Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 5

Chapter 53,871 wordsPublic domain

Wij mogen niet onvermeld laten dat Cascabel langzamerhand tot andere gedachten begon te komen. Wel bleef hij zich nog altijd verantwoordelijk voelen over den toestand waarin zij geraakt waren, maar zijne aangeboren kloekmoedigheid kreeg toch weder de overhand. Hij was zoo gewoon geraakt zich door alle moeilijkheden heen te slaan, dat hij aan geen onherstelbaren tegenspoed meer gelooven kon; zijn geluksster, meende hij, was slechts voor een korten tijd ondergegaan. Hier kwam bij dat geen der leden van zijn gezin tot dusver van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen eenig lichamelijk letsel ondervonden had. Het grootste gevaar was hierin gelegen, dat als er niet spoedig verbetering kwam, hunne opgewektheid en hun moed misschien verloren zouden gaan.

Teneinde dit te voorkomen, deed Sergius alles wat hij kon om zijne reisgenooten bezig te houden. Gedurende de vele uren waarin zij niets te doen hadden en bij het lamplicht rond de tafel gezeten waren, vertelde hij hen zijne reisavonturen op zijne tochten in Europa en Amerika. Jan en Kayette luisterden altijd met de meeste aandacht en leerden veel van hem, want Sergius wist op elke vraag een leerzaam antwoord te geven. Door de vele ervaring welke hij had opgedaan, kwam hij altijd tot deze slotsom:

--Gij ziet dus mijne vrienden, dat wij geene reden hebben om den moed op te geven. Het stuk ijs waar wij ons op bevinden is stevig genoeg en nu het weer gaat vriezen, bestaat er geen gevaar meer dat het stuk zal gaan. Bovendien is het een geluk dat wij juist den kant opdrijven waar wij heen moeten en wij leggen dus dit gedeelte van onzen tocht afzonder ons te vermoeien, even alsof wij op een schip waren. Wij moeten maar geduld hebben; ten laatste komen wij zeker in eene goede haven terecht.

--Wel, ik geloof dat niemand van ons daar aan twijfelt, antwoordde Cascabel, die zijne goede luim geheel terug gekregen had. Ik zou hier wel eens iemand willen zien die den moed opgeeft. Wie dat durft te doen zonder dat ik er het voorbeeld van geef, zet ik op water en brood.

--Wij hebben niet eens brood, merkte Sander op.

--Nu, dan op scheepsbeschuit en water. Bovendien krijgt hij geen uitgangkaartje als hij uit den wagen gaat.

--Mooi praten! zeide Kruidnagel. Wij kunnen er niet uit.

--Mond gehouden! Het is zooals ik gezegd heb.

In de laatste week van November sneeuwde het vervaarlijk. Er vielen zulke pakken sneeuw en deze stapelden zich zoodanig op, dat niemand meer buiten kon komen en dit was oorzaak dat er bijna een groot ongeluk gebeurd was.

Des ochtends van den 30sten November bespeurde Kruidnagel, toen hij wakker werd, dat het hem groote moeite kostte om adem te halen. Het was alsof er geen lucht meer in den wagen te krijgen was.

De anderen lagen nog in hunne bedden in een diepen en benauwden slaap. Het was zoo bedompt in de vertrekjes dat Kruidnagel een gevoel had alsof hij stikken zou.

Hij poogde de buitendeur open te maken om versche lucht te scheppen, maar zag er geen kans toe.

--Heidaar, mijnheer Cascabel! riep hij zoo hard dat al de slapers in de _Schoone Zwerfster_ opschrikten.

Sergius, Cascabel en de twee jongens sprongen op. Het eerste wat Jan zeide, was:

--Maak de deur toch open! Ik stik hier.

--Ik kan de deur niet open krijgen, antwoordde Kruidnagel.

--Dan de raampjes.

Dit ging evenmin, want de raampjes sloegen naar buiten op en het was niet mogelijk ze los te krijgen.

In een oogenblik hadden zij met hun allen de deur uit hare hengels gelicht. Toen bleek het hoe het kwam dat zij niet open kon.

De gang die zij rondom de _Schoone Zwerfster_ vrijgelaten hadden, was geheel verstopt geraakt door de sneeuw die er zich gedurende den nacht in opgehoopt had. Maar niet alleen de gang, ook de opening welke in den muur gemaakt was om naar buiten te kunnen komen, was door de sneeuw niet meer te vinden.

