Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 3

Chapter 33,991 wordsPublic domain

De paarden werden aangespannen, de vrouwelijke passagiers gingen weder naar binnen en de mannen, tot tegenweer gereed, vatten post aan weerszijden van den wagen die door de paarden in de richting van het Westen voortgetrokken werd.

Het was zoo donker dat de lantarens ternauwernood een pas of twintig voor hen uit een weinig licht verspreidden. De harde wind was in een hevigen storm veranderd. Er viel geen sneeuw, wel dwarrelden er eenige vlokken door de lucht, maar die werden door den wind van het ijsveld opgejaagd.

Dit alles zou nog zoo erg niet geweest zijn indien de ijsvlakte maar stevig geweest was, maar dit liet veel te wenschen over. Zij hoorden het ijs onophoudelijk kraken, het werd in groote brokken gescheurd, die ieder op zichzelf een klein ijsveld vormden, en overal kwamen barsten waar het zeewater met stralen doorheen spoot.

Een uur lang reed de karavaan zoo voort, terwijl zij ieder oogenblik vreesden dat de bodem onder hunne voeten weg zou zinken. Het was niet mogelijk eene bepaalde richting te volgen, ofschoon Jan zijn uiterste best deed om op het kompas eenigermate koers te houden. Intusschen kwam dit er nu zooveel niet meer op aan als toen zij het kleine Diomedes zochten, dat zij in het Noorden of in het Zuiden gemakkelijk voorbij hadden kunnen rijden zonder het te zien. Zoolang zij ongeveer in Westelijke richting voorwaarts gingen konden zij de Siberische kust niet missen, want deze strekte zich over eene lengte van meer dan tien mijlen over het grootste gedeelte van den horizont uit.

De vraag was alleen maar: zouden zij er ooit komen. Zou de _Schoone Zwerfster_ niet, lang vóór dat zij het zoo ver gebracht had, in de diepe wateren van de Behringstraat verdwenen zijn!

Dit was een verschrikkelijk gevaar, maar het was nog niet het eenige. De wind kwam uit het zuidoosten recht tegen den wagen aangieren, zoodat er ieder oogenblik gevaar bestond dat het rijtuig onderste boven zou tuimelen. Reeds hadden zij Cornelia, Napoleona en Kayette naar buiten doen komen. Sergius met Cascabel, Jan, Sander en Kruidnagel klemden zich aan de wielen vast en spanden hunne uiterste krachten in om den wagen tegen den wind in overeind te houden. Natuurlijk kwamen de paarden bijna niet van hunne plaats, terwijl de grond als het ware van onder hunne voeten wegliep.

Omstreeks halfzes des morgens van den 26sten October, te midden eener ondoordringbare duisternis, waren zij eindelijk genoodzaakt midden op het ijs de _Schoone Zwerfster_ te doen stilstaan. De paarden konden geen stap meer doen. Het ijsveld golfde onophoudelijk, in beweging gebracht door eene zware deining, die uit de Behringzee kwam en de Straat, ware zij niet met ijs bedekt geweest, in eene onstuimig door elkander woelende watervlakte veranderd zou hebben.

--Wat zullen wij beginnen? vroeg Jan.

--Wij moeten zien dat wij op het eiland terugkomen, riep Cornelia, die niet meer in staat was Napoleona tot bedaren te brengen.

--Dat kan nu niet meer, zeide Sergius.

--Waarom niet? vroeg Cascabel. Ik vecht nog liever tegen robben dan tegen dit stormweer.

--Ik herhaal dat het niet mogelijk is, verzekerde Sergius op nieuw. Wij kunnen niet tegen den wind in, de wagen zou daar stellig niet tegen bestand zijn. Hij zou òf in stukken gaan òf door den storm achteruit gejaagd worden.

--Als wij maar niet genoodzaakt worden de _Schoone Zwerfster_ aan haar lot over te laten! zeide Jan.

--Wat, die hier op het ijs laten? hernam Cascabel. Wat moet er van ons worden als wij ons huis op wielen niet meer hebben?

--Wij zullen het uiterste doen om het zoo ver niet te laten komen, antwoordde Sergius. De wagen is ons eenige behoud en wij moeten hem tot elken prijs zien te redden.

--Er valt dus niet meer aan te denken om naar Diomedes terugtekeeren? vroeg Cascabel andermaal.

--Onmogelijk, herhaalde Sergius. Wij moeten vooruit zien te komen. Laat ons moed vatten en bedaard trachten te blijven, dan zullen wij Numana nog wel halen.

