Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe
Chapter 4
Gebeurde dit, dan kwamen onze zwervers meest met den schrik vrij, maar telkens als het tot eene botsing kwam, hadden zij het ergste te vreezen. Dan kreeg hun ijsveld dikwijls zulk een schok, dat het een geluk was wanneer alles wat breekbaar was en los stond in den wagen, niet verbrijzeld werd. De kans dat hunne drijvende verblijfplaats zich in een aantal stukken zou oplossen, hing hun dus steeds boven het hoofd. Telkens als er zoo'n groote ijsklomp in het zicht kwam zochten zij allen eene schuilplaats rondom de _Schoone Zwerfster_ en klemden zij zich aan den wagen vast, waarbij Jan steeds de nabijheid van Kayette zocht. Het verschrikkelijkste wat hen overkomen kon, was dat hun ijsveld in verschillende stukken brak en sommigen van hen naar onderscheidene kanten werden voortgesleurd. Bovendien was het ijs minder stevig aan de randen dan in het midden, waar het verscheidene voeten dikker was.
Gedurende den nacht hielden Cascabel, Sergius, Jan en Kruidnagel om beurten de wacht. Zij keken scherp uit in de dikke duisternis, te midden waarvan zij de witte reuzengevaarten als spoken voorbij zagen, glijden. Ook werd het uitzicht belemmerd door dichte nevels, die als wolkensluiers door den wind voortgezweept en door de maan, die even boven den horizont verscheen, met een grauw en geheimzinnig licht overgoten werden. Zoodra de man, die op wacht stond, onraad meende te bespeuren, maakte hij alarm en vlogen zij allen op om aftewachten wat er komen zou. Niet zelden ging de naderende ijsberg plotseling een anderen kant op en gleed hij voorbij, maar soms bonsde hij ook tegen hun ijsveld aan zoodat de touwen van de _Schoone Zwerfster_ afknapten en de palen uit het ijs gerukt werden. Zij mochten van geluk spreken dat er niets ergers gebeurde en dat de kille bodem, waar hun wagen opstond, niet in een aantal stukken gescheurd werd.
Intusschen kwam er nog maar geen verandering in de ongewone weersgesteldheid, vroor de zee nog maar niet dicht, niettegenstaande het nu reeds in de eerste week van November was, en bleef zij hier, op enkele graden slechts beneden den poolcirkel, bevaarbaar. Zoo iets was inderdaad bijna zonder voorbeeld. Het had een geluk voor hen kunnen wezen indien de eene of andere walvischvaarder, die verhinderd was geweest de thuisreis bij tijds te aanvaarden, hen voorbij was gekomen. Dan zouden zij door fakkels, of door geweerschoten getracht hebben de aandacht der bemanning te trekken, zij hadden op het schip eene toevlucht kunnen vinden en dit zou hen in een der Amerikaansche havens, te Victoria, te San Francisco, te San Diego, of op de Siberische kust, te Petropavlovsk of te Okhotsk aan land hebben kunnen zetten. Maar er kwam geen schip te zien. Zoo ver het oog reikte, niets dan her- en derwaarts drijvende ijsbergen, niets dan de oneindige, ledige zee, wier grens alleen de onbewegelijke ijsrand in het verre Noorden zijn kon!
Eén geluk hadden zij, namelijk dat indien de lage temperatuur niet langer duurde dan bij mogelijkheid te veronderstellen was, en al moesten zij ook eenige weken achtereen drijvende blijven, zij geen gevaar liepen gebrek aan levensmiddelen te krijgen. In het vooruitzicht van een langen tocht te moeten maken door de onbewoonde vlakten van Siberië, waar geen gelegenheid bestond om voedsel te koopen, hadden zij een ruimen voorraad ingelegd vleesch, meel, rijst, vet en andere levensbehoeften medegenomen. Voor het voederen van de paarden behoefden zij zich, ongelukkig genoeg, niet ongerust meer te maken. Zelfs zou het de vraag geweest zijn, nu dit dooiweder tegen alle waarschijnlijkheid was ingetreden, of zij Vermout en Gladiator in het leven hadden kunnen houden, indien die arme beesten hun graf niet in de golven gevonden hadden.
