Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 15

Chapter 153,952 wordsPublic domain

Om deze en andere redenen vond Cascabel de russen in het algemeen lieden waarmede hij heel goed om kon gaan, al maakten dan ook Ortik en andere bandieten van zijn slag deel van deze natie uit. Onder welk volk treft men geen gemeene sujetten aan? Wat het circus betreft, zeker zou dit door eene voorstelling van den troep van Cascabel niet onteerd worden; ook was er maar één ding dat den directeur van den troep speet, namelijk dat zijne Majesteit Czaar Alexander II zich niet bij toeval in de stad bevond want deze potentaat zou stellig niet verzuimd hebben voor de eerste representatie eenige plaatsen te nemen.

Ook in een ander opzicht was Cesar niet volkomen op zijn gemak: hij vreesde namelijk dat zijn personeel in het dansen, duikelen, balanceeren en andere kunstverrichtingen een weinig achteruit gegaan zou zijn. Van het oogenblik af dat zij den tocht over het Oeralgebergte aangevangen hadden, waren er geen oefeningen meer gehouden, want ook nadat zij den bergpas door waren, was er niet van gekomen. Maar hij stelde zich gerust met de gedachte dat kunstenaars van den echten stempel, zooals de zijne, ieder oogenblik klaar moeten staan om het beste te geven wat zij kunnen.

Eene repetitie van de pantomime was volkomen overbodig. Zij hadden die reeds ontelbare malen gespeeld zonder dat er een souffleur bij te pas kwam, en ieder wist wat hij te doen had.

Intusschen liet Ortik niet onduidelijk merken hoe weinig het hem aanstond dat Sergius zooveel langer uitbleef dan hij gedacht had. Reeds den vorigen avond had de ontmoeting, waarbij de bandieten Sergius in den valstrik hadden willen laten loopen, plaats moeten hebben; daar was echter niets van kunnen komen en Ortik had aan de anderen doen weten dat de uitvoering van het plan vierentwintig uren uitgesteld moest worden. Hij begreep niet hoe het kwam dat Sergius nog niet terug was, niettegenstaande Cascabel hem reeds denzelfden avond verwacht had. Zou hij op het kasteel Walska gebleven zijn? Dit was het meest waarschijnlijk, want het stond vast dat hij er heengegaan was. Ortik had zijn ongeduld niet zoo moeten laten blijken, maar de ongerustheid werd hem te sterk en hij vroeg aan Cascabel of deze niet eenig bericht ontvangen had.

--Niet het minste, antwoordde Cesar.

--Maar ik dacht dat gij mijnheer Sergius gisteravond reeds terug had gewacht.

--Dat deed ik ook en ik kan niet anders denken dan dat hij de eene of andere verhindering gekregen heeft. Het zou erg jammer zijn indien hij onze eerste voorstelling niet bij kon wonen, want gij zult zien, Ortik, dat die prachtig wezen zal.

Cascabel hield zich alsof hij zich in het geheel niet ongerust maakte, maar in den grond van zijn hart was dit alles behalve het geval.

Den vorigen avond, vóór dat Sergius naar het kasteel van zijnen vader vertrok, had hij hem beloofd dienzelfden nacht terug te komen. De afstand was maar zes wersten heen en even zooveel terug: dat had dus niets te beteekenen. Nu hij niet teruggekeerd was, bestonden er drie mogelijkheden: Sergius kon aangehouden zijn vóór dat hij op het kasteel kwam; hij kon er gebleven zijn omdat hij zijnen vader in zulk eenen staat gevonden had dat hij hem niet weder verlaten kon; of hij was weder vertrokken en op den terugweg in handen der politie gevallen. Te veronderstellen dat de medeplichtigen van Ortik hem in eene hinderlaag gelokt hadden, was niet aantenemen, want, antwoordde Cascabel, toen Kayette hem vroeg of dit niet het geval kon zijn:

--Die schavuit van een Ortik zou niet zoo blijkbaar ongerust geweest zijn indien er zoo iets gebeurd was. Waarom zou hij mij naar mijnheer Sergius gevraagd hebben indien zijne maats hem in hunne macht gehad hadden? O die schurk! Zoo lang ik hem niet met zijnen vriend Kirschef aan eene galg heb zien bengelen, zal er iets aan mijn geluk op deze wereld blijven ontbreken.