Deze woorden gaven allen weder eenige hoop. Het was maar al te duidelijk dat er geen sprake kon zijn van naar het eiland terug te keeren. De wind blies zoo fel uit het zuidoosten dat menschen noch paarden in staat waren daar tegen in te gaan. Evenmin kon de _Schoone Zwerfster_ op dezelfde plaats blijven, want alle pogingen om den wagen overeind te houden tegenover zulk eenen wind, konden op den duur niet beletten dat hij om zou slaan.

Het was nu een uur of tien en dag geworden, als men ten minste eene grauwe nevelige schemering daglicht noemen mocht. Laaghangende wolken joegen in wilde vaart over de gure ijsvlakte. De wind deed niet alleen de losse sneeuw opstuiven, maar kleine stukjes ijs vlogen als scherpe hagelsteenen rond. In anderhalf uur tijds kwamen zij nauwelijks eene halve mijl vooruit; alles werkte tegen; ieder oogenblik stieten zij op waterplassen die zich te midden van het ijs gevormd hadden en op schotsen welke op elkander gekruid waren. De uit de open zee komende deining bracht het ijsveld aanhoudend in beweging, met harde schokken, zoodat het leek alsof zij zich op een slingerend schip in eene moeielijke zee bevonden.

Te kwart vóór eenen ongeveer kwam er een schok, harder dan een van de vorigen. Rondom den wagen barstte het ijs in alle richtingen, tot een heel eind van hen af. Vlak vóór de voeten van de paarden opende zich eene scheur van wel dertig voet breedte.

Sergius gaf een schreeuw. Eenige schreden van deze opening af bleven allen stilstaan.

--Pas op voor de paarden! riep Jan. Vader, wij moeten de paarden zien te redden!

Helaas, het was te laat! Het ijs brak af en de arme beesten verdwenen in de diepte. Gelukkig dat de trektouwen afbraken, anders ware de _Schoone Zwerfster_ op hetzelfde oogenblik in de scheur gestort.

--Mijn arme paarden! riep Cascabel wanhopig uit.

De trouwe dieren, die hen zoovele jaren overal heen vergezeld hadden, die hen zooveel diensten bewezen en al hunne lotswisselingen gedeeld hadden, waren door de zee verzwolgen! Niemand van het gezin kon zijne tranen bedwingen bij dit rampzalig verlies.

--Achteruit, achteruit! riep Sergius.

Met inspanning van alle krachten slaagden zij er in den wagen van den rand der scheur, die hoe langer hoe wijder werd door het op en neer gaan van het ijs, terug te trekken. Een pas of twintig meer naar achteren kwamen zij weder op eenigszins vasteren bodem.

Daar waren zij voor het oogenblik betrekkelijk in veiligheid, maar wat nu te beginnen? De _Schoone Zwerfster_ midden op het ijs laten staan, naar Numana den tocht voortzetten en van daar met een span rendieren den wagen terug zien te krijgen? Er scheen niets anders op te zitten, maar het was bijna niet te doen!

Op eens riep Jan verschrikt: Mijnheer Sergius, kijk toch eens! ....kijk eens, wij drijven af!

--Drijven wij af, zegt ge?

Het was maar al te waar!

Er viel niet meer aan te twijfelen. Het ijs was overal in de Straat losgeraakt en tusschen de beide kusten aan het drijven. Tengevolge van de harde windstooten was het ijsveld, dat door de lage temperatuur week was geworden en nergens meer stevig aan elkander hield, in alle richtingen gescheurd en in stukken gebroken. In het Noorden waren groote open vakken gekomen, daar dreven de schotsen heen en stapelden ze zich op de eene plaats opeen, terwijl ze op de andere onder het ijs schoten. Hierdoor kreeg het stuk, waar de _Schoone Zwerfster_ op stond, ruimte en begon het, door den harden wind in beweging gebracht, te drijven. Aan eenige op eenen afstand staande ijsklompen, die nog niet in beweging waren, konden zij duidelijk zien dat zij van plaats veranderden.

Hun toestand die reeds zoo moeielijk was, werd nu nog veel gevaarlijker. Al lieten zij den wagen in den steek, dan konden zij nog bij geen mogelijkheid te Numana komen. Er waren nu geen scheuren meer die zij om konden trekken, maar groote wakken, waar zij onmogelijk over konden en die onophoudelijk, tengevolge der zware deining, van richting veranderden. De groote schots, waar zij op stonden, werd aan alle kanten door de zee gebeukt en nu her- dan derwaarts voortgeschoven. Hoe lang zou het nog duren, dat dit brok in kleinere stukken gescheurd werd?

