Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"
Chapter 7
Maar Sander behield zijne tegenwoordigheid van geest. Niet voor niets was hij de zoon van den vermaarden Cascabel en gewend zich uit allerlei moeilijkheden te redden.
Hij moest zien dat hij weer uit den boom en de beek overkwam. Maar hoe? De regen bleef bij stroomen neervallen, ieder oogenblik wies het water, reeds stond het hooger dan de tegenover liggende oever en stroomde het den kant uit waar de wagen was blijven staan.
Om hulp roepen kon hem niet baten, want er was geen mogelijkheid dat zijne kreten te midden van het geweld van storm, regen en stroom gehoord werden. Bovendien, wanneer Cascabel, Jan of Kruidnagel op de gedachten mochten zijn gekomen om den afwezige te gaan zoeken, dan moesten zij den anderen kant opgegaan zijn, maar zouden zij zeker niet de richting der beek gevolgd hebben, welke zij niet konden weten dat Sander weer overgegaan was.
Intusschen was de beer reeds aan 't klimmen, wel langzaam, maar hij kwam toch vooruit. Reeds was hij bijna aan de splitsing van den stam. Sander trok zich op naar de hoogere takken.
Op eens kreeg de knaap eenen inval. Enkele takken van den cederboom hingen tot op eenen afstand van een voet of tien boven de beek. Haastig rolde hij het touw los dat hij om zijn middel gebonden had, maakte daar eene lus in en wierp die om het uiteinde van een der overhangende takken. De lus hield en hij trok den tak naar zich toe, zoodanig dat die overeind kwam te staan.
Dat alles gebeurde in weinige oogenblikken, behendig en met slim overleg.
Hij had geen tijd te verliezen. Reeds was de beer boven de benedenste takken, reeds klauterde hij van den eenen tak op den anderen.
Toen klemde Sander zich stevig vast aan het uiteinde van den overeindstaanden tak en liet dien daarna terugspringen alsof het een veer was. Als een steen, die uit een katapult geslingerd wordt, vloog hij over de beek heen. Hij maakte nog eenen luchtsprong en kwam op den rechteroever te land, terwijl de beer, heelemaal overbluft, zijne prooi die hem door de lucht ontsnapte nastaarde.
--Zoo'n straatjongen!
Met deze woorden verwelkomde hem vader Cascabel, die den onvoorzichtigen knaap in alle richtingen tevergeefs gezocht had en juist op dit oogenblik met Jan en Kruidnagel aan den oever der beek kwam.
--Kwajongen, herhaalde hij, wat een angst hebben wij uitgestaan!
--Ja vader, ik heb een pak slaag verdiend, antwoordde Sander. Sla er maar op!
Maar Cascabel dacht niet aan slaag. Hij pakte den jongen op en omhelsde hem, terwijl hij zeide:
--Pas op dat je het niet weer doet, want dan.....
--Dan geeft u me toch wéér een zoen! zei Sander, terwijl hij zelf zijnen vader om den hals pakte.
Op eens riep hij:
--Kijk dien beer eens! Hij staat te kijken of hij van Lotje getikt is, zoo'n lummel!
Jan had wel lust gehad het beest, dat zich langzaam verwijderde, eenen kogel achterna te sturen, maar er viel niet aan te denken om het te vervolgen. Het water bleef steeds wassen, zij hadden niets beters te doen dan te maken dat zij wegkwamen en allen keerden dus naar de _Schoone Zwerfster_ terug.
VIII.
HET "SCHURKENDORP".
Acht dagen later, den 26den Mei, kwam de reiswagen in de nabijheid der bronnen van de Frazer. Het was dag en nacht blijven doorregenen, maar nu, meende de gids te kunnen verzekeren, kon het niet lang meer duren of er moest verandering van weer komen.
Zij trokken de rivier bij haren oversprong over, waar het terrein weder in hooge mate golvend was. Daarna gingen zij met de _Schoone Zwerfster_ recht den kant van het Westen op.
Nog een dag of wat rijdens en de karavaan zou aan de grens van Alaska komen.
Sedert eene week hadden zij geen dorp of gehucht meer op hunnen weg ontmoet. Over de diensten van den indiaan Ro-No konden zij niet anders dan tevreden zijn; hij kende het land op een prik.
Dien dag waarschuwde de gids Cascabel, dat het misschien niet kwaad zou zijn een etmaal rust te houden in een nabijgelegen dorp, want dat de paarden zichtbaar moede waren en het dus wel noodig hadden.