Cascabel had dus moeite om de anderen niets van zijne bezorgdheid te laten merken, zoodat Cornelia, die ook niet over het uitblijven van Sergius op haar gemak was, het noodig vond tegen hem te zeggen:

--Komaan Cesar, maak nu toch zoo'n opschudding niet! Gij moet toonen dat ge een verstandig man zijt.

--Iemand is niet verstandiger dan hij zijn kan Cornelia, en ieder redeneert naarmate hij eene zaak inziet. Eén ding is zeker: mijnheer Sergius had reeds lang weder hier kunnen zijn, en wij kijken nog altijd naar hem uit.

--Nu ja Cesar, maar niemand vermoedt immers dat hij graaf Narkine is.

--Neen, dat is zoo... ten minste...

--Wat wilt ge zeggen met uw ten minste? Gaat ge nu praten evenals Kruidnagel? Wat bedoelt ge daarmeê? Er is niemand anders dan gij en ik die weten wie mijnheer Sergius is. Denkt ge soms dat ik dat aan iemand verteld heb?

--De hemel beware mij Cornelia! En ik evenmin.

--Welnu, wat kan er dan gebeurd zijn?

--Er kan gebeurd zijn dat er zich te Perm lieden bevinden die graaf Narkine vroeger gekend hebben en hem nu herkennen. Zij zullen het immers al iets ongewoons vinden dat er een rus bij onzen troep is. Kortom Cornelia, het is mogelijk dat ik mij de dingen erger voorstel dan ze zijn, maar ik houd zooveel van mijnheer Sergius dat ik niet kan nalaten mij ongerust over hem te maken. Daarom kan ik ook niet kalm blijven zitten en ben ik voortdurend in beweging.

--Pas dan maar op, Cesar, dat gij zelf geen aanleiding geeft tot kwade vermoedens, waarschuwde Cornelia zeer terecht. Maak geen slapende honden wakker en loop niet met onvoorzichtige vragen bij allerlei menschen rond. Ik vind het ook onaangenaam dat mijnheer Sergius niet terugkomt en wilde wel dat hij reeds hier was, maar ik denk niet aanstonds het ergste en houd het er eerder voor dat hij op het kasteel Walska bij zijnen vader, prins Narkine, gebleven zal zijn. Op klaarlichten dag durft hij niet terug te komen, dat is dood natuurlijk; maar van avond of van nacht zullen wij hem wel zien opdagen. Doe dus geen domme streken Cesar; maar houd u bedaard en denk er liever om dat ge weer spoedig zult moeten optreden in de rol van Fracassar, waarmede gij zoo dikwijls zulk eenen schat van lauweren ingeoogst hebt.

Het gezonde verstand van deze kloeke vrouw bleek weder duidelijk uit die woorden, en het was bijna onbegrijpelijk dat haar man haar niet van alles op de hoogte bracht; maar toch was het misschien beter dat hij zijn mond bleef houden. Cornelia was, bij al haar kloekheid, toch kort aangebonden, en indien zij geweten had wat Ortik en Kirschef in hun schild voerden en op het punt stonden uit te voeren, wie weet of zij zich dan wel bedaard had kunnen houden.

Cascabel trad dus niet in verdere uitleggingen en ging naar het circus om een oog te laten gaan over de toebereidselen die daar gemaakt werden. Ook Cornelia had druk werk met de kostuums, de pruiken en baarden en alles wat verder bij de voorstelling te pas kwam in orde te brengen, waarbij Kayette en Napoleona haar trouw hielpen.

Al dien tijd brachten de twee russen door, zooals zij zeiden, met de politie de noodige inlichtingen te geven over de schipbreuk die zij geleden hadden en over hetgeen zij nu voornemens waren te doen. Hiervoor moesten zij herhaaldelijk allerlei boodschappen verrichten.

Terwijl Cascabel met Kruidnagel druk bezig was de stoffige banken van het circus schoon te maken en de manége, waar de kunsten vertoond moesten worden, aantevegen, versjouwden Jan en Sander alles wat bij de vertooning noodig was, muziekinstrumenten, werktuigen, enz., uit den wagen naar het gebouw. Toen dit afgeloopen was gingen zij allen aan het werk om datgene wat in hunne kermistaal "de schitterende, geheel nieuwe decoratiën" genoemd werd, gereed te zetten teneinde eene waardige omlijsting te vormen bij "de luisterrijke opvoering van het beroemde drama-pantomime _De Roovers van het Zwarte Woud_."

