Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 13

Chapter 134,006 wordsPublic domain

Den volgenden ochtend werd de tocht voortgezet door den steeds steiler en nauwer wordenden bergpas. Het was dezelfde vermoeiende arbeid als den vorigen dag, en zij vorderden op dezen dagmarsch niet meer dan twee of drie mijlen. Dit viel hun echter niet bijzonder tegen, want zij hadden op eenig oponthoud gedurende hunnen tocht door het gebergte gerekend.

Verscheidene malen kwam het voor dat Sergius en Jan gelegenheid hadden een prachtig stuk wild, in de valleien en kloven welke in den pas uitkwamen, onder schot te krijgen. Dikwijls zagen zij de elanden, de herten en de hazen bij troepen voorbijrennen en Cornelia zou met een stuk versch gebraad niet weinig in haar schik geweest zijn; maar helaas, al het kruit en lood was op de wolven verschoten en vóor dat zij aan eene bewoonde plaats kwamen, was er geene gelegenheid om den voorraad aan te vullen. Er kon dus geen schot gedaan worden en het was grappig om te zien hoe verbaasd Wagram telkens zijnen baas aankeek, als wilde hij vragen:

--Hoe is het, wordt er in het geheel niet meer gejaagd?

Bij eene andere gelegenheid zouden zij hunne wapens nog beter hebben kunnen gebruiken.

Dat was tegen drie uur des middags, terwijl de _Schoone Zwerfster_ tegen de steenachtige helling langzaam vooruitkwam. Aan den anderen kant van het riviertje liet zich op eens een groote beer zien, die door de honden met een woedend geblaf begroet werd. Het beest stond op zijne achterpooten overeind en schudde met zijn grooten kop, als dacht hij er over na wat dat voor eene vreemde vertooning was die hem in zijne eenzaamheid kwam storen.

Had hij kwade bedoelingen? Was het alleen uit nieuwsgierigheid, of kwam er schrokkigheid bij, dat hij de karavaan zoo nauwkeurig stond optenemen?

Jan had de honden tot zwijgen gebracht en hield ze vast, want het was geen zaak zulk een geduchten vijand, ongewapend als zij waren, noodeloos in het harnas te jagen. Het riviertje had hij gemakkelijk kunnen overkomen, en het was veiliger hem geen aanleiding te geven om de plek te verlaten waar hij zich bevond.

De twee partijen keken elkaar dus rustig aan doch lieten elkander ongemoeid, even als twee reizigers wier pad zich kruist. Echter kon Cascabel niet nalaten te zeggen:

--Hoe jammer dat wij dezen bruinen vriend uit het Oeral-gebergte niet mêe kunnen nemen! Wat zou hij een prachtig figuur bij den troep maken!

Er was echter geen gelegenheid om den beer een engagement in den troep aantebieden. Het beest gaf trouwens blijkbaar aan zijn zwervend bestaan in de bosschen de voorkeur boven het reizen op kermissen. Hij schudde nog een paar keer zijn grooten kop en verdween toen op een drafje tusschen de boomen.

Sander kon hem zóó niet laten gaan en nam onderdanig zijn hoed voor hem af, maar Jan zou hem vrij wat liever een geweerkogel achterna gestuurd hebben.

Tegen zes uur 's avonds werd er ongeveer onder dezelfde omstandigheden als den vorigen avond halt gehouden. Den volgenden ochtend werd de bezwaarlijke tocht te vijf uur hervat. Het ging op dezelfde manier voort: veel vermoeienis maar geen ongelukken.

Zij hadden nu echter het ergste achter den rug, want zij waren met de _Schoone Zwerfster_ op het hoogste punt gekomen, daar waar de pas den bergketen snijdt. Van hier af ging het bijna voortdurend naar beneden, altijd in westelijke richting, tot dat zij aan den kant van Europa in de vlakte zouden aanlanden.

