Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"

Chapter 8

Chapter 83,952 wordsPublic domain

Het vertoonde zich namelijk in de gedaante van drie beambten der grenspolitie, forsche kerels, met groote hoofden, lange baarden, wipneuzen en kalmukken-gezichten. Zij droegen de donkere uniform der moskovieten en hun schedel werd bedekt door de welbekende platte pet, voor welke een aantal millioenen menschen een onbegrensden eerbied koesteren.

Een der agenten stak zijne hand op, de _Schoone Zwerfster_ bleef stil staan, Kruidnagel, die mende, riep zijnen patroon.

Mijnheer Cascabel, gevolgd door zijne vrouw en kinderen, vertoonde zich in de deur van den wagen. Min of meer ongerust op het zien der uniformen, kwamen allen het trapje af.

--Waar zijn uwe paspoorten? begon de agent in het russisch, welke taal Cascabel bij deze gelegenheid maar al te goed bleek te verstaan.

--Paspoorten? vroeg hij.

--Ja zeker! Zonder paspoort komt er geen mensch op het grondgebied van den Czaar.

--Maar mijn goede mijnheer, zei Cascabel zoo onderdanig mogelijk, die hebben wij niet.

--Dan wordt gij hier ook niet toegelaten.

Dat was zoo duidelijk en onverbiddelijk alsof er eene deur voor hun neus werd toegeslagen.

Cascabel trok een leelijk gezicht. Hij wist dat er met de bevelen der machthebbenden in Rusland niet te spotten viel en had weinig hoop om het op een akkoordje te kunnen gooien. Dat hij die agenten juist ontmoeten moest op het oogenblik nu hij met de _Schoone Zwerfster_ de grens overschreed, was het ergste wat hem overkomen kon.

Cornelia en Jan waren even weinig op hun gemak. In angstige spanning wachtten zij af waar het gesprek op uit zou loopen.

--Brave dienaren van den Czaar, begon Cesar weder op eenen toon vol nadruk en met welsprekende gebaren, om aan zijne woorden meer kracht bijtezetten,--wij zijn franschen en reizen niet alleen voor ons genoegen maar ook voor dat van anderen, in het bijzonder van de edele russen die ons de eer willen aandoen onze vertooningen met hunne aanwezigheid opteluisteren. Wij hebben gedacht dat het eene onnoodige moeite was ons van papieren te voorzien, nu wij ons op het grondgebied van zijne majesteit den keizer aller Russen gingen begeven.....

--Niemand komt zonder bijzondere vergunning over de grens, werd hem geantwoord. Dat is nog nooit gebeurd en zal nimmer gebeuren.

--Zou het voor dezen keer niet mogen? vroeg Cascabel met zijne vriendelijkste stem. Gij kunt er op rekenen dat wij nooit weer terugkomen.

--Er komt niets van in, antwoordde de politieman zoo beslist mogelijk. Geen praatjes dus en de grens weer over!

--Maar, hernam de ander, hoe kom ik aan paspoorten?

--Dat is uwe zaak.

--Indien gij ons vergunnen wilt naar Sitka te gaan, zullen wij door tusschenkomst van den franschen consul.....

--Er is geen fransche consul te Sitka. Maar waar komt gij eigenlijk van daan?

--Van Sacramento.

--Dan hadt gij u te Sacramento van paspoorten moeten voorzien. Het is niet noodig er verder op aan te dringen.

--Dat is integendeel hoogst noodig, want wij zijn op onze terugreis naar Europa.....

--Naar Europa? Gaat gij dan dezen kant op?

Cascabel begreep dat hij een onvoorzichtig antwoord gegeven had, want de weg dien hij volgde was zeker niet de meest gewone om in Europa te komen.

--Ja, hernam hij, tengevolge van bijzondere omstandigheden zijn wij genoodzaakt eenen omweg te maken.....

--Het kan mij niets schelen, viel de agent hem in de rede. Niemand reist op russisch grondgebied zonder een paspoort.

