Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe
Chapter 14
--Die lieden heb ik op mijne beurt beluisterd terwijl zij samen over graaf Narkine aan 't praten waren. Maar zij weten daar niets van.
--Wie waren dat dan?
--Ortik en Kirschef.
--Zoo! Weten die het dus ook?
--Ja mijnheer Cascabel, zij zijn van alles op de hoogte. Zij weten dat mijnheer Sergius een staatkundig veroordeelde is, die in het geheim naar Rusland terugkeert om zijnen vader, prins Narkine optezoeken.
Cascabel stond, vreemd te kijken over hetgeen Kayette hem vertelde. Een tijdlang bleef hij sprakeloos, maar na eene poos nagedacht te hebben, hernam hij:
--Het spijt mij wel dat Ortik en Kirschef dit geheim ontdekt hebben, maar nu zij er bij toeval achter gekomen zijn, zullen zij het zeker niet verklappen.
--Zij zijn het niet bij toeval te weten gekomen, antwoordde Kayette, en zijn stellig voornemens het te verklappen.
--Dat geloof ik niet. Het zijn een paar brave zeelui!
--Mijnheer Cascabel, begon het meisje weder, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar.
--Wat zegt ge daar?
--Ortik en Kirschef zijn twee boosdoeners, die bij de rooversbende van Karnof in Amerika geweest zijn. Zij beiden hebben graaf Narkine op de Alaskische grens reeds naar het leven gestaan. Toen dit mislukt was, zijn zij te Port-Clarence scheep gegaan om naar de Siberische kust overtesteken, maar op de Liakhoff-eilanden terecht gekomen, waar wij hen aangetroffen hebben. Zij weten dat graaf Narkine zijn leven op het spel zet door in Rusland terug te komen; zij willen hem dus een gedeelte van zijn fortuin afpersen, en als hij weigert, verraden zij hem. Gebeurt dat, dan is mijnheer Sergius verloren en gij zelf misschien ook!
Cascabel was niet in staat een woord uittebrengen. Kayette vertelde hem nu uitvoerig hoe het kwam dat zij de twee matrozen van den aanvang af niet goed vertrouwd had. Zij had de stem van Kirschef wel degelijk méér gehoord; thans herinnerde zij het zich, het was dien nacht op de grens van Alaska, toen de twee roovers graaf Narkine en zijnen bediende overvielen, zonder toen nog te weten dat hij een russisch edelman was, die in Amerika eene schuilplaats gezocht had. Nu echter, een nacht of wat geleden, had Kayette hen beide, terwijl zij samen de wacht hielden bij den wagen, met een vreemden man zien heengaan. Zij was hen nageloopen en had het gesprek, dat zij met zeven hunner vroegere makkers voerden, afgeluisterd. Zij was nu op de hoogte van alles wat Ortik in zijn schild voerde. Hij had met opzet de _Schoone Zwerfster_ door den Petchora-pas geleid omdat hij overtuigd was daar andere bandieten te zullen aantreffen, en hij zou er niet tegen opgezien hebben mijnheer Sergius en de geheele familie Cascabel te vermoorden. Maar sedert hij vernomen had dat mijnheer Sergius niemand anders was dan graaf Narkine, had hij begrepen dat het voordeeliger zou zijn hem te dwingen om eene groote som gelds te betalen, teneinde niet aan de russische politie te worden verraden. Daarmede wilde Ortik echter wachten tot zij te Perm zouden zijn; hij noch Kirschef zouden zich met de zaak bemoeien teneinde hunne handen geheel vrij te hebben indien dit plan mislukken mocht. De andere roovers zouden mijnheer Sergius schriftelijk doen weten dat zij hem voor dringende zaken noodzakelijk spreken moesten.