Van den 2den tot den 6den November kwam er nog geene verandering, alleen ging de wind een weinig liggen en draaide hij gaandeweg naar het Noorden. Het was niet langer dan een paar uren op den dag licht, daarna werd het weder duister en dit maakte hunnen toestand nog vreeselijker. Sergius poogde voortdurend de richting te bepalen waarin zij zich bewogen, maar dit gelukte hem slechts ten deele en dewijl zij den weg, dien zij aflegden, dus niet op de kaart konden afzetten, wisten zij ook volstrekt niet meer waar zij zich bevonden.
Eindelijk kregen zij den 7den een vast punt in het oog, waar zij ten naasten bij aan zien konden op welke plek zij waren.
Des ochtends te elf uren, toen de bleeke zonnestralen den omtrek een weinig verlichtten, waren Sergius en Jan met Kayette naar het voorste gedeelte van hun ijsveld gegaan. Onder hunne bagage bevond zich een vrij goede verrekijker, waar Kruidnagel gewoon was aan de kermisgasten de Evennachtslijn in te vertoonen. Hiertoe was er over het groote glas een draad gespannen. Dan liet hij ook de menschen op de maan kijken, door middel van kleine vliegjes, die hij in de buis van den kijker liet zakken. Dien verrekijker had Jan zorgvuldig schoongemaakt en hij gebruikte hem nu om te zien of er in de verte niet iets te onderscheiden viel.
Bij deze gelegenheid nam hij nauwkeurig den gezichteinder op, doch hij zag niets. Op eens wees Kayette naar het Noorden en zeide:
--Kijk eens mijnheer Sergius, daar ginds meen ik iets te zien. Kan dat geen berg zijn?
--Een berg? vroeg Jan. Dat geloof ik niet. Het zal wel weder een ijsberg wezen.
Hij richtte zijnen verrekijker naar het punt waar het Indiaansche meisje heen wees.
--Ik geloof waarlijk dat Kayette gelijk heeft, zeide hij na een oogenblik gekeken te hebben.
Hij reikte den kijker aan Sergius over, die hem voor zijn oog plaatste.
--Het is zoo, bevestigde deze. Het is een tamelijk hooge berg. Kayette heeft scherper oogen dan wij.
Zij keken andermaal en kwamen tot de slotsom dat er op eenen afstand van vijf of zes mijlen in het Noorden land moest liggen.
--Een stuk land, waar zulk een hooge berg op staat, moet nog al eenige uitgestrektheid hebben, meende Jan.
--Dat houd ik er ook voor Jan, antwoordde Sergius. Wij moeten ons best doen om op de kaart te vinden wat het voor een land zijn kan, en zoo doende kunnen wij te weten komen waar wij ons bevinden.
--Als ik mij niet vergis, hernam Kayette, zie ik een rookkolom uit den berg opstijgen.
--Dan zou het een vuurspuwende berg moeten wezen, zeide Sergius.
--Ja zeker, bevestigde Jan, na opnieuw door den kijker gezien te hebben. Ik kan duidelijk den rook onderscheiden.
Het begon intusschen reeds duister te worden, zoodat zij zelfs door den kijker nauwelijks de omtrekken van den berg meer zien konden.
Een uur later, toen het daglicht nagenoeg geheel verdwenen was, zagen zij echter duidelijk een vurig schijnsel in dezelfde richting, die zij terstond aangeteekend hadden door eene streep, welke zij op de sneeuw getrokken hadden.
--Laat ons gaan zien of wij op de kaart iets wijzer kunnen worden, zeide Sergius.
Zij keerden met hun drieën naar de _Schoone Zwerfster_ terug, Jan haalde zijn atlas te voorschijn, sloeg de kaart op waar het gedeelte van de ijszee ten Noorden van de Behringstraat op stond, en nu kwamen zij spoedig te weten wat zij zochten.
Het was Sergius reeds gebleken dat de stroom, uit de Straat komende, eerst noordwaarts liep, en een vijftig mijlen meer naar buiten, noordwestelijk. Ook hadden zij bevonden dat hunne ijsschots eenige dagen lang in dezelfde richting als de stroom was voortgedreven. Zij moesten dus zoeken welk land er in het Noordwesten liggen kon. Een mijl of twintig van het vasteland stond er op de kaart een groot eiland geteekend, dat de aardrijkskundigen Wrangel-eiland noemen, doch waarvan de gedaante niet dan zeer onvolledig bekend is. Naar alle waarschijnlijkheid zou hunne ijsschots daar echter niet aanlanden, want de stroom sleepte hen voort in den breeden zeearm, die tusschen het eiland en de Siberische kust doorloopt.
