Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

Chapter 10

Chapter 103,891 wordsPublic domain

--Tot zekere hoogte is dit hun echter niet kwalijk te nemen, merkte Jan op. Drie maanden van het jaar hebben zij niets dan water om te drinken en pijnboomschors om op te knabbelen.

--Wat zegt gij, hebben ze dan niet eens brood? vroeg Kruidnagel, die zich zoo iets niet kon voorstellen.

--Neen, niets dan de bast van denneboomen. Na zulk eenen tijd van ontbering is het hun bijna te vergeven dat zij zich soms te buiten gaan.

De nomadische Jakoeten wonen in _yourten_, dat zijn kegelvormige tenten van witte stof. De huizen der anderen zijn gewoonlijk van hout gebouwd en verschillend van vorm en inrichting naarmate van ieders smaak. Deze huizen worden zorgvuldig onderhouden en hebben steile, puntige daken, zoodat de smeltende sneeuw in April, als de zonnestralen kracht krijgen, er gemakkelijk afvalt. Het stadje Maksimova ziet er dan ook vriendelijk uit. De mannen hebben een gunstig voorkomen, openhartig, met eene oprechte uitdrukking in de oogen, gepaard met zekere fierheid. De vrouwen zien er niet onaardig uit, sommige zijn zelfs mooi, al is haar gelaat getatoueerd, zij zijn zeer ingetogen en streng van zeden; zij vertoonen zich nooit blootshoofds of zonder schoenen aan hare voeten.

Onze reizigers werden door de Jakoeten-hoofden voorkomend ontvangen. Deze mannen worden _kïnoes_ genaamd, terwijl de oudsten, of de aanzienlijksten van het dorp _Starsynas_ geheeten worden. De gastvrije lieden betwistten elkander het voorrecht van de vreemdelingen te herbergen en te onthalen, maar Cornelia wilde niets aannemen zonder betaling. Op deze voorwaarde sloeg zij ook een goeden voorraad petroleum in, die tevens als brandstof voor het keukenfornuis gebruikt kon worden.

De _Schoone Zwerfster_ maakte ook hier weder, evenals gewoonlijk, veel opzien, want nog nooit te voren was er een kunstenmakerswagen in dit land gezien. Een aantal Jakoeten van beiderlei geslacht kwamen het wonder aanschouwen en er gebeurde niets dat reden had kunnen geven om daar spijt van te hebben. Diefstallen worden in dit land zelden bedreven, zelfs niet ten nadeele van reizigers, maar wanneer ze voorkomen, volgt de straf in den regel op het misdrijf. Wordt de schuld van den dader bewezen, dan wordt hij in het openbaar met roeden gegeeseld en op die lichamelijke kastijding volgt nog eene zedelijke straf, want hij is voor zijn leven geschandvlekt, wordt van zijne burgerlijke rechten vervallen verklaard en krijgt nimmer den naam van een eerlijk man terug.

Den 3de April kwam onze karavaan aan den oever van de Oden, eene kleine rivier, die na eenen afstand van vijftig mijlen te hebben afgelegd, in den zeeboezem van Anabara uitloopt.

Het weder was tot dusver zeer gunstig geweest, doch er kwam nu eenige verandering; het begon spoedig zwaar te regenen en het eerste gevolg daarvan was het smelten van de sneeuw. Dat duurde een dag of acht. Gedurende dien tijd raakte de wagen herhaaldelijk in den modder vast en zonk ettelijke malen zoo diep weg, dat de toestand, als de weg over een moerassig terrein liep, niet zonder gevaar genoemd kon worden. Dit waren de voorboden van de lente, welke op deze hooge breedte eene temperatuur medebrengt van een graad of drie boven het vriespunt.

Dit eind weegs was hoogst vermoeiend. De hulp van de twee russische matrozen, wier gedienstigheid en ijver inderdaad niets te wenschen overlieten, kwam hier dikwijls goed te pas.

Den 8sten April had de _Schoone Zwerfster_ nagenoeg veertig mijlen sedert Maksimova afgelegd en kwam zij op den rechteroever van de Anabara-rivier.

Er bestond nog mogelijkheid om over het ijs de overzijde te bereiken, maar meer benedenstrooms was de dooi reeds begonnen. De ijsblokken, die met vaart naar de monding der rivier dreven, stortten met groot geweld op en over elkander. Waren zij eene week later gekomen, dan zouden zij eene doorwaadbare plaats hebben moeten zoeken, hetgeen niet gemakkelijk ware geweest, want met het smelten der sneeuw stegen de rivieren binnen korten tijd aanmerkelijk.

