Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe
Chapter 8
Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken, maar er kwam niets voor den dag.
--Welnu, hernam Sergius, het beste is dat wij beginnen met te veronderstellen dat de inboorlingen ons niet verkiezen los te laten. Kunnen wij in dat geval niet wegkomen zonder dat zij het goed vinden?
--Het is te probeeren, meende Jan. Maar in dat geval zullen wij zeker de _Schoone Zwerfster_ hier moeten laten.
--Praat daar niet van, riep Cascabel. Daar valt niet aan te denken Jan, ik wil er niet van hooren!
--Maar er is niets aan te doen, vader.
--Neen, zeg ik. De _Schoone Zwerfster_ is ons huis, dat overal met ons medegaat. Onder haar dak hadt gij geboren kunnen worden, Jan. Wij laten haar niet in handen van die zee-varkens, van die robben in menschengedaante die hier wonen.
--Mijn waarde Cascabel, hernam Sergius, alles wat wij in staat zijn te doen zullen wij beproeven om de toestemming der inboorlingen tot ons vertrek te krijgen, maar er zijn tien kansen tegen een dat dit niet gelukken zal en in dat geval moeten wij trachten te vluchten. Welnu, als wij aan Tchou-Tchouk willen ontsnappen, kan het niet anders dan met achterlating.....
--Van de woning der Cascabels! riep Cesar uit, met eene verbittering welke raden liet hoeveel moeite het hem kosten zou daarin toetestemmen.
--Misschien, hervatte Jan, zou er toch nog iets anders te bedenken zijn, waardoor alles terecht kon komen.
--Wat zou dat wezen?
--Zou één van ons niet kunnen trachten wegtekomen, het vasteland te bereiken en de russische politie kennis te geven van den toestand waarin wij verkeeren? Mijnheer Sergius, ik ben bereid het te beproeven.
--Dat nooit! antwoordde Cascabel terstond.
--Neen, dat in geen geval, zeide Ortik even beslist, nadat Sergius hem had medegedeeld wat Jan wilde.
Cascabel en de rus waren het in dit opzicht eens; maar de eerste dacht alleen aan het gevaar dat graaf Narkine loopen kon wanneer hij in aanraking kwam met de russische politie, en Ortik was voor zijn persoon niet op eene ontmoeting met het openbaar gezag gesteld.
Ook Sergius had tegen het denkbeeld van Jan bezwaar, maar op andere gronden.
--Het is braaf van u, Jan, zeide hij, dat gij u voor ons wilt opofferen, maar wij zouden door uwe edelmoedigheid niet geholpen worden. Er is geen denken aan om midden in den winter dien tocht over het ijsveld te ondernemen en de honderd mijlen afstands tusschen het eiland Kotelnyi en den vasten wal te willen afleggen. Gij zoudt onderweg omkomen, mijn vriend. Neen, wij moeten onder alle omstandigheden bij elkander blijven en indien wij hier van daan komen, dan moet het zijn met ons allen.
--Daar valt niets tegen in te brengen, zeide Cascabel, en ik sta er op dat Jan mij belooft zonder mijne toestemming niets te beginnen.
--Ik geef er u mijn woord op, vader.
--Wanneer ik zeg dat wij samen zullen gaan, vervolgde Sergius tegen Ortik, dan bedoel ik daarmede dat gij en Kirschef ook met ons medetrekt. Wij laten u niet in de handen dezer wilden.
--Ik ben u daar dankbaar voor, mijnheer Sergius, antwoordde Ortik, en Kirschef en ik, wij zullen u op uwe reis door Siberië misschien ook van dienst kunnen zijn. Op dit oogenblik valt er niets te beginnen, maar zoodra de ergste koude voorbij is en vóór dat het gaat dooien moeten wij ons gereed houden voor de vlucht.
Na dit gezegd te hebben, nam Ortik afscheid.
--Ja, herhaalde Sergius, wij zullen ons gereed moeten houden.