Het kostte Cascabel niet weinig moeite zijne verontwaardiging te bedwingen terwijl Kayette dit verhaal deed. Zulke schavuiten, die hij op allerlei manieren geholpen, die hij uit de handen der wilden verlost, te eten gegeven en in hun land gebracht had! Nu, dat was een mooi paar onderdanen dat hij zijne majesteit den Czaar terug kwam brengen! Waren het nog engelschen geweest! Een paar gauwdieven meer of minder kwamen er voor Engeland niet op aan. Zulke ellendelingen! zulke gemeene bedriegers!
--Maar wat denkt gij nu te beginnen, mijnheer Cascabel? vroeg Kayette.
--Wat ik beginnen ga, Kwakkeltje? Wel, dat is heel eenvoudig. Bij de eerste kozakkenpost de beste die wij tegenkomen, vertel ik wie Ortik en Kirschef zijn, en dan worden ze allebei opgehangen.
--Gij zult u nog wel eens bedenken, mijnheer Cascabel, hernam het meisje. Dat zult gij zeker niet doen.
--En waarom niet?
--Omdat Ortik en Kirschef dan dadelijk graaf Narkine zullen verraden, en meteen degenen die hem behulpzaam zijn geweest om naar Rusland terugtekeeren, aan de politie zullen overleveren.
--Wat ons aangaat, wat kan mij dat schelen? riep Cascabel uit. Als het ons alleen betrof! Maar met mijnheer Sergius is het een ander geval. Gij hebt gelijk Kayette, wij moeten iets anders bedenken.
Hij was zeer opgewonden en blijkbaar niet dadelijk in staat zijn gedachten te verzamelen. Hij liep eenige oogenblikken op en neder en sloeg zich voor het hoofd om er een plan uit te halen. Toen bleef hij weder voor Kayette staan.
--Hebt gij mij niet gezegd, vroeg hij, dat het Ortik's plan was te wachten tot wij te Perm zijn en daar met die andere schurken te handelen?
--Ja mijnheer Cascabel, hij heeft hun uitdrukkelijk aanbevolen, vóór dien tijd niets te ondernemen.
--Dat is een hard geval, barstte Cascabel uit, een heel hard geval! Met zulke schavuiten samen te moeten reizen tot Perm toe, met hen te moeten praten en een vriendelijk gezicht tegen hen te moeten zetten! De duivel mag mij halen als ik geen lust heb hen bij den kraag te pakken en hen te pletter te slaan... zoo!... zoo!
En met zijne krachtige handen zwaaide hij en sloeg die op elkaar, alsof hij Ortik en Kirschef te pakken had en hen tegen elkaar sloeg, als de bekkens op eene turksche trom.
--Gij moet toch doen alsof gij er niets van weet, mijnheer Cascabel, hernam Kayette, en hen niets laten merken.
--Zeker, zeker meisje.
--Alleen zou ik willen weten of gij het raadzaam acht, mijnheer Sergius op de hoogte te brengen?
--Dat geloof ik niet, antwoordde Cascabel. Het lijkt mij verstandiger als wij alles vóór ons houden, want wat zou mijnheer Sergius er aan kunnen doen? Het is mijn plicht voor zijne veiligheid te waken en dat zal ik doen ook. Bovendien weet ik vooruit waar hij het eerst op bedacht zou zijn. Uit vrees van ons aan grooter gevaren bloot te stellen, zou hij in staat wezen terstond zijn eigen weg te gaan en ons alleen te laten trekken. In dat geval ware hij naar alle waarschijnlijkheid verloren en wij moeten er hem dus in het geheel niet over spreken.
--Maar zult gij Jan er ook niets van zeggen?
--Waar denkt gij aan Kayette? Jan is veel te driftig, hij zou zich in tegenwoordigheid van die twee gemeene schurken geen oogenblik in kunnen houden. Hij is niet zoo'n bedaarde man als zijn vader en hij zou bij de eerste gelegenheid de beste laten merken dat hij alles wist. Neen, Jan mag er evenmin iets van weten als mijnheer Sergius.