De steppe begon reeds een groenachtig waas te vertoonen door het ontspruiten der jonge grasplantjes, die voor de rendieren eene ware lekkernij waren. Aan de heesters vertoonden zich knoppen; nog een dag of wat en de eerste blaadjes zouden zich aan de takken beginnen te ontplooien. Het ontwakende leven gaf aan de magere geraamten der boomen, die door de winterkoude een aanzien gekregen hadden alsof zij dood waren, een heel ander uiterlijk.

Hier en daar stonden berke- en lorkeboomen in groepjes bij elkaar, die onder de voorjaarskoelte heen en weder wiegelden. De geheele Noordsche natuur, zoo bar en doodsch, kreeg nieuw leven onder den bezielenden adem der zon.

De streken van Siberië welke het verst van de kust verwijderd liggen, zijn het dichtst bevolkt. Enkele malen ontmoetten onze reizigers eenen ontvanger, die van dorp tot dorp trok om de belastingen op te halen. Dan werd er eenige oogenblikken halt gemaakt ten einde met dien ambtenaar een praatje te houden; hij nam zonder plichtplegingen het hem aangeboden glas _vodka_ aan, en vervolgens werd van weerskanten de reis hervat.

Op zekeren dag kruiste de weg, dien de _Schoone Zwerfster_ volgde, dien van eenen troep gevangenen. Deze ongelukkigen waren bestemd naar de zoutpannen op de oostelijkste grenzen van Siberië; een detachement kozakken begeleidde hen, en aan mishandelingen lieten deze ruwe geleiders het niet ontbreken. Natuurlijk had de aanvoerder van het geleide geen enkele aanleiding om Sergius met vragen lastig te vallen; maar Kayette, die nog niet van haar wantrouwen tegenover de russische matrozen genezen was, meende op te merken dat deze hun best deden om buiten het gezicht der Kozakken te blijven.

Den 19den April had de _Schoone Zwerfster_ vijf en zeventig mijlen afgelegd en hield zij halt op den rechteroever der Khatanga, welke rivier zich in de golf van dien naam ontlast. Ditmaal was er geen ijsbrug te vinden, die dienst kon doen om den wagen naar den overkant te doen komen. Eenige afdrijvende ijsschotsen gaven blijk dat de dooi bijna haar werk volbracht had. Zij waren nu verplicht den stroom te doorwaden, hetgeen een heel oponthoud had kunnen veroorzaken indien Ortik er niet geweest was om eene goede plaats te wijzen. Hij vond die eene halve werst hooger op, doch de overtocht ging met vrij wat moeielijkheid gepaard, want de wagen ging tot aan de assen der wielen door het water. Aan den overkant gekomen, werd de reis terstond voortgezet, en vijf en twintig mijlen verderop sloegen de reizigers hun leger op aan den oever van het Jege-meer.

Welk eene tegenstelling leverde dit op met den eentonigen aanblik der steppe! Het was als eene oase te midden der zandwoestijn van Sahara. Men stelle zich een helderen waterspiegel voor, omringd door het altijddurende groen van pijn- en denneboomen, door verschillende heesters prijkende met hun versch loof, door mirtenbeziën met purpere vruchten, zwarte en roodachtige aalbessenboompjes en wilde rozelaars, die ook reeds onder den zachten invloed der lente met bloemen getooid begonnen te worden.

Ten Oosten en ten Westen strekten tamelijk uitgestrekte wouden zich uit, te midden waarvan Wagram en Marengo zonder twijfel het een of andere wild konden opjagen indien het hun vergund werd daarin een paar uren te gaan snuffelen.

Ook op het water vertoonden zich troepen ganzen, eenden en wilde zwanen, terwijl vluchten kraanvogels en ooievaars, die uit de streken van Midden-Azië kwamen, met lange vleugelslagen de lucht doorkliefden. Onze reizigers hadden volgaarne door handgeklap hunne vreugde over dit ongewone schouwspel aan den dag gelegd.

Op voorstel van Sergius werd er besloten hier twee etmalen rust te houden. Aan het uiteinde van het meer, in het lommer van hooge dennen, werd de legerplaats gekozen en in orde gebracht.

De jagers van het gezelschap voorzagen zich nu van hunne geweren en gingen er op uit, van Wagram vergezeld, nadat zij beloofd hadden niet te ver af te dwalen. Het duurde geen kwartier of hunne schoten knalden door de lucht.