Jan was en bleef droevig gestemd. Hij wist nog niet dat Sergius graaf Narkine heette en dat deze een staatkundig veroordeelde was, die onmogelijk in zijn vaderland kon blijven; hij hield hem voor een rijk grondbezitter, die weder op zijne goederen teruggekomen was en daar blijven wilde, met zijne aangenomen dochter bij zich. Zeker zou hij veel minder verdriet gehad hebben, indien het hem bekend was geweest dat Sergius niet in het Russische rijk mocht blijven; dat zijn eenige doel was prins Narkine, zijnen vader, een bezoek te brengen; dat hij voornemens was daarna weder te vertrekken en bij voorkeur in Frankrijk eene schuilplaats te gaan zoeken, en dat hij Kayette daarheen mede wilde nemen. Er moesten dus nog ettelijke weken verloopen eer er van eene scheiding sprake behoefde te zijn, en wat zijn ettelijke weken niet een lang vooruitzicht voor twee jongelieden die elkaar liefhebben!

--Helaas neen! zeide Jan aanhoudend bij zichzelven, mijnheer Sergius zal hier te Perm blijven en Kayette bij zich houden. Nog slechts weinige dagen en wij gaan van hier, en dan zal ik haar nimmer terugzien. Mijne lieve Kayette zal zeker gelukkig wezen in het huis van mijnheer Sergius... en toch... wie weet...

Als de arme jongen aan dit alles dacht, kostte het hem moeite zich voor de anderen nog eenigszins goed te houden.

Te negen uur was Sergius nog niet in de _Schoone Zwerfster_ terug. Cornelia had wel voorspeld dat hij niet vóór den nacht of in elk geval laat in den avond zich op straat zou wagen, als niemand hem herkennen kon; maar het was toch alweer laat genoeg om aan zijne komst te gaan twijfelen.

--Hij zal dus niet eens onze eerste voorstelling met zijne tegenwoordigheid opluisteren, zeide Cascabel bij zichzelf. Nu, voor mijn part laat hij wegblijven... ik heb er geen spijt van. Het zal wat moois zijn, die langverwachte debuut-voorstelling van de familie Cascabel op de kermis te Perm. Met alles wat ik in mijn hoofd heb, zal er van mijne rol niets terecht komen, en die prachtige figuur van Fracassar, die zoo dikwijls mijn grootste triomf geweest is, zal nu niets dan een groot _fiasco_ wezen. En dan Cornelia, die zich wel groot houdt, maar toch ook onder een hoedje te vangen is! En Jan, die aan niets denkt dan aan zijne Kayette! En Sander en Napoleona, wier gezicht meer naar schreien dan naar lachen staat, als zij aan het afscheid denken! Wat moet er, met al die narigheid, van ons terecht komen? Per slot van rekening is Kruidnagel de eenige die de eer van den troep moet ophouden!

Cascabel was niet in staat ergens rust te vinden en ging dus de stad in om te zien of hij niets te weten komen kon. Perm was zoo groot niet of als er iets bijzonders voorviel, moest het spoedig bekend wezen. De familie Narkine was algemeen geacht, indien dus Sergius in handen van de politie gevallen was, zou ieder daar den mond vol van hebben. De een of de ander zou wel weten te vertellen of de gevangene reeds in het fort opgesloten of ergens anders heengebracht was.

Hij liet dus aan Kruidnagel de zorg over om het circus verder geheel in orde te brengen en ging zelf eene wandeling in de stad doen, langs de Kama-rivier, waar de schuitenvoerders aan hunne gewone werkzaamheden bezig waren. Ook in de boven- en de benedenstad viel niets bijzonders optemerken. Cesar maakte op onderscheidene plaatsen een praatje en luisterde of hij nergens iets op kon vangen, maar wat er ook gepraat en verteld werd, over graaf Narkine geen woord.

Dit stelde hem echter nog niet gerust. Hij wandelde den weg van Perm naar het dorp Walska op, waarlangs Sergius teruggebracht moest worden als de politie de hand op hem gelegd had. Telkens als hij in de verte een troepje voorbijgangers zag aankomen, verbeeldde hij zich dat hij den gevangene reeds, door eene kozakkenpatrouille begeleid, in het oog kreeg.

Er was maar één ding waar Cascabel op het oogenblik aan dacht. Over zichzelf, over zijne vrouw en kinderen, die aan het grootste gevaar blootgesteld konden wezen indien graaf Narkine ontdekt was, bekommerde hij zich in het minst niet. Toch kon het niet anders of de politie moest er spoedig achter komen op welke manier Sergius op russisch grondgebied teruggekeerd was en wie hem daarbij behulpzaam geweest waren. Kwam zij dat te weten, dan kon de familie Cascabel er leelijk afkomen.