--Als het alleen te doen is om het eene of andere inkomende recht te betalen, kunnen wij misschien wel tot eene schikking komen, zeide Cascabel, terwijl hij den agent eenen oogwenk vol beteekenis toewierp.

Maar ook op die manier schenen de russen niet tot andere gedachten te brengen.

--Geachte vrienden, hernam Cesar, die niet meer wist wat hij zeggen moest, gij hebt toch zeker wel eens hooren spreken van de familie Cascabel.

Dit zeide hij op eenen toon alsof Cascabel een naam was, in Rusland zoo bekend als die der Romanoff's.

Het een hielp even weinig als het ander. Er viel niets aan te doen, zij moesten terug. Zelfs dreven de politiemannen hunne gestrengheid zoo ver dat zij zelven de _Schoone Zwerfster_ tot aan de grens brachten, onder streng verbod dat niemand van de reizigers het in zijn hart mocht krijgen om er weder over te komen. Het treurige gevolg daarvan was dat Cesar Cascabel, geheel uit het veld geslagen, binnen weinige oogenblikken weder op engelschen grond kwam te zitten.

Ieder begrijpt hoe onaangenaam hem dit was, maar hun toestand was bovendien hoogst zorgelijk. Al hunne plannen waren nu verijdeld. De richting welke zij met zooveel moed waren ingeslagen, bracht hen niet waar zij wezen wilden. Zonder paspoorten was de weg naar het Westen, door Aziatisch Rusland heen naar Europa, voor hen afgesneden. Zij konden nu wel dwars door het verre Westen heen met den reiswagen tot New-York komen, maar eenmaal daar, konden zij den Atlantischen Oceaan niet anders over dan per stoomboot, en daarop zouden zij niet worden toegelaten indien zij geen geld hadden om den overtocht te betalen.

Ook viel er niet aan te denken om onder weg op hunne voorstellingen zulk eene som bij elkaar te krijgen, al namen zij den tijd er nog zoo ruim voor. Zij konden zich niet ontveinzen dat de troep van Cascabel in de Vereenigde Staten een weinig afgezaagd begon te worden. Sedert een jaar of twintig zwierven zij er rond, geen stad of dorp in den omtrek van den grooten trunk-spoorweg of zij waren er geweest. Zooveel dollars als zij vroeger ophaalden, zooveel centen zouden er nu tenauwernood in de kas vloeien. Gingen zij dus den oostkant weder op, dan was er geen einde aan de reis te zien en zouden er misschien jaren mede gemoeid gaan vóór dat zij de middelen bijeen hadden om naar Europa scheep te gaan. Tot elken prijs moest er een plan bedacht worden om met de _Schoone Zwerfster_ althans te Sitka te komen. Dit was de slotsom waar alle redeneeringen der reisgenooten toe voerden, nadat de russische politiedienaren hen aan hun lot hadden overgelaten.

--'t Is een mooie uithoek waar wij hier zitten! merkte Cornelia hoofdschuddende op.

--Was het nog maar een uithoek! antwoordde haar man. Maar wij kunnen er niet uit. Het is een slop!

Zou de oude worstelaar die zooveel hinderpalen en tegenstanders op zijnen weg ter aarde had geworpen, hier het hoofd stooten? Zou ditmaal het noodlot sterker zijn dan zijn gespierde vuist? Zou zulk een kunstenmaker als hij hier geen gat vinden om door te kruipen? Zou zijn vruchtbare hersenkas hem geen middel aan de hand doen, om ondanks alle kwade kansen toch te komen waar hij wilde?

--Cesar, hervatte Cornelia, met die ellendige kerels van agenten valt niets aantevangen. Maar misschien, als wij ons tot hun chef wenden.....

--Hun chef, viel Cascabel haar in de rede. Een mooi ding, zoo'n chef! Dat is zeker een russische kolonel, nog veel taaier dan zijne ondergeschikten. Die zal zeggen dat wij naar den duivel mogen loopen.