Er scheen geen kans op redding meer. Zij konden niet vooruit, zoo min naar den kant van de Siberische kust als ergens anders heen. Het ijsveld zou blijven drijven zoo lang het nog heel was en misschien zou het pas tot staan komen wanneer het stuitte tegen de onverwrikbare ijsmassa, ver in het noorden, waar het poolijs nimmer loslaat of van plaats verandert.

De mist werd hoe langer hoe dikker, het werd steeds duisterder en tegen twee uur 's middags konden zij nog slechts enkele schreden voor zich uitzien. Zij stonden allen tegen den wagen en deden hun best om zich zoo goed mogelijk voor den wind te beschutten, terwijl zij, zonder een woord te spreken, angstig naar het noorden blikten. Niemand durfde raad te geven, want niemand zag een uitweg. Cornelia, Kayette en Napoleona stonden, in pelzen gewikkeld, dicht tegen elkander aan. Sander was meer verbaasd dan bang; onwillekeurig floot hij een deuntje. Kruidnagel was in den wagen bezig met de voorwerpen, die door den schok van hunne plaats geraakt waren, weder terecht te zetten. Sergius en Jan hadden hunne bedaardheid teruggekregen, maar met Cascabel was dit niet het geval. Bitter verweet hij zich thans dat hij allen die hem dierbaar waren, aan zulke gevaren blootgesteld bad.

Intusschen trachtten zij zich rekenschap te geven van hunnen toestand. Wij hebben reeds vroeger uiteengezet dat er twee stroomen in tegenovergestelde richting door de Behringstraat loopen, de een naar het Zuiden, de ander naar het Noorden. De eerste is naar het schiereiland Kamschatka, de tweede naar het Behring-eiland gericht. Kwam de schots, waarop zij ronddreven, in den zuidelijken stroom, dan kon het niet anders of zij moest dien kant op en bestond er kans dat zij op de kust van Siberië terecht kwamen. Geraakten zij echter in den stroom naar het Noorden, dan dreven zij hoogstwaarschijnlijk de IJszee in, waar geen vasteland of eilandengroep hunne vaart kon stuiten.

De storm werd hoe langer hoe heviger en ongelukkig genoeg draaide hij meer en meer naar het Zuiden. De trechter, die door het land aan weerszijden gevormd wordt, trok de wind als het ware naar zich toe, zoodat het een ware orkaan werd die telkens van richting scheen te veranderen.

Sergius en Jan deden echter hun best om de windrichting te bepalen, maar voor zoover hun dit gelukte kwamen zij tot de slotsom dat er weinig kans voor hen overbleef om door den stroom naar Kamschatka gezet te worden. Het kompas deed duidelijk genoeg zien dat hunne schots naar het Noorden dreef. Misschien kon zij nog terechtkomen op Prins-van-Wales-land, dat is op de kust van Alaska, niet ver van Port-Clarence, maar op zulk een gelukkigen afloop mochten zij nauwelijks rekenen. Tusschen de Oostkaap en kaap Prins-van-Wales is de opening van de straat zóó wijd, dat het bijna niet denkbaar was dat zij tegen de Amerikaansche kust zouden blijven vastzitten.

Zij konden zich op hunne schots bijna niet meer staande houden; de wind blies zoo fel dat het een wonder was zoo er nog iets overeind bleef. Jan, die een weinig naar achteren gegaan was om te zien of het ijs onder het beuken der golven nog meer afbrokkelde, werd onderste boven geworpen en zou, als Sergius hem niet bijtijds gegrepen had, in zee gevallen zijn.

Het was een vreeselijke nacht dien de ongelukkige zwervers doorbrachten. Zij konden nu met recht schipbreukelingen genoemd worden. Ieder oogenblik was er een nieuwe schrik. Er kwamen drijvende ijsbergen in den weg, die tegen hunne schots aanbonsden met een donderend gekraak en eene dreuning alsof het stuk ijs in splinters zou vliegen. Stortzeeën kwamen er overheen en overstelpten het, als moest het voorgoed in de diepte verdwijnen. Het zeewater vloog, door den wind opgejaagd, als stof door de lucht en maakte hen doornat; de koude drong door tot op hun gebeente. In den wagen was het droog, maar de stormvlagen deden het rijtuig trillen en waggelen, zoodat Sergius noch Cascabel het raadzaam vonden de vrouwen naar binnen te laten gaan.

