Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 12

Chapter 123,963 wordsPublic domain

Gedurende de eerstvolgende dagen hadden zij andermaal veel hinder van de warmte. De eerste golvingen van het Oeral-gebergte begonnen zich reeds te vertoonen en het was voor de rendieren een zwaar werk, den wagen over dezen ongelijken grond voort te krijgen. De hitte was voor deze beesten niet uit te houden en het zou misschien beter geweest zijn ze door paarden te vervangen; maar Cascabel hechtte nu eenmaal aan zijn denkbeeld om te Perm een schitterenden intocht te houden in eenen wagen bespannen met twintig rendieren.

Den 28sten Juni, nadat zij van de Obi af zeventig mijlen had afgelegd, kwam de _Schoone Zwerfster_ in het stadje Verniky. Daar moesten de papieren weder nagezien worden, hetgeen zonder eenige op- of aanmerking plaats had. Vervolgens ging de tocht verder, recht op het Oeral-gebergte af, waarvan de toppen van de Telpoes en de Nintchour zich in de verte tot eene hoogte van twaalf en zestien honderd meter verhieven. Zij kwamen niet snel vooruit en toch was er geen tijd meer te verliezen indien het gezelschap nog te Perm wilde aankomen op het tijdstip dat de kermis daarin vollen gang was.

Met het oog op de voorstellingen die hij voornemens was te geven, stond Cascabel er thans op dat zij allen zich geregeld weder oefenden. De goede naam aller fransche koorddansers, turners, equilibristen, clowns en kunstenmakers in het algemeen, en die der familie Cascabel in het bijzonder mocht niet op het spel gezet worden. Daarom hield hij er de hand aan, dat ieder lid van den troep elken avond, zoodra er niet verder gereisd werd, eene flinke repetitie hield van alles wat hij te vertoonen had. Ook Sergius verzuimde dit niet en werkte ijverig om een meester te worden in de kunsten met de kaart en andere goochelarijen, waar hij inderdaad aanleg voor toonde.

--Wat een kunstenmaker steekt er in u! zeide zijn leermeester, bij iedere gelegenheid dat hij iets nieuws geleerd had.

Den 3den Juli maakte de _Schoone Zwerfster_ voor den nacht halt op eene open plek in een bosch van berke-, denne en lorkeboomen, waar de hooge toppen van het Oeral-gebergte zich boven verhieven.

Den volgenden dag zou, naar de aanwijzingen van Ortik en Kirschef, de tocht aangevangen worden door een der passen van het gebergte. Er waren dus, zoo al geen onoverkomelijke bezwaren, toch eenige vermoeiende dagreizen te voorzien, zoo lang zij het hoogste punt van den pas niet overgetrokken waren.

Dit gedeelte van de grens stond bekend als druk bezocht door smokkelaars en landloopers; het was er dus niet bijzonder veilig en er moesten bijzondere maatregelen van voorzorg tegen mogelijke onaangename ontmoetingen genomen worden.

Gedurende den avond werd er over dit een en ander beraadslaagd. Ortik verzekerde dat de weg, dien hij voorstelde te volgen, dat was over den Petchora-pas, een van de best begaanbare in het gebergte was. Hij was er bekend omdat hij er reeds eenmaal doorheen getrokken was, toen hij en Kirschef de reis gemaakt hadden van Archangel naar de IJszee, waar zij hun schip, de _Seraski_ gingen opzoeken.

Terwijl Sergius en Ortik hierover van gedachten wisselden, werd de avond-maaltijd door Cornelia, Napoleona en Kayette gereed gemaakt. Een flink stuk hertenvleesch hing boven een vuur tusschen de boomen te roosteren terwijl er een rijsttaart op eene pan boven de gloeiende kolen stond te bakken. Een appetijtelijke geur verspreidde zich buiten deze tijdelijke kookplaats, zoodat zij er allen trek van kregen.

--Ik denk dat er van avond niemand met een leege maag naar bed zal gaan, merkte Cornelia op met den tevreden glimlach van eene goede keukenprinses.

--Ten minste, als het vleesch en de taart niet aanbranden, meende Kruidnagel natuurlijk te moeten zeggen.

--Waarom zouden zij aanbranden, meester Kruidnagel, gaf Cornelia tot bescheid, wanneer je maar niet verzuimt om het spit op zijn tijd te draaien en de braadpan niet aan haar lot overlaat?

