Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"
Chapter 6
Dit gedeelte van Britsch-Columbia, dat zich uitstrekt tot aan de kust van den Stillen Oceaan, is zeer ongelijk van bodem. In het Oosten vormt het Rotsige Gebergte een hoogen scheidsmuur, die zijne vertakkingen tot in de poollanden uitzendt, en naar het Westen wordt de kust van Bute, die door een aantal _fjords_, even als de Noorweegsche kust, wordt ingesneden, beheerscht door schilderachtige en hooge rotsgevaarten. Zulke steilten worden nergens in Europa aangetroffen, zelfs niet in het land der Alpen, terwijl de gletschers in uitgestrektheid en diepte de Zwitschersche verre overtreffen. Zoo is bij voorbeeld de berg Hocker niet minder dan vijf duizend achthonderd meter hoog, dat is duizend meter meer dan de Mont Blanc, en is de berg Brun, ofschoon lager dan de eerstgenoemde, toch weder hooger dan de reus der Alpen.
Gelukkig voor onze karavaan ligt er tusschen de gebergten van het Oosten en het Westen eene breede en vruchtbare vallei, waar open vlakten en trotsche wouden elkander afwisselen. Langs den straatweg, die door dit dal loopt, stroomt eene belangrijke rivier, de Frazer, die over eene lengte van ongeveer honderd mijlen van Zuid naar Noord stroomt, en zich uitstort in den nauwen zeearm, welke ingesloten wordt door de kust van Bute, Vancouver-eiland en eene ontelbare menigte kleine eilandjes.
Vancouver-eiland is tweehonderd vijftig geografische mijlen lang en drieenzeventig mijlen breed. De portugeezen hebben er zich eerst meester van gemaakt, maar later zijn deze verdrongen door de Spanjaarden, die er in 1789 bij tractaat bezitters van werden. Vancouver heeft het eiland driemaal bezocht in den tijd toen het door de inboorlingen nog Noutka geheeten werd; het heeft een tijdlang den naam van dien engelschen ontdekker en tevens dien van den spaanschen kapitein Quadra gedragen, maar in de laatste jaren van de achttiende eeuw is het voorgoed in handen van de engelschen overgegaan.
De hoofdplaats van het eiland is Victoria, maar Nanaimo is de grootste stad. Vertegenwoordigers van de Hudsonsbaai-compagnie hebben het eerst de rijke kolenmijnen ontgonnen, die tegenwoordig onder de belangrijkste afvoerbronnen behooren, welke de drukke scheepvaart tusschen San Francisco en de verschillende punten der Westkust van Noord-Amerika voeden.
Een weinig noordelijker dan Vancouver-eiland ligt Queen-Charlotte-eiland, het grootste der eilandengroep van dien naam die mede behoort tot Engelands uitgestrekte bezittingen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan.
Ieder begrijpt, dat Cascabel er even weinig aan dacht de steden op deze eilanden te gaan bezoeken als hij den voet had willen zetten in Adelaïde of Melbourne in Australië, of in Madras of Calcutta in Britsch-Indië. Zoo snel zijne paarden voortwilden trok hij de vallei der Frazer-rivier door en hij zorgde met geen andere bewoners in aanraking te komen dan met de lieden van het indiaansche ras.
Zoolang de reizigers zich in dit dal bevonden, hadden zij geene moeite om aan het noodige wild te komen, dat in de dagelijksche behoefte der tafel ruimschoots voorzag. Aan herten, hazen en patrijzen was geen gebrek, en die brave beesten--merkte Cesar op--die zijn oudste zoon met zelden falende hand het lood in het lijf joeg, dienden op die manier ten minste tot voedsel voor eerlijke lieden. Zij zelven hadden geen droppel engelsch bloed in hunne aderen en ze konden door een franschman opgegeten worden zonder dat hun vleesch hem walgde!
Even voorbij fort Langley reed de reiswagen de diepe kloof der Frazer-vallei binnen. Een eigenlijke rijweg was hier niet; de grond lag als aan zichzelf overgelaten; op den rechteroever der rivier strekten groote grasvelden zich uit, in het westen begrensd door dichte wouden, waarboven ver naar achteren de hooge bergen tegen de meestal grijsachtig gekleurde lucht afstaken.