Langzaam kropen de uren voorbij. De open vakken werden hoe langer hoe grooter en zij dreven nu met minder schokken voort. Het kon zijn dat hunne schots reeds in het wijdste gedeelte van de Straat gekomen was, dat eenige mijlen verder in de opene IJszee overgaat. Misschien bevonden zij zich reeds noordelijker dan de poolcirkel. De stroom, die uit de straat loopt, had hen dan voorgoed beet, en die welke hen naar Kamschatka voeren kon, lag reeds buiten hun bereik. Werden zij niet gestuit door de Amerikaansche kust, wat bijna niet te denken was, dan konden zij nergens anders meer terecht komen dan op het vaste ijsveld in het verre Noorden.

De dag scheen weinig goeds te kunnen brengen en toch verlangden zij allen naar het flauwe daglicht. Dan hoopten zij hunnen toestand een weinig duidelijker te kunnen overzien. De ongelukkige vrouwen stonden te bidden. Zij begrepen dat er geen andere hulp meer te wachten was dan van Gods goedheid.

Eindelijk brak de dag aan. Het was de 27ste October. Maar de storm werd er niet minder op. Zelfs scheen het alsof de wind, nu de zon boven den horizont stond, nog heviger werd.

Met het kompas in de hand keken Sergius en Jan naar alle richtingen uit, maar tevergeefs zagen zij naar het Oosten en naar het Westen, nergens was land te ontdekken.

Het was maar al te duidelijk. Door den stroom uit de Behringstraat gejaagd, dreef de ijsschots recht naar het Noorden.

Wij behoeven niet te zeggen dat de harde storm, welke in dezen tijd van het jaar iets ongewoons was, te Port-Clarence groote ongerustheid had doen ontstaan over het lot der reizigers. Maar de bewoners dezer plaats waren niet in staat hen te hulp te komen, want zij konden tengevolge van het losraken van het ijs hen niet genaken.

Te Numana was dit ook het geval. De beide russische politiebeambten, die twee dagen vroeger den overtocht gemaakt hadden, hadden daar verteld dat de _Schoone Zwerfster_ in aantocht was. Deze twee maakten zich echter niet ongerust uit vriendschap voor onze zwervers. Zij stonden op den loer om zoodra graaf Narkine den voet op den Siberischen wal zette, hem gevangen te nemen. Zooals de zaken nu stonden, moesten zij het er echter voor houden dat hunne prooi hen ontsnapt en de balling tegelijk met de familie Cascabel omgekomen was.

Drie dagen later scheen dit vermoeden bevestigd te worden toen er in een kleinen inham van de kust twee doode paarden kwamen aanspoelen. Dat waren Vermout en Gladiator, het tweespan van het kunstenmakersrijtuig.

--Een geluk is het, zeide een van de politiemannen, dat wij een weinig vroeger dan onze man de Straat zijn overgestoken.

--Een geluk bij een ongeluk, antwoordde de ander. Want het blijft jammer dat hij ons ontgaan is.

III.

DRIJVENDE.

Men weet thans hoe op den ochtend van den 27ste October de toestand van onze schipbreukelingen was. Alle kans dat het nog goed met hen af kon loopen, scheen verloren; zij konden zich niet vleien met de flauwste hoop. Eenmaal aan het drijven in de Behringstraat, hadden zij alleen door den zuidelijken stroom naar binnen gezet en op de aziatische kust gevoerd kunnen worden. Maar de stroom naar het Noorden had hen in zijne ijzeren vuist en sleepte hen de Straat uit.

Hoe moest het met het groote brok ijs, waarop zij zich bevonden, in de IJszee gaan? Het kon smelten en in stukken breken; het kon ook heel blijven. Zou het in dat geval aan het eene of andere strand in de Poolzee terecht komen? De wind was nu naar het Oosten gedraaid. Zou die hen nog eenige honderden mijlen verder doen drijven, om hen ten laatste misschien te doen stranden op de klippen die Spitsbergen of Nova-Zembla omringen? Gebeurde dit, welke ontzettende vermoeienissen stonden hen dan niet te wachten, en bestond er wel eenige kans om weder van die eilanden af en op den vasten wal te komen?

Over al deze gebeurlijkheden peinsde Sergius, en terwijl hij onafgebroken den blik gevestigd hield op den in nevelen gehulden gezichteinder, praatte hij er over met Cascabel en Jan.

--Wij mogen ons niet ontveinzen, zeide hij, dat wij van gevaren omringd zijn. Ieder oogenblik kan deze schots in stukken breken, en gelegenheid om er af te komen hebben wij niet.

--Is dat het ergste wat ons op het oogenblik gebeuren kan? vroeg Cascabel.

--Voor zoover ik er over oordeelen kan, ja, antwoordde Sergius. Begint het eenmaal weder te vriezen, dan wordt het gevaar minder en kan het eindelijk geheel verdwijnen. In dezen tijd van het jaar en op de breedte waar wij ons bevinden, is het ondenkbaar dat het zachte weder, wat wij nu hebben, langer dan enkele dagen aanhoudt.

--Dat houd ik er ook voor, mijnheer Sergius, zeide Jan. Aangenomen echter dat de ijsschots heel blijft, waar drijven wij dan heen?

--Het zou mij verwonderen als dat heel ver was en als wij niet betrekkelijk spoedig aan een grooter ijsveld vastgevroren raakten. Ligt de zee eenmaal weder voorgoed dicht, dan moeten wij beproeven naar het vasteland terug te keeren en onze voorgenomen reis hervatten.

--Maar hoe moeten wij dat aanleggen, nu wij geen paarden meer hebben? riep Cascabel uit. Mijne arme beesten, dat ik die zoo moest kwijt raken! Mijnheer Sergius, die brave dieren waren vrienden van ons en nu zijn ze door mijne schuld......

Cascabel kon niet verder spreken; de smart overmande hem. Hij verweet zich dat hij deze ramp op zijn geweten had. Wat was dat ook voor een onzinnig plan, met een wagen en een span paarden een stuk zee over te steken! Het verdriet over zijn verlies maakte dat hij niet eens dacht aan al de zwarigheid, welke er het gevolg van wezen kon.

--Het is zeker een onherstelbare ramp, dat ons dit onder deze omstandigheden overkomen is, stemde Sergius toe. Wij mannen kunnen misschien de vermoeienissen en ontberingen, welke ons te wachten staan, nog uithouden, maar de vrouwen die wij bij ons hebben, moeder Cascabel, Kayette, Napoleona, kinderen als zij zijn, wat moeten wij met haar beginnen als wij de _Schoone Zwerfster_ in den steek laten.....

--Wat zegt ge? In den steek laten?

--Dat zal wel moeten, vader, zeide Jan.

--Helaas, zuchtte Cascabel, terwijl hij wanhopig zijne handen ten hemel hief, ik zie nu hoe roekeloos ik geweest ben met deze reis te ondernemen! Dit was zeker de manier niet om naar Europa terugtekeeren.

--Toch moet gij den moed niet verliezen, mijn vriend, trachtte Sergius hem te troosten. Het gevaar onder de oogen te zien zonder er ons vrees door aan te laten jagen, is de beste weg om er aan te ontkomen.

--Komaan vader, hernam Jan, gedane zaken nemen geen keer, wat wij gedaan hebben is met ons aller goedvinden geschied. Geef uzelven dus de schuld niet dat gij meer gewaagd hebt dan gij wagen mocht en toon dat gij nog dezelfde man zijt als vroeger.

Maar al deze redenen baatten niets. Cascabel was door het ongeluk overmand. Zijn zelfvertrouwen, de wijsgeerige kalmte waarmede hij gewoon was de wereldsche dingen optenemen, het was alles verdwenen.

Intusschen deed Sergius zijn best om te weten te komen in welke richting de stroom hen voortdreef. Alle middelen die hij tot zijne beschikking had, gebruikte hij; met behulp van het kompas trachtte hij, door sommige vaste punten, die hij meende te onderscheiden, hunne vaart te bepalen. De weinige uren dat het een weinig licht was, besteedde hij met deze waarnemingen.

Gemakkelijk ging dit niet, want alles wat hij als een vast punt gebruiken wilde, veranderde onophoudelijk van plaats. Buiten de Behringstraat scheen de zee over eene groote uitgestrektheid open te liggen. Het bleek nu duidelijk dat bij de ongewoon lage temperatuur het ijsveld nog in het geheel niet over zijne volle breedte vastgevroren was geweest. Het had alleen gedurende eenige dagen zoo geschenen, toen de menigte losse stukken ijs, die door de twee tegen elkander inloopende stroomen uit het Noorden en uit het Zuiden in de nauwe zeeëngte gedreven waren, tegen elkaar geklemd en vastgeraakt waren.

Na een aantal waarnemingen gedaan en de eene met de andere vergeleken te hebben, meende Sergius tot de gevolgtrekking te moeten komen dat hun koers sterk naar het noordwesten was afgeweken. Dit was zeker gekomen door dat de stroom in de Behringstraat eerst naar de Siberische kust geloopen was, dáár den stroom, die van Kamschatka kwam, teruggedrongen en vervolgens uit de Straat komende eene groote bocht gemaakt had, waarvan de Poolcirkel ongeveer het einde moest wezen.

Ook bleek nu dat de wind, die nog altijd de kracht van eenen storm had, geheel naar het zuidoosten gedraaid was. Een tijdlang was hij Zuid geweest, maar dat was gekomen doordien de kust hem van richting had doen veranderen. In volle zee was hij weder naar den vorigen hoek teruggeloopen.

Zoodra Sergius zich hiervan overtuigd had, bracht hij Cascabel op de hoogte en hij voegde er bij dat dit, onder de omstandigheden waarin zij verkeerden, het gelukkigste was wat hun overkomen kon. Dit goede nieuws monterde den terneergeslagen man weder wat op.

--Ja, zeide hij, het is zeker het beste dat wij den kant uitdrijven waar wij toch heen willen. Maar wat een omweg, goede hemel, wat een omweg!

De schipbreukelingen gingen nu aan het werk om alles zoo goed mogelijk interichten voor het geval dat zij nog eenigen tijd op hun drijvend eiland moesten doorbrengen. Het eerste waar zij het over eens waren, was dat zij weder eene schuilplaats moesten zoeken in de _Schoone Zwerfster_ die, nu zij voor den storm wegdreef, minder gevaar liep van omver te slaan.

Cornelia, Kayette en Napoleona konden zich dus weder met het fornuis bezig houden, waar in een etmaal hoegenaamd geen gelegenheid voor geweest was. Het duurde niet lang of het eten was gereed, allen gingen aan tafel, en al vlotte het gesprek zoo goed niet als anders, toch waren zij dankbaar dat zij weder eene hartsterking kregen. Sedert zij het eiland Diomedes verlaten hadden, had dit heel wat te wenschen overgelaten.

Zoodoende liep de dag weder ten einde. De windvlagen kwamen nog telkens aangieren met onbeschrijfelijke felheid. Talrijke vluchten vogels, petrels, ptarmigans en andere, die met recht den naam van stormvogels dragen, vlogen over hunne hoofden.

De eerstvolgende vier dagen, de 28ste, 29ste, 30ste, en 31ste October, kwam er geen verandering. De wind bleef Oost en in de temperatuur was geen daling of rijzing merkbaar.

Sergius had nauwkeurig den vorm en de grootte van hunne ijsschots bepaald. Deze had de gedaante van een onregelmatig trapezium, lang vierhonderd voet op het breedste en driehonderdvijftig op het smalste gedeelte en breed ongeveer honderd voeten. Aan de kanten werd dit ijsveld merkbaar dunner en in het midden liep het eenigszins op. Er was geen enkele scheur aan de oppervlakte te zien, maar een dof gekraak liet zich nu en dan over zijne geheele uitgestrektheid hooren. De golven die er op beukten en de windvlagen die er tegen aan botsten, hadden er, voor zoover dit op het oogenblik waartenemen viel, nog geen belangrijke schade aan toegebracht.

Met de uiterste inspanning was het hun gelukt de _Schoone Zwerfster_ naar het midden van het ijsveld te sleepen en haar daar te bevestigen aan de touwen en palen die anders bij de kermisvertooningen gebruikt werden. Nu stond zij zoo stevig, dat er geen gevaar van omslaan meer te vreezen was.

Een andere kwade kans leverde echter de aanraking met voorbijdrijvende ijsbergen op. Met ongelijke snelheid, naarmate zij door den stroom werden voortgejaagd of eene ronddraaiende beweging aannamen, kwamen die op hunne schots af, of dreef die ze voorbij. Sommige van die ijsklompen waren vijftien of twintig voet hoog en als zij die zoo zagen aankomen, was het alsof het schepen waren, die hen kwamen enteren. Van verre zagen zij ze al naderen en er was niets aan te doen, of ze tegen hunne ijsschots aanbotsen of er langs glijden zouden. Soms buitelden die ijsmassa's plotseling onderste boven, als door de eene of andere onbekende oorzaak haar zwaartepunt verplaatst werd.