--Bovendien bevindt hij zich zeker te Sitka, meende Jan, en zij verkiezen juist niet dat wij daarheen gaan.

--Misschien, bracht Kruidnagel vrij snugger in het midden, misschien zouden die grensbeambten er niets tegen hebben dat iemand van ons zich onder hun geleide naar den gouverneur begaf.

--Dat is zoo kwaad niet bedacht, antwoordde Cascabel. Het zou te probeeren zijn....

--Wanneer ik het ten minste niet heelemaal mis heb, voegde Kruidnagel er met zijne gewone bescheidenheid bij.

--Vóór dat wij op onze schreden terugkeeren, moeten wij het beproeven, zeide Jan. Als gij het goed vindt vader, zal ik....

--Neen, het is beter dat ik zelf ga, hernam Cesar. Hoe ver is het van de grens tot Sitka?

--Ongeveer honderd mijlen.

--Welnu, dan kan ik binnen een dag of tien heen en terug wezen. Wij zullen tot morgen wachten en dan zien of het gaan wil.

Zoodra de dag aanbrak, ging Cesar er dus op uit om de politieagenten weder op te zoeken. Dat kostte hem weinig moeite, want zij waren niet ver van de _Schoone Zwerfster_ in hinderlaag blijven liggen.

--Zijt gij daar weer? werd hem op barschen toon toegeroepen.

--Om u te dienen, antwoordde onze vriend, met het vriendelijkste gezicht dat hij trekken kon.

Met eenen vloed van mooie en onderdanige woorden gaf hij nu aan de heeren grensbewakers te kennen, dat hij bij zijne excellentie den gouverneur van Alaska wenschte toegelaten te worden. Gaarne wilde hij de reis- en verblijfkosten betalen voor den »achtenswaardigen dienaar van den gerechte", die hem vergezellen zou, en ook toonde hij zich niet afkeerig van het betalen eener groote fooi aan dien achtenswaardigen en welwillenden man.... enzoovoorts enzoovoorts.

Het was echter praten in den wind en het vooruitzicht op eene fooi had zelfs eene geheel tegenovergestelde uitwerking, want de politiemannen, uit hunnen aard achterdochtig, begonnen nu te vermoeden dat er heel iets bijzonders stak achter het verlangen van een kermiskunstenaar om tot elken prijs over de grens van Alaska te komen. Hun aanvoerder sloeg dan ook nu een anderen toon aan. Hij herhaalde het bevel om terstond weder terug te gaan en voegde er dreigend bij:

--Als gij het nog eens wagen durft om eenen voet op ons gebied te zetten, brengen wij u niet naar Sitka, maar naar het naastbijgelegene russische fort. En wie daar eenmaal in zit, kan nooit weten hoe of wanneer hij er weder uitkomen zal!

Op alles behalve vriendelijke wijze werd mijnheer Cascabel dus naar de _Schoone Zwerfster_ teruggebracht. Aan zijn bedrukt gezicht was duidelijk genoeg te merken dat hij geen wil van zijnen tocht gehad had.

Het begon er nu uit te zien alsof de rollende woning der Cascabels in eene vaste verblijfplaats veranderen zou. Tot op de grens tusschen Columbia en Alaska had het vaartuig, dat Cesar en zijne fortuin droeg, hen gebracht; maar hier scheen het te zullen stranden als een schip dat door den oceaan, bij het terugloopen der ebbe, tusschen de rotsen droog wordt gelaten.

Verscheidene dagen gingen er voorbij, waarin het teleurgestelde gezin niet tot een besluit wist te komen. Niemand behoeft te vragen of dat treurige dagen waren.