Sergius hield zich stellig overtuigd dat het land, dat zij zagen, Wrangel-eiland moest zijn. Van de zuidkust van dit eiland steken twee punten uit, kaap Hawan en kaap Thomas, en een vuurspuwende berg, die altijd in werking is en op de nieuwste kaarten aangeteekend staat, verheft zich midden op het eiland. Dit moest de vulkaan wezen die Kayette het eerst in het oog gekregen had en waarvan zij in de duisternis het vurige schijnsel onderscheidden.
Nu zij dit wisten, viel het hun niet moeilijk den weg te bepalen dien de ijsschots, na de Behringstraat uitgedreven te zijn, had afgelegd. Eerst waren zij de kust rond en kaap Serdtse-Kamen rondgevoerd, vervolgens voorbij Kolioutchine-baai, het voorgebergte Wankarem en de Noordkaap, en eindelijk waren zij de Long-straat ingestevend, die Wrangel-eiland en de kust van het Tchouktchi-land van elkaar scheidt.
Welken kant hun ijsveld op zou gaan nadat het door den stroom de Longstraat weder uitgedreven was, konden zij bij geen mogelijkheid vooruit weten. Sergius wist, en het maakte hem niet weinig ongerust, dat er in het Noorden geen ander land meer op de kaart vermeld staat en dat de grens der ijszee gevormd wordt door het onmetelijke ijsveld, dat nimmer losraakt en te midden waarvan de Noordpool gelegen is.
De eenige kans op redding die hun scheen overteblijven, was als het veel kouder werd en de geheele zee dientengevolge dichtvroor. Het kon niet lang meer duren of dit moest gebeuren, want in gewone omstandigheden zou het reeds sedert ettelijke weken geschied zijn. Vóór dat zij aan den rand van het vaste ijsveld gekomen waren zou hunne schots dan tot stilstand komen, en over de achter hen gevormde ijsvlakte zouden zij in zuidelijke richting moeten trachten het vasteland weder te bereiken. Dit zou echter niet anders te doen zijn dan door de _Schoone Zwerfster_ in den steek te laten, en het was bijna iets onmogelijks, zonder eenig onderkomen, dien langen tocht over het ijs afteleggen.
De wind bleef immer Oost, maar ofschoon het geen storm meer was, woei het nog hard. Door de windvlagen opgezweept, kwamen aanhoudend de woeste golven op hun ijsveld breken, zoodat de buitenste rand voortdurend een weinig afbrokkelde. Dit had echter niet veel te beteekenen, maar het zeewater, stuitende op het ijs, vloog er overheen en overdekte het, even als de golven over het dek van een lenzend schip vliegen. Dit ging met zulke schokken gepaard dat het ijsveld tot op het dikste gedeelte er van dreunde en kraakte, en het telkens scheen alsof het in stukken zou breken. Die stortzeeën kwamen tot in de onmiddellijke nabijheid van de _Schoone Zwerfster_ en dreigden den wagen, met alles wat er zich in of bij bevond, voort te sleuren.
Om dit te voorkomen moesten er weder voorzorgen genomen worden. Sergius gaf het denkbeeld aan de hand om de sneeuw, die sedert het begin van November in groote massa's gevallen was, op te hoopen tot eene soort van dijk aan den achterkant van het ijsveld, waar de golven het meest van daan kwamen. Allen togen aan het werk om dit tot stand te brengen. De sneeuw werd stevig aangestampt en opgestapeld tot eene hoogte van een voet of vier vijf. Zoodoende maakten zij eenen muur van eenige voeten dikte, die eene borstwering vormde waar de golven niet overheen konden, zoodat alleen het opspattende schuim nog nu en dan den wagen overdekte. Op dezelfde manier wordt aan den achtersteven van een lenzend schip dikwijls eene nood-verschansing gemaakt om de stortzeeën af te weren.
Terwijl zij aan dit werk bezig waren, gooiden Sander en Napoleona elkander dikwijls met sneeuwballen, waarbij zij Kruidnagel's rug nog al eens tot mikpunt kozen. Voor zulk een kinderspel was het eigenlijk nu geen geschikte gelegenheid, maar Cascabel liet hen begaan, tot op zekeren dag toen een sneeuwbal, die niet goed gemikt werd, bij ongeluk op Sergius' hoed terechtkwam.
--Wie is de stommerik die dat doet? riep Cesar.
--Ik heb het gedaan vader, antwoordde Napoleona heelemaal ontdaan over hare onhandigheid.