Dit was op den avond van den 6den Juli. De trekbeesten waren dood-af en konden niet verder. Er werd halt gehouden aan den ingang eener bochtige kloof, die ter rechterzijde door een dicht woud begrensd werd.

Het was den geheelen dag drukkend warm geweest. In het Oosten hing eene dikke wolkenmassa, aan den benedenkant als met een mes afgesneden, wier donkere tint scherp afstak tegen eene lichtgrijze streep aan den gezichteinder.

--Het ziet er uit alsof wij onweder zullen krijgen, merkte Jan op.

--Dat is onpleizierig genoeg, antwoordde Ortik, want hier in het Oeral-gebergte valt er met de onweders niet te spotten.

--Welnu, dan moeten wij ergens zien te schuilen, zeide Cascabel. Ik ben minder bang voor een onweder dan voor wolven.

--Kayette, vroeg Napoleona aan het Indiaansche meisje, zijt ge bang voor den donder?

--Wel neen, meidlief, antwoordde Kayette.

--Daar heeft Kayette groot gelijk in, zeide Jan. Het is dwaas, daar bang voor te zijn.

--Je hebt goed praten, hernam Napoleona terwijl zij hare schouders ophaalde. Wat zal men er aan doen als men bang is?

--Kijk zoo'n bange meid eens! riep Sander. Maar uilskuiken, er is niets geen verschil tusschen het rollen van den donder en dat van de ballen bij het kegelen.

--Jawel, maar het lijken wel ballen van vuur, die u naar het hoofd geslingerd worden, zeide het kind en kneep hare oogen toe voor een fellen bliksemstraal.

Zoo haastig mogelijk werd alles voor den nacht in gereedheid gebracht, zoodat zij vóór dat het begon te stortregenen allen onder dak waren. Toen de avondmaaltijd afgeloopen was, werd er afgesproken dat de mannen, evenals in de voorafgaande nachten, om beurten de wacht zouden houden.

Sergius wilde de eerste wacht doen, maar Ortik kwam hem voor door te vragen:

--Vindt gij het goed dat wij samen, Kirschef en ik, dezen nacht beginnen?

--Zooals gij wilt, antwoordde Sergius. Te middernacht zullen Jan en ik u komen aflossen.

--Dat is dus afgesproken, mijnheer Sergius, zeide Ortik.

Hier scheen niets achter te kunnen steken, maar toch vertrouwde Kayette de zaak niet. Zonder zich van haar vermoeden rekenschap te kunnen geven, was het haar alsof de twee matrozen iets kwaads in den zin hadden.

Het onweder was nu in volle hevigheid losgebarsten. Tusschen het bladerendak der boomen lichtte ieder oogenblik de bliksem; hoog boven hunne hoofden ratelde de donder, die door de bergwanden in alle richtingen honderdvoudig herhaald werd.

Napoleona was reeds in haar bed gekropen en stopte hare oogen en ooren onder de lakens. Ieder volgde spoedig haar voorbeeld en tegen negen uur verkeerde alles in de _Schoone Zwerfster_ in diepe rust, ondanks het geraas der donderslagen en het gehuil van den storm.

Kayette kon echter den slaap niet vatten. Zij had zich niet uitgekleed en ofschoon zij zeer moede was, bleef zij wakker liggen. De gedachte dat hun aller veiligheid was toevertrouwd aan die twee russen, liet haar geen oogenblik met rust. Na zich een uur lang slapeloos op haar bed te hebben rondgewenteld, besloot zij zich te overtuigen wat die twee uitvoerden. Zij lichtte het gordijntje van het raampje boven hare slaapplaats op en keek bij het licht der bliksemstralen naar buiten.

Zij zag dat Ortik en Kirschef samen stonden te praten. Op eens hielden zij echter stil en deden een pas of wat in de richting van de kloof, waar op dit oogenblik een man zich tusschen de boomen vertoonde.