--En juffrouw Cascabel? Moet die ook niet op de hoogte gebracht worden? vroeg Kayette weder.
--Cornelia? Ja, dat is heel iets anders. Dat is eene heel bijzondere vrouw: die is altijd in staat om een goeden raad te geven en als het er op aankomt, ook een stevige hand uit te steken. Voor haar heb ik nog nooit iets geheim gehouden en bovendien weet zij even goed als ik dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.
--Juffrouw Cascabel moet het dus weten?
--Ja, met haar zal ik alles overleggen. Aan eene vrouw als zij kan men het gewichtigste staatsgeheim toevertrouwen. Zij zou het niet verklappen al dreigden zij haar hare tong aftesnijden en dat is toch wel het ergste wat eene vrouw kan overkomen! Zeker, zeker, ik zal er met haar over praten.
--Laat ons dan nu naar de _Schoone Zwerfster_ terugkeeren, hernam Kayette. Niemand mag er iets van merken dat wij samen gesproken hebben.
--Ge hebt volkomen gelijk, Kwakkeltje, ge hebt gelijk, zooals altijd.
--Maar mijnheer Cascabel, pas vooral op dat ge aan Ortik en aan Kirschef niets merken laat....
--Dat zal niet gemakkelijk gaan, maar wees maar niet ongerust, ik zal hen honing om den mond smeren. Zulke bandieten! Het is toch wat te zeggen, dat wij nog zoo'n tijd met hen in aanraking moeten blijven! Dat is dus de reden waarom zij mij verteld hebben dat zij ons de eer zullen aandoen van met ons mede te reizen tot Perm, en dat zij eerst van daar den tocht naar Riga zullen aanvangen. Zulke smeerlappen! De ergste schavuiten die er ooit geweest zijn, konden zich niet gemeener aanstellen!
Deze gedachte maakte Cascabel zóó woedend, dat hij al de boosdoeners, die hij in zijn leven ooit had hooren noemen, begon op te tellen: Papavoine, Lacenaire, Tropmann......
--Maar mijnheer Cascabel, viel Kayette hem in de rede, als dàt nu de manier is om u in bedwang te houden.....
--Neen, neen, Kwakkeltje, wees maar niet bang. Dat heeft mij lucht gegeven, want ik zou er anders in gestikt zijn. Ik had een gevoel alsof ik gewurgd werd, maar nu zal ik kalm worden. Ik ben al bedaard. Laat ons nu naar de _Schoone Zwerfster_ teruggaan. Zulke hondsvotten!
Zij keerden samen naar het dorp terug, maar praatten verder over niets. Er was dan ook stof genoeg om eene poos over na te denken. Dat zulk eene wonderbaarlijke reis als zij gedaan hadden, nu die zoo goed als afgeloopen was, nog mislukken moest door zulk eene onvoorziene teleurstelling!
Zij waren al in de nabijheid van den wagen, toen Cascabel staan bleef.
--Zeg eens, Kayette, begon hij.
--Wat is er, mijnheer Cascabel.
--Alles wel beschouwd, zal ik Cornelia toch ook niets vertellen.
--Waarom niet?
--Ja, hoe zal ik u dat uitleggen? Ziet ge, ik heb in het algemeen opgemerkt dat eene vrouw het best in staat is een geheim voor zich te houden als zij er in het geheel niets van weet. Daarom moet alles maar tusschen ons tweeën blijven.
Kayette begaf zich naar binnen om moeder Cascabel in het huishouden te helpen. Zij kwamen Kirschef voorbij en Cesar knikte hem vriendschappelijk toe, maar bij zichzelf dacht hij:
--Wat heeft die kerel een schelmengezicht!
Twee uren later kwamen de jagers terug en nu was de beurt aan Ortik, die met een prachtig hert op zijne schouders kwam aandragen, om in de hartelijkste bewoordingen door Cascabel welkom geheeten te worden.