--Daar zal wel niet aan ontbreken, zeide Cascabel, maar hoe komen wij weg? De drommel moge mij halen als ik het weet.
Dit bleef de vraag van den dag, het onderwerp waar allen over bleven denken, op welke manier zij met of zonder goedvinden van Tchou-Tchouk uit zijne handen zouden geraken. De waakzaamheid der inlanders te verschalken, scheen uiterst moeilijk. Tchou-Tchouk tot andere gedachten te brengen, daarop bestond nog minder kans. Er bleef maar één middel over, dat was "hem er in te laten loopen," zooals Cascabel misschien twintig maal daags herhaalde.
Hij dacht aan niets anders. Maar ofschoon hij er over "prakkezeerde" zoodat zijne hersens er van zweetten, zeide hij, de heele maand Januari ging voorbij zonder dat hij iets wist te bedenken.
VII.
EEN SLIMME STREEK VAN CASCABEL.
Er kwamen kwade dagen in het begin van Februari. De koude was zóó fel, dat het kwik in den thermometer er door bevriezen zou. Er is nog eene fellere koude te bedenken: in de hoogste hemelstreken, in de ruimte tusschen de sterren, moet volgens de berekeningen eene koude heerschen van tweehonderd dertien graden beneden het vriespunt, welke alle moleculen der lichamen doet verstijven en alles in eenen staat van volstrekte onbewegelijkheid doet overgaan. Toch was het ook hier op het eiland alsof de kleinste luchtdeeltjes zich niet meer bewogen en de dampkringslucht vast geworden was. Zij hadden bij het inademen een brandend gevoel, en de koude nijpte zoo hevig dat niemand er meer aan denken kon om buiten de _Schoone Zwerfster_ te komen. Het uitspansel was klaar als kristal; de sterrenbeelden blonken met eene helderheid, die nergens overtroffen kan worden; het was alsof de oogen tot in de afgelegenste diepte der hemelruimte doordrongen. Het daglicht was daarentegen op den vollen middag niet meer dan eene grauwe schemering.
De inboorlingen gaven hunne gewoonte nog niet op om zelfs in deze koude buiten te komen, maar zij namen alle mogelijke voorzorgen om te beletten dat hunne handen en voeten, hun neus of hunne ooren op eenmaal bevroren zouden raken. Zij wikkelden zich geheel in rendierenvellen en trokken bovendien nog een kap over hun hoofd, zoodat er niets van hen te zien overbleef. Het waren wandelende pakken bont. Dat zij zich echter nog buiten hunne woningen waagden, geschiedde op bevel van Tchou-Tchouk, die zelfs onder deze koude, welke elk denkbeeld van ontsnapping belachelijk maakte, zich wilde overtuigen van de aanwezigheid zijner gevangenen, die hem nu niet meer hunne dagelijksche opwachting konden komen maken.
--Frisschen morgen, vischvreters! riep Cascabel hun soms toe, als hij hen door een van de vensters, die aan den binnenkant van het ijs ontdaan konden worden, zag aankomen. Die kerels hebben stellig robbenbloed in hun lichaam. Een fatsoenlijk mensch zou hier binnen vijf minuten in een klomp ijs veranderen, maar zij weten er niets van!
In de vertrekjes van de _Schoone Zwerfster_, welke bijna luchtdicht gesloten werden gehouden, bleef de koude dragelijk. Het keukenfornuis, dat met het voorwereldlijke hout gestookt werd, waardoor zij hunne andere brandstof konden bewaren, verspreidde zulk eene warmte dat het zelfs nu en dan noodig was te luchten. Maar nauwelijks stond de buitendeur open of alle vloeibare stoffen in den wagen stolden onmiddellijk. Tusschen de temperatuur binnen en buiten was een verschil van veertig graden, hetgeen zij hadden kunnen waarnemen indien hunne thermometers niet door de inlanders gestolen waren geweest.