--Nu, dan ben jij de stommerik, zeide Cascabel. Mijnheer Sergius, gij moet het die ondeugende meid niet kwalijk nemen.
--Wel, het komt er niets op aan, antwoordde Sergius. Laat zij het maar komen afzoenen, dan is het alsof er niets gebeurd is.
Zoo geschiedde het en daarmede was het uit.
Zij hadden nu eenen dijk aan den achterkant van het ijsveld opgeworpen, maar voltooiden dien vervolgens in alle richtingen, zoodat de _Schoone Zwerfster_ omgeven werd met eene soort van ijsdam, waardoor de wagen van alle kanten beschut stond. De wielen waren tot aan de assen in de sneeuw bedolven en voor omvallen bestond dus geen gevaar meer. Tusschen de borstwering en den wagen lieten zij een nauwe gang open, zoodat er eene kleine ruimte vrij bleef om te loopen. Het leek nu een schip, dat te midden van ijsbergen overwintert en waarvan de buitenkant door eene dikke sneeuwlaag tegen de koude en de stormvlagen beschut wordt. Zoo lang de ijsschots zelve niet begon te zinken, liepen de schipbreukelingen dus geen gevaar meer om door de golven weggesleurd te worden, en dank zij deze voorzorgen konden zij het tijdstip afwachten dat de vorst weder zou intreden, hetgeen in de poolstreken toch altijd eenmaal, en dan voor geruimen tijd, gebeurt.
Maar als dit oogenblik aanbrak, dan zouden zij hunne schuilplaats verlaten moeten om het land weder optezoeken. Het huis op wielen, dat zijnen bewoners in alle gewesten van de Nieuwe Wereld eene veilige woonstede geweest was, zouden zij, tusschen het ijs en de sneeuw bekneld, moeten achterlaten. Als de zomer weer aanbrak en het ijs in de poolzee begon te smelten, zou de _Schoone Zwerfster_ dieper en dieper in de weeke massa bedolven raken om eindelijk door de golven verzwolgen te worden!
Als Cascabel hieraan begon te denken, hoe geneigd hij ook anders was om van alle dingen den goeden kant te zien, rukte hij zich de haren van wanhoop uit het hoofd en verwenschte hij het ongeluk dat hem vervolgde. Hij gaf er zichzelven de schuld van en vergat dat alles alleen het gevolg was van de schurkenstreek waardoor hij in den bergpas der Sierra Nevada van zijne spaarpenningen beroofd was. De schavuiten die dat gedaan hadden, waren verantwoordelijk voor al het kwaad dat uit hunne schelmerij voortvloeide.
Het baatte niet of de moedige Cornelia haar best deed om haren man optebeuren, eerst door vriendelijke woorden en later door hem hard toetespreken, in de hoop dat hij, door zich driftig te maken, zijne oude geestkracht terug zou krijgen. Het hielp niet of zijne kinderen en zelfs Kruidnagel hem zeiden dat zij even goed als hij verantwoordelijk waren voor hetgeen zij gezamenlijk besloten en gedaan hadden. De reis was immers, zeiden zij, ondernomen, met aller goedvinden. Ook Sergius en Kayette, het "kwakkeltje" zooals Cascabel haar bleef noemen, voegden zich bij de anderen om hem moed in te spreken. Hij wilde naar geen rede luisteren.
--Zijt ge dan geen man meer? vroeg Cornelia hem op zekeren dag, waarbij zij hem bij den arm greep en terdege heen en weer schudde.
--Zeker ben ik niet zooveel mans als jij, antwoordde Cesar mismoedig en schoof weer in zijnen hoek, waar deze ontboezeming zijner wederhelft hem uit te voorschijn gehaald had.
De waarheid was echter dat moeder Cascabel even weinig op haar gemak was als haar man; maar zij begreep beter dan iemand anders hoe noodzakelijk het was het hoofd van het gezin, die altijd zoo blijmoedig den tegenspoed weerstaan had, uit zijne neerslachtigheid optewekken.
Sergius begon zich langzamerhand ook ongerust te maken over het proviand. Zij moesten niet alleen te eten hebben tot op het oogenblik dat zij hunnen tocht over de ijsvlakte zouden aanvangen, maar ook tot op den dag dat de karavaan op de Siberische kust kon aanlanden. Op de jacht viel in het geheel niet te rekenen, want de zeevogels, die te midden der ondoordringbare nevels nog over hunne hoofden vlogen, werden hoe langer hoe zeldzamer. Het werd dus noodzakelijk geacht allen op rantsoen te stellen, teneinde op den langdurigen tocht, dien zij nog te doen konden hebben, voorbereid te wezen.