Sergius en Jan hadden bovendien nog twee hazen en eenige koppels patrijzen geschoten, zoodat Cornelia in staat was een waar feestmaal aan te richten, waar haar echtgenoot zich terdege aan te goed deed. Die man was inderdaad ondoorgrondelijk. Hij liet niets merken van hetgeen er in hem omging en het was hem in het geheel niet aan te zien dat hij wist dat er twee moordenaars met hem aan tafel zaten, twee spitsboeven die niets minder in hun schild voerden dan hem en zijn geheele gezin te vermoorden. Hij was zelfs opgeruimder dan anders en wilde dat al de anderen in zijne vroolijke stemming zouden deelen; hij liet Kruidnagel eene fijne flesch opentrekken en hij dronk op hunne behouden terugkomst in Europa en op hunne spoedige aankomst in Frankrijk.
Den volgenden ochtend, den 10den Juli, werd de reis naar Perm voortgezet. Toen zij den bergpas uit waren, liet het zich aanzien dat de tocht verder zonder moeilijkheden en zonder buitengewone avonturen volbracht zou worden. De _Schoone Zwerfster_ hield den rechteroever van de Vischera, welke rivier langs den voet van het Oeral-gebergte stroomt. Den geheelen weg langs vonden zij stadjes, dorpen en alleenstaande boerenplaatsen, met vriendelijke menschen die hen goed ontvingen. Er was wild in overvloed en het weder, hoewel het zeer warm was, werd door een koelen wind uit het noordoosten opgefrischt. De rendieren stapten wakker voort, maar Sergius had bovendien in het laatste dorp een span paarden gekocht, die nu hielpen trekken, zoodat er bijna tien mijlen daags werden afgelegd.
Het was waarlijk een feestelijke intocht dien de karavaan op het grondgebied van het oude Europa deed, en er zou geen wolkje aan den hemel van Cascabel's geluk te zien geweest zijn indien hij geen twee struikroovers bij zich gehad had.
--En dan volgt die andere rooverbende ons nog op de hielen als jakhalzen achter eene karavaan, dacht hij bij zichzelf. Komaan Cesar Cascabel, gij moet weer eens toonen wat gij kunt en die schelmen er in laten loopen!
Het was intusschen maar jammer dat het zoo voortreffelijk uitgevoerde reisplan op deze manier weder geheel bedorven dreigde te worden. Cascabel's papieren waren nu volkomen in orde, Sergius maakte deel van den troep uit en de russische politiebeambten lieten hem zonder aanmerkingen door. Eenmaal te Perm aangekomen, zou hij alle gelegenheid hebben om, zoo dikwijls hij verkoos, naar het kasteel Walska te gaan, vervolgens zou hij, na zijnen vader weergezien en eenige dagen bij hem doorgebracht te hebben, zonder eenig bezwaar als kunstenmaker heel Rusland kunnen doortrekken en zich naar Frankrijk begeven, waar hij volkomen veilig zou wezen. Dan was er dus geen sprake van afscheid nemen en Kayette zoowel als hij konden bij de Cascabels blijven. Wie weet of er dan ook niet een middel te vinden ware geweest om den armen Jan gelukkig te maken. Waarlijk, de galg was nog te goed voor de booswichten die dit wel overlegde plan in duigen deden vallen! Als Cascabel daaraan dacht, dan gaf hij somtijds zijn gemoed lucht in verwenschingen, waar niemand, die niet in het geheim was, iets van begreep.
Cornelia vroeg hem dan ook eens:
--Wat scheelt er toch aan, Cesar, dat gij zoo te keer gaat?
--Mij scheelt niets, was zijn antwoord.
--Maar gij stelt u aan als een dolleman.....
--Ik stel mij aan als een dolleman, Cornelia, omdat ik anders werkelijk dol zou worden.
De wakkere vrouw wist niet wat zij van haren man denken moest.