Tegen het einde der tweede week van Februari was het echter alsof het weder een weinig zachter zou gaan worden. De wind liep naar het Zuiden en er woeien nu sneeuwstormen, van wier geweld men zich geen denkbeeld maken kan en die zeker de _Schoone Zwerfster_ onderste boven geworpen zouden hebben indien zij niet stevig beschut had gestaan. Maar de wielen waren tot halver hoogte onder de sneeuw bedolven, zoodat er van dien kant niet het minste gevaar bestond.
Nu en dan werd het weer op eens, met ruwe overgangen, veel kouder; maar in het algemeen bleef de gemiddelde thermometerstand omstreeks het midden der maand op een twintigtal graden beneden het vriespunt van de honderddeelige schaal.
Cascabel en Sergius, Jan, Sander en Kruidnagel maakten hiervan dadelijk gebruik om weder buiten te komen, maar niet zonder de grootste voorzorgen om den overgang geleidelijk te doen zijn. Indien zij dit verzuimd hadden, zouden zij zich aan levensgevaar blootgesteld hebben.
In den omtrek van den wagen lag alles onder een effen sneeuwtapijt bedolven. Geen enkele verhevenheid van den grond was meer te onderscheiden. Dit was nu niet langer het gevolg van de duisternis, want gedurende een paar uur liet zich thans aan den zuidelijken gezichteinder een grauw schijnsel zien, eene weerkaatsing van lichtstralen zonder warmte, die naarmate de voorjaars dag- en nachtevening naderkwam, duidelijker worden zou. Er bestond dus weder gelegenheid om een eind te loopen en op uitdrukkelijk bevel van Tchou-Tchoûk, was hun eerste gang naar zijn verblijf.
Er was nog geen verandering in de zienswijze van het opperhoofd der wilden gekomen en de gevangenen kregen opnieuw last binnen den kortst mogelijken tijd voor een losgeld van drieduizend roebels te zorgen, wanneer zij niet wilden dat Tchou-Tchoûk tot andere maatregelen zou overgaan.
--Hoor nu zoo'n schoelje eens aan, zeide Cascabel in zuiver fransch, waar hij overtuigd was dat de ander geen woord van verstond. Zoo'n driedubbele ezelskop! Zoo'n koning over uilskuikens!
Zoo hartelijk gemeend en zoo volkomen toepasselijk als deze liefelijkheden ook mochten zijn, de toestand werd er niet beter door. Het begon er zelfs bedenkelijk uittezien, nu de vorst van den Liakhoff-archipel met dwangmiddelen begon te dreigen.
Het was op dat oogenblik, onder dien invloed van verbeten en machtelooze woede, dat Cesar Cascabel op eenen inval kwam, zooals alleen het genie ze soms kan hebben. Van eenen man, die zich al door zooveel moeielijkheden heen had geslagen, viel trouwens niets minder te verwachten.
--Alle robben en walvisschen mogen mij opslikken, riep hij den volgenden ochtend op eens uit, als dàt mij niet gelukt! Met die domkoppen durf ik het te wagen!
Maar wat het was dat hem tot dezen triomfantelijken uitroep aanleiding gaf, verkoos Cascabel niet te zeggen. Hij openbaarde zijn geheim aan niemand, zelfs niet aan Cornelia of Sergius.
Het scheen een onmisbaar vereischte voor zijn plan te wezen dat hij zich duidelijk verstaanbaar in het russisch wist uittedrukken, welke taal door alle volksstammen in het Noorden van Siberië gesproken wordt. Het gevolg daarvan was, dat terwijl Kayette voortging zich in het fransch te oefenen onder de leiding van Jan, diens vader van zijnen vriend Sergius les wilde gaan nemen in het russisch. Een beter onderwijzer had hij zeker niet kunnen vinden.
Den 15den Februari dus, op eene wandeling in den omtrek der _Schoone Zwerfster_, kwam hij met zijn verlangen om grondiger russisch te leeren voor den dag.