Dien tijd besloten Cascabel, Sander, Ortik en Kirschef te gebruiken om hun geluk met den hengel te beproeven. Zij hadden niets dan eenen voorraad kunst-aas, dien zij van de bewoners van Port-Clarence hadden gekocht, doch met deze gebrekkige hulpmiddelen kan een geoefend visscher, die deze groote kunst verstaat en de manier weet om in slimheid met eenen visch te wedijveren, als hij geduld genoeg heeft om te wachten tot het dier zich verwaardigt te bijten, buit genoeg opdoen.

Geduld hadden zij echter bij deze gelegenheid niet veel noodig, want de hengelsnoeren waren ternauwernood tot op de vereischte diepte gezonken of het water werd door de bijtlustige visschen in beweging gebracht. Er was zulk een overvloed dat zij in een halven dag genoeg hadden kunnen vangen om er een paar weken van te leven. Dat was juist een kolfje naar Sander's hand en toen Napoleona, zijn zusje, kwam vragen om ook den hengel eens te mogen houden, verkoos hij dit niet toetelaten, zoodat zij samen twist kregen en Cornelia tusschen beide komen moest. Deze vond echter dat er visch genoeg gevangen was, waarom zij haren man en de kinderen gelastte het vischtuig optebergen. Als moeder Cascabel het een of ander bepaald verkoos, dan dacht niemand er aan zich te verzetten.

Twee uren later kwamen ook Sergius en Jan terug, op eenigen afstand gevolgd door Wagram, wien de jacht veel te vroeg eindigde, want dolgraag had hij nog in deze wildrijke bosschen eene poos huis gehouden.

De jagers waren even gelukkig geweest als de visschers, zoodat de dagelijksche disch een tijdlang vol afwisseling en altijd smakelijk beloofde te zijn. De visschen uit het meer Jege lieten zich best gebruiken, maar het wild, dat in deze noordelijke streken van Siberië bijzonder uitmunt, spande toch de kroon.

De fijnste soorten die de jagers onder het lood gekregen hadden, waren eenige troepjes "karallys", die in vluchten bij elkaar vliegen, alsmede een koppel of wat "dikouta's" een dom soort van vogels, kleiner dan korhoenders, maar bijzonder smakelijk van vleesch.

Ieder kan zich voorstellen welk een feestmaal er dien dag werd aangericht. De tafel was onder de boomen gedekt en niemand der aanzittenden voelde er iets van dat het voor een festijn in de open lucht wel wat koud was. Cornelia had zichzelve overtroffen in het bakken van de visch en het braden van het gevogelte. In het vorige dorp was de voorraad meel aangevuld en hadden zij opnieuw Jakoeten-boter aangeschaft, zoodat al het noodige aanwezig was voor het bakken van eene goudgele taart, met knappende korst, die op het dessert te voorschijn kwam. Eenige teugen brandewijn spoelden deze traktatie door, waartoe de winkels te Maksimova het noodige geleverd hadden, en het einde van dezen vreugdevollen dag liet niets te wenschen over.

Het scheen waarlijk alsof de tijd der beproevingen voorbij was en alsof de familie Cascabel hare avontuurlijke reis voordeelig en voorspoedig ten einde zou brengen.

Ook den volgenden dag werd er rust gehouden en de rendieren maakten daar gebruik van om op hunne manier zich te goed te doen.

Den 21sten April ging de _Schoone Zwerfster_ des ochtends te zes uur op reis. Vier dagen daarna bereikte zij de westelijke grens van het land der Jakoeten.

IX.

TOT AAN DE OBI-RIVIER.

Wij moeten nog eens terugkomen op de twee russen, die het noodlot met de familie Cascabel in aanraking had gebracht.

Het ware niets meer dan natuurlijk geweest indien zij, uit dankbaarheid voor de manier waarop zij ontvangen en behandeld werden, alle booze plannen hadden laten varen; maar dit was helaas niet het geval. Ortik en Kirschef, die als straatroovers met de bende van Karnof reeds zooveel op hun geweten hadden, dachten alweder aan nieuwe euveldaden. De _Schoone Zwerfster_ en vooral het geld, dat Tchou-Tchouk aan Sergius teruggegeven had, wekten hunne hebzucht op. Zij hoopten onder eene vermomming als kunstenmakers naar Rusland terug te keeren en daar hun rooversbedrijf weder optevatten. Teneinde dit plan te kunnen volvoeren, moesten zij zich eerst van hunne reisgenooten ontdoen en deze brave lieden, wien zij hunne vrijheid verschuldigd waren, met snooden ondank beloonen. Maar daar zagen zij niet tegen op.