--Wat is dat voor een dorp? vroeg Cascabel, die alles wat in Britsch-Columbia was nog altijd wantrouwde.
--Het heet Schurkendorp, antwoordde de gids.
--Wat zeg je, Schurkendorp?
--Ja, bevestigde Jan, die naam staat ook op de kaart. Ik denk dat het de verbasterde naam is van een indiaanschen stam, waarvan de klank min of meer op »schurk" leek.
--Voor mijn part is het een mooie naam, bromde Cascabel. Als er engelschen wonen, al waren het er maar een half dozijn, is er zeker geen betere te bedenken.
Denzelfden avond hield de _Schoone Zwerfster_ dus stil bij de eerste huisjes van het dorp. Nog maar drie dagen en de grens tusschen Britsch-Columbia en de russische bezittingen zou door hen overschreden worden.
Dan zou dus ook Cesar zijne opgeruimdheid terugkrijgen, die hij gemist had zoo lang hij op het gebied Harer britsche Majesteit vertoefde.
Schurkendorp was oorspronkelijk alleen door indianen bewoond geweest. Er bevonden zich echter eenige engelschen, jagers uit liefhebberij of om den broode, die er slechts gedurende de maanden van het jachtseizoen verblijf hielden.
Onder hen waren ook eenige officieren van het garnizoen te Victoria. Een hunner, een baronet, Sir Edward Turner, was een trotsch, aanmatigend man, een twistzoeker van natuur en bovendien een van die engelschen, die denken dat hun alles geoorloofd is omdat zij engelschen zijn. Het spreekt van zelf, dat hij aan franschen voor het minst een even grooten hekel had als Cesar Cascabel aan engelschen. Die twee maakten dus samen een mooi span!
Denzelfden avond toen zij in het dorp gekomen waren, terwijl Jan, Sander en Kruidnagel er op uit waren om inkoopen te doen, hadden de honden van den edelen baronet niet ver van de _Schoone Zwerfster_ eene ontmoeting met Wagram en Marengo, die opgevoed waren in denzelfden volkshaat welken hun meester koesterde.
Tusschen den poedel en den patrijshond aan den eenen, en de _pointers_ aan den anderen kant bestond dus reeds dadelijk eene gespannen verhouding. Het kwam tot blaffen, de tanden laten zien, elkander bijten, totdat eindelijk de wederzijdsche eigenaars op het lawaai afkwamen.
Sir Edward Turner woonde in een huis aan het begin van het dorp. Met opgeheven zweep schoot hij op de twee honden van Cascabel toe.
Dit was genoeg voor dezen om tegen den baronet partij te trekken voor zijne viervoetige reisgenooten.
Sir Edward Turner, die zeer netjes fransch sprak, zag terstond met wien hij te doen had. Onbeschaamd als hij ten allen tijde was, vond hij niet de minste reden om den kunstenmaker en diens landgenooten in het algemeen niet »echt engelsch", uit de hoogte te behandelen.
Ieder kan begrijpen hoe Cascabel geneigd was, dat op te nemen. Maar hij wilde zich geen onaangenaamheden op den hals halen, vooral niet op engelsch grondgebied, en geen gevaar loopen vertraging in zijne reis te ondervinden. Hij hield zich dus in en antwoordde op eenen toon waar niets op aan te merken viel:
--Uwe honden zijn begonnen met de mijne aan te vallen, mijnheer.
--Uw honden? antwoordde de edelman, koorddansershonden! Die verdienen niets anders dan een knauw of een pak ransel!
--Ik moet u doen opmerken, hernam Cesar, onwillekeurig driftig wordende, dat hetgeen gij daar zegt niet te pas komt voor een _gentleman_.
--Voor een kerel als jij heb ik toch geen ander antwoord.
--Mijnheer, ik wil beleefd blijven, maar gij zijt een vlegel!
--Weet je wel met wien je te doen hebt? Ik heet Sir Edward Turner, baronet!
Cascabel was nu zijne drift niet langer meester. Bleek, met fonkelende oogen en dreigende vuisten kwam hij op den baronet af, toen Napoleona hem kwam roepen.
--Vader, riep zij, moeder vraagt naar u!
Cornelia had haar dochtertje gestuurd omdat zij wilde dat haar man naar den wagen terugkeerde.
--Ik kom dadelijk, antwoordde hij. Napoleona, zeg aan uwe moeder dat ik eerst een praatje met dien heer heb te houden.
Toen hij dien naam hoorde, begon de engelschman verachtelijk te lachen.