--Ziet gij, zeide hij tegen Sergius, wij zijn nu op weg naar Rusland, en het zal mij dus goed te pas komen als ik de taal van het land kan spreken, zoodat ik te Perm en te Nisjni niet met mijnen mond vol tanden behoef te staan.
--Dat is zeker, mijn waarde Cascabel, antwoordde Sergius. Maar gij verstaat reeds zooveel van onze taal, dat ge al bijna in staat zijt uzelf te helpen.
--Neen mijnheer Sergius, toch niet! Wel versta ik ten naasten bij wat er gezegd wordt, maar zelf ben ik nog niet in staat mij verstaanbaar uit te drukken. Zóó ver zou ik het willen brengen.
--Nu, als gij het wilt ben ik tot uwen dienst.
--Bovendien, al had het geen ander nut, is het altijd een goed tijdverdrijf.
Het verlangen van Cascabel was volkomen verklaarbaar en niemand toonde er zich dan ook verbaasd over.
Hij ging dus terstond met Sergius aan het werk en nam bij dezen een uur of drie per dag les, niet zoozeer om de taalregels als om de uitspraak ter dege machtig te worden. Dit was blijkbaar iets waar hij het meest aan hechtte.
Nu is het eene bekende zaak dat russen zeer gemakkelijk fransch leeren en het bijna zonder eenigen tongval uitspreken, maar het omgekeerde is het geval niet en voor franschen is het russisch in het geheel niet gemakkelijk. Het vorderde dus heel wat inspanning en oplettendheid van Cascabel, en de _Schoone Zwerfster_ weerklonk den ganschen dag van de stem- en spraakoefeningen waarmede hij zich onvermoeid bezig hield.
Hij had echter een natuurlijken aanleg om talen te leeren en bracht het er spoedig ver in, tot niet geringe bewondering van zijne omgeving.
Telkens nadat de les was afgeloopen begaf hij zich naar het strand, waar hij stellig wist dat niemand hem beluisteren kon, en daar, in de eenzaamheid, herhaalde hij een zeker aantal volzinnen, telkens op een anderen toon en met grooter nadruk, waarbij hij vooral de r's liet rollen, zóó dat geen rus het hem had kunnen verbeteren. Dit viel hem trouwens niet moeielijk, want als kunstenmaker had hij zijn leven doorgebracht met in zijne moedertaal soortgelijke proeven van welsprekendheid af te leggen.
Soms ontmoette hij Ortik en Kirschef, die geen woord fransch verstonden. Dit was dan weder eene gewenschte gelegenheid om zich te oefenen en hij kreeg spoedig de zekerheid dat hij zich heel goed verstaanbaar wist te maken.
De twee matrozen kwamen nu meer dan vroeger in de _Schoone Zwerfster_, maar Kayette was nog altijd niet in staat zich te herinneren waar zij de stem van Kirschef, die haar bekend bleef voorkomen, vroeger had kunnen hooren.
Tusschen Ortik en Sergius werd voortdurend veel gesproken over de kansen om weg te komen. Cascabel nam nu meestal aan het gesprek deel, maar er werd niets voorgesteld dat bruikbaar was.
--Er zou toch misschien eene manier wezen waarover wij nog niet gedacht hebben, zeide Ortik op zekeren dag.
--Hoe dan? vroeg Sergius.
--Wanneer het open water is, antwoordde de ander, gebeurt het niet zelden dat er walvischvaarders langs de Liakhoff-eilanden komen varen. Zouden wij in dat geval geen sein kunnen geven, zóó dat zulk een schip hierheen kwam?
--De bemanning zou dan gevaar loopen evenals wij in handen van Tchou-Tchoûk te vallen en onze gevangenschap te moeten deelen zonder dat wij er iets bij wonnen, antwoordde Sergius. Die schepen zijn niet sterk genoeg bemand om met geweld iets tegen de inboorlingen te kunnen uitrichten.