Met hun beiden zagen zij echter geen kans om iets uitterichten. Daarom wezen zij de karavaan den weg naar eenen pas over het Oeral gebergte, die door kwaad volk onveilig gemaakt werd. Daar dachten zij helpers te zullen vinden, en zooveel roovers als zij noodig hadden te kunnen overhalen om gezamenlijk eenen aanval op de _Schoone Zwerfster_ te doen.

Niemand kon op de gedachte komen dat zij iets kwaads in den zin hadden. Zij toonden zich behulpzaam en gaven niet de minste aanleiding om hen te wantrouwen. De anderen voelden zich tot hen niet bijzonder aangetrokken, maar hadden geen reden om over hen te klagen; alleen Kayette koesterde eene achterdocht waar zij zich geen rekenschap van wist te geven. Een oogenblik had zij zich verbeeld dat het de stem van Kirschef geweest was, die zij in den nacht toen Sergius door roovers op de Alaskische grens overvallen werd, gehoord had. Maar het scheen immers niet mogelijk dat die moordenaars en de twee schipbreukelingen, die zij op de Liakhoff-eilanden hadden aangetroffen, dezelfde personen waren? Daarom liet Kayette, al hield zij de twee vreemdelingen in het oog, zich geen woord over hare ongegronde vermoedens ontvallen.

Van den anderen kant koesterden Ortik en Kirschef, die zonder het te weten bij het Indiaansche meisje in een kwaad blaadje stonden, achterdocht ten opzichte van Sergius. Zij wisten dat hij op de Alaskische grens gevaarlijk gewond was, dat de familie Cascabel hem gevonden en verpleegd en naar Sitka gebracht had. Dit liet zich zeer goed hooren. Maar waarom was hij, eenmaal genezen, niet te Sitka gebleven? Waarom was hij met den kunstenmakerstroep naar Port-Clarence getrokken? Waarom maakte hij nu met hen den heelen tocht door Siberië mede? Het was minst genomen vreemd, dat een rus onder een franschen kermistroep verzeild geraakt was.

Hierover pratende, zeide Ortik op een goeden dag tegen Kirschef:

--Zou het niet kunnen zijn dat die mijnheer Sergius zijn best doet om naar Rusland terugtekeeren zonder dat iemand acht op hem slaat? Daar moeten wij achter zien te komen, want er is misschien voor ons een voordeeltje uit te halen.

Zonder dat hij er iets van vermoedde, werd Sergius dus door de beide russen bespied, in de hoop dat hij zich op de eene of andere manier zijn geheim zou laten ontvallen.

Den 23sten April kwamen zij over de grens van het land der Jakoeten en in dat der Ostiakken. Dit is een van de armoedigste en minst beschaafde Siberische stammen, ofschoon er in dit gedeelte des lands ook welvarende streken worden aangetroffen, waartoe vooral de omtrek van Bérezow behoort.

Zoodra de _Schoone Zwerfster_ een der Ostiakken-dorpen doortrok, hadden onze reizigers gelegenheid het onderscheid op te merken tusschen deze plaats en de schilderachtige, nette woonplaatsen der Jakoeten. De woningen waren ellendige hutten, nauwelijks goed genoeg voor beesten en waaruit zulk een verpestende walm naar buiten kwam, dat het haast niet mogelijk scheen er adem in te halen.

Ook de bewoners zagen er terugstootend uit. Niet ten onrechte werd er in een aardrijkskundig werk, dat Jan onder zijn kleinen boekenschat bezat, van hen gezegd:

--De Ostiakken in noordelijk Siberië beveiligen zich tegen de koude door eene bijzondere soort van kleeding, namelijk eene dikke laag vuil en vet op hunne huid en daarover heen een rendierenvel!

Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit visch, die zij halfgaar, en uit vleesch dat zij in het geheel niet koken of braden.

Dit alles is intusschen alleen van toepassing op de nomadische Ostiakken, die in de steppen rondzwerven, maar niet op degenen die in de grootere plaatsen hun vast verblijf hebben. In het stadje Starokhantaskii vonden onze reizigers eene bevolking die er tamelijk welvarend en beschaafd uitzag, ofschoon zij zich tegenover vreemdelingen weinig vriendelijk of gastvrij toonde.