Niet ver van New-Westminster, eene van de voornaamste steden in het kustland van Bute, aan de monding der Frazer-rivier gelegen, was de wagen, op raad van Jan, op eene daar liggende veerpont naar den anderen oever overgezet. Dit was eene goede voorzorg, want de _Schoone Zwerfster_ had nu slechts de rivier te volgen om langs den kortsten en den gemakkelijksten weg een gedeelte van het russische gebied van Alaska te bereiken, dat een eind over de grens van Columbia uitsteekt.
Bovendien was het toeval Cascabel gunstig geweest en had hij eenen gids ontmoet, die zich bereid verklaard had hem den weg tot aan de russische grens te wijzen. Dit was een brave indiaan en zij hadden geen reden om spijt te hebben over het vertrouwen dat zij in hem stelden. Natuurlijk kostte het weder eenig geld, maar het was beter een dollar of wat meer uit te geven dan zuinig te zijn ten koste van de veiligheid en den spoed.
De gids heette Ro-No en behoorde tot een der stammen wier _tyhis_, dat wil zeggen wier opperhoofden, in levendig verkeer met europeanen zijn. Dit is een geheel ander soort van indianen dan de Tchilicotten, die tot een valsch, wreedaardig, woest en trouweloos menschenras behooren, en voor wie de reizigers in het noordwesten van Amerika niet genoeg op hunne hoede kunnen zijn. Nog in 1864 hebben deze straatroovers het geheele personeel, dat bezig was met opmetingen voor het aanleggen van eenen spoorweg op de kust van Bute, helpen vermoorden. Ook de ingenieur Wadington, wiens dood in de geheele kolonie betreurd werd, was in hunne handen gevallen en ellendig omgebracht. In dien tijd, werd er verhaald, hadden de Tchilicotten het hart van een hunner slachtoffers uit zijn lichaam gescheurd en verslonden, zoodat zij toen nog op ééne lijn stonden met de menscheneters op de afgelegen eilanden in Polynesië.
Jan had eene beschrijving van deze wreedheden gelezen in het verhaal der reis van Frederick Whymper door Noord-Amerika en zijnen vader gewaarschuwd voor eene mogelijke ontmoeting met de Tchilicotten; maar zij hadden samen afgesproken daar niets van aan de anderen te vertellen, ten einde hen niet noodeloos ongerust te maken. Bovendien waren deze Roodhuiden sedert deze gebeurtenissen voorgevallen waren, voorzichtig op eenen afstand gebleven, want eenige hunner, van wie bewezen was dat zij de meeste schuld aan deze euveldaden hadden, waren door beulshanden opgeknoopt. Dit had een heilzamen schrik teweeggebracht en de gids Ro-No verzekerde ten stelligste dat de karavaan op haren verderen tocht door Britsch-Columbia niets te vreezen had.
Het weder bleef bij voortduring gunstig en des middags tusschen twaalven en tweeën begon het reeds ter dege warm te worden. Aan alle takken prijkten de berstende en met sappen gevulde knoppen; nog een korten tijd en de eerste bladeren en bloemen zouden het woud met de teedere kleuren der lente sieren.
Het landschap vertoonde nu de eigenaardige karaktertrekken aan noordelijke landen eigen. De Frazer-vallei wordt ingesloten door wouden, waarin de boomsoorten van het Noorden de bovenhand hebben. Dit zijn ceders en dennen, en eene pijnboomsoort, Douglas genaamd, waaronder stammen gevonden worden van vijftien meters omtrek op den grond en van meer dan honderd voet hoogte. In bosschen en beemden wemelde het van wild en Jan behoefde niet ver af te dwalen om dagelijks in de behoeften der keuken te voorzien.
Het land was voor het overige niet woest of verlaten. Dikwijls trokken zij dorpen voorbij waar de Indianen het vrij goed met de engelsche ambtenaren schenen te kunnen vinden. In de rivier vertoonden zich heele vloten van cederhouten vaartuigen die zich lieten afdrijven op den stroom of er tegen opvoeren met kracht van pagaaien en zeilen.
Dikwijls kwamen zij ook troepen Indianen op weg naar het Zuiden tegen. Zij liepen in hunne witte wollen mantels gewikkeld en wisselden gewoonlijk eenige woorden met mijnheer Cascabel, die hen reeds eenigszins begon te verstaan, want zij spraken een zonderling mengelmoes van talen, samengesteld uit woorden van franschen en engelschen oorsprong, ofschoon de inlandsche taal er natuurlijk de grondstof van uitmaakte.
--Mooi zoo! riep Cascabel uit. Nu spreek ik al Chinouk! Dat is alweder eene taal, die ik versta, zonder haar ooit geleerd te hebben.