--Zou de wind gedraaid zijn? vroeg Cascabel.

--Dat denk ik niet, antwoordde Sergius. Als de wind West was, zou er zulk eene massa sneeuw niet gevallen zijn.

--Dan moet ons ijsveld zelf omgedraaid zijn, meende Jan.

--Dat houd ik voor het meest waarschijnlijk, bevestigde Sergius. Maar dat zullen wij later onderzoeken. Op het oogenblik is het zaak te zorgen dat wij niet stikken door gebrek aan lucht.

Zonder langer te praten gingen Jan en Kruidnagel met eene schop en een houweel aan het werk om de gang weder open te krijgen. Dit was eene zware karrewei, want de harde en vaste sneeuw was tot boven de _Schoone Zwerfster_ opgestapeld, zoodat er bijna niets van den wagen meer te zien was.

Zij moesten elkaar bij het werk dan ook spoedig aflossen. Er was geen ruimte om de sneeuw naar buiten te werpen en zij waren dus genoodzaakt die in het voorste vertrekje te storten, waar zij echter, tengevolge van de warmte die daar heerschte, spoedig smolt en als water weder naar buiten stroomde.

Na een uur arbeids waren zij nog niet door de vaste sneeuwmassa heen. Zij kwamen dus nog niet in aanraking met de buitenlucht, konden in den wagen de lucht niet ververschen en het werd daar met iedere minuut benauwder, want de zuurstof werd hoe langer hoe minder en het koolzuur hoe langer hoe meer.

Zij hijgden allen naar adem en snakten naar lucht in dezen bedorven dampkring. Kayette en Napoleona konden het nauwelijks meer uithouden, maar Cornelia had het duidelijk het ergst te kwaad. Kayette vergat zichzelve om moeder Cascabel zooveel zij kon verlichting te geven. Hadden zij maar een enkel raampje open kunnen krijgen, dan ware het voldoende geweest om een stroom van lucht binnen te laten komen, maar wij hebben reeds verteld dat dit niet kon.

--Moed gehouden! riep Sergius. Wij hebben al zes voet in de sneeuw uitgegraven en heel dik kan de laag nu niet meer zijn.

Dit moest inderdaad het geval wezen indien er geen sneeuw meer bij kwam. Maar zij wisten niet of het nog niet aanhoudend bleef voortsneeuwen.

Cascabel kwam toen op het denkbeeld om niet langer recht vooruit, maar naar boven te graven, in welke richting de sneeuwlaag waarschijnlijk minder dik en dus ook minder vast moest wezen.

Dit bleek werkelijk het geval te zijn. Het graven ging nu gemakkelijker. Zij maakten eene soort van koker en na nog een half uur arbeid, waren zij er door heen. De buitenlucht stroomde naar binnen.

Het was hoog tijd. Zij hadden het niet lang meer kunnen uithouden.

--Wat is dat heerlijk! riep Napoleona, terwijl zij diep ademhaalde.

--Dat is nog lekkerder dan een taartje, zeide Sander likkebaardende.

Het duurde echter nog eenigen tijd vóór dat Cornelia bijkwam uit de verdooving waarin zij door de benauwdheid geraakt was. Zij was bijna flauw gevallen.

De opening werd nu wijder gemaakt en de mannen kropen er doorheen tot boven op den ijsmuur. Zoover het oog reikte was alles wit. De _Schoone Zwerfster_ lag onder deze dikke laag geheel bedolven en was alleen nog te onderscheiden als eene vormelooze ophooging van het drijvende sneeuwveld.

Met het kompas overtuigde Sergius zich dat de wind nog altijd Oost was, maar dat hunne ijsschots zich ten halve had omgekeerd, waardoor hare uiteinden in tegenovergestelde richting waren komen te liggen. Hierdoor was het gekomen dat zoowel de gang als de opening in de borstwering door de sneeuw verstopt waren geraakt.

De thermometer in de buitenlucht wees niet meer dan zes graden onder het vriespunt. De zee was geheel open, voor zoover zij er in de bijna volslagen duisternis over konden oordeelen. Men moet echter wel in het oog houden dat het ijsveld, waarschijnlijk door dat het een oogenblik in eene draaikolk gekomen was, zich omgedraaid had, maar dat het in dezelfde richting naar het Westen was blijven drijven.