Een geluk was het dat zij geen gebrek aan leeftocht hadden. Er was nog een goede voorraad ingelegde groenten en andere voedingsmiddelen, dien zij te Sitka weder hoopten aan te vullen, maar bovendien was er in de streek, waar zij zich bevonden, overvloed van wild. Alleen droeg Jan zorg dat hij noch zijn hond zich aan gene zijde van de russische grens waagde, want bij het in beslag nemen van zijn jachtgeweer en het opleggen eener zware boete ten behoeve der schatkist van het Czarenrijk, zou het niet eens gebleven zijn.

Dit nam echter niet weg dat Cascabel en zijne huisgenooten niets op hun gemak waren en het was zelfs alsof de dieren in den wagen hunne bedruktheid deelden. Jako babbelde niet zoo druk als naar gewoonte, de honden liepen druipstaartende rond en lieten af en toe een mistroostig gehuil hooren. John Bull vertrok geen gezicht en rekte zich zelfs van verveling nauwelijks meer uit. De eenigen die zich in het geval goed konden schikken, waren de paarden, Vermout en Gladiator. Die hadden het gras voor het eten en geen voet te verzetten.

--Wij moeten toch tot een besluit komen! mompelde Cascabel dikwijls, terwijl hij met over de borst gekruiste armen heen en weer liep.

Dat was gemakkelijk gezegd en eigenlijk ook gemakkelijk te doen, want hij had in het geheel niet te kiezen. De weg voorwaarts was hem afgesneden; wat kon hij dus anders doen dan rechtsomkeert maken? De moedig ondernomen tocht naar het Westen moest hier een einde nemen. Die verwenschte rit door Britsch-Columbia moest van voren af aan hervat worden, daarna zouden de eindelooze prairieën van het verre Westen zich voor hen openen en ten laatste zouden zij aan de kust van den Atlantischen Oceaan terecht komen! Eenmaal te New-York, wat dan? Afwachten of er misschien medelijdende menschen te vinden zouden zijn, die eene inschrijving zouden willen openen om de fransche zwervers naar hun vaderland terug te helpen? Welk eene vernedering voor zulke wakkere en hooghartige lieden, die altijd eerlijk hun brood verdiend en nooit de hand voor eene aalmoes uitgestoken hadden! O die schurken, die hen in den bergpas der Sierra Nevada laaghartig beroofd hadden van het beetje geld dat zij bezaten!

--Als die fielten in Amerika niet opgehangen, of in Spanje niet gewurgd, in Turkije niet gespietst, of in Frankrijk niet geguillotineerd worden, zeide Cesar, terwijl hij ieder dier strafoefeningen met een afzonderlijk gebaar aanduidde, mag ik lijden dat er nooit meer een schurk zijn gerechte straf oploopt!

Eindelijk kwam hij tot een besluit.

--Morgen, bepaalde hij des avonds van den 4den Juni, gaan wij weder op marsch. Wij trekken terug naar Sacramento en vervolgens.....

Hij voegde er geen woord meer bij. Te Sacramento zouden zij verder zien. Toebereidselen voor hunnen aftocht hadden zij niet te maken, als de paarden waren ingespannen, behoefden zij hunne koppen maar naar het Zuiden toe te draaien.

Dit was de mistroostigste avond dien zij nog op de grens van Alaska hadden doorgebracht. Ieder zat in eenen hoek, niemand sprak een woord. Het was een donkere nacht, de lucht vol grauwe wolken, her- en derwaarts drijvende, als ijsschotsen, die door den wind met vaart naar het Oosten gejaagd werden. Geen ster was er te zien; de dunne schijf der wassende maan was achter de hooge bergen, die den gezichteinder vormden, vroeg in den avond verdwenen.

Te ongeveer negen uur gaf Cascabel last dat ieder naar bed moest gaan, met het plan den volgenden dag, zoodra het licht werd, de reis te aanvaarden. Denzelfden weg dien de _Schoone Zwerfster_ van Sacramento af gevolgd had, zouden zij weder inslaan; zij hadden geenen gids noodig om dien te vinden. Eerst zouden zij de richting volgen naar de bronnen van de Frazer-rivier, en deze zou hen van zelve geleiden tot op het territorium van Washington.