Dien wenk nam Kruidnagel behoorlijk ter harte en hij ging terstond op zijn post om op pan en gebraad het oog te houden. Wagram en Marengo bleven in de nabijheid van het vuur en John Bull, de aap, likkebaarde reeds in het vooruitzicht van de dingen die komen zouden.

Toen alles gereed was werd de tafel gedekt, waar allen zich omheen schaarden. Cornelia en haar keukenpersoneel werden naar behooren geprezen over het maal, dat niets te wenschen overliet.

Toen het oogenblik van te gaan slapen aangebroken was, besloten de mannen, Sergius en Cascabel met de twee knapen en de beide matrozen, in de open lucht onder de boomen hun nachtkwartier opteslaan. Het was een warme nacht en buiten den wagen konden zij bovendien op alles beter het oog houden.

Cornelia, Kayette en Napoleona zouden dus alleen in den wagen den nacht doorbrengen.

De avondschemering duurt in de maand Juli, op de breedte van zesenzestig graden waar zij zich bevonden, niet kort, zoodat het over elven was eer het geheel duister was geworden. Het was een sterrenlooze nacht en het uitzicht werd door de nevels, die van het gebergte naar beneden daalden, bijna geheel weggenomen.

De mannen lagen in het gras, ieder in een deken gewikkeld en begonnen juist intedommelen, toen de twee honden plotseling teekenen van ongerustheid begonnen te geven. Met gespitste ooren en den neus in den wind, lieten zij telkens een dof gebrom hooren. Het was duidelijk dat zij in het geheel niet op hun gemak waren.

De eerste die zich oprichtte en een blik om zich heen wierp, was Jan.

Het vuur was bijna uitgedoofd. Onder de zwarte schaduw der boomen was het volkomen donker.

Terwijl hij met inspanning om zich heen zag, meende Jan een aantal blinkende punten te zien, die als vuurkolen fonkelden. De honden blaften nu uit al hunne macht.

--Er is onraad! riep Jan opspringende uit.

In een oogenblik waren al de slapers op de been.

--Wat is er gaande? vroeg Cascabel.

--Kijk eens vader! antwoordde Jan, terwijl hij op de lichte punten wees, die thans onbewegelijk in het kreupelhout schenen te staan.

--Wat is er dan?

--Dat zijn oogen van wolven!

--Waarachtig, het zijn wolven! bevestigde Ortik.

--En een heele bende ook! voegde Sergius er bij.

--Duivels! bromde Cascabel.

Het was inderdaad een "duivelsch" avontuur, want er viel niet mede te spotten. Het kon zijn dat er in den omtrek van de open plek in het bosch eenige honderden wolven bijeen waren, en als die schrokkige dieren in een grooten hoop bij elkaar zijn, zijn ze tot alles in staat.

Op dit oogenblik vertoonden Cornelia, Kayette en Napoleona zich in de deur van de _Schoone Zwerfster_.

--Wat is er vader! vroeg het kind.

--Niets bijzonders, antwoordde Cascabel. Het zijn maar een stuk of wat wolven, die eene avondwandeling maken. Blijf binnen en geef ons de wapens, dan zullen wij ze wegjagen.

De geweren en revolvers werden spoedig voor den dag gehaald en al de mannen wapenden zich.

--Roep de honden hier, zeide Sergius.

Wagram en Marengo werden door Jan van tusschen de boomen teruggeroepen. De honden waren bijna niet te houden van woede en opgewondenheid.

Allen schoten ongeveer te gelijk hunne vuurwapens af in de richting van de blinkende punten. Een doordringend gehuil deed zich hooren: het was duidelijk dat verscheidene van de schoten raak waren geweest.

Maar de menigte was veel te talrijk. Er kwamen weer nieuwe vurige oogen voor den dag en wel een vijftigtal wolven vertoonden zich in de lichte plekken tusschen de boomen.

--Wij moeten in den wagen gaan, zeide Sergius. Zij zullen ons zeker aanvallen en hier op den open grond kunnen wij ons niet verweren.

--Maar onze rendieren? vroeg Jan.

--Die moeten wij in den steek laten. Wij kunnen niets voor hen doen.

Daarvoor was het werkelijk reeds te laat. Eenige van de trekbeesten waren door de wolven afgemaakt; de anderen hadden zich losgerukt en de vlucht in het bosch genomen.

Zoo spoedig zij konden en door de honden gevolgd, gingen zij dus allen in den wagen. De deur werd dichtgemaakt.