Na hetgeen er gebeurd was, wat zulke noodlottige gevolgen had kunnen hebben, begrepen zij dat er nieuwe voorzorgen genomen moesten worden. Sergius stelde voor om recht tegenover de bestaande opening in de borstwering er eene tweede te maken en ze beide dagelijks open te houden. Op die manier zou de buitenlucht altijd toegang hebben, onverschillig hoe de ligging van het ijsveld was.

--Ik vind het best, antwoordde Cascabel. Maar dit moet ik toch zeggen dat ik nooit zoo'n gemeen land gezien heb als dit. Het is nauwelijks goed genoeg voor een walvisch. Dan is het beter in mijn Normandië.

--Ik zal het niet tegenspreken, zeide Sergius. Maar wij moeten het nemen zooals het nu eenmaal is.

--Jawel, mijnheer Sergius, zoo neem ik het ook, maar ik wou dat ik het alweer kwijt was!

Wel mocht onze brave Cascabel er over klagen! Dit was zeker niet zoo'n goed land als Normandië, maar ook niet als Zweden, als Noorwegen, als Finland zelfs, al zijn de winters daar ook nog zoo streng. Het was het onherbergzame Poolland, met zijnen nacht van vier maanden, zijne razende stormen, zijne wilde en verblindende sneeuwvlagen, zijne nimmer doorbrekende nevels, die de kim geen oogenblik vrij laten.

Toch was dit alles nog maar een deel der onheilen die hen boven het hoofd konden hangen. Hield het ijsveld eenmaal op met drijven, doordat de geheele zee eene vaste vlakte geworden was, wat zou hen dan te doen staan? De _Schoone Zwerfster_ aan haar lot overlaten, zonder toevluchtsoord de honderden mijlen afleggen die hen scheidden van de Siberische kust, dat was waarlijk iets waar zij nauwelijks aan denken konden. Dikwijls vroeg Sergius zich af of het nog niet beter zou zijn den winter door te brengen op dezelfde plek waar hunne ijsschots zou blijven liggen, en tot de zomer weder aanbrak eene schuilplaats te vinden onder het beschermende dak van dit huis op wielen, waarvan de wielen misschien nimmer meer zouden draaien. Als het niet anders kon, zou het zeker doenlijk geweest zijn om op deze manier den tijd der ergste koude door te komen. Maar vóór dat de temperatuur weder zachter werd, vóór dat de Poolzee begon te ontdooien, moesten zij toch de plek waar zij overwinterden verlaten en de lange ijswoestijn doortrekken, die anders weder in eene onbegaanbare zee veranderen zou.

Op het oogenblik behoefde dit echter nog niet beslist te worden en onze schipbreukelingen konden gerust het laatste gedeelte van den winter afwachten. Zij moesten ook alvorens den tocht te aanvaarden, te weten zien te komen op welken afstand zij zich van het land bevonden, altijd aangenomen dat dit te berekenen was. Sergius hoopte dat het niet bijzonder ver zou zijn, want het ijsveld was onveranderlijk naar het Westen gedreven en aldus de kapen Kekournyi, Cheliagskyi en Baranof voorbij, en straat Long alsmede de Kolyma-baai doorgestevend.

Jammer genoeg dat zij in de laatstgenoemde baai niet aangeland waren, want vandaar zou het hun betrekkelijk weinig moeite gekost hebben in het land der Joukaghirs te komen, en hier liggen Kabatchkova, Nyne-Kolymsk en andere bewoonde plaatsjes waar zij den winter hadden kunnen doorbrengen. Met een span rendieren hadden zij terug kunnen keeren naar de plek waar zij de _Schoone Zwerfster_ achterlieten, teneinde die in veilige haven te brengen. Maar het viel gemakkelijk te berekenen dat zij die baai reeds achter zich moesten hebben, in aanmerking genomen de snelheid van den stroom, en met de riviermondingen van de Tchoukotchia en de Alazeia moest hetzelfde het geval zijn. Niets kon hen nu meer tegenhouden, of het moest een van de eilanden zijn die tot den Anjou-Archipel, de Liakhoff- of de Long-groep behooren. De meeste van die eilanden zijn echter onbewoond en er zouden dus geen middelen te vinden zijn om de karavaan, met al haar toebehooren, op het vaste land terug te brengen. Toch was het aanlanden op zoo'n eiland nog te verkiezen boven het altijd verder drijven, tot waar het poolijs aan hunnen zwerftocht een einde maakte.

