Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 11

Chapter 113,900 wordsPublic domain

--Maar vader, ik verzeker u....

--Je hebt mij niets te verzekeren. Ik heb grooten lust om je elken avond te meten en als ik merk dat er iets naar buiten puilt, dan duw ik het weer naar binnen. Die Kruidnagel wordt ook al met den dag dikker!

--Ik patroon?

--Ja jij, en het komt volstrekt niet te pas dat een paljas er een buik op nahoudt, vooral niet als hij Kruidnagel heet. Het einde zal nog zijn dat je zoo rond wordt als een bierton!

--Ten minste wanneer ik op mijn ouden dag niet meer krijg van een boonenstaak, was de wijsgeerige opmerking van Kruidnagel, terwijl hij zijn broek wat nauwer toeknoopte.

Niet lang daarna trok de _Schoone Zwerfster_ de Taz-rivier over. Deze komt uit in de Jeniseï-baai. De overtocht geschiedde nagenoeg ter plaatse waar hun weg den noordpoolcirkel sneed. Van dat oogenblik af waren zij dus in de gematigde luchtstreek. Hieruit blijkt dat zij sedert hun vertrek van de Liakhoff-eilanden in sterk schuinsche richting naar het Zuidwesten waren getrokken.

Van deze gelegenheid maakte Sergius, naar wien zij altijd gaarne luisterden, gebruik om aan zijne reisgenooten uit te leggen wat de poolcirkel is en hoe het komt dat de zon binnen de ruimte, besloten door die kromme lijn, des zomers nooit hooger rijst dan drieëntwintig graden boven den gezichteinder.

Jan, die reeds het een en ander van de beweging der aarde en der hemellichamen wist, kon de beschrijving van Sergius zonder veel moeite volgen, maar Cascabel spande te vergeefs alles in wat hem aan hersenen gegeven was; het gelukte hem niet zich eene voorstelling van den poolcirkel te maken.

--Op het punt van cirkels, zeide hij, ken ik niets anders dan de hoepels waar de rijdsters in een paardenspel doorheen springen. Maar dat is geen reden om dien cirkel, waar wij nu overheen zijn, niet met een glas te herdenken.

Er werd dus eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den poolcirkel, even als de zeelieden gewoon zijn het passeeren van de evennachtslijn feestelijk te vieren.

De overtocht van de Taz ging niet heel gemakkelijk. Er voer geene veerpont tusschen de oevers dezer smalle rivier, zoodat zij eene doorwaadbare plaats moesten zoeken, hetgeen hen verscheidene uren ophield. De twee Russen toonden bij deze gelegenheid weder veel ijver. Meer dan eens moesten zij tot hun midden door het water waden ten einde de wielen van den wagen uit het zand, waarin ze gezakt waren, te trekken.

Den 16den Mei kwamen zij aan de Pour-rivier. Het overtrekken daarvan ging minder bezwaarlijk, want deze rivier is niet alleen smal, maar veel minder diep en de stroom is lang zoo snel niet als op de Taz.

In de eerste dagen van Juni werd de warmte bijna ondragelijk, iets dat altijd onbegrijpelijk schijnt wanneer er sprake is van zulke noordelijke landen. Gedurende de tweede helft van de maand rees de thermometer tot vijfentwintig en dertig graden van de honderddeelige schaal, en aangezien er in de steppe niet de minste schaduw te vinden is, hadden onze reizigers grooten hinder van deze ongewone hitte. Ook de nachten brachten weinig verademing, want in dezen tijd van het jaar zinkt de zon slechts gedurende weinige oogenblikken achter den effen gezichteinder der grenzenlooze vlakte weg. De witgloeiende schijf verdwijnt slechts even in het Noorden en begint bijna terstond weder te rijzen.

--Die zon verveelt mij, klaagde Cornelia, terwijl zij haar bezweet gelaat afveegde. Het lijkt wel een oven. Was het nu nog maar winter.

