Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"
Chapter 9
Zij was middelmatig van lengte, maar lenig en bevallig in hare bewegingen, zelfs in den wijden pelsrok waarin zij gekleed was en die met draagbanden boven hare schouders vastgemaakt was.
Het is eene eigenaardigheid der noord-amerikaansche indianenrassen dat de jongens en meisjes vroeg volwassen en levendig en vroolijk van aard zijn. Op hun tiende jaar hanteeren de knapen den bijl en het geweer reeds met behendigheid. Op haar vijftiende jaar trouwen de meisjes en nemen zij hare moederlijke plichten onberispelijk waar. Kayette was dus ernstiger en bedachtzamer dan haar leeftijd medebracht, en de groote reis welke zij ondernomen had, bewees dat zij karakter had. Zij was reeds eene maand onder weg in zuidwestelijke richting en had nu de smalle kuststreek bereikt in wier nabijheid de eilanden liggen waarop de hoofdstad van Alaska gelegen is. Den zoom van het woud volgende, had zij op eenige honderden schreden afstands twee schoten hooren vallen en daarna een angstig geroep om hulp vernomen.
Ditzelfde hadden ook onze reizigers in de _Schoone Zwerfster_ gehoord.
Zonder zich door vrees te laten weerhouden, was Kayette op het geluid afgekomen.
Er viel niet aan te twijfelen of hare nadering had de moordenaars op de vlucht gejaagd, want zij had nog even twee mannen tusschen het kreupelhout zien verdwijnen. De booswichten hadden echter spoedig gemerkt dat zij zich schrik aan hadden laten jagen door een kind. Zij kwamen reeds naar de plek terug waar zij hunne misdaad gepleegd hadden, met het voornemen hunne slachtoffers te plunderen, toen de komst van Cascabel en de zijnen hen opnieuw had doen afdeinzen en ditmaal voorgoed.
Zoodra Kayette de twee mannen op den grond had vinden liggen, waarvan de een reeds een lijk was, doch de ander nog teekenen van leven gaf, was zij om hulp gaan roepen. Wat er verder gebeurd was, hebben wij reeds gezien. De eerste kreten, die de Cascabels vernomen hadden, waren door de aangevallen reizigers geuit. Wat zij later hoorden, was het hulpgeschrei der Indiaansche.
De nacht ging verder ongestoord voorbij. De moordenaars hadden waarschijnlijk hunne biezen gepakt, althans in de nabijheid van de _Schoone Zwerfster_ vertoonden zij zich niet meer.
Den volgenden ochtend was er nog geene verandering bij den gekwetste te bespeuren. Zijn toestand scheen even verontrustend.
Kayette toonde nu hare schranderheid door eenige kruiden te gaan zoeken, waarvan zij de heilzame werking op verwondingen kende. Zij liet die aftrekken en er werden zwachtels in het aftreksel gedoopt, welke vervolgens op de wond gelegd werden. Er kwam volstrekt geen bloed meer uit te voorschijn.
In den loop van den voormiddag werd het duidelijk dat de lijder gemakkelijker begon adem te halen. Intusschen deed hij nog niets dan zuchten of zacht kreunen. Geen woord kwam over zijne lippen en zij bleven dus in het onzekere wie hij zijn kon, waar hij van daan kwam of heenging, waarom hij zich hier op de grens van Alaska bevond, wie hem overvallen hadden of wat voor redenen zijne aanranders hadden kunnen hebben om hem en zijnen reisgenoot van kant te maken.
Indien echter het doel der moordenaars was geweest den reiziger te bestelen, dan was hun, toen zij bij de nadering van het Indiaansche meisje het op een loopen zetten, een schoone buit ontgaan, zooals zij in deze schaars bezochte streek er zeker niet licht een tweeden zouden aantreffen.
Dit bleek toen Cascabel de kleederen van den onbekende uittrok. In een lederen gordel, die om zijn middel bevestigd was, werden een aantal amerikaansche en russische gouden muntstukken gevonden, een en ander tot een bedrag van ongeveer vijftienduizend franken. Dit geld werd dadelijk op eene veilige plaats geborgen om het den eigenaar zoodra mogelijk terug te geven. Papieren werden er echter niet aangetroffen, met uitzondering van een klein zakboekje met aanteekeningen, deels in het russisch deels in het fransch. Er waren dus geene gegevens om te kunnen raden wie de vreemdeling zijn kon.