Ortik gaf door een teeken den onbekende te verstaan dat hij niet dichter bij moest komen om de honden niet wakker te maken. Dat Wagram en Marengo niet reeds aangeslagen hadden, kwam door dat zij binnen de _Schoone Zwerfster_ voor het noodweder waren komen schuilen.

Ortik en Kirschef gingen den vreemdeling tegemoet en wisselden eenige woorden met hem. Toen zag Kayette dat zij met hun drieën onder de boomen verder gingen.

Wat kon dat voor een kerel zijn? Wat hadden de twee matrozen met hem te bepraten? Tot elken prijs wilde Kayette daar achter komen.

Het meisje liet zich uit hare slaapplaats glijden, zachtkens, zoodat niemand er wakker van werd. Op het oogenblik toen zij voorbij Jan kwam, hoorde zij hem haren naam noemen.

Zou hij haar gezien hebben?

Neen, hij droomde.... hij droomde van Kayette!

Zij sloop naar de deur, opende die en sloot haar zachtkens achter zich toe, steeds zorg dragende dat zij geen leven maakte.

Eenmaal buiten zijnde scheen zij te aarzelen, maar het duurde slechts een oogenblik.

--Komaan! zeide zij halfluid.

Hare vrees had niet langer dan eene sekonde geduurd. Zij wist dat zij haar leven op het spel zette, dat de twee booswichten haar niet zouden sparen indien zij bespeurden dat zij bespied werden. Maar zij was moedig en vastberaden.

Kayette sloop voort tusschen de boomen, waaronder het donker was zoo lang een bliksemstraal niet alles met een rossen gloed overgoot. Zij liep gebukt voort onder het kreupelhout en tusschen het hooge gras, totdat zij achter den stam van een zwaren lorkeboom bleef staan. Een twintigtal schreden van zich af hoorde zij eenige mannen praten.

Zij waren met hun zevenen. Ortik en Kirschef voegden zich juist bij hen. Zij stonden in een troepje bij elkaar onder de boomen.

Het gesprek werd in het russisch gevoerd. Kayette had dus geen moeite om alles wat zij zeiden te verstaan.

--Het doet mij pleizier, begon Ortik, dat ik den Petchora-pas de voorkeur gegeven heb. Ik dacht wel dat ik hier kennissen vinden zou. Niet waar Rostof?

Rostof was de kerel, dien Kayette het eerst in de nabijheid van den wagen gezien had.

--Sedert twee dagen volgen wij den wagen, antwoordde Rostof, maar wij passen op dat niemand ons in het oog krijgt. Wij hebben u en Kirschef terstond herkend en dachten dus wel dat er een goede slag te slaan zou zijn.

--Eén zeker, zeide Ortik, en misschien wel twee.

--Maar waar komt gij van daan? vroeg Rostof.

--Uit het hartje van Amerika, waar wij een heelen tijd bij de bende van Karnof geweest zijn.

--Wat zijn dat voor lieden daar gij nu bij zijt?

--Dat zijn fransche kunstenmakers, eene zekere familie Cascabel die op reis is naar Europa. Wij zullen u later wel alles vertellen wat wij ondervonden hebben. Thans is er geen tijd om veel te praten.

--Is er geld in den wagen? vroeg een van de andere roovers.

--Nog twee- of drieduizend roebels ongeveer.

--Waarom hebt gij nog geen hartelijk afscheid van die brave menschen genomen? vroeg Rostof op spottenden toon.

--Daar hadden wij goede redenen voor, want er valt nog vrij wat meer te verdienen dan dit armzalige sommetje. Maar om dàt te kunnen doen, hebben wij hulp noodig.

--Wat is dat voor een buitenkansje?