Met al dat heen en weer dwalen van Cascabel en met zijn voortdurend uitkijken op den straatweg naar Walska, was het den volgenden ochtend tien uur geworden en bevond hij zich niet in het circus toen daar een man naar hem kwam vragen.

Kruidnagel was er op dat oogenblik alleen, nog druk bezig te midden van de stofwolken die hij boven zijn hoofd deed opgaan. Hij kwam daaruit te voorschijn om den man te woord te staan, die eenvoudig een _moujik_ bleek te zijn. Nu verstond Kruidnagel evenmin de taal van den _moujik_ als de _moujik_ de taal van Kruidnagel verstond, zoodat zij volstrekt niets van elkaar begrepen. Kruidnagel bleef hem dus met open mond aanstaren, terwijl de ander hem aan het verstand trachtte te brengen dat hij zijnen patroon wenschte te spreken, en dat hij dien in het circus kwam opzoeken dewijl hij begrepen had dat hij in de _Schoone Zwerfster_ niet te vinden zou zijn. Daarna eerst deed de _moujik_ datgene, waarmede hij eigenlijk had moeten beginnen en overhandigde hij eenen brief aan het adres van mijnheer Cascabel.

Ditmaal begreep Kruidnagel er alles van. Een brief met den doorluchtigen naam van Cascabel er op, kon voor niemand anders bestemd wezen dan voor het hoofd van het gezin... ten minste als hij niet aan juffrouw Cornelia, aan den jongeheer Jan, den jongeheer Sander of de jongejuffrouw Napoleona gericht was.

Hij nam dus den brief aan en gaf door teekenen te verstaan dat hij dien aan den patroon zou bezorgen, Vervolgens nam hij met veel zwier van den _moujik_ afscheid, zonder er iets van begrepen te hebben waar deze van daan kwam of wie hem zond.

Een kwartier uur later, toen Kruidnagel op het punt stond zich naar de _Schoone Zwerfster_ te begeven, vertoonde Cascabel zich aan de deur van het circus, altijd nog uit zijn humeur en ongerust.

--Patroon, patroon! begon Kruidnagel met een gewichtig gezicht.

--Nu, wat is er?

--Ik heb een brief gekregen.

--Wat voor een brief?

--Ja, een brief die hier bezorgd is.

--Voor mij?

--Ja, voor u.

--Wie heeft hem gebracht?

--Een _moujik_.

--Wat weet jij van een _moujik_?

--Ten minste, als het niet iemand anders dan een _moujik_ was.

Cascabel greep naar den brief dien Kruidnagel hem toereikte, en toen hij op het adres de hand van Sergius herkende, werd hij plotseling zoo bleek, dat zijn trouwe dienaar uitriep:

--Mijnheer Cascabel, wat scheelt er aan?

--Niemendal scheelt er aan!

Niemendal? Maar het had er veel van alsof de krachtige man in Kruidnagel's armen in zwijm zou vallen.

--Wat kon Sergius hem medetedeelen hebben? Waarom schreef hij? Het kon niet anders zijn dan om hem de oorzaak te melden die hem belet had den vorigen dag en nacht te Perm terug te komen.... Zou hij misschien toch in de gevangenis zitten?

Cascabel scheurde den brief open, veegde eerst zijn rechter- en daarna zijn linkeroog uit en overzag toen met eenen oogopslag wat er in te lezen stond.

De schreeuw, dien hij toen gaf, was een geluid, zooals alleen uit eene half toegeknepen keel kan komen. Met verwrongen gelaatstrekken, starende oogen en heelemaal buiten zichzelven, trachtte hij iets te zeggen, maar was niet in staat een woord uittebrengen.

Kruidnagel begon bang te worden dat zijn patroon stikken zou en maakte zijne das los.

Maar Cascabel sprong op van den stoel waarop hij neergevallen was en gaf dien een schop, zoodat hij tusschen de voorste banken van het circus terecht kwam. Als een dolle begon hij daarna in het rond te loopen en plotseling, in de nabijheid van Kruidnagel komende, gaf hij dezen een trap tegen zijn achterste, zooals hij bij de voorstellingen gewoon was te krijgen, doch die, dewijl hij er ditmaal volstrekt niet op rekende, behoorlijk in het vleesch terecht kwam....

Was de patroon misschien gek geworden?

--Heidaar, mijnheer Cascabel, riep de paljas, het is geen parade-voorstelling.