Tegen negen uur 's ochtends kwam Jan zijnen vader herinneren dat zij nog eenen plicht te vervullen hadden ten opzichte van het lichaam van den verslagene, dat onbegraven in het bosch was blijven liggen.
--Dat is goed Jan, was het antwoord, laat ons dadelijk op weg gaan. Misschien vinden wij ook nog papieren bij hem, waar wij het een en ander uit te weten kunnen komen. Kruidnagel moet ook mee en laat hem eene schop en eene spade medenemen.
Zij voorzagen zich bovendien van wapenen en gingen met hun drieën denzelfden kant als den vorigen dag op, langs den zoom van het woud.
Weinige minuten waren voldoende om hen op de plaats te doen komen waar de moord bedreven was.
Het bleek duidelijk dat de twee reizigers het voornemen gehad hadden op deze plek den nacht door te brengen. Het vuur waarbij zij gerust hadden, rookte zelfs nog. Aan den voet van een zwaren denneboom hadden zij een hoop droog gras bijeengezocht om er op te liggen. Misschien waren zij zelfs in hunnen slaap overvallen.
Het lijk van den vermoorde had reeds de stijfheid, die het kenmerk van den dood is.
Het was gemakkelijk te zien dat de overledene een dienstbode geweest was van den anderen reiziger. Zijne gelaatskleur was donker, zijne handen waren ruw, zijne kleeding van grove stof. Hij kon een jaar of dertig oud zijn.
Jan zocht in zijne zakken, maar vond geene papieren of geld. In zijnen gordel stak eene amerikaansche revolver, nog met zes kogels geladen. De ongelukkige had geen tijd gehad die af te schieten.
De aanslag kon dus niet anders dan onverwachts en verraderlijk geschied zijn. Beide slachtoffers waren op hetzelfde oogenblik gevallen.
In den omtrek van de plek in het woud was geen mensch of dier te bekennen, waar Jan zich opzettelijk van ging overtuigen. Ook waren de moordenaars zeker niet meer op de plaats hunner misdaad geweest, want in dat geval zouden zij het lichaam wel van de kleederen beroofd, of voor het minst de revolver uit den gordel genomen hebben.
Intusschen had Kruidnagel eenen kuil gegraven van zoodanige diepte dat de dieren van het woud niet in staat konden zijn het lijk optegraven. Het lichaam werd daar in gelegd en vervolgens de kuil zorgvuldig met aarde dichtgeworpen.
Zonder dralen keerde Cascabel met Jan en Kruidnagel naar de _Schoone Zwerfster_ terug. Terwijl Kayette de zorg voor den gewonde een oogenblik op zich nam, beraadslaagden Jan en zijne ouders over hetgeen hun verder te doen stond.
--Het schijnt buiten twijfel, begon Cesar, dat als wij de terugreis naar Californië ondernemen, onze gewonde niet levend daar komen zal, want het is een rit van eenige honderden mijlen. Het beste zou dus wezen naar Sitka te gaan, waar wij binnen een dag of vier kunnen komen; maar die Satansche grensbewakers verkiezen niet dat wij een voet in hun land zetten.
--Het is toch noodig, zeide Cornelia op vasten toon, dat wij naar Sitka koers zetten, en naar Sitka zullen wij gaan ook!
--Maar hoe? Vóór dat wij eene mijl ver zijn, zullen zij ons tegenhouden.
--Dat kan mij niets schelen, Cesar! Wij moeten opbreken en niet talmen ook! Komen wij de agenten weer tegen, dan zullen wij hun vertellen wat er gebeurd is, en misschien vergunnen zij dien armen man wel hetgeen zij niet verkozen hebben ons toetestaan.
Mijnheer Cascabel schudde twijfelachtig het hoofd.
--Ik ben het met moeder eens, zeide Jan. Wij moeten te Sitka zien te komen en geen moeite doen om toestemming van de politie te bekomen, want die zullen zij ons toch niet geven. Dat zou dus maar tijdverlies zijn. Bovendien zullen zij misschien denken dat wij reeds naar Sacramento terug zijn gekeerd en verder zijn gegaan. Sedert vierentwintig uren hebben wij niets van hun gemerkt en zelfs op het schieten van gisteren avond zijn zij niet afgekomen.
--Dat is waar, stemde Cascabel toe, en het is dus best mogelijk dat zij er niet meer zijn.....