--Dat zal ik u zeggen, vrienden, hernam Ortik. Dat Kirschef en ik zonder bezwaar door Siberië heengetrokken en hier op de russische grens gekomen zijn, hebben wij aan die Cascabels te danken. Maar er is nog iemand in het gezelschap die hetzelfde gedaan heeft, wel wetende dat geen sterveling hem onder eenen troep koorddansers zou zoeken. Dat is een rus, wien het evenmin als ons vergund is in zijn land terug te komen, maar om andere redenen, want het is een staatkundige veroordeelde van voorname familie, een schatrijk heer. Cascabel en zijne vrouw zijn de eenigen die weten wie hij is, maar wij tweeën zijn er ook achter gekomen.

--Hoe hebt gij dat ontdekt?

--Op eenen avond te Mouji, waar wij een gesprek tusschen Cascabel en den rus hebben afgeluisterd.

--Wie is het dan eigenlijk?

--Mijnheer Sergius wordt hij door ieder genoemd, maar hij heet graaf Narkine. Wordt hij op russisch grondgebied ontdekt, dan kan het hem zijn leven kosten.

--Wacht even, zeide Rostof. Die graaf Narkine, kan dat niet een zoon zijn van Prins Narkine, die een jaar of wat geleden naar Siberië verbannen en van daar ontvlucht is? Dat geval heeft destijds een heele opschudding gemaakt.

--Diezelfde is het, bevestigde Ortik. Welnu, die graaf Narkine heeft, behalve zijn leven, heel wat millioenen voor het verliezen en hij zal er ons wel één van willen afstaan als dat het eenige middel is om niet aan de politie verklapt te worden.

--Dat is niet kwaad bedacht, Ortik. Maar waartoe hebt gij onze hulp noodig om dat plan ten uitvoer te brengen?

--Omdat het noodzakelijk is, dat Kirschef en ik ons niet in die geschiedenis van Sergius mengen, wanneer wij, indien dit plan mislukken mocht, nog eenige kans willen overhouden om den anderen slag te slaan. Teneinde ons van het geld en van den reiswagen der Cascabel's, met alles wat daar in is, te kunnen meester maken, moeten zij niet beter weten of wij zijn twee russische schipbreukelingen, die aan hen hunne redding te danken hebben. Wij willen dus den heelen troep naar de andere wereld helpen. Daarna kunnen wij veilig overal heentrekken waar wij willen, zonder dat de politie vermoeden kan dat wij iets anders zijn dan reizende kunstenmakers.

--Vindt gij het goed, Ortik, dat wij nog dezen nacht den wagen overvallen en ons van graaf Narkine meester maken om hem te doen weten op welke voorwaarden wij hem hier in Rusland met rust willen laten?

--Geduld wat! antwoordde Ortik, Graaf Narkine is van plan naar Perm te gaan om zijn ouden vader op te zoeken. Laat hem dus eerst dáár wezen, en eenmaal te Perm zullen wij hem eene boodschap doen toekomen, een klein briefje, waarin hij wegens dringende redenen verzocht wordt ons een onderhoud toe te staan. Op die manier zult ge daar het voorrecht hebben van kennis met hem te maken.

--Dus valt er op het oogenblik niets te doen?

--Volstrekt niets, zeide Ortik. Zorgt gij maar dat ge een weinig vóór ons te Perm komt, zóó dat ge ons daar af kunt wachten.

--Dat blijft afgesproken, antwoordde Rostof.

De booswichten gingen hierna uiteen zonder dat iemand van hen vermoedde dat hun gesprek was afgeluisterd.

Eenige oogenblikken nadat Kayette weder in den wagen was gegaan, kwamen ook Ortik en Kirschef daar terug. Zij hadden er niets van bemerkt dat iemand hen bespied had.

Kayette kende dus nu het plan der onverlaten, en tegelijk was zij te weten gekomen dat Sergius, haar beschermer, graaf Narkine heette en dat zijn leven, evenals dat van al zijne reisgenooten, van de twee booswichten afhing. Stond hij niet een deel van zijn vermogen aan de roovers af, dan zouden zij hem verraden.