Alle volksstammen in het hooge Westen van Amerika, deelde Ro-No hun mede, spreken de Chinouktaal, die tot in de landen van Alaska verstaan en gesproken wordt.
Onnoodig te zeggen, dat, dank zij de vroege warmte, die dit jaar was ingevallen, de sneeuw overal gesmolten was. Anders blijft zij somtijds nog in het begin van April liggen. Alles werkte dus samen om hunne reis voorspoedig te maken. Cesar ontzag zooveel als noodig was zijne paarden, maar zette er toch den meest mogelijken haast achter, ten einde zoo spoedig mogelijk het grondgebied van Columbia achter den rug te hebben. Het werd voortdurend warmer en dit konden zij ook merken aan het steeds toenemende aantal muggen, die eindelijk bijna onverdragelijk werden. Het was niet mogelijk de _Schoone Zwerfster_ voor deze beesten gesloten te houden, ook al werd er zoodra het donker begon te worden, in het geheel geen licht meer opgestoken.
--Die satansche beesten! riep Cascabel op eenen avond uit, nadat hij zich te vergeefs in het zweet gewerkt had om ze weg te jagen.
--Ik zou wel eens willen weten waar die ellendige muggen toe dienen, zeide Sander.
--Zij dienen... om ons opteëten, antwoordde Kruidnagel.
--Maar ook om de engelschen hier in Columbia te verslinden, voegde Cascabel er bloeddorstig bij. Daarom, kinderen, mag er geene mug meer doodgemaakt worden. Die engelschen kunnen er nooit genoeg last van hebben en dat is het eenige wat mij eenigszins troost.
Met de jacht bleef het steeds voorspoedig gaan. Het wild was zoo overvloedig, dat de herten in het gezicht van den wagen buiten den zoom van het woud in de vlakte kwamen om in de rivier hunnen dorst te lesschen. Door Wagram trouw bijgestaan, schoot Jan er verscheidene, zonder zich verder van den wagen te verwijderen dan de voorzichtigheid toeliet, want zijne moeder was altijd angstig als hij lang uit zicht bleef. Ook Sander ging somtijds mede op de jacht en werd door zijn ouderen broeder in de eerste beginselen daarvan onderwezen. Het was dikwijls moeilijk uit te maken wie het vlugst was, de jongste der beide Nimrods of hun jachthond.
Het duurde echter lang eer Jan grooter wild wist te bemachtigen dan herten, maar eindelijk kreeg hij een bison onder schot. Dit was geen gemakkelijke prooi. Bij het eerste schot werd het dier alleen gewond; het kwam woedend op hem af en ofschoon hij het nog een tweeden kogel in den kop joeg, bleef het doorloopen totdat het vlak bij hem was en de hoorns hem bijna raakten. Toen eerst viel het neder. Natuurlijk vertelde hij aan de anderen niets van het gevaar dat hij geloopen had, maar het groote beest, dat met zijn dikke manen veel van een leeuw had en op eenige honderd schreden van de Frazer-rivier gevallen was, woog zoo zwaar dat zij de paarden van den wagen moesten spannen om het weg te sleepen.
De bison is een herkauwend dier, dat door de Indianen op verschillende manieren benuttigd wordt en dat zij met de lans en met pijlen te lijf gaan. De huid gebruiken zij om op te slapen of als deken, of zij verkoopen die voor een twintigtal piasters. Het vleesch wordt in de zon gedroogd en daarna in lange repen gesneden, in welken staat het maanden lang bewaard kan blijven om in tijden van schaarschte tot voedsel te dienen.
Europeanen lusten in den regel van de bison alleen de tong, maar dit is dan ook eene bijzonder fijne lekkernij. Onze reizigers lieten het echter niet bij de tong. Cornelia wist het vleesch op allerlei manieren te koken, te braden, te roosteren en te stoven, en zoodoende kon het voor verscheidene maaltijden dienen en was ieder er over uit, dat het best smaakte. Van de tong was er voor allen maar een klein stukje, maar dat werd zoo lekker gevonden, dat allen betuigden nog nooit iets fijners geproefd te hebben.
Gedurende de eerste veertien dagen van den tocht door Columbia gebeurde er niets anders, dat de moeite waard is vermeld te worden, alleen begon er reeds verandering in het weer te komen. Het zou niet lang meer duren, of hun tocht naar het Noorden zou door de zware regens zoo niet belet, dan toch bemoeilijkt worden.