November was nu voorbijgegaan. Negenendertig dagen was het geleden dat de familie Cascabel van Port-Clarence vertrokken was en zich op het ijs der Behringstraat gewaagd had. Ware de ijsvlakte niet losgegaan, dan zouden zij reeds vijf weken geleden te Numana den voet op vasten wal gezet hebben en dan hadden zij op dit oogenblik de winterkwartieren betrokken in een of ander dorp in zuidelijk Siberië, waar zij van den barren poolwinter niet veel hinder gehad zouden hebben.

Intusschen moest het einde van hunnen zwerftocht nu weldra ophanden zijn. Het werd hoe langer hoe kouder, bestendig ging de thermometer naar beneden. Zorgvuldig achtgevende op den toestand van hun ijsveld, bevond Sergius dat dit voortdurend grooter werd door dat er zich los geraakte stukken van ijsbergen aan hechtten, waartusschen het zich eenen weg baande. Het had reeds een derde meer oppervlakte, en in den nacht van den 30sten November op den 1sten December kwam er een geweldig groot brok aan den achterkant tegenaan zitten. Dit stuk ijs lag tot op vrij groote diepte beneden den zeespiegel; de stroom had er dus meer vat op en deed het sneller voortdrijven dan hun ijsveld, waarvan het gevolg was dat dit laatste zich andermaal omdraaide en met den grooteren klomp ging mededrijven, even alsof het daardoor op sleeptouw genomen werd.

Met het drogere en koudere weder was nu de lucht volkomen helder geworden. De wind was naar het noordoosten geloopen, hetgeen niet in hun nadeel was, want zij dreven zoodoende naar de kust toe. De lange nachten werden opgehelderd door den schitterenden sterrenhemel van de poolstreken en niet zelden werd de geheele omtrek verlicht door de vonkelende stralen van het noorderlicht dat zich waaiervormig aan de kim uitstrekte. Niets belemmerde dan het uitzicht, dan heel in de verte de buitenste punten van het vastzittende ijs. Op den minder donkeren achtergrond verhief deze blanke massa zich met hare spitse toppen, hare ronde heuvelruggen, hare naalden en torens, bijeengeschaard als een woud. Het was een verbazend schoon gezicht, zóoals er in deze door de natuur zoo misdeelde streken meer voorkomen en dat onze schipbreukelingen meer dan eens hun kommervollen toestand vergeten deed.

Nu de wind veranderd was, jaagde deze het ijs niet sneller meer voort en zij werden alleen nog medegesleept door de kracht van den stroom. Waarschijnlijk zou het ijsveld dus niet veel verder meer naar het Westen drijven, want tusschen de ijsbergen begon het zeewater zich reeds vast te zetten. Deze versche ijslaag brak echter bij den minsten schok. De ijsklompen bleven ongeregeld door elkander drijven, waarbij slechts nauwe doortochten open bleven, zoodat hunne schots dikwijls tegen grootere stukken aanbotste. Dan zaten zij eenige uren onbewegelijk, maar daarna raakten zij weder los en dreven op eigen gelegenheid verder. Maar zij konden zich er op voorbereiden dat hunne overwintering op eene en dezelfde plek spoedig eenen aanvang nemen zou.

Den 3den December omstreeks den middag waren Sergius en Jan naar het voorste gedeelte van het ijsveld gegaan, gevolgd door Sander, Kayette en Napoleona, allen zorgvuldig in pelzen gewikkeld, want het was nu terdege koud. Aan de Zuiderkim vertoonde zich een weinig licht, het eenige teeken dat de zon zich boven den gezichteinder bevond. Voor het overige was alles in eene flauwe schemering gehuld, het laatste schijnsel van het noorderlicht, dat zeker op eene andere plek te zien was.

Zij stonden eenigen tijd met aandacht naar de in beweging zijnde ijsbergen te kijken, die allerlei zonderlinge vormen vertoonden, ook nu en dan tegen elkander kwamen of onderste boven tuimelden wanneer zij, aan den onderkant door de zee afgeknaagd, hun evenwicht verloren.

Op eens begon ook de ijsklomp, die kort te voren aan hunne schots vastgeraakt was, te waggelen en stortte omver, waarbij een stuk van hunne schots werd medegerukt en de zee een eind ver over het ijsveld stroomde.

Allen waren zoo hard zij konden weggeloopen, maar op hetzelfde oogenblik hoorden zij angstkreten:

--Help.... help.... Jan!

Het hulpgeschrei kwam van Kayette. De plek waar zij stond was door den schok losgescheurd en dreef met haar weg.

--Kayette!.... Kayette! riep Jan.