--Napoleona! zeide hij. Een mooie naam voor zoo'n meid! Die schavuit.....
Dat was meer dan Cascabel verdragen kon. Met over de borst gekruiste armen stapte hij vooruit tot vlak bij den engelschman.
--Gij beleedigt mij! begon hij.
--Zoo, beleedig ik u?
--Dat niet alleen, maar gij beleedigt een groot man, die uw heele eiland ingepakt zou hebben als hij goedgevonden had er heen te gaan.
--Ei, ei!
--Hij zou het ingeslikt hebben als een oester!
--Onbeschaamde praatjesmaker!
De engelschman was een weinig teruggegaan en stelde zich in postuur als een bokser, gereed om van zich afteslaan.
--Mijnheer de baronet, gij hebt mij beleedigd en zult mij daar rekenschap van geven!
--Rekenschap geven aan een kunstenmaker!
--Door hem te beleedigen zijt gij zijns gelijke geworden. Wij zullen vechten zooals gij verkiest, met den degen, het pistool, den sabel of de vuist.
--Waarom niet met een paar varkensblazen, spotte de baron, als paljassen voor eene tent!
--Verdedig u!
--Wie gaat er nu vechten met een kermisklant?
--Ja zeker, schreeuwde Cascabel, buiten zichzelven van woede, met zoo'n kermisklant zal je vechten,... of je krijgt van hem een pak slaag!
Zonder er aan te denken dat de engelschman hem wel eens de baas kon zijn in het boksen, waar deze soort van heeren zich van hunne jeugd af in oefenen, zou Cesar hem te lijf gegaan zijn, ware niet Cornelia in persoon komen toesnellen om hem tegen te houden.
Op hetzelfde oogenblik kwamen eenige officieren, wapenbroeders en jachtgezellen van sir Edward Turner, op het standje af. Zij wilden niet toelaten dat iemand van zijnen stand zijne handen vuil zou maken aan zoo'n »kerel" en scholden de geheele familie Cascabel uit voor al wat leelijk is. Van die scheldwoorden trok de vastberadene Cornelia zich echter niets aan--ten minste zij deed alsof zij ze niet hoorde. Alleen wierp zij sir Edward Turner eenen blik toe, die dezen, indien hij haar beter gekend had, niet bijzonder gerust zou hebben doen zijn over den afloop van het geval.
Intusschen waren ook Jan, Kruidnagel en Sander komen aanloopen en er scheen kans te bestaan op eene algemeene kloppartij, maar ook dit voorkwam moeder Cascabel, door op bevelenden toon te zeggen:
--Kom meê, Cesar, en jullie allemaal marsch! Naar de _Zwerfster_! Niemand heeft hier iets te maken!
Niet een kreeg het in zijn hart om een woord tegen te spreken.
Hoe Cascabel dien avond in zijn humeur was, behoeven wij niet te zeggen. Dat hij persoonlijk beleedigd was, kwam er minder op aan, maar dat zoo'n engelschman het gewaagd had zijn grootsten held te bespotten! Hij wilde hem te lijf, hij zou hem op zijn gezicht slaan, hem en al zijne kameraads, al de schurkachtige bewoners van Schurkendorp. De jongens wilden niets liever dan met hun vader meê van leer te trekken. En Kruidnagel, die zwoer dat hij den engelschman zijn neus zou afbijten..... of als het niet anders kon, dan maar een oor!
Cornelia had vrij wat moeite om al die driftkoppen tot bedaren te brengen. Te meer dewijl zij erkennen moest dat het ongelijk geheel aan den kant van sir Edward Turner was en dat zoowel haar man als de geheele troep behandeld was op eene manier zooals de ergste vagebonden het elkander niet doen zouden.
Maar Cornelia vond dat hun toestand al zorgelijk genoeg was en zij niet noodig hadden dien nog erger te maken. Toen haar man er op staan bleef dat hij den baronet eene rammeling moest gaan toedienen, beet zij hem eindelijk toe:
--Dat zul je laten Cesar! Ik verkies het niet!
Daar was Cascabel niet tegen opgewassen. Als zijne vrouw op dien toon sprak, gaf hij haar altijd gelijk.
Cornelia had rust noch duur zoo lang zij het verwenschte dorp niet achter den rug hadden. Waren zij eerst maar een mijl of wat noordelijker, dan kon zij weder gerust ademhalen. Teneinde overtuigd te zijn dat niemand gedurende den nacht buiten den wagen kwam, sloot zij niet alleen zelve de deur aan den binnenkant, maar bleef zij den geheelen nacht buiten de _Schoone Zwerfster_ de wacht houden.