--Als de zon in den winter scheen, antwoordde Sergius gekscherende, zou het geen winter zijn, maar zomer.

--Precies, merkte Cascabel op. Maar één ding vind ik verkeerd ingericht, namelijk dat wij nu geen enkel stukje ijs hebben om ons op te frisschen, terwijl wij maanden achtereen meer ijs gehad hebben dan ons lief was.

--Maar vriend Cascabel, als wij nu ijs hadden, dan hadden wij ook weer last van koude en in dat geval....

--Zouden wij het ook niet warm hebben, dat klopt.

--Ten minste, als het niet tusschen beide, half warm en half koud was, meende Kruidnagel te moeten zeggen.

--Dat klopt ook weer, stemde Cascabel toe. Maar met dat al is het nu onbehoorlijk heet!

De jagers lieten zich intusschen door de warmte niet afschrikken, alleen gingen zij in de vroege morgenuren op weg en niet zelden maakten zij een mooien buit. Op een goeden dag deed Jan zelfs een buitengewoon gelukkig schot op zulk een groot dier, dat het heel wat moeite kostte om het naar de _Schoone Zwerfster_ te krijgen. Het had korte, roodachtige haren van voren, die in den winter grijs waren geweest. Over zijn rug liep een geelachtige streep, even als over den rug van een muildier. Het had lange horens, die in een sierlijken boog boven den kop bijeen kwamen, waaruit volgde dat het een mannetje was.

--Wat een mooi rendier! riep San der.

--Hoe zijt ge er toe kunnen komen om zulk een lief beest te schieten, zeide Napoleona verwijtend tegen haar oudsten broeder.

--Wel, om het op te eten, zusje.

--Ik houd zooveel van rendieren.

--Nu als ge zooveel van ze houdt, hernam Sander, dan zult ge uw hart kunnen ophalen, want ieder zal er eene goede portie van kunnen krijgen.

--Heb maar geen spijt, kindlief, troostte Sergius haar. Het is geen rendier.

--Wat voor een beest is het dan? vroeg Napoleona.

--Het is een argali.

Dit zijn dieren die des winters op de bergen verblijf houden en in den zomer naar de vlakte afdalen. Eigenlijk is het eene soort van schapen, maar verbazend groot. Sergius had het dadelijk herkend.

--Welnu Cornelia, zeide Cascabel, als het dan een schaap is, kunt gij ons op geroosterde schapenkarbonade tracteeren.

Dit gebeurde ook inderdaad en aangezien het argali-vleesch bijzonder smakelijk is, vreezen wij dat bij deze gelegenheid de buik van Cesar Cascabel zelven meer in omvang toenam dan met zijn beroep in overeenstemming was.

Van hier af hadden zij een heel eind door eene dorre en onvruchtbare streek lands te trekken vóór dat zij aan de Obi-rivier kwamen. De Ostiakken-dorpen werden hoe langer hoe zeldzamer, ternauwernood kwamen zij enkele groepen zwervende inboorlingen tegen, die op weg waren naar de in het Zuiden gelegen bewoonde plaatsen. Niet zonder opzet trok Sergius bij voorkeur door het minst bevolkte deel des lands en vooral wilde hij Berezow vermijden, eene stad van eenige beteekenis die een klein eind aan gene zijde van de Obi gelegen is. Zij wordt omringd door prachtige cederbosschen en is tegen een steilen heuvel aangebouwd, waar de torenspitsen der beide kerken tegen afsteken. De Sosva-rivier stroomt langs de stad en wordt aanhoudend door booten en vaartuigen bevaren, want het is hier een middelpunt van het handelsverkeer, dat uit alle deelen van noordelijk Siberië naar deze plek stroomt.