Geheel van haar stuk gebracht door alles wat zij vernomen had, moest Kayette eenigen tijd nadenken vóór dat zij tot een vast plan komen kon. Zij was besloten Ortik's voornemen te verijdelen, maar moest een middel bedenken om daarin te slagen. Zij bracht een slapeloozen nacht door met het beramen van allerlei plannen en twijfelde dikwijls nog of alles wat haar door het hoofd ging werkelijkheid en niet maar een benauwde droom was.

Het was echter maar al te waar en zij behoefde daar niet langer aan te twijfelen, toen zij den volgenden ochtend, nadat het ontbijt afgeloopen was, Ortik tegen Cascabel hoorde zeggen:

--Gij weet dat Kirschef en ik voornemens zijn geweest, zoodra wij het Oeral-gebergte overgetrokken waren, onzen eigen weg te gaan en ons rechtstreeks naar Riga te begeven. Maar bij nader inzien lijkt het ons beter dat wij ook naar Perm gaan en den gouverneur daar verzoeken ons de middelen te verschaffen om naar onze woonplaats terug te keeren. Hebt gij er niet tegen dat wij de reis met u voortzetten?

--Met alle genoegen, mijne vrienden, was Cascabel's antwoord. Als men zoo'n eind samen gereisd heeft, moet men niet vóór dat het noodig is uit elkander gaan, want het oogenblik van scheiden komt altijd nog te vroeg.

XII.

EINDE VAN DE REIS, MAAR NIET VAN DE GESCHIEDENIS.

Op hetzelfde oogenblik dus, dat graaf Narkine en de familie Cascabel hun lange en gevaarvolle reis achter den rug hadden, en zij van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen dachten uit te rusten, dreigde een verraderlijk komplot hen met grooter gevaren dan ooit te voren. Nog een paar dagen en zij zouden het Oeral-gebergte over zijn. Dan nog een honderdtal mijlen in zuidwestelijke richting door eene vlakke streek, en de _Schoone Zwerfster_ zou te Perm aankomen.

Wij weten dat Cascabel voornemens was in die stad eenige dagen te vertoeven, teneinde het Sergius gemakkelijk te maken om iederen nacht naar het slot Walska te gaan, zonder dat hij gevaar liep door iemand herkend te worden. Naarmate van de omstandigheden, kon hij dan bij prins Narkine blijven of met de _Schoone Zwerfster_ verder gaan naar Nisjni, of misschien heelemaal naar Frankrijk.

Besloot hij echter te Perm te blijven, dan zou het oogenblik daar zijn om afscheid te nemen van Kayette, want die zou hij zeker niet van zich laten gaan.

Deze gedachte vervolgde Jan en zij maakte hem iederen dag meer bedroefd en terneergeslagen. Zijne ouders, zijn broeder en zijn zusje bemerkten zijn verdriet en deelden het van harte. Niemand hunner kon er aan denken dat zij Kayette zouden moeten achterlaten.

Dien ochtend was Jan mismoediger dan ooit. Hij zocht het Indiaansche meisje op en vond dat zij er slecht uitzag, een natuurlijk gevolg van den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht had.

--Scheelt er iets aan Kayette? vroeg hij.

--Neen Jan, antwoordde zij, ik ben heel wel.

--Dat is zeker niet waar. Ge ziet er uit of ge niet geslapen hebt. Of hebt ge geschreid, Kayette-lief?

--Och dat komt van dat onweder van gisteren. Ik heb werkelijk van nacht niet best geslapen.

--Onze lange reis valt u misschien te zwaar?

--Mij Jan? Wel neen, ik ben immers sterk genoeg en aan allerlei ontberingen van mijne jeugd af gewend. Het zal wel weer overgaan.

--Er is toch iets niet goed met u Kayette, dat zie ik wel! Ik bid u, zeg mij wat het is?

--Ik mankeer niets, Jan.

Jan meende nu niet verder aan te mogen dringen.