--Ten minste..... viel Kruidnagel, die zich bij de anderen gevoegd had hem in de rede.
--Jawel, als het ten minste niet precies andersom is. Dat weten wij al van ouds!
Hetzij Jan gelijk had of niet, de kans diende in elk geval gewaagd te worden.
Binnen een kwartier stonden Vermout en Gladiator voor den wagen. Zij waren terdege uitgerust en konden op den eersten dag een heel eind afleggen. De _Schoone Zwerfster_ werd dus in beweging gezet. Niet weinig verheugd was Cascabel, dat hij het gebied van Britsch-Columbia weder vaarwel mocht zeggen.
--Kinderen, zeide hij, uitkijken en oppassen is de boodschap! Geen schot mag er gedaan worden, Jan, want het is minst genomen onnoodig dat iemand iets van ons merkt.
--Voor de keuken hebben wij trouwens voorraad genoeg, voegde Cornelia er bij.
Het terrein is hier ten Noorden van Columbia wel tamelijk heuvelachtig, maar toch niet moeilijk begaanbaar. Zij volgden de talrijke bochten die het strand maakt, terwijl in de zee langs de kust een aantal eilanden verspreid liggen. Ver aan den gezichteinder vertoonden zich eenige hooge bergen. Op groote afstanden zagen zij nu en dan eene eenzame landhoeve liggen van welke de karavaan voorzichtig een goed eind weg bleef. Jan had de kaart van het land nauwkeurig geraadpleegd en hoopte ook zonder wegwijzer geene moeite te hebben om te Sitka te komen.
Het voornaamste was echter dat zij niemand van de politie tegenkwamen, zoo min in de onmiddellijke nabijheid der grens als meer het land in. Dien eersten dag was het alsof niemand de _Schoone Zwerfster_ iets in den weg verkoos te leggen en zij rijden kon waarheen zij goed vond. Cascabel verbaasde zich hierover wel, maar het deed hem nog meer pleizier.
Cornelia schreef dit toe aan eene bijzondere bescherming der Voorzienigheid en haar man dacht er ongeveer even zoo over. Jan hield het er echter voor dat de russische politiebeambten om de eene of andere onbekende reden hare waakzaamheid langs de grens hadden opgegeven.
Den 6den en 7den Juni werd de tocht ongestoord voortgezet, zij kwamen reeds in de nabijheid van Sittin en misschien waren zij er reeds geweest indien Cornelia niet, om de gekwetste het te harde schokken te besparen, op voorzichtig rijden had aangedrongen. Met Kayette bleef zij den lijder verplegen. Eene moeder of eene dochter had hem niet zorgvuldiger op kunnen passen. Beiden waren even bezorgd dat hij het doel der reis niet zou kunnen bereiken. Zijn toestand was zeker niet erger geworden, maar ongelukkig viel er ook niet op veel beterschap te roemen. De schraal voorziene reis-apotheek en de zorgen die de twee vrouwen aan den lijder konden besteden, waren niet voldoende om, bij zulk eene ernstige verwonding het gemis van eenen geneeskundige goed te maken. Goede verpleging kan veel doen, maar niet alles en dat was jammer genoeg, want de twee vrouwen waren zorgzaam als een paar zusters van liefdadigheid. Het goede hart en het doorzicht van het jonge Indiaansche meisje toonde zich bij iedere gelegenheid. Het was ook alsof zij reeds een lid der familie geworden was en alsof er voor moeder Cascabel eene tweede dochter uit den hemel was komen vallen.
In den namiddag van den 7den trokken zij met de _Schoone Zwerfster_ op eene doorwaadbare plaats door de Stekin-rivier, die uitloopt in een der nauwe zee-armen welke tusschen het vasteland en het eiland Baranow doorstroomen, op weinige mijlen afstand van Sitka.
Dienzelfden avond hoorden zij den gewonde voor het eerst eenige woorden stamelen.
--Mijn vader! mompelde hij.... Ginds zal ik hem weerzien!
Dit werd in het russisch gezegd en Cesar Cascabel verstond het duidelijk.
Ook noemde de vreemdeling eenen naam, Iwan, dien hij verscheidene malen herhaalde.
Daarmede bedoelde hij ongetwijfeld den dienstbode, dien zij bij zijnen meester ontzield hadden vinden liggen.