--Wat? Geen parade-voorstelling? schreeuwde Cesar. Of het! Een parade-voorstelling zooals er nog nooit eene geweest is, op geen van onze grrrroote rrrrreprrrresentatiën!

Dit was een antwoord, waar Kruidnagel niets op wist te zeggen. Hij berustte er dus in, maar voelde nog naar de plek waar de trap aangekomen was, want het was terdege een parade-trap geweest!

Nu echter had Cascabel zijne bedaardheid teruggekregen en op geheimzinnigen toon fluisterde hij hem in het oor:

--Kruidnagel, kan ik je iets toevertrouwen?

--Stellig patroon. Ik heb nog nooit een geheim, dat iemand mij gezegd had, verraden.... ten minste....

--Houd je mond! Zie je dezen brief?

--Den brief van den _moujik_?

--Denzelfde. Als het je overkomt dat je aan iemand ter wereld vertelt dat ik dien gekregen heb...

--Nu, wat dan?

--Aan Jan, aan Sander, of aan Napoleona...

--Jawel, wat dan?

--Of vooral aan mijne vrouw Cornelia, dan zweer ik dat ik je laat opzetten...

--Levend en wel?

--Levend en wel, anders doet het geen pijn, ezel!

Dit was een dreigement, dat Kruidnagel eene rilling deed gaan door al zijne leden.

Toen legde Cascabel de hand op zijnen schouder en fluisterde hem in, op den toon van een fat van de ergste soort:

--Je moet weten, dat Cornelia erg jaloersch is. En zie je, Kruidnagel, iemand is een knap man, of hij is het niet. Er is hier eene betooverende vrouw, eene echte russische prinses.... Nu begrijp je er alles van. Die brief is van haar; zij vraagt mij om bij haar te komen.... Zoo iets zal jou nooit overkomen, met zoo'n neus als jij er op na houdt.

--Ten minste... dat wil zeggen... begon Kruidnagel; maar wat hij daarmede eigenlijk zeggen wilde, begreep hijzelf niet en iemand anders nog veel minder.

XIV.

EEN SLOT DAT DOOR IEDEREEN WORDT TOEGEJUICHT.

Het tooneelstuk dat den even nieuwen als aantrekkelijken titel voerde van _De Roovers van het Zwarte woud,_ was een alles behalve alledaagsch stuk. Het was gemaakt naar de klassieke regelen der dramatische kunst, met inachtneming der eenheid van plaats, van handeling en van tijd. In de inleiding werden de personen duidelijk geteekend; de knoop werd vervolgens kunstig gelegd; tenslotte had de ontknooping op verrassende wijze plaats, en ofschoon ieder voorzag hoe het af moest loopen, miste de oplossing niettemin hare machtige werking niet. Er ontbrak niets aan, ook niet datgene wat de strengste kunstrechters verlangen, want het heele stuk zat goed in elkaar.

Cesar Cascabel was er trouwens de man niet naar om te offeren aan den wansmaak van den dag, en allerlei bijzonderheden uit het familieleven, de meest kiesche niet uitgezonderd, op de planken te brengen, of stukken te vertoonen waarin òf de misdaad zegeviert, òf voor het minst, de deugd niet naar verdienste beloond wordt. In geenen deele. In het slot-tafereel van _De Roovers van het Zwarte woud_ zag men de onschuld zoo schitterend bekroond, dat niemand er over in twijfel verkeeren kon, en de schuld gestraft op eene manier die indruk maken moest. Op het oogenblik dat alles verkeerd scheen te loopen kwamen de gendarmes, en als zij den verrader bij de kraag pakten en "in de wacht" sleepten, daverde het gebouw van toejuichingen.

Geen twijfel of dit drama zou ook in een krachtigen, eenvoudigen, taalkundig zuiveren stijl geschreven zijn, zonder bijmengsel van onverstaanbare uitdrukkingen en duistere wendingen, aan allerlei wetenschap ontleend, zooals de jongere tooneelschrijvers ze gaarne te pas brengen,--indien het namelijk een geschreven stuk was geweest. Maar het bestond niet in handschrift, want het was eene pantomime en als zoodanig kon het gespeeld worden op elk theater, in iedere plaats der oude en der nieuwe wereld. Dat is een groot gemak van zulke vertooningen in gebarentaal, waarbij nog komt dat het op die manier niet mogelijk is, eene enkele fout tegen de regelen der taal- of stijlleer te maken.

