en hun goede reis te wenschen.
De "brave Sjoe-Sjoe" stond vooraan in het eerste gelid, heelemaal ontroerd en aangedaan. Cascabel ging naar hem toe, klopte hem vriendschappelijk op den buik en voegde hem in het fransch deze welwillende woorden toe:
--Goeden dag, oude stommeling!
Die vertrouwelijke afscheidsgroet deed het opperhoofd nog weder rijzen in het ontzag zijner onderdanen.
Tien dagen daarna, den 18den Maart, had de _Schoone Zwerfster_, zonder gevaren ontmoet en zonder groote vermoeienissen doorgestaan te hebben, de ijsvlakte tusschen den Liakhoff-Archipel en de Siberische kust achter den rug en kwam zij vóór de monding van de Lena-rivier op het vasteland aan.
Na zoovele ontmoetingen en gevaren doorgestaan, na zulke lotswisselingen doorleefd te hebben sedert hun vertrek uit Port-Clarence, hadden onze zwervers eindelijk het Aziatische strand bereikt.
VIII.
HET LAND DER JAKOETEN.
Het oorspronkelijke reisplan, zooals het vastgesteld was om van de Behringstraat naar de europeesche grens te komen, had natuurlijk eene wijziging moeten ondergaan tengevolge eerst van het afdrijven onzer karavaan en daarna van hare overwintering op Nieuw-Siberië. Er viel thans niet meer te denken aan eene reis door de zuidelijke streken van Siberië. Er bestond bovendien alle kans op goed weder, zoodat er ook geene aanleiding meer was om zich in de eene of andere bewoonde plaats een tijd lang op te houden. Alles wat er in den laatsten tijd gebeurd was had ten slotte tot eene even onverwachte als gunstige uitkomst geleid.
Hetgeen thans in de eerste plaats bepaald moest worden, was de richting die zij moesten volgen om langs den kortsten weg het Oeralgebergte te bereiken, dat de grens vormt tusschen Aziatisch en Europeesch Rusland. Om hierover na te denken wilde Sergius den tijd besteden die er nog verloopen moest vóór dat zij de legerplaats verlaten zouden welke zij voorloopig op het strand hadden uitgekozen.
Het was stil en helder weder. De dagen duurden, in dezen tijd der dag- en nachtevening, langer dan elf uren en werden nog verlengd door de ochtend- en de avondschemering, welke op deze breedte van zeventig graden bijzonder lang aanhouden.
De karavaan bestond nu uit tien personen, want ook Kirschef en Ortik waren er bij opgenomen. Wel voelde niemand zich bijzonder tot de beide russen aangetrokken, maar zij maakten niettemin deel uit van het reisgezelschap der _Schoone Zwerfster_, zij zaten mede aan tafel en sliepen zelfs in den wagen zoo lang het nog te koud was om de nachten onder den blooten hemel door te brengen.
De thermometerstand bleef gemiddeld enkele graden beneden het vriespunt, hetgeen thans weder gemakkelijk waar te nemen viel nu de vriendelijke Tchou-Tchoûk het instrument aan zijn rechtmatigen eigenaar teruggegeven had. De grond lag zoover het gezicht reikte bedekt met sneeuw, welke echter binnen korten tijd onder de stralen der Aprilzon zou gaan smelten. De sneeuwkorst was vlak en hard als de met gras begroeide bodem der steppen, en de kudde rendieren had weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken.
Om de beesten te voederen was de voorraad hooi, dien de inboorlingen medegegeven hadden, voldoende geweest sedert hun vertrek van Kotelnyi tot aan de Lena-baai. Van hier af zouden de rendieren zelven hun voedsel weder kunnen vinden, want zij weten het mos en de heesterbladen, waar de grond van Siberië bijna overal mede bedekt is, zeer goed onder de sneeuw van daan op te snuffelen. Ook valt hierbij nog te vermelden dat dit trekvee zich gedurende den overtocht zeer gewillig had getoond, zoodat Kruidnagel niet de minste moeite had gehad om de beesten voort te krijgen.