Het was hoog tijd dat zij wegkwamen, want bijna op hetzelfde oogenblik waren de wolven bij de _Schoone Zwerfster_, waar zij tegen op sprongen tot op de hoogte van de vensters.

--Wat zullen wij zonder trekdieren beginnen? kon Cornelia niet nalaten te vragen.

--Wij moeten eerst zien dat wij van die wolven afkomen, antwoordde Sergius.

--Wij zullen ze wel de baas zijn! zeide Cascabel.

--Jawel, als er maar niet al te veel zijn, meende Ortik.

--En als wij kruit en lood genoeg in voorraad hebben, voegde Kirschef er bij.

--Niet langer gepraat! Vuur! riep Sergius.

Door de half geopende vensters heen, werd het werk der vernieling met de geweren en revolvers opnieuw begonnen. Bij het licht der schoten, die aan alle kanten van den wagen tegelijk vielen, zagen zij spoedig een twintigtal wolven op den grond liggen, doodelijk getroffen of zóódanig gewond dat zij zich niet verroeren konden.

De hongerige beesten lieten zich echter niet afschrikken en het was alsof de troep niets kleiner werd. Verscheidene honderden waren er thans bij elkaar; de opene plek in het woud was vol levende gedaanten.

Er waren er die onder het rijtuig kropen en met hunne klauwen de houten vloer trachtten op te breken. Anderen sprongen op het voor-balkon en deden hun best om de deur open te duwen, die op allerlei manieren versperd moest worden. Sommigen klommen zelfs boven op den wagen en bukten zich voorover tot voor de vensters, waar zij niet van daan te krijgen waren zoo lang ze niet door eenen kogel geraakt werden.

Napoleona schreeuwde het uit van angst. Het was duidelijk aan haar te zien hoe diep de vrees voor "den wolf" er bij kinderen in zit. Kayette, die hare bedaardheid niet verloor, deed al wat in haar vermogen was om de kleine meid gerust te stellen. Moeder Cascabel zelve was echter alles behalve op haar gemak hoe het af zou loopen.

Hield het gevecht nog lang aan, dan kon hun toestand hoogst gevaarlijk worden, want tegen zulk eene menigte wolven konden zij de _Schoone Zwerfster_ op den duur onmogelijk verdedigen. Werd de wagen onderste boven geworpen, dan moesten allen, die er in gevlucht waren, hun leven er bij inschieten.

Het gevecht was ongeveer een half uur aan den gang, toen Kirschef waarschuwde:

--Er is geen kruit en lood meer!

Zij hadden niets meer dan een twintigtal patronen over voor al de revolvers en geweren.

--Er mag geen schot meer gedaan worden of het moet raak zijn, zeide Cascabel.

Dat baatte echter niet. Het was bijna niet mogelijk mis te schieten, zooveel wolven waren er; maar er kwamen aanhoudend andere opzetten en de vuurwapens zouden spoedig tot zwijgen gebracht worden. Wat dan te beginnen? Wachten tot de dag aanbrak? Maar het was volstrekt niet zeker dat de wolven, als het licht werd, de wijk zouden nemen.

Op dat oogenblik zwaaide Cascabel zijne revolver, die hem niet langer van dienst kon zijn, boven zijn hoofd en riep:

--Daar heb ik een plan!

--Wat voor een plan? zeide Sergius.

--Een mooi plan ook! Wij hebben niets anders te doen dan een paar van die rakkers te vangen.

--Hoe wilt ge dat aanleggen? vroeg Cornelia.

--Wij moeten voorzichtig de deur even opendoen en de eerste twee, die naar binnen pogen te dringen, bij de ooren pakken....

--Maar dat kan immers niet Cascabel?

--Wat wagen wij er mede, mijnheer Sergius? Misschien zullen ze ons een paar knauwen geven, maar ik word nog liever gebeten dan opgegeten.

--Welnu, laat het dan spoedig gebeuren, antwoordde Sergius, zonder te weten wat Cascabel eigenlijk voorhad.

Met Ortik, Kruidnagel en Kirschef vatte Cascabel post in het voorste vertrekje, terwijl Jan en Sander in het andere bleven en de honden vasthielden, en de vrouwen bij elkaar achter in den wagen stonden.

De voorwerpen waarmede de deur versperd was, werden weggenomen en Cascabel hield die even op een kier, zóó dat hij de opening terstond weer toe kon maken.

Op dit oogenblik hingen er misschien een dozijn wolven aan den wagen en vochten met elkaar om het eerst bij het trapje te komen.