Er gingen weder vier dagen voorbij. De _Schoone Zwerfster_ had een zestigtal mijlen achter den rug sedert zij het Oeral-gebergte verlaten hadden, en maakte nu in het stadje Solikamsk halt.
De rooverbende, waar Ortik zijne afspraak mede gemaakt had, was hier zeker reeds vóór de karavaan aangekomen, maar hij en Kirschef deden geene moeite om met de anderen in aanraking te komen.
Intusschen bevonden Rostof en zijne maats zich werkelijk in de stad. Zij waren voornemens dienzelfden nacht verder te gaan. Perm lag nog een mijl of zestig meer naar het Westen. Eenmaal daar aangekomen, konden zij hun misdadigen toeleg uitvoeren.
Den volgenden ochtend vroeg verlieten de Cascabels het stadje Solikamsk en den 17den Juli trokken zij de Koswa-rivier in de veerpont over. Over drie dagen rekenden zij, als er niets tusschen beide kwam, te Perm te zullen aankomen en daar hunne voorstellingen aantevangen, teneinde die op de kermis te Nisjni later voort te zetten. Dit behoorde tot het programma der merkwaardige "kunstreis," die zij bezig waren te doen.
Sergius verblijdde zich mede in het vooruitzicht dat hij spoedig het kasteel Walska, de plek zijner geboorte, terug zou zien, maar eene verklaarbare ongerustheid vermengde zich met zijne blijdschap en wanneer hij met Cascabel over de toekomst sprak, maakte hij van zijne bezorgdheid geen geheim. Sedert vele jaren had hij niet dan ongeregeld bericht van zijnen vader ontvangen en nu sedert dertien maanden, zoolang zijne avontuurlijke reis van de grens van Alaska naar Europa geduurd had, had hij niets meer van hem vernomen. Hoogbejaard als de prins was, bestond er maar al te veel kans dat zijn zoon hem misschien niet meer terug zou zien.
Daar wilde Cesar Cascabel echter niet van hooren.
--Komaan, mijnheer Sergius, zeide hij, maak u daar nu niet ongerust over. Prins Narkine is zoo gezond als gij en ik, daar sta ik voor in! Gij weet dat ik best voor waarzegger zou kunnen spelen, want de toekomst is evenmin voor mij verborgen als het verleden. Uw vader is in blakenden welstand en over weinige dagen zult gij hem terugzien.
Cascabel was hiervan zoo vast overtuigd dat hij er op had durven zweren, indien de plannen van Ortik en die andere booswichten hem niet in den weg gezeten hadden.
Daarom bromde hij bij zichzelf:
--Ik ben niet valsch van natuur, maar als ik dien schavuit tusschen mijne tanden kon stuk scheuren, zou ik het doen, en ik zou ook nog mijn best doen dat het niet te spoedig afgeloopen was!
Naarmate de _Schoone Zwerfster_ dichter bij Perm kwam, werd intusschen de ongerustheid van Kayette grooter. Wat zou Cascabel beginnen? Hoe zou het hem mogelijk wezen Ortik's plannen te verijdelen zonder de veiligheid van Sergius in de waagschaal te stellen? Zij wist geen antwoord op die vragen te bedenken en kon hare bezorgdheid niet voor de anderen verborgen houden, zoodat Jan, die wel bespeurde hoe angstig en gejaagd zij was, maar er de reden niet van doorgrondde, er heelemaal door van streek raakte.
In den ochtend van den 20sten juli trokken zij de Kama-rivier over en omstreeks vijf uren in den namiddag hielden zij hunnen intocht op de groote markt te Perm. Daar werden alle beschikkingen gemaakt om er verscheidene dagen te vertoeven.
Ortik haastte zich zijne maats kennis te geven van hunne aankomst. Een uur later had hij eenen brief van Rostof in handen, waarin Sergius verzocht werd wegens dringende aangelegenheden in eene afgelegen herberg te komen. Die brief moest zoo spoedig mogelijk overhandigd worden. Mislukte dit middel, dan zouden zij het op eene andere manier aanleggen.