Ook voor de reizigers was leeftocht genoeg voorhanden, want de voorraad ingemaakte spijzen, meel, vet, thee, buskruit en brandewijn, dien de _Schoone Zwerfster_ had medegenomen, was nog niet uitgeput. Ook had Cornelia bovendien eene zekere hoeveelheid opgedaan van eene soort van boter, die de inboorlingen weten te bereiden, in berkenhouten doosjes, welke hun vriend Tchou-Tchoûk hun had medegegeven. Zoodra zij er gelegenheid toe vonden moesten zij echter in de eene of andere bewoonde plaats hunnen voorraad petroleum aanvullen. Voor het overige kon de jacht hen weder spoedig van versch wild voorzien en de bedrevenheid van Sergius en Jan zou, even als te voren, voor de keuken menigmaal veel waard kunnen wezen.
De twee russische matrozen stelden zich beschikbaar voor allerlei nuttige diensten. Zij verzekerden dat zij in een gedeelte van noordelijk Siberië goed bekend waren en boden aan als gidsen de karavaan te vergezellen.
Hierover werd denzelfden dag eene algemeene beraadslaging gehouden.
--Aangezien gij reeds vroeger in dit land gereisd hebt, zeide Sergius tegen Ortik, kunt gij er ons den weg wijzen.
--Dat is wel het minste wat wij voor u doen kunnen, antwoordde Ortik, nu wij onze vrijheid aan mijnheer Cascabel te danken hebben.
--Aan mij? vroeg Cascabel. In het geheel niet. Alleen mijn buik, die van de natuur de kunst van praten gekregen heeft, zijt gij dank schuldig.
--Welke richting zoudt gij ons aanraden te volgen Ortik, vroeg Sergius weder, wanneer wij hier uit de Lena-baai opbreken?
--De kortste weg is de beste, mijnheer Sergius, als gij dat goedvindt. Deze heeft wel het nadeel dat wij de voornaamste steden van dit land, die meer zuidelijk gelegen zijn, laten liggen, maar daarentegen brengt hij ons het spoedigst naar het Oeral-gebergte. Bovendien zijn er dorpen genoeg in deze richting, waar wij het noodige aanschaffen en ook verblijf houden kunnen, indien dit gewenscht mocht wezen.
--Waartoe zou dat dienen? viel Cascabel hem in de rede. Wij hebben in geen dorpen te maken. De hoofdzaak is dat wij geen tijd verliezen en met spoed vooruitkomen. De streek waar wij doorheenkomen, is immers niet onveilig?
--In het minst niet, antwoordde Ortik.
--Bovendien zijn wij met ons allen heel wat mans en indien er bandieten mochten zijn die iets tegen de _Schoone Zwerfster_ wilden ondernemen, kunnen zij op eene meer dan hartelijke ontvangst staat maken.
--Stel u gerust mijnheer Cascabel, gij hebt niets te vreezen, verzekerde Kirschef.
Onze lezers zullen reeds opgemerkt hebben dat die Kirschef slechts zelden een woord sprak. Hij toonde zich weinig gezellig, somber en stilzwijgend en liet zijn kameraad meest het woord voeren. Ortik was blijkbaar veel schranderder dan hij. Deze toonde in vele zaken een goed oordeel, hetgeen Sergius reeds lang had opgemerkt.
Ook de richting die Ortik thans op wilde gaan, was zeer aanbevelenswaardig. De groote steden te mijden, waar zij kans hadden militaire bezetting te ontmoeten, scheen voor graaf Narkine het meest wenschelijk, terwijl het tegelijkertijd in den geest viel van de beide zoogenaamde matrozen. Naarmate zij echter dichter bij de grens kwamen, zou het moeilijker worden de steden van eenige beteekenis te laten liggen en voor dat geval zouden zij dan ook eenige voorzorgen dienen te nemen. Zoo ver waren zij echter vooreerst nog niet en in de dorpen op de steppen liepen zij weinig of geen gevaar.