Onder deze omstandigheden stond het te vreezen dat de Frazer-rivier tengevolge van den aanhoudenden was buiten hare oevers treden zou, hetgeen voor de _Schoone Zwerfster_ eene ernstige, ja misschien eene onoverkomelijke hinderpaal had kunnen worden.
Gelukkig echter rees het water in de rivier tengevolge van den geweldigen regen wel hoog, maar niet ver boven de oevers, zoodat de vlakte, welke anders ondergeloopen zou zijn tot aan den zoom van het woud dat evenwijdig aan de rivier liep, grootendeels droog bleef. Niet dan langzaam kwam de wagen vooruit, want de wielen kleefden vast aan den doorweekten grond; maar onder het waterdichte dak vonden de reizigers eene veilige schuilplaats tegen regen en wind. Het was trouwens niet de eerste maal dat zij onder soortgelijke omstandigheden de goede eigenschappen van de _Schoone Zwerfster_ op prijs hadden leeren stellen.
VII.
DWARS DOOR CARIBOU.
Hoe jammer, dat onze brave Cascabel niet eenige jaren vroeger het gedeelte van Britsch-Columbia bezocht had, dat zich thans voor hem uitstrekte! Hoe jammer dat zijn zwervend gelukzoekersleven hem niet derwaarts gevoerd had in eenen tijd, toen de bodem met goud als bedekt lag en de menschen het slechts hadden opterapen! Waarom was het tafereel, dat Jan zijnen vader schetste van dien verwonderlijken tijd, een beeld van hetgeen geweest was en niet van het tegenwoordige?
--Hier hebben wij nu Caribou, vader, zeide Jan. Maar misschien weet gij niet wat Caribou is?
--Ik heb er niet het minste vermoeden van, was Cesar's antwoord. Is het een beest op twee of op vier pooten?
--Wat, een beest? riep Napoleona. Toch geen verscheurend dier? Is het groot en bijt het?
--Het is in 't geheel geen beest, hernam Jan; het is eenvoudig een land dat zoo genoemd wordt, en wel het goudland, Columbisch Eldorado. Hoeveel schatten er verborgen lagen en hoeveel lieden er rijk geworden zijn....
--En hoeveel anderen er dood-arm werden, viel zijn vader hem in de rede.
--Dat is waar, vader, en ik moet er bijvoegen dat dit met de meesten het geval was. Maar er waren toch ook mijnwerkersvereenigingen die een gewicht van een paar duizend marken aan goud iederen dag uit den grond haalden. In eene der Caribou-valleien, Williams-creek genaamd, vonden zij het bij handenvol tegelijk!
Hoe overvloedig echter het edele metaal in dit goudland opgehoopt lag, de toeloop van menschen om het te plunderen was nog grooter. Door deze opeenhooping, waaronder zich allerlei gemeen gespuis bevond, werd het leven er uiterst bezwaarlijk en de prijs van alles verbazend hoog. Eten en drinken waren bijna niet te betalen, een pond brood kostte een dollar. Te midden der dichte menschenmassa ontstonden allerlei besmettelijke ziekten. Kortom, de meesten die naar Caribou gestroomd waren, vonden er niets dan ellende en dood. Dat is echter het geval in al die goudlanden, in Californië en Australië zoo goed als hier.
--Het zou toch wel aardig zijn, vader, zeide Napoleona, zoo'n bonk goud op den weg te vinden.
--Wat zou je daar meê doen, kleuter?
--Wat zij er mêe doen zou? vroeg Cornelia. Zij zou het aan haar moedertje geven, die er wel een zak mooie blinkende goudstukken voor zou weten te krijgen.
--Wij moeten maar goed zoeken, zeide Kruidnagel, dan vinden wij stellig iets, of het moest zijn....
--Of het moest zijn dat wij niets vonden, wilt ge zeker zeggen? viel Jan hem in de rede. Dat is het juist wat er gebeuren zal, want de kas is zoo ledig als eene kas maar bij mogelijkheid zijn kan.
--Nu, nu, zeide Sander nog, men kan toch nooit weten!