Nauwelijks ging de deur even open of een van de wolven drong naar binnen, waarna Kirschef de opening terstond weder sloot. Door Ortik geholpen, maakte Cascabel zich van het dier meester en wierp het een lap zeildoek over den kop, dat hij stevig rond zijn nek vastbond.

Andermaal werd de deur opengemaakt; een tweede wolf werkte zich er door en werd even als de eerste weerloos gemaakt. Niet zonder moeite slaagden Kruidnagel, Ortik en Kirschef er in, de sterke en woedende beesten in bedwang te houden.

--Maakt ze vooral niet dood, gelastte Cascabel en houdt ze terdege vast!

Ze niet dood maken? Wat wilde hij er dan mede uitvoeren? Toch niet ze naar Perm medenemen om ze op de kermis te laten kijken?

Het duurde niet lang of de anderen kwamen er achter wat hij met de twee beesten voorhad.

Op eens werd het vertrekje door eene felle vlam verlicht en een oor verscheurend gehuil liet zich hooren. Toen werd de deur open gestooten en onmiddellijk weder gesloten, nadat de twee wolven naar buiten geduwd waren.

De uitwerking, toen de twee te midden van de anderen kwamen, was ontzettend. Uit den wagen konden zij dit duidelijk waarnemen, want de geheele omtrek werd door de vlammen verlicht.

Cascabel had de twee wolven eerst met petroleum begoten en ze toen in brand gestoken. In lichterlaaie liepen ze nu onder de anderen rond.

Het was inderdaad een verbazend denkbeeld van Cascabel, even als alles wat in de hersenen van dien vernuftigen man opkwam. De verschrikte wolven gingen voor de twee die in brand stonden op den loop. Hun gehuil was vreeselijk om aan te hooren, veel erger nog dan toen zij op den wagen kwamen aanvallen. Door hunne zeildoeksche kappen buiten staat om rondom zich te zien, deden de twee slachtoffers te vergeefs moeite om hun brandende haren uit te blusschen. Zij rolden als dol over den grond en sprongen dan weder tusschen de anderen, maar het baatte niets, zij bleven branden!

Het einde was dat de geheele bende door een panischen schrik bevangen werd, het op een loopen zette en spoedig in het woud uit zicht raakte.

Het gehuil werd zwakker en zwakker; eindelijk was alles in den omtrek van de _Schoone Zwerfster_ weder stil.

Voorzichtigheidshalve werd er besloten te wachten tot de dag aanbrak, vóór dat zij zich buiten den wagen van den stand van zaken gingen overtuigen. Maar zij hadden nu geen aanval van den vijand meer te duchten. De schrik zat er bij de wolven in en zij liepen wat zij loopen konden.

--Cesar! Cesar! riep Cornelia verrukt en sloot haren man in hare armen.

--Wij hebben u veel te danken, mijn vriend, zeide Sergius.

--Hoe gelukkig zijn wij daar afgekomen, vader, riepen de kinderen.

--Patroon, patroon! zeide Kruidnagel, die geen woorden vinden kon om zijne bewondering lucht te geven.

--Wel is dat nu zooveel bijzonders? vroeg Cesar dood bedaard. Ik weet niet wat u allen overkomt. Als wij niet slimmer waren dan de beesten, dan was het waarlijk de moeite niet waard een mensch te zijn!

XI.

HET OERAL-GEBERGTE

Het Oeral-gebergte is voor reizigers op zijn minst even belangwekkend als de Pyreneën of de Alpen. Het woord Oeral beteekent in het tartaarsch "gordel" en inderdaad is het een gordel die zich uitstrekt van de Kaspische tot de Noordelijke IJszee, over eene lengte van tweeduizend negenhonderd mijlen, een gordel met edelgesteenten ingelegd en met kostbare metalen, zooals goud, zilver en platina opgesierd. Deze gordel maakt de scheiding uit tusschen de twee werelddeelen Azië en Europa. Het is een uitgestrekt bergland, waarvan de wateren, welke bij het smelten der sneeuw op de hooge toppen ontstaan, in de rivieren de Oeral, de Kara, de Petchora, de Kama en nog een aantal kleinere stroomen wegvloeien. Het is een geweldige muur van graniet en basalt, die zijne punten en naalden opheft tot eene hoogte van tweeduizend driehonderd meters boven den zeespiegel.

--Dat zijn nu de echte "russische bergen", merkte Cascabel gekscherende op. Maar men glijdt er niet van zelf af, even als van de _montagnes russes_, die ze op de kermissen en elders vertoonen.