--Bovendien, voegde Cascabel er bij, het duurt nog drie of vier maanden voór dat het open water kan zijn en zóó lang heb ik geen geduld meer.
Hij dacht een oogenblik na en vervolgde toen:
--Al slaagden wij er ook in aan boord van eenen walvischvaarder te komen, zelfs indien de brave Sjoe-Sjoe dat goedvond, dan zouden wij nog de _Schoone Zwerfster_ in den steek moeten laten.
--Ja, dat zou in dit geval niet anders kunnen, stemde Sergius toe.
--Niet anders kunnen! riep Cascabel uit. Ik zag nog liever...
--Weet gij dan misschien wat beters?
--Zoo vraagt men de boeren de kunst af!
Meer verkoos Cascabel niet te zeggen. Maar er flikkerde iets in zijne oogen en er speelde een glimlach om zijnen mond, die meer zeide dan duizend woorden.
Toen Cornelia dan ook vernam wat haar man geantwoord had, kon zij niet nalaten er het hare van te zeggen:
--Ge kunt er op aan dat Cesar iets in zijn hoofd heeft. Wat het zijn kan, weet ik niet. Maar van een man als hij, kunnen wij het onmogelijkste verwachten!
--Vader is zeker slimmer als mijnheer Tchou-Tchoûk, zeide Napoleona.
--Hebt ge wel opgemerkt, zeide Sander, dat hij hem sedert eenigen tijd een "beste kerel" noemt? Hij begint van hem te houden!
--Tenminste, als hij er niet juist het tegendeel mede bedoelt, bracht Kruidnagel in het midden.
Ondertusschen bracht Cascabel, in dit opzicht gelijk aan Demosthenes, die zich in de welsprekendheid oefende aan het strand der Helleensche zee, nog menig uur door met op geweldigen toon in het russisch het geraas der baren te overschreeuwen.
In de tweede helft van Februari werd het langzamerhand minder koud. Met de zuidelijke winden kwam er een zachtere luchtstroom over de eilanden strijken.
Er was dus nu geen tijd meer te verliezen. In de Behringstraat waren zij, tengevolge van het late invallen van den winter, door het dooiweder aan het drijven geraakt; zij moesten nu hun best doen om niet weder, als het eens vroeg zomer mocht worden, hetzelfde te ondervinden.
Indien Cascabel's plan gelukte en hij Tchou-Tchoûk wist te bewegen hem met alles wat hij bij zich had te laten trekken, dan moest de tocht ook aangevangen worden op het tijdstip dat het ijsveld tusschen de Liakhoff-eilanden en de Siberische kust nog volkomen vast en veilig te berijden was. Wisten zij dan aan een goed stel rendieren te komen, dan kon dit gedeelte van de reis met de _Schoone Zwerfster_ onder vrij gunstige omstandigheden afgelegd worden, zonder dat zij gevaar liepen door het losraken van het ijs aan nieuwe teleurstellingen blootgesteld te worden.
--Zeg eens, mijn waarde Cascabel, vroeg Sergius op zekeren dag, denkt gij dat die oude schurk van een Tchou-Tchoûk u aan de noodige rendieren helpen zal, die gij niet kunt missen wanneer gij uwen wagen naar den overwal wilt brengen?
--Mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel deftig, Sjoe Sjoe is in het geheel geen oude schurk. Het is een beste, brave man, daar sta ik voor in. Als hij er dus in toestemt dat wij heengaan, dan zal hij ook goedvinden dat wij de _Schoone Zwerfster_ medenemen, en als hij dat goedvindt, dan kan hij niet anders dan een twintigtal rendieren tot onze beschikking stellen Wat zeg ik, twintig? Vijftig, honderd, duizend, als ik ze hebben wil!
--Ge hebt hem dus in uwe macht?
--Of ik Sjoe Sjoe in mijne macht heb? Zoo goed alsof ik de punt van zijn neus tusschen mijne vingers heb, mijnheer Sergius. En wat ik eenmaal beet heb, dat laat ik niet los!