Onder deze omstandigheden kwam de ijsschots, waarop zij dreven, altijd door den stroom voortgesleept wordende, op de hoogte van de Ayo-eilanden, die tegenover de noordkust van Azië gelegen zijn.
IV.
VAN DEN 16DEN NOVEMBER TOT DEN 2DEN DECEMBER.
Alleen op grond van eene gissing, geloofde Sergius deze eilandengroep te onderkennen. In verband met zijne waarnemingen, had hij zijn best gedaan om te berekenen hoeveel zij afdreven, hetgeen gemiddeld ongeveer vijftien mijlen in het etmaal wezen kon.
De Ayo-archipel, dien zij echter niet in het gezicht kregen, ligt volgens de kaart op 150° lengte en 75° breedte en derhalve op ongeveer honderd mijlen afstands van de kust.
Sergius vergiste zich in zijne berekening niet. Den 16den November kwam het ijsveld zuidelijk van deze eilandengroep, maar op welk eenen afstand wist hij niet te bepalen. Al had hij de instrumenten tot zijne beschikking gehad die op zee gebruikt worden om de vaart van schepen op de kaart af te zetten, had hij daarmede toch nog niets kunnen aanvangen, want de zon vertoonde zich slechts gedurende enkele minuten tusschen de nevelen die de kim bedekten. Daarop kon dus geene lengte- of breedtebepaling gedaan worden. Zij waren nu voorgoed in den nimmer eindigenden nacht der poollanden gekomen.
Het weder bleef even onaangenaam, al begon het ook langzamerhand kouder te worden. Het kwik in de thermometerbuis schommelde een weinig boven het vriespunt op en neer. Dit was nog lang niet voldoende om de ijsklompen, die op den zeespiegel drijvende waren, aan elkander te doen vriezen. Nog altijd ontmoette hunne ijsschots dus nog geen hinderpaal op haren zwerftocht over den oceaan.
Alleen vertoonden er zich tusschen de inkepingen aan den rand der schots van die ijsvliezen, welke baai-ijs genoemd worden door de strandbewoners, die daarin een voorteeken zien van de in aantocht zijnde harde vorst. Sergius en Jan gaven nauwkeurig acht op dit verschijnsel, dat binnen korter of langer tijd de geheele oppervlakte der zee met eene dunne ijslaag overdekken moest. Kwam het zoo ver, dan zou het ijs-seizoen voorgoed zijn ingetreden en kwam er ook, als men het zoo noemen wil, eene verandering "ten goede" in den toestand onzer schipbreukelingen. Zij verlangden er ten minste naar.
In de tweede helft van November sneeuwde het bijna aanhoudend en met dichte vlokken, die door den wind bijna evenwijdig met de zee voortgedreven, in dichte hoopen zich opstapelden tegen en op den rondom de _Schoone Zwerfster_ opgeworpen muur. Deze werd dientengevolge aanmerkelijk hooger.
Dit leverde echter geen bezwaar op en zelfs gaf het eene betere beschutting voor de koude, wat een niet te versmaden voorrecht was. Cornelia kon nu zuiniger met hare brandstoffen omgaan en die alleen gebruiken om te koken. Zij had hier al meermalen ernstig over nagedacht, want wat zouden zij moeten beginnen als hun voorraad opraakte?
Gelukkig ondervonden zij binnen den reiswagen nog weinig last van koude, want de thermometer bleef daar een graad of drie, vier boven het vriespunt. Naarmate de _Schoone Zwerfster_ meer onder de sneeuw bedolven raakte, werd het binnen zelfs warmer. Wat zij dus nu te vreezen hadden was niet de koude, maar veeleer gebrek aan lucht, wanneer alle openingen verstopt mochten raken.
Teneinde dit te voorkomen, moest de sneeuw gedeeltelijk weggeruimd worden en van dezen vermoeienden arbeid kregen zij allen weder hunne portie.
Zij begonnen met de gang vrij te maken die binnen de borstwering rondom den wagen opengehouden was, vervolgens maakten zij eenen uitgang door den muur naar buiten, waarbij zorg gedragen werd dat deze naar het Westen zich opende zoodat de sneeuw, die met den oostenwind werd aangevoerd, het gat niet weder dicht kon maken.