Ook hierop was van toepassing wat wij zooeven gezegd hebben: Cesar Cascabel was er de man niet naar om zulke fouten toetelaten, want niemand anders dan hij was de maker van het meesterstuk. Een meesterstuk mocht het wel genoemd worden. In de onderscheidene werelddeelen had het reeds drieduizend eenhonderdzeventig opvoeringen achter den rug. Er bestaat maar één stuk, _De Beer en de Schildwacht_, van het circus-Franconi, dat een hooger cijfer behaald heeft. Dit is dan ook het hoogste getal dat van eenige dramatische schepping geboekstaafd is, maar in letterkundige waarde staat dit paardenspeldrama buiten eenigen twijfel ver beneden _De Roovers van het Zwarte woud_.

Dit stuk was bovendien bepaaldelijk gemaakt om de onderscheidene talenten van den troep van Cascabel te doen uitkomen, en die talenten waren zoo degelijk en zoo veelzijdig, dat er geen tweede voorbeeld te vinden zou zijn van een dergelijk samenspel van zulke kunstenaars, door welken impresario ook, in vaste of in blijvende theaters aan het publiek voorgesteld.

De leermeesters der dramatische kunst gaan zeer terecht van dit beginsel uit: Laat de toeschouwers lachen of schreien, indien gij niet wilt dat zij gapen. Indien dit de grondslag is van alle tooneelpoëzie, dan verdient _De Roovers van het Zwarte woud_ ook in dit opzicht ten volle den naam van meesterstuk. Er worden tranen in gelachen en er wordt in geschreid--ook al met heete tranen. Er komt niet één tafereel, niet één stukje van een tafereel in voor, waarin de stugste toekijker een oogenblik behoefte krijgt om zijnen mond open te doen en te geeuwen. Of in het bijna ondenkbare geval dat hij daar lust in mocht hebben, als gevolg misschien van eene slechte spijsvertering, zou zijn geeuw aanstonds overgaan in eenen snik van ontroering of in eenen lach van pleizier.

De handeling was, even als in ieder welgebouwd stuk het geval is, duidelijk; er zat gang in: het was eenvoudig gedacht en geleidelijk uitgewerkt. Alles volgde logisch op elkander, zoo natuurlijk en geregeld, dat ieder denken moest dat het "waar gebeurd" was.

Om dit te doen beseffen, laten wij hier een overzicht volgen, dat alle verslaggevers wèl zullen doen zich tot voorbeeld te stellen.

Het behelsde de zeer treffende lotgevallen van twee jongelieden die smoorlijk op elkaar verliefd waren. Teneinde beter verstaan te worden, merken wij op dat Napoleona voor het meisje en Sander voor den verliefden jongeling speelde. Ongelukkig is Sander arm, en de moeder van Napoleona, de hoovaardige Cornelia, wil van hun huwelijk niets weten.

Er komt iets bij, dat nog nooit in eenig stuk vertoond is geworden, namelijk dat de liefde van deze twee gedwarsboomd wordt door een grooten lummel, Kruidnagel, rijk aan goed, maar arm naar den geest. Deze brandt van liefde voor Napoleona en wil haar trouwen. En de moeder--is dit niet vernuftig bedacht?--die geducht op de duiten is, verlangt niets liever dan den lummel de hand van hare dochter te geven.

Het is niet mogelijk eene verwikkeling op kunstiger manier inteleiden, noch haar belangwekkender te maken. Onnoodig te zeggen dat het uilskuiken van een Kruidnagel den mond niet open kan doen zonder iets zots te zeggen. Hij ziet er bespottelijk uit, opgeschikt als een gek, met een ellenlangen neus dien hij overal in steekt waar hij niet in noodig heeft. Als hij met zijne bruiloftsgeschenken aan komt dragen, waarbij John Bull, de aap, hem aangrijnst en Jako, de papegaai--de eenige persoon in het stuk die praat--hem uitscheldt, dan houdt ieder zijn buik vast van het lachen.

Maar dit lachen verstomt als men de diepe smart ziet van de twee jongelieden, die elkaar niet anders ontmoeten kunnen dan ter sluiks, met andere woorden: bij nacht en ontijden.

Juist is de dag aangebroken waarop het huwelijk voltrokken staat te worden, waar Cornelia haar kind gedwongen heeft in toe te stemmen. Napoleona heeft hare fraaiste kleederen aangetrokken, maar met een bloedend hart, de wanhoop in het gemoed. Is het niet iets verschrikkelijks, dit mooie meisje de prooi te zien worden van zoo'n hatelijken vogelverschrikker?