Den volgenden ochtend, dat was den 27sten Mei, maakte Cornelia te drie uur den geheelen troep wakker. Uit overmaat van voorzichtigheid wilde zij vóór het aanbreken van den dag op weg, zoodat geen mensch, geen engelschman, geen indiaan, iets van hun vertrek kon merken. Dat was zeker het beste middel om alle verdere onaangenaamheden te voorkomen, maar zelfs toen maakte de anders zoo bedaarde vrouw een haast onbegrijpelijken spoed. Zij verkeerde in eenen toestand van zeldzame opgewondenheid, keek aanhoudend met onderzoekende blikken rond, was overal bij en kon geen woorden genoeg vinden om haren man, hare zonen en Kruidnagel, die geen van allen haast genoeg naar haren zin maakten, hunne langzaamheid te verwijten.
--Hoeveel dagen hebben wij nog noodig om over de grens te komen? vroeg zij hunnen gids.
--Een dag of drie, antwoordde Ro-No.
--Opgepakt dan! hernam Cornelia. Vóór alles is het noodig, dat wij niet meer gezien worden.
Intusschen moet niemand zich verbeelden, dat Cesar de beleediging van den vorigen dag vergeten had. Deze plek te verlaten, zonder dat hij den baronet zijne onbeschoftheid betaald had gezet, was een hard gelag voor onzen vurigen franschman, die daarenboven nog al de koppigheid van een echten normandiër bezat.
--Dat komt er van, schold hij, als men eenmaal den voet zet in zoo'n smeerlappenland!
Meer dan eens voelde hij nog lust den kant van het dorp uittegaan, in de hoop, dat het toeval hem sir Edward Turner weder zou doen ontmoeten. Hij keek met vurige blikken naar de gesloten vensterblinden van het huis waar de baronet woonde, maar hij dorst zich niet te verwijderen buiten de oogen der waakzame Cornelia, die hem geen oogenblik aan zichzelf overliet.
--Waar ga je naar toe, Cesar?... Blijf bij mij, Cesar! Ik verkies niet dat je van den wagen afkomt, Cesar!
Zoo ging het aanhoudend door. Nog nooit, zoolang hij getrouwd geweest was, had Cascabel zich met zulke onverbrekelijke boeien aan zijne dierbare wederhelft vastgeklonken gevoeld.
Dank zij al dit drijven en jagen werd er meer dan gewoonlijk haast gemaakt en stonden de paarden spoedig voor den wagen. Te vier uur 's nachts zat al wat leven had, de honden, de aap en de papegaai, het hoofd van het gezin met zijne zonen en zijn dochtertje, binnen in de _Schoone Zwerfster_ opgesloten. Cornelia ging zelve op den bok zitten, Kruidnagel en de gids vatten de paarden bij den teugel en voort ging het.
Een kwartier later was er van Schurkendorp niets meer te zien te midden van het dichte groen der boomen, die het aan alle zijden omringden. Het begon pas eenigszins licht te worden; alles was doodstil. Op de onafzienbare vlakte, die zich vóór hen naar het Noorden uitstrekte, was geen levend wezen te bespeuren.
Toen eerst, toen zij niet de geringste vrees meer behoefde te koesteren dat iemand in het dorp iets van hunnen aftocht bemerkt had, en toen Cornelia er gerust op meende te mogen rekenen dat geen indiaan of engelschman haar iets in den weg zou kunnen leggen, begon zij weder haar gewone vriendelijke gezicht te toonen. Dat maakte haren man in den grond van zijn hart een weinig gemelijk.
--Voor dat volk daar ginder moet ge dan toch al heel erg bang geweest zijn, Cornelia, merkte hij op.
--Erg bang, was al wat zijne vrouw antwoordde.
In de drie dagen, die volgden, gebeurde er niets bijzonders. Toen eindelijk, zooals de gids voorspeld had, kwamen zij op de uiterste grens van Britsch-Columbia.
De _Schoone Zwerfster_ reed tot aan gene zijde der grenslijn. Daar hield zij op het grondgebied van Alaska stil.
Zij hadden nu niets anders meer te doen dan afterekenen met Ro-No, die hen ijverig en trouw gediend had. Hij werd bedankt voor zijne diensten en nam toen van het reisgezelschap afscheid, na hun den laatsten weg gewezen te hebben in de richting van Sitka, de hoofdstad der russische bezittingen in Noord-Amerika.