De _Schoone Zwerfster_ zou, indien zij haren weg over Berezow genomen had, de algemeene opmerkzaamheid daar getrokken hebben en de politie had wel eens lust kunnen krijgen om de familie Cascabel wat meer van nabij optenemen. Daarom was het veiliger niet alleen de stad, maar ook het geheele district Berezow te vermijden. Een politieman is nu eenmaal wantrouwend van aard en wanneer het bovendien kozakken zijn, kan men niet beter doen dan in het geheel niet met hen in aanraking te komen.

Bij deze gelegenheid merkten Ortik en Kirschef evenwel duidelijk dat Sergius niet veel lust had om zich te Berezow te vertoonen en dit versterkte hen in hun vermoeden dat deze rus er op uit was om zonder dat iemand hem in de gaten kreeg in Rusland te komen.

In de tweede week van Juni wijzigden zij hunne richting dus zooveel als noodig was om ten Noorden van de afdeeling Berezow om te trekken. Dit vorderde trouwens slechts eenen omweg van niet meer dan eene mijl of tien. Den 16den Juni kwam de karavaan aan eene groote rivier, die zij eenen tijd lang volgden en aan den rechteroever waarvan zij des avonds hun leger opsloegen.

Dit was de Obi-rivier.

De _Schoone Zwerfster_ had nu weder vierhonderd mijlen achter den rug sedert zij de Pour overgetrokken was. Slechts een honderdtal mijlen scheidden haar nog van de grens van Europa. Het Oeralgebergte, dat den scheidsmuur tusschen de beide werelddeelen vormt, zou met zijne hooge toppen spoedig aan den gezichteinder verrijzen.

X.

VAN DE OBI NAAR HET OERAL-GEBERGTE.

De Obi-rivier wordt gevoed door de wateren die van het Oeralgebergte afstroomen en heeft in het Oosten een aantal zijarmen. Hare lengte is vierduizend vijfhonderd kilometer en de uitgestrektheid van haar stroomgebied is niet minder dan driehonderd-dertig millioen hectaren.

Deze groote rivier zou de natuurlijke aardrijkskundige grens tusschen Azië en Europa kunnen wezen, indien de Oeral-bergen niet een weinig meer naar het Oosten eene scheiding maakten. Van den zestigsten breedtegraad af loopt de rivier bijna evenwijdig met het gebergte. De Obi neemt haren weg naar den grooten zeeboezem die denzelfden naam draagt, en de laatste vertakkingen van het Oeralgebergte verdwijnen in de diepte der Kara-zee.

Sergius en zijne reisgenooten hadden op den rechteroever halt gemaakt en overzagen van daar den breeden waterspiegel, die als bezaaid ligt met eene menigte eilanden, waar wilgeboomen welig op tieren. Tegen de oevers dier eilanden stonden waterplanten met scherpe, smalle armen, waar frissche bloemen aan ontloken waren. Zoowel boven- als benedenstrooms gleden eene menigte vaartuigen over het heldere, frissche water, dat nog zuiver is van alle smetten, zooals het is komen afstroomen uit de hooge bergen waar het ontstaan is.

Er was een geregelde overzetdienst op de Obi, zoodat de _Schoone Zwerfster_ zonder oponthoud den linkeroever bereikte, waar het stadje Mouji gelegen is.

Dit stadje is eigenlijk maar een dorp. Er bevond zich geen militaire bezetting, zoodat graaf Narkine ook hier niet het minste gevaar kon loopen. Intusschen was het noodig dat zij de plaatselijke autoriteiten niet voorbijgingen want zij stonden nu op het punt van de Oeral-passen in te trekken en de russische politie laat niemand op de grenzen door, die niet in staat is zijne behoorlijk afgeteekende papieren te vertoonen. Daarom besloot Cascabel zijne paspoorten door den burgemeester van Mouji te laten waarmerken. Was dat eenmaal geschied, dan was Sergius officieel erkend als tot zijnen troep te behooren en kon hij zich verder in dezelfde hoedanigheid overal heen begeven zonder de russische politie reden tot eenige aanmerking te geven.