Toen zij het over de richting van hunnen tocht eens waren, moesten zij alleen nog hunnen weg bepalen door de provinciën heen, welke zij van de Lena-rivier tot het Oeral-gebergte dwars moesten doorsnijden.
Jan haalde dus uit zijnen atlas de kaarten van noordelijk Siberië voor den dag en Sergius nam dit terrein terdege op, waar de Siberische groote rivieren, in stede van eene reis uit het Oosten naar het Westen gemakkelijker te maken, daarentegen groote hinderpalen in hunnen weg konden leggen. Na overleg, werd er tot het volgende besloten:
1o. Het Jakoeten-land, waar slechts weinige dorpen gevonden worden, in zuidwestelijke richting doortrekken.
2o. In deze richting eerst het gebied van de Lena-rivier doorsnijden, daarna dat van de Anabara-rivier, vervolgens dat van de Khatanga, de Jenisei- en de Obi-rivier, te zamen eenen afstand van ongeveer zevenhonderdvijftig mijlen.
3o. Van het Obi-gebied naar het Oeral-gebergte trekken, zijnde honderdvijfentwintig mijlen tot aan de europeesche grens.
4o. Eindelijk van het Oeral-gebergte tot Perm, dat is weder een honderdtal mijlen, altijd naar het zuidwesten.
Te zamen dus ten naasten bij duizend mijlen.
Indien zij geen oponthoud op deze reis ondervonden, indien er geen noodzakelijkheid bestond om op de eene of andere bewoonde plaats te vertoeven, kon de geheele afstand in minder dan vier maanden tijds afgelegd worden. Daarbij werd dan gerekend op zeven of acht mijlen per dag, hetgeen van de rendieren niet te veel gevergd was en zij zouden naar deze berekening met de _Schoone Zwerfster_ in den loop der maand Juli eerst te Perm en vervolgens te Nisjni aankomen, op het tijdstip dat de beroemde kermissen dier plaatsen in vollen gang zouden zijn.
--Gaat gij tot Perm met ons mede? vroeg Sergius aan Ortik.
--Dat denk ik niet, antwoordde deze. Zoodra wij de grens achter den rug hebben, zijn wij voornemens onzen weg naar St. Petersburg te nemen om van daar naar Riga terug te keeren.
--Dit is van later zorg, meende Cascabel. Eerst moeten wij maken dat wij over de grens komen.
Zij hadden afgesproken dat er vierentwintig uren rust gehouden zou worden, zoodra zij zich op het vasteland bevonden. Na hun voorspoedigen tocht over het ijsveld was dit oponthoud noodzakelijk. Dien dag gingen zij dus niet verder.
De Lena-rivier stort zich in de golf van dien naam, na een net van vertakkingen en armen te hebben doorloopen. De geheele lengte van deze prachtige rivier, die een aantal kleinere stroomen in haren loop opneemt, bedraagt vijftienhonderd mijlen, van haren oorsprong tot waar zij hare wateren met die der IJszee vermengt. Het gebied dat zij besproeit, wordt gerekend niet minder dan honderdvijf millioenen hectaren te bedragen.
Na eene grondige studie van de kaart gemaakt te hebben, kwam Sergius tot de slotsom dat het best zou zijn de kustlijn der baai vooreerst te volgen, teneinde niet in de vele vertakkingen van de Lena verward te raken. Wel lag het water nog toegevroren, maar het zou desniettemin een waagstuk geweest zijn, zich te midden van dit net van waterwegen te begeven, want de ijsschotsen lagen op vele plaatsen tot eene aanmerkelijke hoogte op elkaar gekruid en vormden ware ijsbergen, zeer schilderachtig om te zien, maar hoogst moeilijk om er over heen te komen.
Aan de andere zijde der baai nam de uitgestrekte steppenvlakte eenen aanvang, waar slechts hier en daar eenige heuvels zich verhieven en waar de tocht geene moeilijkheden kon opleveren.