Kruidnagel had juist de honden vastgelegd en was bezig de buitendeur te sluiten, toen er op korten afstand een geweerschot viel.

--Wat heeft dat te beteekenen? riep Cascabel.

--Daar wordt geschoten! zeide Jan.

--Zeker een jager, meende Cornelia.

--Een jager? In zulk een donkeren nacht en zoo laat? hernam Jan. Dat lijkt mij niet waarschijnlijk.

Op hetzelfde oogenblik viel er een tweede schot en hoorden zij tegelijk om hulp roepen.

X.

KAYETTE.

Zonder zich lang te bedenken liepen Jan en Sander met hun vader en Kruidnagel den wagen uit.

--In die richting moet het zijn! riep Jan, terwijl hij naar den zoom van het woud wees dat zich langs de grens uitstrekte.

--Laat ons nog een oogenblik luisteren, zeide Cascabel.

Er volgde echter niets meer. Het scheen bij die twee schoten te zullen blijven, en of er werkelijk om hulp geroepen was hadden zij niet stellig gehoord.

--Zou er een ongeluk gebeurd zijn? vroeg Sander,

--In elk geval, meende Jan, zou er niet geroepen zijn wanneer de persoon die riep zich niet in gevaar bevonden had.

--Dan moeten wij hem gaan helpen, zeide Cornelia.

--Ja kinderen, hernam Cascabel, maar laat ons wapenen medenemen.

Er kon even goed een ongeluk gebeurd zijn als dat de eene of andere reiziger in deze eenzame streek met kwaad volk te doen gehad had. Er bestond dus alle reden tot voorzichtigheid, zoowel om zichzelf te verdedigen als wanneer zij de partij van anderen wilden opnemen.

Spoedig kwamen Cascabel en Jan met hunne geweren, Sander en Kruidnagel met revolvers gewapend weder uit de _Schoone Zwerfster_ te voorschijn. Cornelia met de twee honden bleef achter om op den wagen te passen.

Zij liepen eenige minuten voort, den zoom van het woud langs. Nu en dan bleven zij staan om te luisteren, maar er werd geen geluid meer gehoord. Toch hadden zij duidelijk genoeg in die richting en op geen grooten afstand de schoten hooren vallen.

--Het is toch niet mogelijk dat wij ons vergist hebben? vroeg Cascabel.

--Neen vader, antwoordde Jan, daar ben ik zeker van. Maar luister! Hoor ik daar niet iets?

Ditmaal was het duidelijk genoeg. Er werd om hulp geroepen, niet door eenen man zooals de eerste keer, maar door eene vrouw of door een kind.

Het was een donkere nacht en tusschen de boomen konden zij nauwelijks eenige ellen voor zich uitzien. Kruidnagel had een van de rijtuiglantarens mede willen nemen, maar Cascabel meende dat het voorzichtiger was dit niet te doen. Het was beter dat zij niet gezien konden worden.

Zij hoorden andermaal roepen en ditmaal zoo duidelijk dat zij er gemakkelijk hunne schreden naar konden richten. Ook scheen het geluid niet uit het dichtste gedeelte van het bosch te komen.

Een minuut of vijf verder kwamen zij met hun vieren bij eene open plek in het woud. Daar vonden zij twee mannen op den grond liggen en bij hen eene vrouw, die op hare knieën liggende, het hoofd van den een met hare armen ondersteunde.

Het hulpgeroep dat zij het laatst gehoord hadden, was van deze vrouw afkomstig. In de Indiaansche Chinouk-taal, die Cascabel reeds ten naastenbij verstond, riep zij nu weder:

--Kom hierheen!.... Zij hebben hem vermoord!

Jan snelde naar haar toe. Uit de borst van den gewonde stroomde het bloed, dat de geknielde vrouw tevergeefs trachtte te stelpen.