Nu hij eindelijk niet meer onder het britsche gezag ademde, zou men misschien denken dat Cesar Cascabel zijn goede humeur dadelijk terugkreeg. Het had er echter niets van. Drie dagen waren er reeds voorbij sedert hij in Schurkendorp de ontmoeting met den engelschman gehad had, maar nog altijd brandde de ondervonden beleediging hem op het hart. Hij kon dan ook niet nalaten tot Cornelia te zeggen:
--Dat ge mij ook niet hebt laten gaan om dien lord zijne bekomst te geven!
--Dat was al gebeurd Cesar, zeide moeder Cascabel op den eenvoudigsten toon ter wereld.
Het was werkelijk gebeurd, en goed ook!
Laat in den avond, toen allen in den wagen gerust lagen te slapen en de deur zorgvuldig op het slot was, had Cornelia zich naar de woning van den baronet begeven. Juist stapte hij de deur uit om naar de plek, waar de jagers samen moesten komen, te gaan. Zij volgde hem een tijd lang in het eenzame bosch. Toen had zij hem ingehaald en daar, met niemand tot getuige dan de zwijgende boomen, had «de eerste worstelares van den prijskamp te Chicago" den edelman een pak ransel toegediend, waar hij in eerste uren niet van kon opstaan. Eerst den volgenden ochtend kwam sir Edward Turner weer op de been, maar met pijn in al zijne ledematen. Nog een heelen tijd droeg zijn lichaam de sporen van zijne ontmoeting met deze beminnelijke vrouw.
--O Cornelia! riep haar man, toen hij dit uit haren mond vernam, u dank ik het dat mijne eer gewroken is! Niemand is waardiger den naam Cascabel te dragen dan gij!
IX.
NIEMAND PASSEERT HIER!
Alaska is het verste uiteinde van het noordwestelijke deel van Noord-Amerika. Het strekt zich uit van den tweeënvijftigsten tot den tweeënzeventigsten graad noorderbreedte en wordt dus in de dwarste doorsneden door den Noordpoolcirkel, welke ook over de Behringstraat heen ligt.
Wie de kaart van dit gedeelte der nieuwe wereld voor zich neemt, bespeurt spoedig dat de kust eenigszins den vorm heeft van een scherp geteekend menschengezicht. Tusschen kaap Lisburne en Barrow-punt ligt het voorhoofd; de oogholte wordt gevormd door de baai van Kotzebue; het naar den prins van Wales genoemde schiereiland is de neus, Nortonbaai de mond en het schiereiland Alaska strekt zich uit als een eerwaardige baard, verlengd door de tot ver in den Stillen Oceaan uitgestrooide eilanden van den Aleoeten-archipel. Het hoofd loopt uit in den bergketen der Coast-Range, waarvan de buitenste rijen door de IJszee bespoeld worden.
In dit land had de _Schoone Zwerfster_ eenen afstand van ongeveer zeshonderd mijlen af te leggen.
Wij behoeven niet te zeggen dat Jan op zijne kaart den geheelen weg, dien zij volgen moesten, had nagegaan, met alle bergen, waterloopen en andere bijzonderheden van het terrein. Van dit alles had hij de anderen ook op de hoogte gebracht, waartoe zij op een bepaald uur bijeen gekomen waren en waarin alles, wat hij verhaalde, met groote belangstelling aangehoord werd.
Hierdoor wist nu iedereen, zelfs Kruidnagel daaronder begrepen, dat deze noordwestelijke uithoek van Amerika het eerst bezocht was door de russen, vervolgens door den franschman Lapérouse en den engelschman Van Couver, en het laatst door den amerikaan Mac Clure, toen deze was uitgegaan om sir John Franklin op te zoeken.
Het land was nu, voor een deel althans, bekend en in kaart gebracht, dank zij de tochten van Frederick Whymper en van kolonel Bulkley in 1865 toen er sprake was van het leggen van een onderzeeschen telegraafkabel tusschen de oude en de nieuwe wereld, onder de Behringstraat door. Vóór dat tijdstip was Alaska bijna niet anders bereisd geworden dan door de vertegenwoordigers van handelshuizen, die er huiden en pelterijen kwamen koopen.