Het was duidelijk dat Ortik en Kirschef aan het reizen in dit klimaat gewend waren. De anderen hadden dit reeds opgemerkt bij den tocht over het ijsveld van den Liakhoff-archipel naar de kust van Siberië. De twee matrozen hadden er slag van om eene legerplaats te vinden en desnoods eene stevige hut in het ijs te maken, ook kenden zij het kunstje van de visschers langs de kust, die nat geworden kleederen droog weten te krijgen door ze onder de sneeuw te stoppen, waar al de vochtigheid uit het goed in opgezogen wordt. Een blok bevroren rivierwater wisten zij op het eerste gezicht te onderscheiden van het ijs uit zeewater gevormd. De verschillende manieren waarop de karavanen in het Noorden hare tochten door de ijs- en sneeuwwoestijn afleggen, waren hun ook goed bekend.
Dien avond, nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, liep het gesprek over de aardrijkskundige gesteldheid van noordelijk Siberië en bij deze gelegenheid vertelde Ortik hoe het gekomen was dat hij en Kirschef reeds vroeger in dit land gereisd hadden.
Sergius deed hun namelijk deze vraag:
--Wat was toch de oorzaak dat een paar zeelieden, zooals gij beiden, zulk eene groote reis over land moesten maken?
--Dat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius, was het antwoord. Twee jaar geleden zijn Kirschef en ik met nog een tiental andere matrozen te Archangel geweest, waar wij op walvischvaarders wilden aanmonsteren. Daar werden wij aangezocht om naar een schip te gaan, dat in eene der mondingen van de Lena tusschen het ijs beklemd zat. Op die reis van Archangel naar de Lena-baai hebben wij het noordelijke gedeelte van Siberië doorgereisd. Nadat wij aan boord van de _Seraski_--zoo heette het schip--gekomen waren, hebben wij het vlot gebracht en zijn wij er mede op de walvischvangst gegaan. Maar zooals ik u reeds vroeger verhaald heb, de _Seraski_ is met man en muis vergaan en alleen Kirschef en ik zijn van de bemanning overgebleven. Door stormweer zijn wij toen naar de Liakhoff-eilanden afgedreven en daar hebben wij u allen ontmoet.
--Zijt gij dan nooit in Alaska geweest? vroeg Kayette, die zooals men weet russisch sprak en verstond.
--Alaska? vroeg Ortik. Is dat niet ergens in Amerika?
--Ja, antwoordde Sergius. Alaska ligt in het Noordoostelijkste gedeelte van Noord-Amerika en het is het geboorteland van Kayette. Zijt gij op uwe omzwervingen daar nooit geweest?
--Wij hebben van dat land nooit hooren spreken, zeide Ortik op den natuurlijksten toon van de wereld.
--Wij zijn ook nooit verder dan de Behringstraat geweest, voegde Kirschef er bij.
Ook nu maakte de stem van dezen op Kayette denzelfden indruk als anders, zonder dat zij zich echter wist te herinneren waar zij die vroeger gehoord kon hebben. Het kon niet anders zijn dan in een van de districten van Alaska, want zij zelve was nooit buiten haar vaderland geweest.
Na de stellige ontkentenis van Ortik en Kirschef, deed Kayette, met de bescheidenheid die aan de lieden van haren stam meestal eigen is, dan ook geen verdere vragen meer. Maar zij kon toch eene zekere verwondering niet van zich zetten, die tegenover de twee matrozen onwillekeurig een karakter van wantrouwen aannam.
Gedurende het oponthoud van een etmaal hadden de rendieren de noodige rust kunnen nemen. Hunne voorpooten waren met touwen vastgebonden, doch niet zóó nauw dat hun dit belette in den omtrek der legerplaats te zwerven en het struikgewas afteknagen of het mos, dat onder de sneeuw bedolven lag, op te snuffelen.