Jammer genoeg dat dit geheele, zoo voortreffelijk beraamde plan, door een ongelukkig toeval gevaar liep te mislukken. Dat die Ortik en Kirschef er ook moesten zijn om alles in de war te brengen! Hun duivelsche toeleg was het, de _Schoone Zwerfster_ door een van de gevaarlijkste passen van het Oeral-gebergte te voeren, waar het niet lang duren zou of zij moest de prooi van de eene of andere rooverbende worden.

Cascabel kon dit echter evenmin vermoeden als hij in staat zou geweest zijn er iets tegen te doen. Hij wenschte zichzelf dan ook reeds geluk met den voorspoedigen afloop zijner avontuurlijke onderneming. Het geheele Westen van Amerika en het geheele Noorden van Azië was hij doorgetrokken, en hij bevond zich nu op geen grooter afstand meer dan een honderdtal mijlen van Europa. Hij noch zijne vrouw of hunne kinderen hadden eenig nadeel van deze lange gevaarvolle reis ondervonden; allen waren zoo gezond als visschen. Een oogenblik slechts was aan Cascabel de moed ontzonken; dat was toen hun in de Behringstraat de groote ramp overkomen was en zij in de Noordelijke IJszee aan het drijven waren geraakt. Maar zij waren ten minste niet alleen aan de wilden van den Liakhoff-archipel ontkomen, maar deze hadden hun zelfs de middelen verschaft om met de _Schoone Zwerfster_ den tocht naar Europa voorttezetten.

--Wat God doet, is in den regel wèlgedaan, merkte Cascabel op als slotsom van zijne overdenkingen.

Zij hadden besloten een etmaal in het dorp Mouji doortebrengen en werden in dat voornemen versterkt door de vriendelijke en voorkomende wijze waarop de inwoners hen ontvingen.

De burgemeester van het dorp, de _gorodintschy_, rekende zich verplicht de vreemde bezoekers te komen opnemen, en aangezien hij ten opzichte van buitenlanders een weinig wantrouwend was, vroeg hij Cascabel naar zijne papieren. Deze waren in orde en onder het personeel van den troep stond ook Sergius vermeld.

Dit vond de dorps-magistraat wel wat zonderling, dat er een landgenoot van hem zich bevond bij een gezelschap fransche kunstenmakers. Hij gaf zijne verwondering hiervoor te kennen.

Cascabel maakte hem echter opmerkzaam dat er wel is waar een rus bij hem was, maar ook een amerikaan namelijk Kruidnagel, en eene indiaansche, namelijk Kayette. Hij vroeg alleen of de personen, die zich bij hem aansluiten wilden, eenig talent hadden, maar nooit uit welk land zij kwamen. Hij voegde er vervolgens bij dat hij en zijne mede-kunstenaars zich gelukkig zouden rekenen indien "mijnheer de burgemeester"--het woord _gorodintschy_ was voor Cesar niet uittespreken--hun de eer wilde aandoen om hen in zijne tegenwoordigheid te willen zien werken.

Dit nam het hoofd van het plaatselijke bestuur met groote welwillendheid aan en hij beloofde na de voorstelling Cascabel's papieren te zullen afteekenen.

Over Ortik en Kirschef, die voorgesteld werden als twee russische matrozen, die schipbreuk geleden hadden en naar hunne woonplaats op weg waren, werd niet het minste bezwaar gemaakt.

Dienzelfden avond begaf het geheele gezelschap zich dus naar de woning van den _gorodintschy_.