Neen waarlijk niet, ze zouden er niet van zelf afglijden!

Een eerste bezwaar bij het trekken door het gebergte, was dat zij de stadjes en dorpjes, _zavodijs_ genaamd, niet zouden kunnen mijden, die er in grooten getale tusschen verspreid liggen en welke er ontstaan zijn door de vestiging, in vroeger jaren, van mijnwerkers die bij het ontginnen der mijnen gebruikt werden. Cascabel koesterde echter nu niet zooveel vrees meer voor eene ontmoeting met politie- of militaire posten, want zijne papieren waren in orde. Daarom zou er dan ook geen bezwaar bestaan hebben om het Oeral-gebergte meer op het midden over te trekken, waar zij den fraaien straatweg van Jekaterinburg hadden kunnen volgen, welke een der drukst bezochte bergpaden is, en die hen in het gouvernement Jekaterinburg zou hebben doen aankomen. Maar Ortik had hen meer naar het Noorden geleid en nu konden zij niet beter doen dan den Petchora-pas volgen en van daar naar Perm zuidwaarts trekken.

Hier zouden zij den volgenden dag eenen aanvang mede maken.

Bij het aanbreken van den ochtend konden zij eerst terdege zien welk een ontzaglijk aantal wolven er geweest waren. Waren die in de _Schoone Zwerfster_ binnengedrongen, geen twijfel of allen die zich daar bevonden zouden door de vraatlustige dieren zijn omgebracht.

Een vijftigtal wolven lagen ontzield op den grond. Ze behoorden tot de grootste soort, de gevaarlijkste vijanden der reizigers in de steppe. De anderen waren spoorloos verdwenen en hadden het op een loopen gezet alsof ze met een vlammend zwaard waren weggejaagd--eene vergelijking welke op dit geval volkomen van toepassing was. De twee in brand gestoken wolven werden op een honderdtal schreden buiten de open plek in het bosch gevonden.

Nu was er echter eene andere moeielijkheid. Hier aan den ingang van den Petchora-pas, was de _Schoone Zwerfster_ op grooten afstand van eenig bewoond oord, want op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte worden geen dorpen aangetroffen.

--Wat moeten wij aanvangen, zeide Jan, nu onze trekdieren op den loop gegaan zijn?

--Waren zij alleen maar op den loop, antwoordde Cascabel, dan zouden wij ze misschien kunnen terugvinden. Maar naar alle waarschijnlijkheid zijn onze rendieren door de wolven verslonden.

--Arme beesten, zeide Napoleona, ik hield al evenveel van ze als van Vermout en Gladiator.

--Die zouden stellig ook door de wolven opgevreten zijn, als ze daarginder niet verdronken waren, voegde Sander er bij.

--Helaas ja, dat zou zeker gebeurd zijn, stemde Cascabel met een diepen zucht toe. Maar hoe komen wij nu aan een ander middel van vervoer?

--Ik zal mij naar het naastbij gelegen dorp begeven waar ik mij tot elken prijs paarden zal verschaffen, zeide Sergius. Als Ortik mede wil gaan om mij den weg te wijzen.....

--Ik ben tot uwen dienst zoodra gij op weg wilt gaan, antwoordde Ortik.

--Ik geloof ook dat dit het beste is wat wij doen kunnen, hernam Cascabel.

Dat zou dan ook dienzelfden dag gebeurd zijn, maar tot aller verbazing zagen zij tegen een uur of acht twee van de rendieren uit het bosch weder te voorschijn komen.

Sander kreeg ze het eerst in het oog.

--Vader! vader! riep hij. Daar zijn ze! Ze komen terug!

--Levend en wel?

--Die twee zien er ten minste niet uit alsof ze opgegeten zijn, want ze loopen hierheen.

--Ten minste, merkte Kruidnagel op, als ze niet straks weer neervallen.

--O die lieve beesten, riep Napoleona, ik ga ze dadelijk goeden morgen zeggen.

De kleine meid sloeg hare armen om den hals van een der dieren en gaf het een zoen.

Twee rendieren zouden echter niet bij machte geweest zijn de _Schoone Zwerfster_ tegen den berg op te trekken. Gelukkig kwamen er langzamerhand nog andere opdagen en binnen een uur waren er, van de twintig welke zij van de Liakhoff-eilanden medegenomen hadden, weer veertien bijeen.

--Hoera voor de rendieren! schreeuwde Sander opgewonden, maar de goede beesten trokken zich van zijne verrukking niet veel aan.