De vrouwen waren met blauwe inkt getatoueerd. Hare kleeding bestond uit eene _vakocham_, eene soort van rooden sluier met blauwe strepen; uit een veelkleurige rok en een lijfje van lichtere kleur, dat meestal slecht paste en daardoor hare figuur leelijk maakte, en uit een breeden gordel met belletjes opgeschikt, welke bij iedere beweging rinkelden even als het bellentuig van een spaanschen muilezel.

De mannen hadden in den winter--en ook in dezen tijd van het jaar was dit met sommigen nog het geval--veel van beesten, want zij waren in huiden gehuld met het haar naar buiten. Hun hoofd was bedekt met eene kap van _maltza_- of _parba-_vel met spleten er in voor de oogen, den mond en de ooren. Het was niet mogelijk iets van hun gelaat te onderscheiden, maar dit was waarschijnlijk voor niemand een groot ongeluk.

Op haren weg kwam de _Schoone Zwerfster_ meermalen verscheidene sleden, _narkos_ genaamd, tegen. Deze voertuigen worden getrokken door drie rendieren, met een eenvoudigen riem die onder hunne buik doorgaat en met een leidsel dat aan hunne horens bevestigd is. Aldus bespannen, kunnen de _narkos_ eenen afstand van zeven of acht mijlen afleggen zonder dat de rendieren rust noodig hebben.

De rendieren welke den reiswagen trokken, waren tot zulk eene krachtsinspanning niet in staat, maar er viel toch niet over ze te klagen, want de dieren waren gewillig en mak.

Sergius maakte bij zekere gelegenheid de opmerking dat het zaak zou zijn de rendieren door paarden te vervangen, zoodra zij zich die konden aanschaffen.

--Waarom, als ik vragen mag? antwoordde Cascabel. Waartoe zou die uitgaaf dienen? Zoudt gij denken dat onze rendieren niet sterk genoeg zijn om ons naar Rusland te brengen?

--Indien wij naar het Noorden van Rusland op weg waren, antwoordde Sergius, zou ik er geen zorg over hebben, maar nu wij naar Midden-Rusland moeten, is het een ander geval. Rendieren zijn niet tegen warmte bestand; zij zijn dan spoedig moede en eindelijk in het geheel niet meer tot werken in staat. Tegen het einde van April trekken zij dan ook in groote troepen naar het Noorden of naar de hooge vlakten van het Oeral-gebergte, die altijd met sneeuw bedekt liggen.

--Welnu, mijnheer Sergius, als wij op de grens zijn zullen wij zien wat ons te doen staat. Het zou mij werkelijk spijten als wij ons rendierenspan moesten laten schieten, want het zou een prachtig effect maken als ik op de kermis te Perm kon komen met eene kudde van twintig rendieren vóór den reiswagen der familie Cascabel!

--Zoo iets zou zeker nooit vertoond wezen, antwoordde Sergius lachende.

--Een zegetocht zou het zijn. Een zegetocht, zeg ik u! Maar nu wij daarover spreken, denk ik aan iets anders. Het is immers goed afgesproken dat graaf Narkine deel uitmaakt van mijnen troep, en dat hij als het er op aan mocht komen, het niet beneden zich zal achten om voor het publiek op te treden?

--Dat is eene afgedane zaak.

--Dan moet gij ook uwe oefeningen in de goochelkunst niet verzuimen, mijnheer Sergius. De kinderen en die twee russische matrozen denken dat gij het voor uw pleizier doet, en om hen hebben wij ons dus niet te bekommeren. Maar weet gij wel dat ge reeds aardig begint aan te leeren?

--Dat kan haast niet anders, vriend Cascabel, met zulk eenen meester als gij!

--Gij zijt al te vriendelijk, mijnheer Sergius, maar ik verzeker u dat gij van de natuur een schoonen aanleg voor de kunst gekregen hebt. Met een weinig oefening zoudt gij een kunstenmaker kunnen worden van meer dan gewone bedrevenheid, en gij zoudt niet voor niemendal met het bakje behoeven rond te gaan.

Den 6den Mei kwam de _Schoone Zwerfster_ aan den oever van de Jeniseï-rivier, ongeveer honderd mijlen van het Jege-meer.

Dit is eene van de hoofdrivieren door welke Siberië besproeid wordt. Hare monding is gelegen in den zeeboezem die denzelfden naam draagt, op den zeventigsten breedtegraad in de Noordelijke IJszee.