--Heiwat kinderen! begon nu vader Cascabel met zijne meest indrukwekkende stem. Ik verbied u allen op die manier rijk te worden. Geen goud afkomstig uit een engelschen grond! Foei! Laat ons snel maken dat wij voortkomen en ons niet ophouden om eene klomp opterapen, al was zij zoo groot als Kruidnagel zijn hoofd! Eenmaal aan de grens, kinderen, al staat daar ook geen bord met het opschrift: »Voeten vegen s. v. p.," zullen wij het stof van onze schoenen kloppen, teneinde geen korrel van den Columbiaanschen grond mêe te dragen.
Die Cesar Cascabel bleef in dit opzicht altijd dezelfde! Maar de goede man had ditmaal mooi praten, want er bestond heel weinig kans dat iemand meer een klompje goud op den weg zou tegenkomen.
Dit nam echter niet weg dat er ondanks het strenge verbod nog dikwijls, zoo lang zij in deze streek waren, met onderzoekende blikken naar den grond gekeken werd. Er lag geen keisteen langs den weg af Napoleona, maar vooral Sander, dacht dat het een brok goud was. Waarom zou dat niet kunnen? Is Amerika niet van alle landen ter wereld het rijkste aan edel metaal, rijker dan Australië, Rusland, Venezuela of China?
Intusschen was de regentijd ingetreden. Geen dag ging er voorbij of het stortregende. Natuurlijk werden de wegen daar niet beter op en ging het rijden hoe langer hoe bezwaarlijker.
De indiaansche gids drong er op aan dat zij spoed zouden maken want hij vreesde dat de kleine riviertjes of beken, die zich in de Frazer-rivier storten en die in den zomer bijna droog loopen, tengevolge van den regen ondoorwaadbaar zouden worden. Gebeurde dit, hoe moesten zij er dan over komen? Er bestond in dat geval veel kans dat de _Schoone Zwerfster_ gedurende al de weken dat de regen aanhield, aan ééne plaats gekluisterd zou blijven. Iedere dag dat zij eerder buiten de Frazer-vallei kwamen, was dus als winst te beschouwen.
Zooals wij reeds verteld hebben had de karavaan van de indiaansche stammen, sedert de roofzuchtige Tchilicotten naar het Oosten teruggedrongen waren, niets meer te vreezen. Dit was eene reden tot gerustheid, maar daarentegen waren er nog wilde beesten, onder anderen beren, die in eene afgelegene vallei, aan verschillende zijden door water omringd, als zij door honger gekweld werden, voor reizigers lastig konden wezen.
Zoo iets ondervond Sander bij zekere gelegenheid, toen hij bijna het slachtoffer werd van zijne ongehoorzaamheid aan zijnen vader.
Dit gebeurde in den namiddag van den 17den Mei. Zij hadden den wagen doen stil houden op een vijftig schreden van een riviertje dat zij bijna droogvoets waren overgekomen. Het lag tusschen hooge oevers ingesloten en zou dus een onoverkomelijk beletsel geweest zijn indien het door een plotselingen was tot eenen stroom was aangezwollen.
Zij zouden daar een paar uren rust houden. Jan ging dus vooruit om te zien of hij niet wat schieten kon. Sander kreeg last bij den wagen te blijven, maar hij stoorde zich daar niet aan, ging de beek weder over zonder dat iemand het merkte en wandelde den kant op dien zij afgekomen waren, met niets bij zich dan een touw van een voet of twaalf lengte, dat hij als een gordel om zijn middel gewonden had.
De knaap had een plannetje gemaakt. Onder weg had hij eenen vogel met schitterende veeren zien zitten. Dien wilde hij weder trachten te vinden om zijn nest uittehalen. Het touw had hij medegenomen teneinde het te gebruiken om als het noodig was in eenen boom te kunnen klimmen.
Dit was lang niet voorzichtig, te meer dewijl het weder er alles behalve gunstig uitzag. Donkere wolken kwamen van alle kanten opzetten en er was blijkbaar een onweder in aantocht. Maar houd eens een jongen tegen die een vogelnestje wil gaan uithalen!
Al voortloopende geraakte Sander spoedig midden in het dichte woud, waarvan de voorste boomen tot aan den linkeroever der beek stonden. Hij had zijnen vogel weder in het oog gekregen, maar het dier fladderde van den eenen tak naar den anderen, als wilde het hem steeds verder van den weg lokken.
Sander dacht aan niets dan zijne prooi en vergat dat de _Schoone Zwerfster_ reeds over twee uren weder op weg moest. Twintig minuten nadat hij het riviertje overgegaan was, bevond hij zich reeds een goede halve mijl in het bosch. Hier was geen spoor van eenen weg meer; tenauwernood een pad tusschen de dennen- en cederboomen, telkens door kreupelhout versperd.