Tegen het vallen van den avond echter, toen de brief aan de _Schoone Zwerfster_ bezorgd werd, bevond Sergius zich reeds op weg naar het kasteel Walska. Cascabel nam de boodschap aan en hield zich alsof hij er zeer verwonderd over was. Hij beloofde dat hij den brief aan Sergius zou overhandigen en sprak er verder met niemand over.
Het beviel Ortik maar half dat Sergius niet meer in den wagen was, want hij had zijne poging om hem in den strik te laten loopen liever gedaan vóór dat de banneling zijnen vader terug gezien had. Maar hij liet niets van zijne teleurstelling merken en toen hij met de anderen aan den avondmaaltijd plaats nam, vroeg hij alleen:
--Is mijnheer Sergius niet thuis?
--Neen, antwoordde Cascabel. Hij is de stad ingegaan om het noodige af te spreken met de stedelijke beambten voor de voorstellingen die wij hier willen geven.
--Zoo, en wanneer zou hij terug komen?
--In den loop van den avond, denk ik.
XIII.
EEN LANGE DAG.
Het gouvernement Perm strekt zich uit aan beide kanten van het Oeral-gebergte: het staat met eenen voet als het ware in Azië en met den anderen in Europa. Het wordt begrensd door het gouvernement Vologdia in het Noord-Westen, door het gouvernement Tobolsk in het Oosten, door het gouvernement Viatka in het Westen en door het gouvernement Orenburg in het Zuiden. Tengevolge dezer ligging vertoont de bevolking een zonderling mengsel van aziatische en europeesche volkenrassen.
Perm, de hoofdstad, met eene bevolking van zes duizend inwoners, ligt aan de Kama en is eene belangrijke handelsplaats, in metalen vooral. Tot korten tijd vóór het begin der 18e eeuw was het een onbeduidend gehucht, maar in 1723 werd er eene kopermijn in de nabijheid ontdekt, die eene bron van welvaart werd, en in 1781 werd het dorp tot eene stad verheven.
Intusschen verdient de plaats nog nauwelijks dien naam. Men vindt er geen gebouwen van eenige beteekenis, de straten zijn meerendeels nauw en smerig; de huizen zijn over het algemeen ongeriefelijk en wat de logementen aangaat, heeft nog nooit een reiziger in dat opzicht den lof van Perm gezongen.
Hoe de stad er uitzag, was echter de familie Cascabel tamelijk onverschillig. Zij had immers haar huis op wielen, dat haar beter aanstond dan het prachtigste logement en dat zij niet had willen verruilen voor het hotel St. Nikolas te New York of voor het Hotel Continental te Parijs.
--Denk eens aan, blufte Cesar Cascabel. Onze _Schoone Zwerfster_ is heelemaal van Sacramento naar Perm gekomen. Dat is geen kleinigheid, zou ik denken? Welk hotel in Parijs, in Londen, in Weenen of in New York is ooit daartoe in staat geweest?
Dat was een argument, waar geen mensch ter wereld iets tegen had kunnen inbrengen.
Dien dag was de stad Perm dus een "huis" rijker geworden, dat eene plaats op de groote markt had ingenomen, met toestemming van den burgerlijken gouverneur, wiens waardigheid overeenkomt met die van hoofd eener provincie of van een departement in andere landen. Deze hooggeplaatste beambte had de papieren van de familie Cascabel nagezien, en er niets verdachts aan opgemerkt.
De _Schoone Zwerfster_ had terstond bij hare aankomst niet weinig de nieuwsgierigheid gaande gemaakt. Een reiswagen, bespannen met eene kudde rendieren, komende uit het hart van Amerika en met eenen troep fransche kunstenmakers er in, zoo iets had nog nooit iemand beleefd. De slimme directeur begreep terstond dat hij van deze omstandigheden een voordeelig gebruik moest maken.