--Hij haalt nog adem! riep Jan.

--Maar de ander? vroeg zijn vader.

--Dat weet ik niet, antwoordde Sander die ook naderbij gekomen was.

Cascabel boog zich over den verslagene heen en onderzocht of hij nog ademhaalde, of eenig ander teeken van leven gaf.

--Ik geloof dat hij dood is, zeide hij.

Zoo was het inderdaad. Een geweerkogel had hem in het hoofd getroffen en ontzield doen nederstorten.

Wie was deze vrouw, wier taal verraadde dat zij tot het Indiaansche ras behoorde? Of zij oud of jong was konden zij niet onderscheiden, want haar gelaat was onder eene kap gedeeltelijk verborgen. Dat zou echter later wel opgehelderd worden als zij vertellen kon waar zij van daan kwam en wat er gebeurd was. Voor het oogenblik kwam het er op aan den man, die nog adem haalde, in veiligheid te brengen en door spoedige hulp te trachten zijn leven te redden. Het lijk van zijnen reisgenoot konden zij den volgenden dag op dezelfde plaats begraven.

Door Jan geholpen, nam Cascabel den gewonde bij de schouders op, terwijl Sander en Kruidnagel zijne beenen optilden. Toen wendde Cesar zich tot de vrouw en wenkte haar dat zij hen moest volgen.

Zonder te aarzelen voegde zij zich bij hen. Met eene doek trachtte zij voortdurend, terwijl zij naast hen liep, het bloed uit de wonde tegen te houden.

Niet dan langzaam kwamen zij vooruit, want de gekwetste was een zware man en zij deden hun best om hem niet te veel te doen schudden. Cascabel wilde alles doen wat hij konde om hem levend in de _Schoone Zwerfster_ te brengen.

Zij hadden dus wel twintig minuten werk om daar te komen. Onderweg bespeurden zij niets verdachts.

Cornelia en Napoleona verkeerden in doodelijke ongerustheid, want zij wisten niet wat er gebeurd was en vreesden voor een ongeluk.

--Maak voort, Cornelia, riep Cascabel zoodra hij haar zag. Breng wat water en een paar linnen zwachtels om het bloed te stelpen. Anders loopen wij gevaar den ongelukkige in onze armen te zien sterven.

--Jawel, jawel, antwoordde zijne vrouw, ik weet wel wat er noodig is Cesar. Laat mij maar begaan en maak geen overbodige drukte!

Cornelia had verstand genoeg van wonden, want zij had op hunne zwerftochten meer dan eens een verband moeten leggen.

De gewonde werd neergelegd op eene matras, die Kruidnagel in het achterste gedeelte van den wagen spreidde. De lamp die aan de zoldering hing, verspreidde een flauw licht over het doodsbleeke gelaat van den vreemdeling en over de Indiaansche vrouw die weder naast hem neergeknield was.

Dit bleek een jong meisje te zijn, niet ouder dan vijftien of zestien jaren.

--Wat is dat voor een meisje? vroeg Cornelia.

--Zij bevond zich bij den gewonde en wij hoorden haar om hulp roepen, antwoordde Jan.

De gekwetste mocht een man van een jaar of vijfenveertig wezen. Zijne haren en baard begonnen reeds te grijzen, hij had een gespierd lichaam en was van meer dan middelbare lengte. Zijne gelaatstrekken waren innemend en vastberaden, niettegenstaande de doodelijke bleekheid die zijn gelaat overdekte. Zijne oogen hield hij gesloten als een stervende, een zucht ontsnapte van tijd tot tijd aan zijne lippen, maar hij liet geen woord hooren waaruit zij hadden kunnen opmaken uit welk land hij afkomstig was.

Toen zijne kleederen losgemaakt waren, bevond Cornelia dat hij tusschen de derde en vierde ribbe eenen stoot met een dolkmes bekomen had. Of de wond doodelijk was had alleen een geneeskundige kunnen zeggen, maar dat zij hoogst ernstig was, daaraan viel geen oogenblik te twijfelen.