Hieruit viel met vrij veel zekerheid op te maken dat beiden russen waren.
Dit zou spoedig opgehelderd worden nu de lijder zijne spraak en zijn bewustzijn teruggekregen had. Hij zou zijne redders wel dadelijk op de hoogte brengen van hetgeen er gebeurd was.
Dien dag kwam de _Schoone Zwerfster_ aan deze zijde van het nauwe vaarwater dat zij over moesten om op het eiland Baranow te komen. Zij moesten dus naar eenen schipper omzien, teneinde den overtocht te bewerkstelligen. Dit kon echter moeilijk gebeuren zonder dat zij vertelden waar zij van daan kwamen en Cascabel was niet weinig bevreesd dat er weder dadelijk naar zijne paspoorten gevraagd zou worden.
--Welnu, zeide hij, dit moge zijn zoo als het wil, onze russische vriend zal dan alvast te Sitka wezen. Noodzaakt de politie ons weder de grens over te gaan, dan zullen zij hunnen landsman toch wel bij zich houden. Wij hebben hem het leven gered en het is hunne zaak hem verder te genezen.
Daar viel zeker veel voor te zeggen, maar hunne ongerustheid over hetgeen er met henzelven gebeuren zou, werd er niet door weggenomen. Eenmaal te Sitka gekomen, zou het nog harder voor hen wezen den tocht naar New-York te moeten hervatten.
Terwijl de wagen aan den waterkant stond te wachten, ging Jan er op uit om de veerschippers te zoeken teneinde zonder uitstel scheep te kunnen gaan.
--Onze zieke is weder geheel bij kennis, waarschuwde Cornelia. Hij heeft weer gesproken, Cesar. Gij moet maar eens komen hooren wat hij te vertellen heeft.
De rus lag met open oogen en staarde verwonderd om zich heen. Blijkbaar begreep hij volstrekt niet waar hij zich bevond. Van tijd tot tijd liet hij eenige onsamenhangende woorden hooren.
Op zwakken toon, zoodat het nauwelijks te verstaan was, vroeg hij naar Iwan, zijnen bediende.
--Mijnheer, zeide Cascabel, uw bediende is hier niet, maar zeg ons wat gij hebben wilt.
Dit werd in het fransch gezegd. De vreemdeling antwoordde terstond in dezelfde taal.
--Waar ben ik?
--Gij zijt bij lieden die u tot dusver verpleegd hebben.
--Maar in welk land?
--In een land waar gij niets te vreezen kunt hebben, indien gij tenminste een rus zijt.......
--Jawel, ik ben een rus.
--Welnu gij bevindt u in de provincie Alaska, eenige mijlen van de hoofdstad......
--In Alaska.... fluisterde de gewonde.
Het was alsof die naam hem eenigszins angstig maakte.
--In eene russische kolonie, hernam hij.
--Neen, in eene amerikaansche bezitting, viel Jan hem in de rede, die juist was binnengekomen.
Om zijne woorden te bevestigen, maakte Jan een van de raampjes in de _Schoone Zwerfster_ open en wees hij met de hand naar de amerikaansche vlag, die boven eenen wachtpost aan het strand wapperde.
Het was zooals hij zeide. Sedert luttele dagen was Alaska geen russisch gewest meer. Drie dagen geleden was het tractaat geteekend waarbij het geheele land aan de Vereenigde Staten werd afgestaan. Daaruit volgde natuurlijk dat de familie Cascabel van geen russische politie iets meer te vreezen had. Zij bevond zich weder op amerikaansch grondgebied.
XI.
SITKA.
Sitka, of Nieuw-Archangel, ligt op het eiland Baranow op de westkust van Amerika. Het is niet alleen de hoofdplaats van dit eiland, maar de hoofdstad der geheele provincie welke nu aan de regeering der Vereenigde Staten afgestaan was. Het is tevens de eenige stad van eenigen omvang in dit gewest, waar voor het overige niets dan vlekken, of onbeduidende dorpen, op grooten afstand van elkander worden aangetroffen. Eigenlijk zouden deze nederzettingen beter factorijen of posten genoemd worden, want het zijn meerendeels kantoren van amerikaansche handelsvennootschappen of van de engelsche Hudsonsbaai-compagnie. Het is dus licht te begrijpen dat de middelen van gemeenschap tusschen deze posten veel te wenschen overlaten, vooral in den winter wanneer Alaska door hevige stormen geteisterd wordt.