Den 20ste Maart ging de karavaan te acht uur des morgens op weg. Het was droog, helder weder, met eene frissche koelte uit het noord-oosten. De steppe strekte zich uit zoo ver het oog reikte, als een blank sneeuwveld dat nog hard genoeg was om er met gemak op te rijden. De twintig rendieren werden bij vieren aangespannen, op vijf rijen dus, met behulp van een goed ingericht stel leidsels, die aan den eenen kant door Ortik en aan den anderen door Kruidnagel in de hand gehouden werden.
Gedurende zes dagen werd de reis op deze manier voortgezet zonder dat er iets voorviel dat verteld verdient te worden. Sergius en Cascabel met Jan en Sander gingen meestal te voet tot dat het nachtkwartier betrokken werd, en Cornelia met Napoleona en Kayette hielden hen gezelschap zoo dikwijls de huishoudelijke werkzaamheden haar niet bezig hielden.
Iederen voormiddag legde de _Schoone Zwerfster_ ongeveer een _Koes_ af, dat is een russische lengtemaat, gelijk staande met twintig wersten of twee en een halve mijl. In den namiddag werd dezelfde afstand nog eens gemaakt, altijd in westelijke richting, zoodat zij elken dag ruim vijf mijlen vooruit kwamen.
Den 29sten Maart trokken zij het riviertje Olenek over, dat nog toegevroren lag en denzelfden dag kwamen Cascabel en zijne reisgenooten in het vlek Maksimova, twee en veertig mijlen zuidoostelijk van het strand der Lena-baai.
Er bestond niet het minste bezwaar tegen dat Sergius een etmaal in dit plaatsje vertoefde, dat in het noordelijkste uiteinde der steppe als verloren ligt. Er bevond zich geen gezaghebber of geen kozakken-garnizoen, die op de gedachte hadden kunnen komen om graaf Narkine met vragen lastig te vallen.
Zij waren hier midden in het land der Jakoeten en de familie Cascabel werd door de bewoners van Maksimova gastvrij ontvangen.
Het oostelijke en zuidelijke gedeelte van dit gewest is berg- en boschachtig, maar in het noorden worden niets dan effen vlakten aangetroffen, welke hier en daar met groepen boomen bezet zijn, die nu, onder den invloed van den naderenden zomer, spoedig zouden uitloopen. Er is een overvloed van wild, hetgeen veroorzaakt wordt door dat het klimaat in noordelijk Siberië, van eene felle koude in den winter, tot eene gloeiende hitte in de zomermaanden afwisselt.
De Jakoeten-bevolking telt ongeveer honderdduizend zielen, allen belijders van den griekschen godsdienst. Het zijn godvreezende en gastvrije lieden; hunne zeden zijn zuiver en zij zijn even dankbaar voor de weldaden der Voorzienigheid als gelaten te midden der harde ontberingen die hen door het barre klimaat soms worden opgelegd.
Op de reis van den mond der Lena naar dit plaatsje hadden zij ook eenige Siberiërs ontmoet die tot een nomadenstam behoorden. Het waren stevig gebouwde lieden, middelmatig van lengte, met platte gezichten, zwarte oogen, weligen haartooi en zonder baard of knevel. Te Maksimova zagen de inwoners er even zoo uit; het zijn vriendelijke arbeidzame, schrandere en bedaarde menschen, die zich niet gemakkelijk iets wijs laten maken.
De Jakoeten die een zwervend leven leiden, zitten bijna altijd te paard en zijn nooit ongewapend; zij zijn eigenaars van kudden die in grooten getale over de steppen rondzwerven. Die welke in huizen in de dorpen of stadjes bijeenwonen, houden zich voornamelijk bezig met de vischvangst, welke in de menigte beken en waterloopen, die zich in de groote rivier uitstorten, overvloedigen buit oplevert.
De Jakoeten hebben dus vele maatschappelijke en huiselijke deugden; alleen zijn zij hartstochtelijke tabakrookers en bovendien--wat erger is--aan het misbruik van brandewijn en andere sterke dranken veeltijds verslaafd.