Hij scheen volkomen zeker van zijne zaak en altijd vertoonde zich dezelfde raadselachtige glimlach op zijn gelaat. Dien dag bracht hij zelfs met een innemend gebaar zijne hand aan zijnen mond en maakte hij een denkbeeldig compliment aan Zijne inlandsche Majesteit. Maar Sergius, begrijpende dat Cascabel over zijn denkbeeld niet in bijzonderheden verkoos te treden, was bescheiden genoeg daar niet verder naar te vragen.
De tijd was nu gekomen dat de eilandbewoners van het zachtere weder gebruik begonnen te maken om hunne gewone bezigheden te hervatten, zooals de jacht op vogels en de robbenvangst, waartoe op het ijsveld gelegenheid genoeg bestond. Ook werden de godsdienstige plechtigheden, die gedurende den tijd der felste koude gestaakt hadden moeten worden, weder aangevangen.
Des Vrijdags van iedere week stroomden de geloovigen naar de grot der gebeden, ter algemeene bijeenkomst. Vrijdag, moet men weten, is zooveel als de Zondag der Nieuw-Siberiërs. Maar op Vrijdag den 29sten Februari--het jaar 1868 was een schrikkeljaar--zou er eene buitengewone groote processie gehouden worden.
Den avond te voren zeide Cascabel op een heel gewonen toon, vóór dat zij naar bed gingen:
--Morgen moeten wij ons gereed houden voor de plechtigheid in de _Vorspük_, waar wij met onzen vriend Sjoe-Sjoe heengaan.
--Wat zegt ge Cesar? Wilt ge dat doen? vroeg Cornelia.
--Ik wil het.
Wat dit stellige bevel te beteekenen had, kon niemand gissen. Zou Cascabel het inlandsche opperhoofd willen verteederen door deel te nemen aan zijne kerkelijke vertooningen? Het viel niet te ontkennen dat Tchou-Tchoûk gaarne zag dat ook zijne gevangenen eerbied toonden voor zijne afgodsbeelden. Maar voor die monsters de knieën te buigen en het bijgeloof der inlanders te omhelzen, dat was toch heel iets anders en het leek niet waarschijnlijk dat Cascabel, ter wille van Zijne nieuw-Siberische Majesteit, zijn geloof zou afzweren. Wel foei!
Dit zou echter later wel aan het licht komen. Den volgenden ochtend vroeg was het geheele dorp in beweging. Het was mooi weer, dat wil zeggen dat het niet meer dan een graad of tien vroor. Ook was het nu weder iederen dag gedurende een uur of vier eenigszins helder en vertoonde de weerkaatsing der zonnestralen zich duidelijker aan de kim, in afwachting van het tijdstip dat zij zich daarboven zouden verheffen.
Alle dorpsbewoners waren uit hunne onderaardsche woningen te voorschijn gekomen. Groot en klein, mannen, vrouwen en kinderen hadden hun mooiste kleederen aan, jassen en rokken van robben vel, mantels van rendierenhuiden, met het haar naar buiten. Overal eene uitstalling van wit of zwart bont, van mutsen met valsche parelsnoeren, van veelkleurige borstlappen, van riemen die zij als sieraden om het voorhoofd gebonden droegen, van oorringen, armbanden en andere kleinoodiën, uit robbenbeenderen vervaardigd, die in hun neusbeentje bevestigd werden.
Dit alles was echter nog niet mooi genoeg voor deze buitengewone gelegenheid. De voornaamsten van het dorp hadden andere sieraden noodig geacht, en de verschillende voorwerpen, die zij uit de _Schoone Zwerfster_ geroofd hadden, moesten daarvoor dienst doen.