Toen zij zag hoe ongerust de arme jongen zich maakte, was Kayette op het punt hem alles te zeggen. Zij kon het bijna niet uitstaan dat zij iets voor hem geheim moest houden. Maar hij was driftig en onverschrokken van aard, zoodat het niet zeker was dat hij zich in tegenwoordigheid van Ortik en Kirschef zou kunnen inhouden. De minste onvoorzichtigheid kon voor graaf Narkine een groot gevaar doen ontstaan, zoodat Kayette het beter vond alles voor zich te houden.

Na over alles goed nagedacht te hebben, besloot zij Cesar Cascabel zelven te vertellen wat zij vernomen had. Hiertoe was het echter noodig dat zij hem alleen te spreken kon krijgen en zoolang zij nog niet uit den bergpas waren, ging dit niet gemakkelijk want de twee russen mochten er niets van merken.

Oogenblikkelijke haast bestond er trouwens niet, want de booswichten waren niet van plan iets te beginnen vóór dat onze reizigers te Perm waren aangekomen. Zoo lang Cascabel en de andere reisgenooten hen op denzelfden voet bleven behandelen, konden zij niet vermoeden dat er iemand iets van hunne plannen wist. Toen Sergius vernam dat Ortik en Kirschef voornemens waren den tocht tot Perm mede te maken, had hij hun niet onduidelijk te kennen gegeven dat hem dit genoegen deed.

Te zes uur 's morgens van den 7den juli stelde de _Schoone Zwerfster_ zich weer in beweging. Een uur daarna kwamen zij aan de bronnen uit welke de Petchora ontspringt, naar welke rivier deze bergpas haren naam draagt. Zoodra zij buiten het gebergte treedt, zwelt zij gaandeweg tot eene van de aanzienlijkste rivieren in noordelijk Rusland. Na eenen loop van dertienhonderd vijftig kilometer, stort zij zich in de Noordelijke IJszee.

Op de hoogte waar zij zich bevonden was de Petchora echter nog maar een wilde bergstroom, die door een rotsachtig bed, langs denne-, berke- en lorkebosschen, zich den weg naar beneden baant. Zij hadden slechts den linkeroever te houden om van zelf het einde van den pas te bereiken, en wanneer zij een weinig voorzichtigheid gebruikten op de steilste hellingen, kon het dalen geen bijzondere moeielijkheid meer opleveren.

Dien dag kon Kayette geen gelegenheid vinden om Cascabel onder vier oogen te spreken. Zooveel zij na kon gaan hielden de twee russen thans geen afzonderlijke gesprekken meer en verwijderden zij zich niet meer onder een of ander voorwendsel wanneer er rust gehouden werd. Het was duidelijk dat zij niets meer af te spreken hadden, dat hunne medeplichtigen reeds vooruit waren en zij er op rekenden elkander te Perm weder te zullen ontmoeten.

Den volgenden dag maakten zij een flinken marsch. De weg werd gaandeweg breeder en gemakkelijker te berijden. Tusschen de steile oevers hoorden zij de Petchora in de diepte over hare steenen bedding bruischen. De bergpas werd minder wild en minder verlaten; zij kwamen enkele marskramers tegen, op reis naar Siberië, met hunne koopwaar op den rug en eenen met ijzer beslagen stok in de hand. Zij ontmoetten ook troepjes mijnwerkers, die uit de mijnen kwamen of er heen gingen, en wisselden eenen groet met deze lieden. Aan het einde eener vallei zagen zij hier en daar eene boerenwoning of een gehucht van enkele huizen. De hooge toppen van de Denejkin- en de Kontchakov-bergen vertoonden zich in het Zuiden.

Na een rustigen nacht kwam de _Schoone Zwerfster_ tegen den middag aan het uiteinde van den Petchora-pas. Eindelijk had dus onze karavaan het doel van haren tocht bereikt en bevond zij zich in Europa.

Nog driehonderdvijftig wersten, niet meer dan een honderdtal mijlen, en de stad Perm zou--zooals Cascabel zeide--"een huis en een gezin méér binnen hare muren bevatten".