De kermis te Perm was juist in vollen gang en zou nog verscheidene dagen duren. Zonder eenigen twijfel viel er dus geld te verdienen. Maar dat was ook noodzakelijk, want hier te Perm en later te Nisjni moesten zij het vereischte geld zien bijeen te krijgen om de reis naar Frankrijk voort te zetten. Daar eenmaal aangekomen, zouden zij hun verdere lot maar weder aan Gods goedheid toevertrouwen, die hen trouwens nog nooit bedrogen had doen uitkomen.
Den volgenden dag, bij het krieken van den ochtend, toog ieder dus aan het werk. Jan, Sander, Kruidnagel en de twee matrozen hielden zich ijverig bezig met de toebereidselen voor de groote voorstelling. Sergius was nog niet terug, niettegenstaande hij beloofd had spoedig te komen, hetgeen Ortik alles behalve aanstond en waarover ook Cascabel zich eenigszins ongerust begon te maken.
Zoodra zij aangekomen waren was de voorstelling aangekondigd door middel van een aanplakbiljet, dat Sergius opgesteld had en waarop met groote, sierlijke letters het volgende te lezen stond:
DE FAMILIE CASCABEL.
FRANSCHE KUNSTENAARS. PAS AANGEKOMEN UIT AMERIKA.
Gymnastiek, groote toeren op de gespannen en de slappe koord, equilibristen, athleten, dansers en danseressen.
De heer CASCABEL, eerste athleet in alle vakken.
Mevrouw CASCABEL, de vrouwelijke Hercules, eerste prijs op den internationalen worstelstrijd te Chicago.
De heer JAN, equilibrist in alle vakken.
De heer SANDER, gymnastische toeren van allerlei aard.
De jongejuffrouw NAPOLEONA, eerste danseres in alle vakken.
De heer KRUIDNAGEL, eerste paljas in alle vakken.
JAKO, papegaai, in alle vakken.
JOHN BULL, aap, in alle vakken.
WAGRAM en MARENGO, geleerde honden, in alle vakken.
HET WONDER DER KUNST:
DE ROOVERS VAN HET ZWARTE WOUD,
_pantomime met bruiloft en huwelijk, verrassing en ontknooping. Met uitbundigen bijval drieduizend zeventig maal opgevoerd in alle steden van Europa en andere werelddeelen_.
MEN GELIEVE WEL ACHT TE GEVEN dat aangezien er in deze pantomime in het geheel niet gesproken, en het gesproken woord vervangen wordt door duidelijk verstaanbare gebaren, dit meesterstuk van dramatische kunst door iedereen genoten kan worden, zelfs door personen die aan ongeneeslijke doofheid lijden.
Teneinde het publiek niet lastig te vallen kan ieder zonder te betalen binnenkomen en zal het entreegeld voor elke plaats eerst opgehaald worden nadat alle toeschouwers gezeten zijn.
_Prijs op alle rangen_: 40 _Kopeken de persoon_.
In gewone omstandigheden gaf Cascabel zijne voorstellingen in de open lucht, waartoe er vóór de _Schoone Zwerfster_ een zeil gespannen werd dat eene cirkelvormige ruimte omsloot. Toevallig echter stond er op de groote markt te Perm een houten circus, waar anders paardrijders hunne vertooningen gaven. In bijzonder gaven staat bevond dit getimmerte zich niet, het had van weer en wind geleden en het dak boven de zitplaatsen was niet waterdicht; maar het zat nog stevig in elkaar en kon een paar honderd of misschien tweehonderd vijftig personen bevatten.
Zooals het was vond Cascabel dit gebouw beter voor zijne vertooning geschikt dan zijne zeildoeksche tent; hij vroeg dus den burgemeester verlof om er gedurende zijn verblijf te Perm gebruik van te maken en dit verzoek werd met groote welwillendheid toegestaan.