Indien zij echter meenden dit gevaar te boven te zijn, rekenden zij buiten den waard. Dit zou spoedig daarna blijken.
De schipbreukelingen verlieten nu evenmin gedurende den dag als bij nacht de kamertjes in den wagen, waar zij veilig beschut zaten tegen den wind zoowel als tegen de koude, die buiten langzamerhand vinniger begon te worden, Sergius en Jan deden hunne waarnemingen op de weinige oogenblikken waarin de zwakke zonnestralen de omgeving eenigszins verhelderden. Tot het tijdstip van den zonnestilstand, op den 21sten December, zou de zon nog steeds lager boven de kim zich verheffen. Voortdurend zagen zij te vergeefs uit naar den een of anderen walvischvaarder, die zij hoopten dat hier mocht overwinteren, of die in de nabijheid van de Behringstraat eene schuilplaats kwam zoeken. Iederen dag vonden zij zich opnieuw teleurgesteld in de hoop dat hunne ijsschots eindelijk vast zou raken aan een grooter ijsveld, waarover zij den vasten wal van Siberië konden bereiken. Mistroostig gingen zij, als hunne waarnemingen afgeloopen waren, naar binnen en poogden zij op de kaart de richting aftezetten waarheen zij gevoerd waren.
Wij hebben reeds opgemerkt dat Sergius en Jan op de jacht geen enkel stuk eetbaar wild meester hadden kunnen worden, van het oogenblik af dat zij Port-Clarence verlaten hadden. Cornelia zou niets hebben kunnen aanvangen met zeevogels, die door hun traanachtigen smaak oneetbaar zijn en door geene kookkunst smakelijk zijn te maken. Ptarmigans en petrels zijn geen schot kruit waard en Jan begreep wijselijk dat hij zijnen voorraad beter kon gebruiken dan het op deze onsmakelijke beesten te verschieten.
Zoo dikwijls hij echter buiten den wagen noodig had, nam hij, uit gewoonte, zijn geweer mede. Op den middag van den 26sten November vond hij werkelijk gelegenheid het te gebruiken. Buiten den wagen hoorden zij een schot vallen en bijna op hetzelfde oogenblik riep Jan met luider stem om hulp.
Dit was iets heel ongewoons en zelfs eene reden tot ongerustheid. Zonder dralen snelden Cascabel, Sander, Kruidnagel en Sergius, door de honden gevolgd, naar buiten.
--Hierheen, hierheen! riep Jan.
Al roepende liep hij heen en weder, als of hij wilde beletten dat zijne prooi hem ontsnapte.
--Wat is er gaande? vroeg Cascabel.
--Ik heb een rob aangeschoten en als wij niet oppassen ontsnapt hij ons en zwemt weg.
Het was een groot dier, dat Jan in de borst getroffen had. Het bloed stroomde uit de wonde over de sneeuw. Als Sergius en de anderen niet waren komen opdagen, zou de rob zeker ontglipt zijn. Kruidnagel ging het beest dapper te lijf, dat met eenen slag van zijn staart Sander reeds onderste boven had doen tuimelen. Niet zonder moeite hielden zij het in bedwang en Jan verbrijzelde het met eenen kolfslag de hersenpan.
Voor de algemeene tafel in de _Schoone Zwerfster_ had dit gerecht niet veel waarde, maar Wagram en Marengo konden zich geruimen tijd aan het vleesch te goed doen. Hadden de twee honden kunnen spreken, dan zouden zij Jan zeker bedankt hebben voor de tractatie die hij hen bezorgde.
--Hoe of het eigenlijk komt dat beesten niet praten kunnen? vroeg Cascabel bij deze gelegenheid, toen zij allen weder bij het keukenfornuis gezeten waren.
--Dat komt eenvoudig hier vandaan, antwoordde Sergius, dat zij geen verstand genoeg hebben om te spreken.
--Gelooft gij dan, zeide Jan, dat de gave van te kunnen spreken het gevolg is van eene zekere hoeveelheid verstand?
--Zonder eenigen twijfel, althans bij de hoogere dieren. Een hond, bij voorbeeld, heeft eene keel die juist zoo gevormd is als de keel van een mensch en hij zou even goed kunnen praten als deze. Dat hij het niet doet is alleen het gevolg hiervan, dat zijn denkvermogen niet genoeg ontwikkeld is om zijne gedachten in woorden uittedrukken.
Deze bewering van Sergius is niet boven twijfel verheven, maar er zijn toch geleerden die hetzelfde volhouden.