Er waren dus maar zes van de kudde verloren gegaan, die door de wolven overvallen waren voordat ze tijd gehad hadden zich los te rukken. De veertien anderen hadden het dadelijk op een loopen gezet, de wolven hadden ze niet kunnen inhalen en toen het gevaar voorbij was, waren de vluchtelingen bij instinct naar hun nachtkwartier teruggekeerd.

Men kan zich licht voorstellen welk eene blijdschap dit teweegbracht. Veertien rendieren waren genoeg om den tocht door den bergpas voort te zetten. Voor zoover hunne krachten te kort schoten op de steile hellingen, konden de mannen den wagen helpen voortduwen en de kans op een triomfantelijken intocht te Perm was dus nog niet geheel verkeken.

Het eenige wat Cascabel speet, was dat de _Schoone Zwerfster_ er niet meer zoo schitterend als vroeger uitzag. De wanden en paneelen van den wagen waren door de tanden en de klauwen der wolven vol krassen en scheuren gekomen, en reeds vóór dien tijd had hij door weer en wind, en ten gevolge van allerlei ongevallen op de lange en avontuurlijke reis, zijnen glans bijna geheel verloren. Het mooie naambord der Cascabels was onder de sneeuwstormen zoo goed als onleesbaar geworden. Er zou heel wat geschilderd en gevernist moeten worden om de _Schoone Zwerfster_ haren naam weer waardig te maken en al het boenen en schrobben van Cornelia en Kruidnagel was niet in staat dit te verhelpen.

Te tien uur werden de rendieren voorgespannen en hervatten zij hunnen tocht. Het ging dadelijk vrij steil bergopwaarts en de mannen wandelden dus naast den wagen.

Het was mooi weder en hier in het bergland was ook de warmte niet hinderlijk. Telkens moest echter de wagen met kracht van schouders en armen voortgeholpen, of moesten de wielen, als die tot aan hunne assen in eene scheur gezakt waren, opgebeurd worden. Bij iederen scherpen hoek dien de weg maakte, moesten zij bij de hand zijn om te voorkomen dat de _Schoone Zwerfster_ aan den voor- of achterkant met de rotsen aan weerszijden in aanraking kwam.

De passen door het Oeral-gebergte zijn niet door menschenhand gemaakt, maar gebaand door de natuur zelve, ten einde aan het water, dat met vele bochten van de hoogte komt stroomen, eenen uitweg te verschaffen. Een riviertje, dat zich later in de Sosva stort, stroomt langs den pas, en laat op sommige plaatsen slechts een smal pad vrij, dat zigzagsgewijs naar boven gaat. Loodrecht rijst op die plekken de bergwand omhoog, die bekleed is met een gordijn van mos- en klimplanten, tusschen welke het grauwe gesteente zich echter duidelijk zien laat. Waar de wanden minder steil zijn, komen kleine vlakten voor, begroeid met pijn- en denneboomen, met berken en lorken, en met andere gewassen die in de noordelijke streken inheemsch zijn. In de verte, half verscholen te midden der wolken, vertoonen zich de besneeuwde bergtoppen, van waar het water afvloeit dat de beken en riviertjes doet ontstaan.

Op dezen eersten dag kwam de karavaan geen mensch tegen. De bergpas werd blijkbaar weinig bereisd, maar Ortik en Kirschef schenen er vrij goed bekend te wezen. Een paar keeren, op plaatsen waar verscheidene kloven samenliepen en de weg zich dus in verschillende richtingen splitste, schenen zij te aarzelen. Zij lieten den wagen dan een oogenblik stil houden en overlegden samen op fluisterenden toon, hetgeen niemands achterdocht kon wekken want er bestond niet de geringste reden om hen niet te vertrouwen.

Kayette alleen kon niet nalaten het oog op hen te houden, waar de twee russen echter niets van merkten. Zij bespeurde wel dat beiden nu en dan ter sluiks met elkander praatten of elkaar geheimzinnige blikken toewierpen. Dit alles versterkte haar in het wantrouwen dat zij onwillekeurig koesterde, maar de booswichten vermoedden dit volstrekt niet.

Tegen den avond was er aan den oever van het riviertje halt gemaakt en nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, belastten Cascabel, Kruidnagel en Kirschef zich met de taak om gedurende den nacht de wacht te houden. Dit was noodzakelijk, maar het kostte hun toch moeite, na zulk een vermoeienden dag en na den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht hadden, opnieuw wakker te blijven.