Eenige jaren geleden was ook Sitka nog eene weinig bezochte handelsplaats, waar eene russisch-amerikaansche handelsvereeniging zich van bontwerk en pelterijen voorzag. Langzamerhand is echter de geheele provincie meer bekend geworden bij de reizigers, die hunne onderzoekingen uitstrekken tot in de poolstreek, waar het land aan grenst. Onder haar tegenwoordig bestuur zal de stad ongetwijfeld spoedig eene eervolle plaats gaan innemen onder de hoofdsteden van de Staten der amerikaansche Unie.
Toenmaals vond men te Sitka reeds eenige gebouwen, die eene plaats het karakter van eene stad geven. Er was eene luthersche kerk, een eenvoudig gebouw, maar dat uitwendig toch eenige vertooning maakte; eene grieksche kerk met een koepeldak, dat eenigszins zonderling afstak tegen de grauwe wolken die gewoonlijk het zwerk bedekten, geheel andere dan in het Oosten waar deze gebouwen thuis behooren; verder eene club en eene openbare wandelplaats, waar inwoners en vreemdelingen tevens koffiehuis hielden, verschillende hotels en gaarkeukens, kegelbanen en andere plaatsen van bijeenkomst, nog eene club voor ongetrouwde heeren alleen, eene school en een hospitaal, benevens verscheidene aanzienlijke huizen en buitenplaatsen die op en tusschen de heuvels in den omtrek verstrooid lagen. De stad wordt omsloten door een woud van denneboomen, waarin zij als tusschen een kleed van altijd durend groen verscholen ligt. In de verte steken de spitsen van hooge bergen daarboven uit. De meest bekende is de berg Edgecumbe op het eiland Crouze, noordelijk van Baranow, waarvan de kruin zich ongeveer achtduizend voeten boven het vlak der zee verheft.
De weersgesteldheid is te Sitka niet bijzonder ruw. De thermometer daalt er zelden beneden de zeven of acht graden Celsius, hetgeen zeker niet koud is als men in aanmerking neemt dat de stad op 56 graden noorderbreedte ligt. Daarentegen zou zij gevoegelijk eene »waterstad" genoemd kunnen worden, want het regent er bijna altijd, alleen afgewisseld door sneeuw. Het was dus niets bijzonders dat onze karavaan, na met paarden en al in de veerpont te zijn overgezet, onder eene slagregen haren intocht te Sitka hield. Daarover klaagde Cascabel echter niet. Hij was veel te blijde dat hij, na zoo lang in de nabijheid van het beloofde land te zijn opgehouden, er nu zonder paspoort of formaliteit in mocht.
--Ik heb al meer dan eens in mijn leven een buitenkansje gehad, zeide hij; maar zoo iets buitengewoons is mij nog nooit overkomen. Daar stonden wij voor eene deur die wij niet open konden krijgen, en zie, op eens heeft zij zich van zelve voor ons geopend!
Het was zeker wel toevallig dat het tractaat, waarbij Alaska in andere handen was overgegaan, juist op het geschikte oogenblik geteekend was om de _Schoone Zwerfster_ toe te laten, ongehinderd over de grens te komen. Aan deze zijde daarvan vond zij nu niet meer van die onhandelbare ambtenaren of zulk eenen overvloed van formaliteiten, door welke de russische overheid berucht is.
Het zou nu het eenvoudigste zijn den gewonden rus naar het hospitaal ter verdere verpleging te vervoeren of naar een logement, waar hij geneeskundige hulp had kunnen krijgen. Maar toen Cascabel hem dit voorstelde, had hij er geen zin in.
--Ik voel mij volmaakt wel, mijn vriend, zeide hij. Als ik u dus geen overlast aandoe.....
--Overlast? vroeg Cornelia, wat bedoelt gij daarmede, mijnheer?
--Gij zijt bij ons zoo goed als of gij thuis waart, voegde haar man er bij, en als gij meent.....
--Wel, ik ben van meening dat het voor mij het beste is te blijven bij de lieden aan wier zorgen ik mijn leven te danken heb.....
--Spreek daar niet van, mijnheer, hernam Cascabel. Maar het zou toch wenschelijk zijn dat er spoedig een dokter naar u kwam kijken.....
--Zou die niet hier kunnen komen?
--Wel zeker. Ik zal er terstond op uitgaan om te vernemen, wie de knapste dokter in de stad is.