Maar het afgebroken stuk ijs was reeds door den stroom gegrepen en gleed langs den rand van het ijsveld, dat zelf in eene wieling geraakt was en eenigen tijd op dezelfde plaats bleef ronddraaien. Nog eenige oogenblikken en zij zouden Kayette te midden der drijvende ijsbergen uit het oog verliezen.

--Kayette!.... Kayette! herhaalde Jan.

--Jan!... Jan! antwoordde de Indiaansche voor het laatst. Op het hooren van deze angstkreten waren ook Cornelia en Cascabel komen aanloopen. Zij stonden verstijfd van schrik evenals Sergius, die geen middel wist te bedenken om het arme meisje te hulp te komen.

Op dit oogenblik was het stuk ijs, al drijvende, iets naderbij gekomen, zoodat nog maar eene strook water van een voet of zes hen van Kayette scheidde. Op eens, vóór dat iemand hem kon tegenhouden, nam Jan eenen sprong, die hem naast het meisje te land deed komen.

--Mijn zoon... mijn zoon! gilde Cornelia.

Zij waren nu geen van beiden te naderen. Door den sprong had Jan het stuk ijs, waar Kayette op stond, een eind ver doen terug deinzen; het werd spoedig tusschen de andere ijsklompen medegesleept en hun hulpgeroep verloor zich in de ruimte.

Nog twee uren bleven de anderen wachten, maar toen werd het geheel duister en waren zij verplicht naar hunne schuilplaats terug te keeren. De ongelukkigen brachten den nacht slapeloos door, terwijl zij in den omtrek van de _Schoone Zwerfster_ bleven dwalen. De honden huilden jammerlijk. Wat moest er van Jan en Kayette worden, zonder onderkomen, zonder voedsel en alleen in den duisteren nacht! Het eene uur ging na het andere voorbij, onder jammeren en schreien. Cascabel was door dit ongeluk als verpletterd, hij liet niets dan onsamenhangende woorden hooren, waarin hij andermaal zichzelf de schuld gaf van al den jammer dien hij door zijne lichtzinnigheid, zooals hij zeide, over zijn gezin gebracht had. Sergius was niet in staat hem troost te bieden; hij had zelf al zijne geestkracht noodig om zich niet aan de wanhoop over te geven.

Den volgenden ochtend tegen acht uur--dat was op den 4den December--raakte hun ijsveld weder drijvende, na den geheelen nacht te midden der elkander kruisende stroomingen niet van plaats veranderd te zijn. Het ging nu weder den kant op waar zij Jan en Kayette uit zicht verloren hadden, maar deze waren achttien uren vóór en er was dus geene hoop hen achterop te komen of terug te vinden. Zij waren trouwens aan alle kanten van gevaren omringd; de koude was te fel om er langen tijd in te kunnen leven; zij hadden geen eten bij zich en dreven voort, omringd van ijsbergen, waarvan de kleinste groot genoeg was om hunne schots als een stuk glas te verbrijzelen.

Wij beproeven niet de droefheid der familie Cascabel te beschrijven. Ondanks de nijpende koude waren zij geen van allen naar binnen gegaan; zij bleven steeds om Kayette en Jan roepen, ofschoon zij wisten dat die veel te ver waren om hen te kunnen hooren.

De dag liep ten einde zonder dat er eenige verandering kwam. Het werd weder nacht en nu drong Sergius toch bij allen aan dat zij zich in de _Schoone Zwerfster_ moesten begeven. Maar aan slapen kon niemand hunner een oogenblik denken.

Plotseling, te drie uur in den ochtend, kreeg de wagen een geweldigen schok, zóó hard dat hij bijna omver viel. Wat was er nu weder gebeurd? Zou er misschien een groote ijsberg tegen hun ijsveld aangekomen zijn en dit in stukken gebroken hebben?

Sergius snelde naar buiten.

De laatste stralen van het noorderlicht maakten het mogelijk op eenen afstand van eene halve mijl in de rondte alle voorwerpen te onderscheiden.

In alle richtingen liet Sergius zijne blikken gaan. Maar van Jan of Kayette was niets te bespeuren.

De schok, dien zij gevoeld hadden, was teweeggebracht doordat hunne schots tegen een groot ijsveld aangekomen was. De temperatuur was nu gedaald tot twintig graden beneden het vriespunt; de geheele zee was ééne ijsvlakte geworden en waar den avond te voren alles nog in beweging was, zag men nu niets dan eene roerlooze ijswoestijn. Zij waren voorgoed tot stilstand gekomen.