Dit was een vrij groot huis, heelemaal lichtgeel geverfd, welke kleur wijlen keizer Alexander I bijzonder gaarne zag. Aan den wand in de pronkkamer hing eene afbeelding van de heilige maagd, omringd van eenige russische heiligen, die zeer vreedzaam uit schilderijlijsten van zilverkleurige stof de wereld inkeken. Banken en stoelen waren gereed gezet voor den burgemeester, voor zijne vrouw en hunne drie dochters, en een half dozijn van de voornaamste inwoners van Mouji waren uitgenoodigd om het feest bijtewonen. Wat de gewone burgerij aangaat, deze stond vóór het huis op eenen hoop en deed haar best om door de vensters heen iets te zien te krijgen van hetgeen er binnen voorviel.

De troep van Cascabel werd door de toeschouwers zeer welwillend ontvangen. De vertooning begon dadelijk en het bleek dat zij in den tijd, gedurende welken zij zich niet hadden kunnen oefenen, niet veel achteruitgegaan waren. Sander's gymnastische toeren werden zeer toegejuicht en de kleine Napoleona, die, aangezien er geen koord gespannen kon worden, eene danspas op den gewonen vloer uitvoerde, bekoorde ieder door hare bevalligheid. De behendigheid van Jan in het balanceeren met flesschen, borden, ringen en ballen wekte ieders verbazing. Cascabel zelf toonde zich, door de gehardheid en de kracht zijner spieren, de waardige echtgenoot van de sterke Cornelia, die op hare uitgestrekte armen twee deftige burgers door de kamer droeg en hiermede luiden bijval inoogstte.

Wat Sergius betreft, deze voerde met vrij veel behendigheid eenige goocheltoeren uit, die hij van zijn waardigen leermeester had afgezien. De lessen droegen dus reeds goede vruchten, want de burgemeester kon nu niet de minste achterdocht koesteren over de aanwezigheid van den rus in een franschen kermistroep.

Gedurende de voorstelling werden er confituren, koeken met rozijnen en uitmuntende thee rondgediend. Nadat alles afgeloopen was maakte de _gorodintschy_ geen bezwaar meer om Cascabel's papieren afteteekenen, zoodat de _Schoone Zwerfster_ nu zonder moeilijkheid door alle russische autoriteiten doorgelaten kon worden.

Wij moeten hier nog bijvoegen dat de burgemeester, die er naar het scheen warmpjes inzat, Cascabel eene belooning van twintig roebels aanbood, als prijs voor de vertooning.

Cascabel had eerst lust om hiervoor te bedanken, maar hij bedacht bijtijds dat zulk eene weigering, van een reizenden kunstenmakerstroep, misschien achterdocht had kunnen wekken.

--Twintig roebels, zeide hij bij zichzelf, zijn toch altijd de moeite waard om aantenemen.

Hij stak dus het geld in zijn zak onder eenen stortvloed van welsprekende dankbetuigingen.

Den volgenden dag werd er rust gehouden. Zij hadden het een en ander aan te koopen, zooals meel, rijst, boter en verschillende dranken, die Cornelia tegen matige prijzen aanschafte. Vleesch in bussen was er in dit dorp niet te krijgen, maar er zou gedurende de reis van de Obi tot het Oeral-gebergte wel weder overvloed van wild te vinden zijn.

Al deze inkoopen werden in den voormiddag gedaan. Aan het middagmaal was ieder vroolijk gestemd, ofschoon Jan en Kayette niet zonder beklemming het einde der reis zagen naderen. Kwamen zij op de plaats hunner bestemming, dan was immers ook het oogenblik van scheiden daar. Het was nu voor niemand een geheim meer hoeveel zij van elkander hielden, en ieder begreep dus ook dat zij liefst niet meer van elkander af zouden gaan.

De vraag was echter wat Sergius doen zou nadat hij zijnen vader, prins Narkine, had opgezocht. In Rusland kon hij niet blijven. Zou hij dus weder naar Amerika gaan, of zou hij er de voorkeur aan geven om in Europa te blijven? Zooals wel te begrijpen is, dacht Cascabel hier dikwijls over na. Dienzelfden avond stelde hij dus aan Sergius voor om samen eene wandeling buiten het dorp te gaan maken, en deze, die wel begreep dat Cascabel hem alleen wenschte te spreken, stemde terstond daarin toe.