De _Schoone Zwerfster_ had dicht bij de eerste huizen van Sitka, aan het einde eener met boomen beplante wandelplaats die uitloopt op een uitgestrekt woud, halt gehouden. Daar kwam dokter Harry, dien Cesar als de voornaamste in de stad had hooren noemen, den rus bezoeken.
Na de wond nauwkeurig onderzocht te hebben, zeide de arts dat zij niet bijzonder gevaarlijk was geweest, daar het dolkmes op eene ribbe was afgestuit zoodat er geen van de voornaamste levensorganen getroffen was. Dank zij de compressen met koud water en de kruiden die het Indiaansche meisje had doen trekken, had het litteeken zich goed gevormd en zou de genezing spoedig zoo ver gevorderd wezen dat de lijder na eenige dagen weder zou mogen opstaan. Zijn toestand was dus zoo gunstig mogelijk. Reeds nu begonnen zijne krachten, door het versterkende voedsel dat hij gebruikte, weder aan te komen. Maar dit nam niet weg dat als Kayette hem niet had vinden liggen en moeder Cascabel door hare goede zorgen het verdere bloedverlies niet voorkomen had, hij binnen weinige uren nadat de aanslag op hem gepleegd was, den geest gegeven zou hebben.
Dokter Harry hield het er voor dat deze moord het werk moest wezen van booswichten, behoorende tot de rooverbende van Karnof of van Karnof zelven, die in het oostelijke gedeelte der provincie rondzwierf. Dit was een boosdoener uit Rusland, of juister uit Siberië afkomstig, die over eenen troep deserteurs het bevel voerde, zooals er overal in de russische bezittingen in Azië en Amerika worden aangetroffen. De politie had te vergeefs hare beste speurhonden op hen afgestuurd en groote belooningen uitgeloofd voor ieder die de benden wist te vatten. De vermetele schurken waren het nog altijd ontkomen en verspreidden door de diefstallen en moorden die zij pleegden, schrik in het geheele land, voornamelijk op de zuidelijke grens der provincie. De veiligheid van het verkeer, de ruilhandel in pelterijen, alles werd door deze roovers gestoord en aan hen moest zonder twijfel ook de aanslag op de beide reizigers worden toegeschreven.
Het bezoek van den arts gaf dus aan de familie Cascabel alle reden tot tevredenheid over den toestand van haar zieken gast.
Cascabel was altijd van plan geweest te Sitka eenige dagen rust te nemen, want de karavaan had daar, na eenen tocht van bijna zevenhonderd mijlen van de Sierra Nevada af, groote behoefte aan. Bovendien hoopte hij in deze stad een twee- of drietal vertooningen te geven, waarvan de opbrengst hem weder goed te stade zou komen.
--Wij zijn nu niet meer in Engeland, zeide hij, maar in Amerika. Voor Amerikanen, kinderen, mogen wij weer toonen wat wij kunnen.
Mijnheer Cascabel twijfelde geen oogenblik of de roem van zijnen naam moest tot de bevolking van Alaska doorgedrongen zijn. Ieder te Sitka had zeker reeds tot zijnen buurman gezegd:
--De familie Cascabel bevindt zich in ons midden!
In deze plannen werd echter eenige verandering gebracht tengevolge van een gesprek dat Cascabel twee dagen later met den vreemdeling voerde. Eenige dagen rust bleven, na de vermoeiende reis die zij achter den rug hadden, onontbeerlijk. De russische heer, die in de oogen van Cornelia voor niets minder dan een prins doorging, had nu vernomen dat de brave lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was, slechts arme kermisreizigers waren. Alle leden van het gezin waren aan hem voorgesteld, evenals Kayette, de Indiaansche, zijne redster.
Op eenen avond toen de geheele familie bijeen was, vertelde hij hun van zijne levensgeschiedenis zooveel als voor het oogenblik noodig was dat zij wisten. Hij drukte zich met veel gemak in het fransch uit, bijna alsof het zijne moedertaal was, alleen liet hij zijne r's een weinig vallen, hetgeen aan het fransch, zooals het door russen gesproken wordt, iets krachtigs en nadrukkelijks geeft waardoor het oor niet onaangenaam wordt aangedaan.
Wat hij te verhalen had, was zeer eenvoudig en er liep weinig avontuurlijks of van romanesken aard onder.