Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"
Chapter 5
Voorloopig ging alles dus naar wensch. Cascabel was er de man niet naar om van de gunstige gelegenheid, die weer en wind op het oogenblik aanboden, geen gebruik te maken. Zoo snel als de paarden wilden, ging het vooruit. In dezen tijd van het jaar waren de wegen goed, maar na eenige maanden zouden de harde regens in den herfst ze moeilijk begaanbaar maken. Gemiddeld maakten zij zeven of acht mijlen in het etmaal, met eene poos rust op het midden van den dag om te eten, terwijl er te zes uur des avonds werd uitgespannen en alles voor den nacht in gereedheid werd gebracht. Men moet niet gelooven dat dit land weinig bewoond is. Op de akkers waren de landbouwers reeds aan het werk om den vruchtbaren grond gereed te maken voor den najaars-oogst die hier rijker vruchten afwerpt dan in eenig land ter wereld. Ook trokken zij door een aantal gehuchten, dorpen en kleinere of grootere steden hetgeen vooral het geval was naarmate de _Schoone Zwerfster_ dichter in de nabijheid bleef van den linker oever der Sacramento-rivier. Dáár toch is de streek, die vroeger als het goudland bij uitnemendheid bekend stond en die nu nog den veelbeteekenenden naam Eldorado draagt.
Overeenkomstig hetgeen Cascabel, als aanvoerder van den troep, bepaald had, werden er overal waar de gelegenheid zich daartoe aanbood, voorstellingen gegeven. Zij hadden dit gedeelte van Californië nog nooit bezocht en kijkgrage menschen zijn er in den afgelegensten achterhoek te vinden. Te Placerville, te Aübüry, te Marysville, te Tchama en op andere plaatsen van meer of minder beteekenis, vonden zij eenen bijval die zich uitte in eenen regen van Amerikaansche centen, welke langzamerhand aangroeiden tot een dozijn of wat dollars. Het publiek begon juist genoeg te krijgen van het onveranderlijke »Amerikaansche paardenspel" waardoor deze streken aanhoudend afgereisd werden. Napoleona met hare aanvallige vlugheid, Sander met zijne buigzame ledematen, Jan's bedrevenheid in het balanceeren, Kruidnagel's komieke vergissingen en domme streken, dat alles werd door de liefhebbers naar waarde geschat. Ook in de honden en den aap, John Bull, had ieder pleizier. De oudste leden van den troep, het echtpaar Cascabel, lieten zich bewonderen, Cesar om zijne groote spierkracht, Cornelia in het worstelen met alle liefhebbers die zich daartoe genegen toonden, waarbij wel te verstaan alleen de vlakke hand als wapen gebruikt mocht worden.
Den 12den Maart kwam de _Schoone Zwerfster_ aan in het stadje Shasta, gelegen aan den voet van eenen berg van denzelfden naam die zich tot eene hoogte van veertienduizend voet boven de vlakte verheft. In het Westen vertoonde zich als een verward gevaarte het gebergte der Coast-Range, dat zij gelukkig niet over behoefden te trekken om in den Staat Oregon te komen. Het land was echter heuvelachtig genoeg. Tusschen een grillig net van uitloopers van het gebergte, op te nauwernood gebaande wegen welke niet dan met moeite op de kaart te vinden waren, kwam de reiswagen uiterst langzaam vooruit. Hier waren ook de dorpen dun gezaaid. De reis zou zeker gemakkelijker geweest zijn indien zij de kuststreek gevolgd hadden waar het terrein veel minder ongelijk is, maar om dat te doen zouden zij eerst de Coast-Range achter zich moeten hebben en over dit gebergte leidt bijna geen begaanbare weg. Het was dus beter nog een eind noordwaarts op te gaan en de laatste golvingen van den bergketen omtetrekken, en zoo in Oregon te komen.
Aldus luidde het advies van Jan, die in zaken van aardrijkskunde het meest te vertellen had. Zijn raad werd dan ook gevolgd.
Den 19den Maart trokken zij voorbij het fort Jones en dienzelfden dag kwam de _Schoone Zwerfster_ in het stadje Yrika. Zij vonden daar een goed onthaal en veel bijval, waardoor de kas weder eenige dollars rijker werd. Het was de eerste maal dat deze streek door een franschen kunstenmakerstroep bezocht werd en in al die afgelegen gewesten van Amerika worden franschen met open armen ontvangen. Het volk mag hen lijden en is zeker vriendelijker tegen hen gezind dan sommige van Frankrijk's naaste buren in Europa.
In dit plaatsje hadden zij verder gelegenheid tegen een matigen prijs de noodige hulppaarden te huren, zonder welke Vermout en Gladiator het zware werk, dat zij hier te doen hadden, niet af konden. De _Schoone Zwerfster_ kwam dus zonder ongeval over het noordelijkste uiteinde van den bergketen, ditmaal zonder door gidsen bestolen te worden.
--Natuurlijk! merkte Cascabel op. Het waren immers geen engelschen! Daarvan had ik mij wel overtuigd!
Men moet hieruit nu niet opmaken dat alles even gemakkelijk en de wagen over eenen zandweg ging. Maar dank zij de genomen voorzorgen, liep het zonder ongelukken af.
Den 27sten Maart eindelijk, na eenen afstand van ongeveer vier honderd kilometer afgelegd te hebben van de Sierra Nevada af, ging de _Schoone Zwerfster_ de grens van Oregon over. In het Oosten werd de gezichteinder hier begrensd door den kalen berg Pitt, welke als een stijl op eenen zonnewijzer zijne schaduw in de vlakte werpt.