De twee russische matrozen namen voor dien avond afscheid van de familie en gingen in eene herberg te Mouji den nacht doorbrengen.

Sergius en Cascabel verlieten dus samen de _Schoone Zwerfster_, maakten eene wandeling en gingen toen op den rand van een boschje, niet ver van het dorp, op een omgevallen boomstam zitten.

--Mijnheer Sergius, begon Cascabel, ik heb u gevraagd om met mij mede te gaan dewijl ik eens vertrouwelijk met u praten wilde. Ik wenschte met u over uwe verdere plannen te spreken.

--Wat bedoelt gij daarmede, mijn vriend?

--Ik wil daarmede zeggen, over hetgeen gij voornemens zijt te beginnen wanneer wij in Rusland aangekomen zullen zijn.

--Maar wij zijn zoo ver nog niet.

--Neen, maar ik geloof mij niet te vergissen wanneer ik zeg dat wij over een dag of tien het Oeral-gebergte over zullen zijn en dat wij vervolgens nog maar eene goede week noodig hebben om te Perm te komen.

--Als er niets tusschen beide komt, antwoordde Sergius, dan zal dit wel zoo wezen.

--Iets tusschen beide komen? vroeg Cascabel. Wat zou er tusschen beide kunnen komen? Gij kunt nu zonder eenig bezwaar de grens passeeren; onze papieren zijn in orde; gij maakt deel uit van mijnen troep en geen mensch ter wereld kan denken dat er zich een graaf Narkine bij ons bevindt.

--Dat is zoo mijn vriend, want gij en uwe vrouw zijn de eenigen die mijn geheim kennen en het is getrouw door u bewaard.

--Het is bij ons beiden zoo veilig alsof wij het met ons in het graf genomen hadden, antwoordde Cascabel met veel waardigheid. Maar nu, mijnheer Sergius, hoop ik dat gij mij niet onbescheiden zult vinden wanneer ik wensch te weten wat gij voornemens zijt, na uwe aankomst te Perm aantevangen.

--Mijn eerste gang zal zijn naar het kasteel Walska teneinde mijnen vader optezoeken, antwoordde Sergius. Dat zal voor hem eene groote en onverwachte vreugde wezen, want sedert dertien maanden heb ik geen gelegenheid gehad om hem te schrijven, noch om tijding van hem te ontvangen. Hij zal niet weten wat hij er van denken moet.

--Hebt gij plan om eenigen tijd bij uwen vader op het kasteel te vertoeven?

--Dat zal van omstandigheden afhangen die ik niet vooruit kan weten. Krijgt er iemand de lucht van mijne aanwezigheid, dan zal ik wel genoodzaakt zijn mijnen vader weder alleen te laten. Toch zie ik daar tegen op, op zijnen leeftijd!

--Mijnheer Sergius, hernam Cascabel, het is niet aan mij om u raad te geven, want gij weet beter dan iemand anders wat u te doen staat. Maar ik moet u toch doen opmerken dat gij, door in Rusland te blijven, u aan een groot gevaar blootstelt. Als gij ontdekt wordt, staat uw leven op het spel.

--Dat weet ik mijn vriend, en ook ben ik overtuigd dat gij en allen die gij bij u hebt in groote moeilijkheid zoudt kunnen raken wanneer het bekend werd dat gij mijnen terugkeer op russisch grondgebied mogelijk hebt gemaakt.

--O, wat ons betreft, daar denk ik niet aan!

--Maar ik, mijn waarde Cascabel, zal nooit vergeten wat gij allen voor mij gedaan hebt.

--Jawel, jawel, mijnheer Sergius, maar wij zitten hier niet om mooie praatjes tegen elkaar te verkoopen. Ik wilde met u overleggen wat het beste voor u zal zijn nadat wij ons te Perm zullen bevinden.