Sergius ging naar binnen en verhaalde aan de anderen wat er gebeurd was.

--Dus ligt de geheele zee vóór ons nu vastgevroren? vroeg Cascabel.

--Vóór ons, achter ons en in alle richtingen, antwoordde Sergius.

--Welnu, dan moeten wij gaan zien of wij Jan en Kayette niet terug kunnen vinden. Laat ons geen oogenblik wachten.

--Op weg dan maar! hernam Sergius.

Cornelia en Napoleona wilden evenmin in de _Schoone Zwerfster_ achterblijven. Die werd dus aan de hoede van Kruidnagel toevertrouwd en de anderen gingen op marsch, voorafgegaan door de twee honden die over het ijs liepen te snuffelen.

Het ijs was zoo hard als graniet. Zij sloegen den kant van het Westen in. Indien Wagram en Marengo het spoor van Jan wisten te vinden, dan zouden zij het ook wel volgen. Na een half uur loopens hadden zij echter nog niets ontdekt en moesten zij stil houden, want in deze koude, waar zelfs de lucht als bevroren is, raakt men spoedig buiten adem.

Naar het Noorden, Zuiden en Oosten strekte het ijs zich als eene effene vlakte uit, maar in het Westen vertoonden zich eenige hoogten, die niet den gewonen vorm der ijsbergen hadden. Misschien konden dit heuvels zijn, op een eiland of op het vasteland gelegen.

Op dit oogenblik begonnen de honden hard te blaffen en snelden zij naar eene besneeuwde verhevenheid toe, waarop zich eenige zwarte stippen vertoonden.

De tocht werd hervat en nu bemerkte Sander spoedig dat twee van die stippen teekenen schenen te geven.

--Jan,.... Kayette! riep hij en snelde er op af, door Wagram en Marengo gevolgd.

Het waren inderdaad Kayette en Jan, beide springlevend.

Maar zij waren niet alleen. Een troep inboorlingen stond rondom hen geschaard en dit waren bewoners van de Liakhoff-eilanden.

V.

DE LIAKHOFF-EILANDEN.

In dit gedeelte van de noordelijke IJszee liggen drie groepen eilanden, te zamen bekend onder den naam van Nieuw-Siberië en onderscheiden als de Long-, de Anjou- en de Liakhoff-eilanden. Deze laatsten liggen het dichtst bij de Siberische kust, tusschen de 73 en 75 graden noorderbreedte en de 135 en 140 graden oosterlengte, en beslaan eene uitgestrektheid van negen en veertig vierkante kilometers. De grootste zijn bekend als de eilanden Kotelnyi, Blinyi, Malyi en Belkoff.

Het zijn niets dan naakte rotsvlakten, zonder boom of struik, zonder anderen plantengroei dan alleen, in het midden van den zomer, enkele gewassen van lagere orde. De grond ligt vol walvisch- en mammouth-beenderen, die sedert de vorming dezer eilanden daar opgehoopt zijn, evenals er versteende voorwereldlijke boomstammen in groote hoeveelheid gevonden worden. Dit is alles wat er van de Liakhoff-eilanden te beschrijven valt.

Zij zijn ontdekt in het begin der achttiende eeuw.

Kotelnyi, het zuidelijkste en grootste van de groep, op ongeveer vierhonderd kilometer van het vasteland gelegen, was het eiland waar de schipbreukelingen van de _Schoone Zwerfster_ voet aan land zetten, nadat zij veertig dagen drijvende geweest waren en eenen afstand van zes of zevenhonderd mijlen afgelegd hadden. Zuidoostelijk van het eiland, op de Siberische kust, ligt de groote zeeboezem van de Lena, een groote inham waar de wateren van de Lena-rivier, een van de aanzienlijkste stroomen van noordelijk Azië, in de IJszee eenen uitweg vinden.

Deze Liakhoff-archipel is dus met recht het _ultima Thule_, het verst bekende land der poolstreken op dezen lengtegraad. Daar voorbij, tot aan den rand van het nimmer smeltende poolijs, heeft geen zeevaarder meer eenig land gevonden. Nog vijftien graden noordelijker, en men is aan de pool.

Onze schipbreukelingen bevonden zich dus op de uiterste grens der aarde, al ligt ook Spitsbergen en het noordelijkste uiteinde van Amerika op nog hoogere breedte.