--Oef! voegde hij er met een zucht van verlichting bij, ik ben toch blij dat wij dat reisje achter den rug hebben! Heb ik nu geen gelijk gehad? Wij zien alweder dat alle wegen naar Rome leiden. Wij zijn aan den verkeerden kant in Europa gekomen, dat is al. Maar wat komt het er op aan? Nog eene korte poos en wij zijn in Frankrijk!

Het scheelde niet veel of de levenslustige man had staande gehouden dat hij de Normandische lucht al inademde en hij aan den voet van het Oeral-gebergte, de zeelucht reeds begon te ruiken.

Aan het einde van den bergpas stond een dorpje van een vijftigtal huizen en een honderd of wat inwoners.

Zij besloten hier tot den volgenden dag te blijven en er hunnen voorraad meel, vet, thee en suiker aan te vullen.

Sergius en Jan maakten ook terstond van de gelegenheid gebruik om kruit en lood en andere benoodigdheden voor de vuurwapens aanteschaffen.

Zoodra zij hierin geslaagd waren, gingen zij op weg.

--Vooruit vriend Jan! riep Sergius. Er zal hier wel iets te jagen vallen en wij zullen niet platzak thuis komen.

--Zooals gij wilt, antwoordde Jan, meer omdat het hem gevraagd werd dan uit eigen liefhebberij.

De arme jongen had geene gedachte voor iets anders dan voor de op handen zijnde scheiding. Hij had nergens lust in.

--Gaat gij met ons mede, Ortik? vroeg Sergius.

--Gaarne, antwoordde de matroos.

--Als gij uw best doet om wat goeds medetebrengen, riep moeder Cascabel hen na, dan zal ik voor een lekker maal zorgen.

Het was pas twee uren en de jagers hadden dus nog een goeden dag vóór zich. Het gehucht lag omringd van wouden en uitgestrekte vlakten, en het zou wel een wonder zijn als er hier niet een goed jachtveld te vinden was.

Sergius, Jan en Ortik verwijderden zich. Kirschef en Kruidnagel waren met de rendieren bezig. De beesten moesten in een weiland onder de boomen gebracht worden, waar zij konden grazen en uitrusten.

Cornelia was intusschen in den wagen gegaan, waar altijd het een of ander schoontemaken viel. De anderen hoorden haar roepen:

--Napoleona, waar zit ge?

--Hier ben ik, moeder.

--Is Kayette daar ook?

--Ik zal dadelijk komen, juffrouw Cascabel.

Dat was echter eene gelegenheid die zij niet voorbij wilde laten gaan om met Cascabel ongestoord te kunnen praten.

--Mijnheer Cascabel, begon zij.....

--Wat is er Kwakkeltje?

--Ik zou u gaarne eens willen spreken.

--Wel zoo. Nu spreek maar op!

--Ja maar, heel in vertrouwen......

--Zoo, is het zulk een geheim?

--Wat zou het Kwakkeltje willen? dacht Cesar bij zich zelf, Zou zij mij misschien iets te zeggen hebben over mijn armen Jan?

Zij gingen samen een klein eind buiten het dorp, terwijl Cornelia in den wagen aan het werk toog.

--Welnu meisjelief, begon Cascabel weder, wat hebt gij mij te vertellen en wat is er voor een verschrikkelijk geheim?

--Mijnheer Cascabel, antwoordde Kayette, sedert drie dagen wilde ik een gesprek met u hebben, maar niemand mocht ons kunnen beluisteren of zelfs er iets van merken.

--Het is dus iets heel gewichtigs dat gij mij hebt medetedeelen?

--Mijnheer Cascabel, ik weet dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.

--Wat zegt ge daar? Graaf Narkine? Wel zoo, en hoe zijt ge daar achter gekomen?

--Ik heb het gehoord van lieden die u beluisterd hebben toen ge met mijnheer Sergius te Mouji op eenen avond in gesprek waart.

--Is het mogelijk!