Op de geheele oppervlakte der breede rivier was nu geen ijs meer te zien. Tusschen de beide oevers ging een groote veerpont voor personen en rijtuigen heen en weer. Op deze werd ook de reiswagen met al zijn toebehooren overgezet, maar het veergeld was tamelijk hoog.

Aan den overkant strekte de steppe met haar oneindigen gezichteinder zich weder uit. Herhaaldelijk zagen zij zwervende Ostiakken, die in het open veld hunne godsdienstplichten vervulden. Deze lieden zijn voor het grootste gedeelte gedoopt, maar de leer van het Christendom is nog niet diep bij hen ingedrongen en de heidensche Shaïtan-afgodsbeelden worden nog altijd door hen vereerd. Dat zijn zware stukken hout met menschen-gezichten er in uitgehouwen. In ieder huis, groot of klein, vindt men zulk een voorwerp in het klein, met een koperen kruis er boven.

Het schijnt dat de priesters der Ostiakken, die _Schaman_ genoemd worden, uit deze dubbele godsvereering vrij wat voordeel trekken, terwijl zij ook op het bijgeloovige volk, dat de denkbeelden der christenen met die der heidenen op zonderlinge wijze door elkander wart, een grooten invloed hebben. Men moet het gezien hebben om te weten met welken eerbied zij hunne houten afgodsbeelden naderen, en met welke stuiptrekkingen en verdraaiingen van het lichaam hunne gebeden gepaard gaan.

De eerste keer dat zij een zestal van zulke biddende Ostiakken tegenkwamen, kreeg die kwajongen van een Sander het in zijn hoofd hen na te doen, door op zijne handen te loopen, achter- en voorover te duikelen, allerlei bokkesprongen te maken en te eindigen met eenen luchtsprong als een karper op het droge.

Zijn vader maakte zich daar in het geheel niet boos over.

--Ik zie, mijn jongen, zeide hij, dat ge van uwe lenigheid niets verloren hebt. Dat doet mij heel veel pleizier. Maar wij moeten ons nu ook blijven oefenen en aan de kermis te Perm denken. De eer van de familie Cascabel is er mede gemoeid!

De geheele reis, van de monding van de Lena af, was zonder veel vermoeienis afgelegd kunnen worden. Nu en dan moest de _Schoone Zwerfster_ dichte wouden van denne- en berkeboomen omtrekken, dewijl daar dwars doorheen geen weg te vinden was. Dit brak een weinig de eentonigheid van den tocht door de vlakte.

Over het algemeen was het land weinig bevolkt. Soms legden zij mijlen af zonder een gehucht of een huis te zien. In verhouding tot de oppervlakte des lands is de bevolking zeer dun gezaaid, en zelfs de afdeeling Bérézow, die het meest welvarend is, heeft maar vijftienduizend inwoners op eene oppervlakte van drieduizend kilometers. Daarentegen, en misschien door diezelfde oorzaak, is er verbazend veel wild op de vlakten.

Sergius en Jan konden dus naar hartelust hunne liefhebberij voor de jacht bevredigen en de provisiekamer van moeder Cascabel voer daar wèl bij. Niet zelden ging Ortik met hen mede en hij toonde ook bij zulke gelegenheden dat hij een man was van meer dan gewone handigheid. Bij duizenden zagen zij de hazen soms over de steppe loopen en het gevederde wild vloog in zwermen door de lucht. Ook zagen zij elanden, wilde rendieren en zelfs groote wilde zwijnen. Dit zijn gevaarlijke beesten en onze jagers waren wel zoo voorzichtig ze niet op te jagen.

De vogels waren meest eenden, duikelaars, ganzen, lijsters, korhoenders, ooievaars, witte patrijzen en enkele soorten die zij niet kenden. Zij hadden ze dus voor het kiezen. Wanneer het eens gebeurde dat zij het een of ander geschoten hadden dat niet goed klaar te maken was, dan liet Cornelia het maar aan de honden over, die er zich aan vergastten.

Bij zulk eenen overvloed van wildbraad leidden zij natuurlijk een goed leven, veel te goed zelfs naar Cascabel's oordeel. Hij hield hun dan ook den plicht van ieder kunstenaar voor, om matig te zijn in eten en drinken.

--Past op, kinderen, zeide hij, dat ge niet vet wordt. Het vet, ziet ge, maakt de geledingen stroef. Het is de ergste vijand van een acrobaat. Jullie eet veel te veel. Je moet matig zijn, voor den drommel. Ik geloof waarachtig Sander, dat je al een buik begint te krijgen! En dat op jou leeftijd! Foei! Schaamt ge je niet?