--Niets eenvoudiger dan dat, antwoordde Sergius. Ik maak deel uit van uwen troep en zal dus bij u blijven. Op die manier kan ik niemands achterdocht wekken.

--Maar hoe dan met uwen vader?

--Zijn kasteel ligt slechts zes wersten buiten de stad, zoodat ik iederen avond, na afloop der voorstelling, gemakkelijk daarheen kan wandelen. Onze dienstboden zijn trouw: zij zouden liever sterven dan mij te verraden of aan gevaar bloot te stellen. Ik kan dus iederen dag eenige uren thuis doorbrengen en vóór het licht wordt weder te Perm terug zijn.

--Dat klinkt uitstekend, mijnheer Sergius, en zoo lang wij te Perm vertoeven schikt zich alles van zelf, daar twijfel ik niet aan. Maar na afloop van de kermis trek ik met de _Schoone Zwerfster_ naar Nisjni, en vervolgens naar Frankrijk....

Dat was inderdaad het moeilijke van het geval. Wanneer de troep van Cascabel de reis voortzette, wat moest graaf Narkine dan beginnen? Zou hij te Perm blijven en zich op het kasteel Walska verbergen? Zou hij het gevaar trotseeren om in Rusland opnieuw in handen der politie te vallen? Dit waren vragen waar Cascabel een antwoord op verlangde.

--Mijn vriend, begon Sergius weder, ik heb mij reeds herhaalde malen afgevraagd wat ik beginnen zal, maar ik kan u niets anders zeggen dan dat ik het niet weet; alles zal van de omstandigheden afhangen.

--Welnu, hervatte Cascabel, laat ons eens aannemen dat gij op het kasteel Walska op den duur niet blijven kunt; dat gij ook genoodzaakt zijt Rusland te verlaten, waar uwe vrijheid en zelfs uw leven niet veilig zijn, dan stel ik de vraag, mijnheer Sergius, of gij plan hebt weder naar Amerika te trekken?

--Ik heb mijne gedachten daar nog niet over laten gaan, antwoordde graaf Narkine.

--Mijnheer Sergius, houd mij ten goede als ik u nog niet loslaat; maar waarom zoudt gij niet met ons mede trekken naar Frankrijk? Als gij bij onzen troep blijft, kunt gij veilig heel Rusland door komen tot aan de grens toe. Zou dat niet het beste wezen wat gij doen kunt? Wij zouden dan nog eene poos het genoegen hebben van u bij ons te houden, en met u, die lieve Kayette ook. Wees niet bang dat wij u haar af zullen troggelen; zij is en blijft uwe aangenomen dochter en dat is zeker beter voor haar dan dat zij de zuster wordt van Jan, van Sander en Napoleona, die niets zijn dan kunstenmakerskinderen.

--Mijn vriend, antwoordde Sergius, laat ons de toekomst nog een weinig laten rusten; wie weet of die niet al onze wenschen bevredigen zal? Van meer belang is het, thans onze reis voort te zetten. Alles wat ik u zeggen kan--maar gij moet daar nog met niemand over spreken--is dat ik, indien ik niet in Rusland mocht kunnen blijven, het liefst in Frankrijk eene toevlucht zoeken zou, in afwachting dat eene wending in de staatkundige gebeurtenissen mij den terugkeer in mijn vaderland mogelijk mocht maken. En aangezien gij uwe reis naar Frankrijk vervolgen wilt....

--Bravo! Dan gaan wij er samen heen! riep Cascabel tevreden uit.

Hij vatte Sergius bij de hand en drukte die zoo stevig alsof hij haar aan de zijne wilde vastklinken.

Hierna keerden beide naar de _Schoone Zwerfster_ terug, waar de twee russische matrozen zich eerst den volgenden ochtend lieten zien.

Bij het aanbreken van den dag werden de rendieren weder voorgespannen en ging de wagen den weg naar het Westen op.