De vogel vloog, luid zingende, tusschen de boomen rond en Sander liep hem na zoo hard hij kon, springende als een jonge kat. Het baatte echter niets. Eindelijk verloor hij den vogel tusschen het dichte groen uit het oog.
--Loop naar de maan! riep hij, ziende dat het nutteloos was zijnen tocht voort te zetten.
Nu bemerkte hij eerst dat de lucht geheel met zware wolken overdekt was geworden. Reeds lichtte het van tijd tot tijd te midden van het dichte groen.
Dat was de flikkering der eerste bliksemstralen, die spoedig door het gerommel van den donder gevolgd werden.
--Ik moet maken dat ik wegkom; dacht de knaap; maar wat zal vader wel zeggen?
Op dit oogenblik werd zijne aandacht getrokken door eenen steen van zonderlingen vorm, zoo groot ongeveer als een pijnappel, waar zich hier en daar metaalachtige stippen op vertoonden.
Dat was genoeg om Sander te doen denken dat het een klomp goud kon zijn, die de goudgravers hier hadden laten liggen. Met eenen kreet van vreugde raapte hij den steen op, bekeek hem van alle kanten en stak hem in zijn zak, met het stellige voornemen echter om er niemand iets van te vertellen.
--Wij zullen later wel eens zien wat zij zeggen zullen, dacht hij, als ik er klinkende munt voor in de plaats heb gekregen!
Nauwelijks had hij zijne kostbare vondst bij zich gestoken of het onweder barstte in volle hevigheid los. Op eens liet zich tusschen het rommelen der donderslagen, dat van alle zijden door de bergen weerkaatst werd, een hevig gebrul hooren.
Een twintigtal schreden van Sander af vertoonde zich buiten een kreupelboschje een groote beer, van de soort die in Noord-Amerika _grizzly_-beer genoemd worden.
Sander was niet bang van aard, maar nu zette hij het toch zoo hard hij kon op een loopen, den kant van het riviertje op. De beer hem na. Gelukte het den knaap bijtijds aan de beek te komen en den anderen oever te halen, dan was hij in veiligheid. De anderen zouden den beer wel aan den kant van het riviertje op eenen afstand houden, of indien zij er kans toe zagen hem neerschieten. Zijne huid was geld waard.
Maar het stortregende, de bliksemstralen volgden elkander op, de donder was geen oogenblik van de lucht. Sander was reeds tot op het lijf toe nat, zijne doorweekte kleederen maakten het loopen hem moeielijk, ieder oogenblik dreigde hij op den glibberigen grond uitteglijden, en indien hij viel, was de beer hem dadelijk op het lijf. Gelukkig gebeurde dit echter niet. Na bijna een kwartier loopens kwam hij ademloos aan den oever der beek.
Hier echter kon hij niet verder. Het riviertje was in een woesten stroom veranderd, het water tot aan den oeverrand gerezen, rotsblokken, boomtakken, heele stammen werden in woeste vaart er in medegesleurd. In dien draaikolk te springen, was een wissen dood te gemoet gaan. Op redding bestond niet de minste kans.
Terugkeeren dorst Sander niet. De beer was hem dicht op de hielen. De reizigers en de _Schoone Zwerfster_, die hij tusschen de boomen ternauwernood zien kon, kon hij niet te hulp roepen.
De zucht tot lijfsbehoud deed hem, bijna zonder er over te denken, het eenige middel aangrijpen waardoor hij misschien behouden kon blijven.
Een pas of vijf van hem vandaan stond een groote cederboom, waarvan de onderste takken over de beek heen hingen.
De knaap vloog naar den stam, die gelukkig niet al te dik was. Hij sloeg zijne armen er om heen, trok zich aan de uitstekende punten in de schors naar boven en kwam zoodoende tot het punt waar de stam zich splitste. Vandaar klom hij tusschen de takken verder naar boven. Een aap zou het hem niet verbeterd hebben, maar men moet bedenken dat onze jonge kunstenmaker aan zulke lichaamsoefeningen gewoon was. Nu geloofde hij zich in veiligheid.
Daarin vergiste hij zich echter. De beer was eerst eene poos bij den boom blijven staan, maar maakte zich nu ook gereed er in te klimmen. Hem te ontkomen was moeielijk, want eenmaal aan 't klauteren, kon het beest evengoed als Sander tusschen de bovenste takken komen.