In dat jaar was er in de internationale politiek weder herhaaldelijk sprake geweest van de bekende Munroe-leer, welke hierop neerkomt dat in Amerika niemand anders iets te zeggen mag hebben, dan Amerikanen. Aan inlijving der britsche koloniën, Columbia namelijk en Canada, viel in den eersten tijd nog niet te denken; maar misschien bestond er mogelijkheid dat Rusland geneigd bevonden zou worden Alaska, dat wil zeggen een land van vijfenveertigduizend vierkante mijlen oppervlakte, aan de republiek aftestaan. Hierover werden ernstige onderhandelingen met de russische regeering geopend.
In de Vereenigde Staten werd aanvankelijk de draak gestoken met den Staatssecretaris Steward, toen deze voor den dag kwam met zijn plan om Walrussia, dat wil zeggen »robbenland", in bezit te krijgen. Wat moesten de Vereenigde Staten daarmede aanvangen? Maar de minister Steward hield met al de hardnekkigheid van eenen yankee aan zijn denkbeeld vast, en in 1867 scheen het niet veel te schelen of de zaak kreeg haar beslag. Er was nog wel geen verdrag tusschen Amerika en Rusland tot stand gekomen, maar dit kon toch ieder oogenblik gebeuren.
Des avonds van den 31sten Mei had de familie Cascabel dichtbij de grens haar kwartier opgeslagen onder het lommer van eenige zware boomen. De _Schoone Zwerfster_ bevond zich nu wel en deugdelijk op het gebied van Alaska, onder het gezag van den Keizer aller Russen. Met Britsch-Columbia had zij niet het geringste meer te maken, daar kon Cascabel gerust op zijn.
Hij was dan nu ook weder opgeruimd gestemd, zóó opgeruimd dat zijn goede luim zich aan het geheele gezelschap mededeelde. Zij behoefden thans geen oogenblik meer het russische grondgebied te verlaten om aan de westelijke grens van dit ontzaglijke rijk in Europa te komen. Alaska, Siberië of Europeesch Rusland, het maakte geen onderscheid, alles stond onder den schepter van den Czaar.
De avonddisch was vroolijk en gezellig. Jan had een vetten haas geschoten dien Wagram tusschen het kreupelhout had opgejaagd. En wat nog pleizieriger was, het was een onvervalschte russische haas!
--Nu trekken wij ook eens een lekkere flesch open, zeide Cascabel. Op mijn woord, het is mij of ik ruimer ademhaal nu ik over de grens ben. Ruikt ge het niet kinderen, het is hier amerikaansche lucht, alleen met een kleinigheid van Rusland er in! Steekt er dus je neus maar in, en jij ook Kruidnagel, al is die van jou ook een el lang! Bah! Vijf weken lang heb ik het benauwd gehad in dat ellendige Columbia!
Toen het avondeten op en de lekkere flesch leeg was, ging ieder spoedig naar binnen en naar bed. Des nachts gebeurde er niets bijzonders. Geen verscheurende dieren of zwervende indianen lieten zich zien. Toen het dag werd, zagen de honden en paarden er ook weer frisch en opgewekt uit.
Zoodra het licht geworden was braken zij op en werd alles gereed gemaakt voor den verderen tocht in het gastvrije Rusland, »Frankrijks zuster," zooals Cascabel goedvond te zeggen. De klok had nog geen zes geslagen toen de _Schoone Zwerfster_ in noordelijke richting verder trok, naar de Simpson-rivier die zij in de veerpont hoopten over te steken.
Het grondgebied van Alaska loopt hier in eene punt naar het Zuiden, welk uiteinde den naam Thlinkiten draagt. De westkust wordt omgeven door een aantal afzonderlijke eilanden of groepen, zooals de Prince-of-Wales, de Croozer-, de Kuju-, de Sitka-, de Baranow-eilanden enz.
Te Sitka of Nieuw-Archangel, de hoofdplaats van Russisch-Amerika, was Cascabel voornemens zich eenige dagen optehouden, teneinde eene poos uitterusten en tevens de noodige toebereidselen te maken voor het afleggen van hetgeen er nog overbleef van het eerste gedeelte hunner reis. Aan gene zijde van de Behringstraat moest het tweede gedeelte beginnen.
Hun weg voerde hen langs de grillig uitgeholde kust, over eene strook laag land die door het gebergte begrensd wordt.
De karavaan ging dus op marsch, maar had nog geene mijl afgelegd toen er iets in den weg kwam. Dat was een hinderpaal die al den schijn had van onoverkomelijk te zullen wezen.
Het gastvrije Rusland, Frankrijk's zuster, toonde zich in het geheel niet gezind om zijne fransche bloedverwanten, die zich Cascabel noemden, gastvrij te ontvangen.