Er waren er die een volledig kunstenmakerspak met linten en strikken aangehangen hadden. Sommigen droegen een van de mutsen of helmen van Kruidnagel. Anderen hadden zich opgeschikt met een bandelier of koord, waar de ringen aan bengelden die voor de gymnastische toeren gebruikt werden. Een paar droegen aan hunnen gordel de bollen en halters; maar het prachtigste sieraad van allen was dat van Tchou-Tchoûk, die een aneroïde-barometer, als het grootkruis eener Nieuw-Siberische ridderorde, op zijne borst liet slingeren.
Tevens werd er uit alle macht spektakel gemaakt met de muziekinstrumenten van den troep. De klephoorn trachtte de schuiftrompet te overschreeuwen en de roffeltrom deed zijn best om nog meer lawaai te maken dan de turksche.
Cornelia kon evenmin als hare kinderen hare ergernis bedwingen over dit oorverscheurende geraas en als zij gedurfd hadden, zouden zij de inlandsche toonkunstenaars terdege uitgefloten hebben, want, zeide Kruidnagel "ze blazen als walvisschen."
Niemand zou het echter willen gelooven, maar het was toch zoo: Cesar Cascabel gaf de duidelijkste blijken van ingenomenheid met dit concert. Hij klapte in zijne handen, riep hoera en bravo en zeide met overtuiging:
--Ik sta werkelijk verbaasd over deze lieden! Zij hebben blijkbaar aanleg voor muziek en als zij een engagement bij onzen troep willen aannemen, dan sta ik er voor in dat zij een schitterend figuur op de kermis te Perm, en misschien later op die te Saint-Cloud zullen maken.
Begeleid door dit tumult, trok de stoet het geheele dorp door en begaven zij zich naar de gewijde plaats waar de afgodsbeelden gereed stonden om de hulde der geloovigen te ontvangen. Tchou-Tchoûk ging vooraan. Onmiddellijk achter hem volgden Cascabel, Sergius en de andere leden van hun gezelschap; daarna de twee russische matrozen. De geheele bevolking van Tourkef vormde het talrijkste gedeelte van den optocht.
Na eenigen tijd bleven zij allen stilstaan vóór de holte van de rots, waarbinnen de afgodsbeelden geschaard stonden, behangen met kostbare pelterijen en voor deze gelegenheid met frissche kleuren beschilderd.
Tchou-Tchoûk trad met opgeheven handen de _Vorspük_ binnen. Driemaal boog hij het hoofd ter aarde; daarna legde hij zich plat voorover op een tapijt van rendierenvellen, dat op den grond was uitgespreid. Dat was, naar 's lands gebruik, de manier van knielen.
Cascabel en allen die hem vergezelden volgden het voorbeeld van het opperhoofd. De geheele vergadering lag als door een tooverslag ter aarde.
Toen er een plechtig stilzwijgen heerschte, begon Tchou-Tchoûk, op half brommenden half zingenden toon, het woord te richten tot de drie voornaamste afgodsbeelden, die in statige onbewegelijkheid op de menigte schenen neer te zien.
Maar wat is dat? Daar antwoordt hem eene stem, een machtig, doordringend geluid, dat van achteren uit de diepte der grot schijnt te komen.
Welk een wonder! De stem komt uit den muil van het aan den rechterkant staande afgodsbeeld. In duidelijk verstaanbaar russisch laat zij deze woorden hooren:
_"Ani sviati, éti innostrantzi Katori ote zapada prichli! Zatchéme ti ikhe podirjaïche?"_
Hetgeen beteekent:
"Die vreemdelingen, welke uit het Westen gekomen zijn, zijn heilig! Waarom houdt gij hen gevangen?"
Bij het hooren dezer woorden, die alle inboorlingen duidelijk verstonden, maakte eene algemeene verbazing zich van hen meester.
Het was de eerste maal dat de goden van Nieuw-Siberië zich verwaardigden het woord tot de geloovigen te richten.
En andermaal liet eene stem zich hooren, ditmaal op bevelenden toon, komenden uit den muil van het grootste afgodsbeeld ter linkerzijde, en zeggende: