Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 2

Chapter 23,929 wordsPublic domain

Cesar vroeg aan Sergius of hij ook niet liever in de _Schoone Zwerfster_ wilde gaan, maar deze verkoos dit niet. Hij wilde zich niet onttrekken aan de ongemakken die zijne reisgenooten te verduren hadden. De half gesmolten sneeuw die in zulk eene dichte massa nederviel, gaf hem nieuwe reden tot ongerustheid want deze natte laag moest het ijs hoe langer hoe weeker maken. Het was te wenschen dat zij zoo spoedig mogelijk op het eiland Diomedes kwamen.

Zij mochten echter niet dan met de uiterste behoedzaamheid voortrijden. Sergius besloot daarom zich bij Jan te voegen, die nog steeds een honderd passen vooruit liep, terwijl Cascabel en Kruidnagel samen de paarden bij den teugel leiden. Die dieren gleden onophoudelijk uit. Als er een ongeluk met den wagen gebeurde zouden zij dien op het ijsveld achter moeten laten, en wat er dan van hunzelven worden moest was niet te voorzien.

Naast Jan loopende deed Sergius zijn best om met zijnen kijker zoo ver mogelijk voor zich uit te zien naar het Westen, maar het gezichtsveld was onder de sneeuwbuien uiterst begrensd. Zij gingen bijna op den tast verder en zeker zou Sergius reeds lang halt geroepen hebben indien hij niet gevreesd had dat het ijs misschien niet sterk genoeg zou blijken om den wagen langen tijd op een en hetzelfde punt te dragen.

--Het moge gaan zooals het wil, zeide hij, maar wij moeten zien dat wij van daag nog op Diomedes komen en daar des noods afwachten dat het weder gaat vriezen.

--Hoe ver rekent gij dat wij nog van het eiland af zijn? vroeg Jan.

--Ik denk ongeveer anderhalve mijl. Het blijft nog een paar uren licht, ten minste helder genoeg om te zien dat wij in de goede richting gaan. Wij moeten dus het uiterste wagen om er te komen vóór dat het geheel donker wordt.

--Zou het niet goed zijn, mijnheer Sergius, dat ik nog een eind verder vooruit liep om te zien of ik het eiland niet in het gezicht kan krijgen?

--Neen Jan, dat niet! Ge zoudt gevaar loopen in dit stormweer te verdwalen en dan waren wij nog veel verder van den weg. Wij moeten zien dat wij op het kompas afgaan, want wanneer wij het eiland Diomedes aan den eenen of aan den anderen kant voorbijliepen, weet ik waarlijk niet wat er van ons terecht moest komen.

--Hoort gij dat, mijnheer Sergius? riep Jan op eens, nadat hij eenige oogenblikken voorover gebukt had geloopen.

Sergius bukte zich ook en luisterde. Hij hoorde duidelijk dat het ijs in alle richtingen kraakte, met een geluid als van glas dat barst. Kon dit een teeken zijn dat het losraakte, of op enkele plaatsen scheurde? Intusschen was er op de oppervlakte, zoo ver zij zien konden, nog geen enkele barst te ontdekken.

Hun toestand werd nu hoogst bedenkelijk. Onder deze omstandigheden den nacht op het ijs doortebrengen, kon de ergste gevolgen hebben. Het eilandje Diomedes was hun eenige toevluchtsoord; daar hadden zij ten minste vasten grond onder hunne voeten; zij moesten er dus zien te komen al ging het met nog zooveel vermoeienis gepaard. Bitter berouwde het Sergius thans dat zij nog niet eenige dagen later van Port-Clarence waren opgebroken.

Hij keerde met Jan naar den wagen terug en bracht Cascabel op de hoogte van den stand van zaken. Zij vonden het echter beter er de vrouwen vooreerst nog niets van te laten merken, want die zouden zich ongerust maken zonder dat het iets baten kon. Zij lieten haar dus rustig in den wagen zitten en begonnen met hun allen aan de wielen te duwen, teneinde de paarden, die bijna niet verder konden en wien het zweet onder de snerpende windvlagen langs de zijden gudste, het werk lichter te maken.

Tegen twee uur werd de sneeuwjacht minder en vielen er nog maar losse vlokken die in den storm wild door elkaar dwarrelden. Het werd nu gemakkelijker de goede richting te houden en zoo hard zij konden duwden zij het rijtuig voort. Er was geen sprake meer van om halt te houden zoo lang de _Schoone Zwerfster_ niet veilig op het eiland Diomedes stond.

Volgens hunne raming kon dit nu niet verder meer dan eene halve mijl wezen. Als zij hunne laatste krachten inspanden zouden zij er misschien over een uur kunnen komen.

Ongelukkig werd het reeds zoo flauwe daglicht hoe langer hoe zwakker, zoodat het nu niet veel meer was dan eene schemering. Of zij werkelijk in de goede richting waren en veilig aldus konden voortgaan, konden zij onmogelijk bepalen.

Op dit oogenblik begonnen de honden beide te gelijk hevig te blaffen. Bespeurden zij eenig onraad? zouden zij misschien de eene of andere bende Eskimo's of Tchouktchi's, op weg naar den overkant, tegenkomen? Mocht dit het geval zijn, dan wilde Sergius hunne hulp inroepen en in elk geval kon hij dan met zekerheid te weten komen waar het eiland lag.

Intusschen werd er een raampje van den wagen opengemaakt. Cornelia vroeg wat er aan de hand was, daar zij Wagram en Marengo zoo te keer hoorde gaan.

Het antwoord luidde dat niemand het wist, maar dat er geen reden was om zich ongerust te maken.

--Moeten wij uit den wagen komen? vroeg zij.

--Neen, Cornelia, zeide Cascabel. Gij en de meisjes moet blijven waar ge zijt. Ge hebt hier niets te maken.

--Maar kunnen de honden geen beesten geroken hebben, geen beer misschien?

--Welnu, als dat het geval mocht zijn dan zullen wij ze naar behooren ontvangen. Houd de geweren maar gereed. Maar vooral, blijf binnen!

--Doe het raampje dicht, juffrouw Cascabel, zeide Sergius. Wij hebben geen oogenblik te verliezen. Wij moeten maken dat wij voortkomen.

De wagen was stil blijven staan toen de honden waren begonnen te blaffen. De zware tocht werd voortgezet.

Gedurende een half uur kwam de _Schoone Zwerfster_ een weinig gemakkelijker vooruit, want de oppervlakte van het ijs werd minder hobbelig. De paarden waren uitgeput, zij lieten hunne koppen hangen, hunne knieën knikten bij elken stap, maar zij trokken nog wat zij konden. Het was duidelijk dat zij hunne laatste krachten inspanden, maar als het nog eenigen tijd zoo voort moest gaan zouden zij er bij neervallen.

Het was bijna duister geworden. Het weinige licht dat er nog was, scheen meer van de grauwe ijsvlakte beneden, dan van boven te komen.

Nog altijd bleven de honden blaffen, zij renden heen en weder, den neus in den wind, de staarten rechtstandig en onbewegelijk.

--Er moet iets bijzonders vóór ons uit zijn, zeide Cascabel.

--Het is het eiland Diomedes! riep Jan op eens.

Hij wees met de hand naar een verwarden hoop rotsen, die op een honderd of wat passen meer naar het westen zichtbaar begon te worden.

Het scheen dat Jan gelijk had, want op de vale, met sneeuw bedekte verhevenheid vertoonden zich enkele zwarte stippen, die scherp tegen den witten achtergrond afstaken.

--Dat moet werkelijk het eiland zijn, meende Sergius.

--Maar het is alsof ik die zwarte punten heen en weer zie gaan, riep Cascabel.

--Wat zegt gij daar?

--Wel zeker!

--Dat zijn misschien robben, die soms bij duizenden te gelijk op die eilanden te vinden zijn.

--Bij duizenden te gelijk? vroeg Cascabel.

--Wel patroon, riep Kruidnagel, dat zou een fortuintje zijn als wij er een stuk of wat machtig konden worden om die op de kermissen te laten kijken!

--Ja, en dan moesten wij ze "papa!" leeren zeggen, voegde Sander er bij.

De onbezorgde aard van dit kermisvolk verloochende zich toch geen oogenblik!

II.

TUSSCHEN TWEE STROOMEN.

Eindelijk stond de _Schoone Zwerfster_ dus weder op vasten grond en was er geen gevaar meer dat het ijs onder haar weg zou zinken. Het is gemakkelijk te begrijpen hoe blijde onze reizigers waren, dat zij zich ten minste in dit opzicht in veiligheid bevonden.

Het was nu geheel donker geworden, alles werd op dezelfde wijze ingericht als de vorige nachten en zij kozen hunne verblijfplaats op eenige honderd schreden van het strand. Eerst werden de beesten verzorgd en vervolgens de "denkende passagiers" zooals Cascabel gewoon was te zeggen.

De koude was naar omstandigheden niet erg. De thermometer stond een graad of vier boven het vriespunt, maar dit kwam er thans minder op aan, want zoo lang zij zich op het eiland bevonden kon eene verdere daling der temperatuur hen niet deren. Zij wilden wachten tot het weer zou gaan vriezen en het ijs zijne vroegere stevigheid terug zou krijgen; zeker kon het niet heel lang duren of de winter zou zich in zijne volle strengheid doen voelen.

Sergius besloot tot den volgenden dag te wachten om het eiland nauwkeuriger optenemen. Het kwam er voor het oogenblik het meest op aan dat de paarden goed bezorgd werden en stevig voêr kregen, want de dieren konden letterlijk geen stap meer doen. Toen daarin naar behooren voorzien was, werd de avondmaaltijd gebruikt en daarna kropen zij allen onder de dekens, wat hun na de geweldige vermoeienissen van dezen dag dubbel aangenaam was.

In de _Schoone Zwerfster_ verkeerde alles dus spoedig in de diepste rust. Cornelia sliep als de anderen, zonder te droomen van scheuren in het ijs of van afgronden, waar hare rollende woning in weg kon zinken.

Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden, dat was dus op den 25sten October, gingen Cesar en zijne twee zonen met Sergius een onderzoekingstocht over het eiland maken.

Het eerste wat hunne aandacht trok, was de letterlijk ontelbare menigte robben, die op dit eiland verblijf schenen te houden. Dit waren allen zoogenaamde pelsdragende robben, die om het kostbare bont, waarmede zij bedekt zijn, groote waarde bezitten. In dit gedeelte van de Behringzee, en zuidelijker tot ongeveer den vijftigsten graad noorderbreedte, worden deze dieren het meest, gewoonlijk in talrijke kudden, aangetroffen.

Wanneer men het oog slaat op de kaart, zal men terstond opmerken dat de tegenover elkander liggende kusten van Amerika en van Azië in vele opzichten denzelfden vorm hebben. Aan weerskanten is het strand scherp geteekend en volgt het bijna dezelfde lijn: tegenover het Prins-van-Walesland ligt het Tchouktchi-schiereiland; tegenover de Norton-Sond bevindt zich de golf van Anadyr; de uiterste punt van Alaska beschrijft ongeveer dezelfde bocht als het schiereiland Kamschatka. Aan het einde dezer kustlijnen liggen de Aleoeten-eilanden in eene lange reeks uitgestrekt. Evenwel volgt daar volstrekt niet uit, zooals men misschien veronderstellen zou dat Amerika en Azië in een vroeger tijdperk der geologische formatie aan elkander vastgezeten hebben en dat de Behringstraat ontstaan zou kunnen zijn door eene scheuring der beide werelddeelen. Immers de uitstekende punten van de eene kust komen niet overeen met de inspringende hoeken aan den overkant.

Eene menigte eilanden vertoont zich op de kaart. Vroeger hebben wij het eiland Sint Laurens reeds genoemd. Dan is er aan den kant van Amerika het eiland Nounivak en aan den kant van Azië het eiland Karaghniskii. Vervolgens het Behring-eiland, waar het Koper-eilandje vlak bij ligt en eindelijk, niet ver van de kust van Alaska, de Pribyloff-eilanden. Evenals het strand aan weerszijden dus dezelfde gedaante heeft, liggen de eilandengroepen nagenoeg in gelijke verhouding verspreid.

Nu zijn het juist de Pribyloff-eilanden en het Behring-eiland waar de robben, die in deze zeeën rondzwemmen, het meest hare toevlucht zoeken. Niet bij duizenden, maar bij millioenen worden zij er aangetroffen. De jagers die deze dieren trachten te bemachtigen, vervolgen hen dan ook voornamelijk op en in de nabijheid van deze eilanden. Door de aanhoudende jacht die er op gemaakt wordt is onder anderen eene soort, welke in de vorige eeuw nog zeer talrijk was en onder den naam van zee-otters of bevers bekend stond, tegenwoordig zoo goed als geheel uitgestorven.

Onder de eigenlijke robben worden een aantal soorten verstaan, die aangeduid worden met de namen van verschillende dieren met welke zij in hun uiterlijk eenige overeenkomst vertoonen. Zoo zijn er zee-leeuwen, zee-koeien, zee-beren en anderen. In ontelbare koloniën hoopen zij zich op de eilanden op en voorzoover men na kan gaan, bestaat er nog geene kans dat zij ooit uitgeroeid zullen worden. Maar de onverzadelijke gouddorst der menschen ontziet niets, en moeielijk is het te zeggen wat daar op den duur het gevolg van kan zijn.

Zoo lang de vorst het niet geheel onmogelijk maakt, worden zij meedoogenloos opgejaagd en afgemaakt tot in hunne meest afgelegen schuilhoeken. In groote hoopen zijn zij daar bijeen, zoodat er eene ontzettende slachting onder wordt aangericht, waarbij voornamelijk de volwassen dieren het moeten ontgelden. Alleen door dat deze dieren zich zoo verbazend snel voortplanten en zoo onbegrijpelijk vruchtbaar zijn is het te verklaren dat zij niet geheel uitgeroeid worden.

In het tijdsverloop tusschen de jaren 1867 en 1880 zijn er, alleen in hunne schuilhoeken nabij het Behring-eiland, driemaalhonderd achtentachtigduizend negenhonderd tweeënnegentig robben gevangen en gedood. In den tijd van eene eeuw rekent men dat de visschers van Alaska op de Pribyloff-eilanden meer dan drie en een half millioen robbenvellen meester zijn geworden. De jaarlijksche vangst wordt tegenwoordig op honderdduizend vellen geschat.

Hoevele er op de andere eilanden in de Behringzee te vinden zijn, konden Sergius en Cascabel eenigszins opmaken uit hetgeen zij op het eiland Diomedes te zien kregen. De geheele bodem was bedekt met robben, in hoopen bij elkaar en als eene verwarde menigte dooreen krieuwende, zoodat er van het sneeuwtapijt waar zij rustig verblijf op hielden, bijna niets meer te zien was.

Onze reizigers keken met nieuwsgierige blikken naar deze beesten, maar zij bleven zelven ook niet onopgemerkt. Het was vrij duidelijk merkbaar dat de robben het niet pleizierig vonden dat er vreemde bezoekers op hun toevluchtsoord waren aangeland. Zij gingen niet voor hen uit den weg en lieten telkens een langgerekt brullend geluid hooren, dat niet juist vriendschappelijk klonk. Dan richtten zij zich ook overeind en sloegen met eene soort van woede hunne pooten, of liever hunne waaiervormig uitgespreide zwemvliezen heen en weder.

Hoe jammer voor Sander dat geen van deze beesten praten kon! Wat een lawaai zou het geweest zijn als zij "papa" hadden kunnen zeggen en als zij allen tegelijk dat woord over hunne met stijve knevels bezette lippen hadden doen komen!

Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Sergius noch Jan er over dacht om onder deze overweldigende menigte op de jacht te gaan. Het was wel waar, zooals Cesar Cascabel opmerkte, dat er hier een fortuin van "wandelend bont" op elkaar gestapeld was, maar ze op te jagen zou niet alleen nutteloos geweest zijn, want de jagers zouden hunnen buit toch niet mede hebben kunnen nemen, maar het zou ook hoogst gevaarlijk hebben kunnen worden. In zulk eene menigte bijeen, waren deze beesten alles behalve weerloos en zeker konden zij het verblijf van de _Schoone Zwerfster_ onmogelijk maken. Sergius waarschuwde dan ook dat er niets gebeuren mocht waar de robben van hadden kunnen schrikken.

Intusschen was het de vraag of de aanwezigheid van zulk eene menigte zeebewoners op het eiland niet iets te beduiden had, waar onze reizigers rekening mede moesten houden. Wat kon de reden zijn dat deze dieren, op eene rots waar niets voor hen te halen viel, bij instinct eene toevlucht waren komen zoeken?

Sergius, Cesar Cascabel en zijn oudste zoon hielden hierover een ernstig onderhoud, waartoe zij midden op het eiland, op eenigen afstand van den wagen, bij elkander kwamen, terwijl de vrouwen in de huishouding bezig waren en Kruidnagel met Sander voor de dieren gingen zorgen.

Sergius leidde het gesprek in.

--Waarde vrienden, zeide hij, wij moeten er eens over praten of het beter is het eiland te verlaten zoodra de paarden genoeg zijn uitgerust, dan wel of wij hier nog eenigen tijd moeten blijven.

--Mijnheer Sergius, antwoordde Cesar Cascabel, het komt mij voor dat wij hier op deze rots niet de aardigheid moeten vertoonen om voor Robinsons te spelen. Ik wil niet ontkennen dat ik er hard naar verlang om den wal van Siberië onder mijne zolen te hebben.

--Dat begrijp ik heel goed, vader, hernam Jan, maar het is toch ook raadzaam dat wij een weinig voorzichtiger te werk gaan dan wij gedaan hebben toen wij onzen tocht over het ijs hebben aangevangen. Ware dit eilandje er niet geweest, wat ware er dan van ons terecht gekomen? Wij zijn nog wel tien mijlen van Numana af.

--Welnu Jan, als wij ons best doen, kunnen wij misschien in twee of drie dagreizen dat eind achter den rug hebben.

--Dat zou moeielijk gaan, antwoordde Jan, zelfs al liet de toestand van het ijs niets te wenschen over.

--Het komt mij voor dat Jan gelijk heeft, merkte Sergius op. Het spreekt van zelf dat wij allen evenveel haast hebben om de Straat over te zijn, maar met zulk eene buitengewoon lage temperatuur ben ik huiverig om den vasten wal te verlaten. Het is nu duidelijk dat wij te vroeg van Port-Clarence vertrokken zijn, laat ons oppassen dat wij van het eiland Diomedes weggaande dezelfde fout niet maken. Het lijkt mij eene uitgemaakte zaak dat de Straat nog niet over haar geheele breedte eene vaste ijsmassa geworden is.

--Daar komt zeker dat kraken van daan dat wij gisteren nog in het ijs gehoord hebben, voegde Jan er bij. Daaruit kunnen wij opmaken, dat het nog niet geheel en al vastgevroren is.

--Dat is zeker een bewijs, hernam Sergius, maar het blijkt nog uit iets anders.

--Waaruit dan?,vroeg Jan.

--Uit iets dat mij haast nog meer afdoende lijkt, namelijk uit de duizenden robben, die ongetwijfeld door hun instinct gedreven hier op dit eilandje eene toevlucht zijn komen zoeken. Hoogstwaarschijnlijk zijn zij uit volle zee komende, op weg gegaan naar het Behring-eiland of de Aleoeten-eilanden, maar hebben zij onderweg eene verandering voelen aankomen waardoor het voor hen niet geraden werd op het ijsveld te blijven. Dreigt het ijs los te raken onder den invloed der lagere temperatuur, of is er misschien eene of andere onderzeesche storing der aardkorst op handen, waardoor de ijslaag in stukken gebroken zal worden? Daar weet ik niets van, maar dit is zeker, dat even als wij haast hebben om op de Siberische kust te komen, deze beesten verlangend moeten zijn naar hunne schuilplaatsen op het Behring-eiland of de Aleoeten-eilanden, en dat zij niet hier op Diomedes zullen blijven hangen wanneer zij daarvoor niet zeer dringende redenen hebben.

--Wat raadt gij ons dus aan, Mijnheer Sergius? vroeg Cesar Cascabel.

--Ik zou denken dat wij hier moeten blijven zoo lang de robben niet uit zichzelf het eiland verlaten en ons daardoor als het ware te verstaan geven dat het gevaar voorbij is.

--Drommels, dat is een tegenvaller!

--Het is toch zoo heel erg niet vader, antwoordde Jan. Ik mag lijden dat wij op onze reis geen grooter teleurstellingen te wachten hebben.

--Bovendien kan het niet lang meer duren, voegde Sergius er bij. Wel hebben wij dit jaar een bijzonder laten winter, maar het is nu toch al einde October en al staat de thermometer op het oogenblik nog pas op het vriespunt, hij kan in een enkelen dag een graad of twintig naar beneden gaan. Draait de wind naar het Noorden, dan wordt het ijs zoo stevig alsof wij op den vasten wal staan. Alles wel beschouwd houd ik het er dus stellig voor dat wij hier niet vandaan moeten gaan zoo lang er niets gebeurt waardoor het verblijf ons onmogelijk gemaakt wordt.

Dat was minst genomen het voorzichtigst. Er werd dus besloten dat de _Schoone Zwerfster_ op het eiland Diomedes vertoeven zou, tot zoo lang de overtocht naar Siberië door de ingevallen vorst veilig ondernomen kon worden.

In den loop van den dag namen Sergius en Jan den granietklomp, waarop zij eene toevlucht gevonden hadden, in bijzonderheden op. Het eiland is drie kilometer in omtrek. Ook des zomers is het niet mogelijk dat er iets hoegenaamd op groeit, want het is niets dan een opeengestapelde hoop rotsen. Het zou dus bij uitnemendheid geschikt zijn om den middenpijler van de brug te dragen, die moeder Cascabel zoo gaarne willen zou dat over de straat gelegd zou worden. Maar om daartoe te komen zouden de russische ingenieurs eerst op het denkbeeld moeten komen om de twee werelddeelen aan elkander vast te koppelen, hetgeen juist het tegenovergestelde is van het werk dat de heer De Lesseps het liefst verricht.

De wandelaars droegen de meest mogelijke zorg om de robben niet op te jagen of te doen schrikken, maar het was duidelijk genoeg dat alleen de aanwezigheid van menschen oorzaak was dat de beesten niet op hun gemak en in eenen staat van buitengewone opgewondenheid waren. De grootste mannetjes lieten aanhoudend een schor gebrul hooren en deden al hun best om hunne talrijke jongen bij elkaar te houden. Dit ging niet heel gemakkelijk, want ieder mannetje houdt er verscheidene wijfjes op na, zoodat een veertig of vijftig jongen dikwijls met hun allen maar één vader hebben.

De onvriendelijke houding der robben maakte Sergius eenigszins ongerust, vooral omdat hij meende optemerken dat zij in de nabijheid van den wagen in troepen bij elkaar begonnen te komen. Zoolang zij met niet meer dan een van die beesten te doen hadden, bestond er niet het minste gevaar, maar tegenover zulk eene menigte was dit het geval niet. Als de robben geen lust hadden om de vreemde gasten, die hun het rustige verblijf op het eiland kwamen betwisten, langer daarop te dulden, zouden zij dit zonder eenigen twijfel onmogelijk kunnen maken. Jan begon het ook in te zien en hij zoowel als Sergius vond daarin opnieuw eene reden om op hunne hoede te zijn.

Gedurende den dag gebeurde er echter niets bijzonders, alleen wakkerde de wind, die uit het Zuidoosten woei, hand over hand aan. Het werd duidelijk dat er een zware storm in aantocht was, misschien een dier orkanen die nu en dan de poolstreken teisteren en dikwijls verscheidene dagen aanhouden. De barometer stond buitengewoon laag en was tot ongeveer 720' gedaald, hetgeen mede een geweldige storing in den dampkring scheen te voorspellen.

De nacht liet niets goeds verwachten. Daarbij kwam dat zij, nadat allen in de _Schoone Zwerfster_ eene toevlucht gevonden hadden, daarbuiten een voortdurend gebrul hoorden dat zich met het gehuil van den storm vermengde en hen onheilspellend in de ooren klonk. De robben waren meer en meer in de nabijheid van den wagen gekomen en omsingelden dien bijna. De paarden hinnikten van angst, alsof zij bang waren dat zij aangevallen zouden worden, terwijl Wagram en Marengo voortdurend blaften zonder dat de robben zich daar iets hoegenaamd aan stoorden. De paarden moesten losgemaakt en dichter bij den wagen gebracht worden teneinde er gemakkelijker het oog op te houden. De geweren en revolvers werden geladen, maar Sergius waarschuwde om niet dan in den uitersten nood te schieten.

Het was een stikdonkere nacht, zij konden niets meer onderscheiden en staken dus de lantarens op, maar ook dit baatte weinig. Het weinige licht dat zij verspreidden maakte alleen dat de robben beter te zien waren, die nu bij duizenden in rijen rondom de _Schoone Zwerfster_ geschaard lagen. Het was maar al te duidelijk dat de beesten zoodra het licht werd van zins waren eenen aanval op den wagen te doen.

--Als zij op ons afkomen, zeide Sergius, zijn wij ten eenenmale weerloos, wij hebben alle kans dat zij ons de baas zijn.

--En wat moeten wij dan beginnen? vroeg Jan.

--Wij moeten maken dat wij wegkomen.

--Wanneer? vroeg Cascabel.

--Zonder een oogenblik te verliezen!

Er viel niet aan te twijfelen of dit was het eenige dat hier tegenover dit onverwachte gevaar te doen stond. Zij moesten van het eiland af, er viel niet aan te veranderen. Naar alle waarschijnlijkheid hadden de robben geen andere bedoeling dan de indringers uit hunne schuilplaats weg te jagen. Eenmaal op het ijsveld, zouden zij geen gevaar loopen verder door de beesten vervolgd te worden. Zich met geweld te verzetten zou erger dan onvoorzichtig geweest zijn. Wat konden zij, met enkele geweren en revolvers, uitrichten tegen een leger van zooveel duizenden robben?