Geneeskundige hulp was echter onder deze omstandigheden niet te krijgen. Zij moesten zich dus tevreden stellen met hetgeen de bedrevene hand van Cornelia doen kon en met de geneesmiddelen die in de reis-apotheek, welke zij bij zich hadden, voorhanden waren.

Het noodige werd terstond gedaan om verder bloedverlies te voorkomen, waardoor het leven van den gewonde in gevaar gebracht kon worden. Later zouden zij zien of het mogelijk was den onbekende, in den staat van volkomen uitputting waarin hij verkeerde, naar de naastbijzijnde bewoonde plaats over te brengen. In dit geval kon het Cascabel weinig schelen of de bewoners engelschen of russen waren.

Cornelia waschte eerst de wond met koud water en legde er toen compressen van arnica op. Het bloedverlies werd hierdoor tot staan gebracht, doch de man had sedert het oogenblik waarop hij gewond was tot dat waarop hij verbonden kon worden, reeds veel bloed verloren.

--Wat moeten wij nu verder beginnen, Cornelia? vroeg Cascabel.

--Wij moeten den lijder op ons eigen bed leggen, antwoordde zijne vrouw, en ik zal bij hem waken teneinde de compressen zoo dikwijls te vernieuwen als noodig is.

--Wij zullen elkander met waken aflossen, zeide Jan. Wij zouden toch niet kunnen slapen en bovendien is het noodig dat wij op alles voorbereid blijven, want de moordenaars zwerven misschien hier in den omtrek.

De patiënt werd nu door Cascabel, Jan en Kruidnagel opgetild en naar het voorste gedeelte van den wagen gebracht, waar zij hem op hun bed legden.

Cornelia bleef de eerste uren waken, zonder dat de onbekende man eenig teeken van bewustzijn gaf. In dien tusschentijd verhaalde het Indiaansche meisje hare geschiedenis, die Cascabel zonder veel moeite verstond.

Zij behoorde tot een der volksstammen die het schiereiland Alaska oorspronkelijk bewoond hebben. Ten Noorden en ten Zuiden van de rivier de Youkon, die dit land van het Oosten naar het Westen doorloopt, worden nog verschillende van die stammen aangetroffen, in zwervenden of in gevestigden staat. Het zijn de Co-Yoûkons, de talrijkste en misschien de meest barbaarsche van allen, de Newi-cargoûts, de Tananas, de Kotcho-a-Koutchens, en meer in den omtrek van den mond der rivier, de Pastoliks, de Haveacks, de Primskes, de Mélomûts en de Indgelètes.

De jonge Indiaansche behoorde tot den laatstgenoemden stam. Zij heette Kayette.

Kayette was eene wees, ook bezat zij geene andere bloedverwanten. Het komt meer voor onder de inboorlingen van Alaska, niet alleen dat er geslachten uitsterven, maar dat er van geheele stammen eindelijk geen enkel lid meer overblijft.

Dat is onder anderen het geval geweest met een van de voornaamste stammen, die vroeger ten Noorden van de Youkon zijne woonplaats had.

Kayette, geheel alleen op de wereld achtergebleven, was op reis getogen naar het Zuiden, door eene streek welke zij goed kende dewijl zij er op de zwerftochten van haren stam meermalen was doorgetrokken. Zij was voornemens zich naar de hoofdstad Sitka te begeven en daar bij een van de russische ambtenaren eenen dienst te zoeken. Haar eerlijk, zacht en innemend voorkomen was wel in staat haar eene vriendelijke ontvangst te verzekeren. Zij zag er goed uit; haar gelaatskleur was te nauwernood lichtbruin; hare zwarte oogen, door lange wimpers omlijst, hadden eene zachte uitdrukking; hare weelderige bruine lokken kwamen nu en dan te voorschijn onder de kap van bont, die zij op haar hoofd droeg.