Menschen en dieren hadden het hard te verantwoorden gehad, zoodat zij onvermijdelijk te Jacksonville eene poos rust moesten nemen. Daarna lieten zij zich de Roques-rivier overzetten en volgden van toen af de bochten der kustvlakte, die zich zoo ver zij zien konden naar het Noorden uitstrekte.
Dit is een bergachtig, maar vruchtbaar land, dat alweder veel voor den landbouw belooft. Weilanden en bosschen wisselen elkaâr af; het landschap gelijkt in zijne hoofdtrekken op het Californische. Nu en dan kwamen zij troepen Sastès- of Umpaquas-indianen tegen, doch het waren vreedzame lieden, van wie zij niets te vreezen hadden.
In deze streek gekomen vond echter Jan, die geen uur verloren liet gaan dat hij met lezen kon doorbrengen, het noodig eene waarschuwing tot de anderen te richten, die hij in zijne boeken gevonden had.
Zij waren nu eenige mijlen voorbij Jacksonville, te midden van dichte bosschen waartusschen het fort Lane, op eenen heuvel van een paar duizend voet hoogte, verscholen ligt.
--Hier moeten wij oppassen, merkte Jan op, want het krioelt in dit land van slangen.
--Wat zegt ge, slangen! riep Napoleona verschrikt uit. Dan moeten wij maken dat wij hier van daan komen.
--Zacht wat kindlief, antwoordde haar vader. Wij moeten alleen een weinig voorzichtig zijn.
--Zijn dat gevaarlijke beesten? vroeg Cornelia.
--Erg gevaarlijk, moeder, zeide Jan. Het is eene soort van ratelslangen, die onder de kwaadaardigste van haar geslacht gerekend worden. Zij vallen niemand aan die niet met haar in aanraking komt; maar zoodra ze bij ongeluk gestooten of getrapt worden, springen zij overeind en bijten, hetgeen in de meeste gevallen doodelijk is.
--Waar houden zij zich meestal op? vroeg Sander.
--Gewoonlijk onder droge bladeren, waar ze niet licht in het oog vallen, hernam Jan. Daarentegen verraden zij zich door dat ze met de ringen, die aan haar staart geplaatst zijn, een ratelend geluid maken als van eene krekel. Zoodra ge dat hoort, is het zaak te maken dat ge uit den weg komt.
--Opgepast dus! zeide Cesar. Ieder moet goed vóór zich kijken en allen moeten wij luisteren.
Niet zonder reden had Jan hen hier opmerkzaam op gemaakt, want in alle streken van westelijk Amerika worden slangen in menigte gevonden. Maar niet alleen slangen, ook tarantula-spinnen, wier steek niet veel minder gevaarlijk is.
Behoedzaam vervolgden zij dus hunnen weg en op ieder verdacht geluid werd acht geslagen. Zij moesten bovendien goed op de paarden passen, want voor deze zijn slangen en ander ongedierte evenzeer te vreezen als voor menschen.
Jan had er nog bijgevoegd dat die venijnige beesten niet alleen langs den weg kruipen, maar ook dikwijls in de huizen dringen, zoodat hun wagen er allerminst veilig voor was. In dit opzicht mochten zij zich dus op de _Schoone Zwerfster_ niet verlaten.
Des avonds werd er met grooten ijver onder de bedden en in alle hoeken naar de onwelkome gasten gezocht. Napoleona gilde het uit van angst zoodra zij iets meende te zien dat haar verdacht voorkwam. Een opgeschoten eind touw zag zij voor eene ratelslang aan, al lag het ook doodstil en al zat er geen driehoekige kop aan. Met eenen schrik sprong zij dikwijls op als zij, half slapende, hier of daar eene krekel meende te hooren. Wij moeten er echter bijvoegen dat Cornelia zich niet veel geruster toonde dan de kleine meid.
--Voor den drommel, riep haar man eindelijk uit nadat zij hem een keer of wat aan 't schrikken gemaakt hadden, gij vrouwen zijt met uwen angst voor slangen haast even lastig als de slangen zelve! Uw overgrootmoeder Eva was er zoo bang niet voor. Die praatte er zelfs mêe.
--Ja maar dat was in het paradijs, antwoordde Napoleona.
--Bovendien had zij beter gedaan met dat achterwege te laten, voegde moeder Cascabel er bij.
Kruidnagel moest des nachts de wacht houden. Eerst had hij voorgesteld een groot vuur aan te steken ten einde daarmede de slangen op eenen afstand te houden; maar hier bracht Jan tegen in dat hierdoor de slangen wel afgeschrikt, maar de tarantula-spinnen daarentegen aangetrokken zouden worden.
Dit alles maakte dat onze reizigers zich alleen op hun gemak voelden wanneer zij in het eene of andere dorp nachtverblijf konden houden. Daar was het gevaar voor onaangename verrassingen veel minder.
Zij trokken nogal eenige kleine plaatsjes door, zooals Canonville aan de Cow-kreek, Roseburg, Rochester, Youcalla enz. Daar brachten hunne voorstellingen telkens weder eenig geld in het laadje. Als Cesar zijne rekening opmaakte, kostte de reis hem niets want hij verdiende meer dan hij uitgaf. Gras vonden de paarden in de vlakte, wild was er in overvloed in het woud, en in de riviertjes werd menige heerlijke visch gevangen. De kas begon weder langzamerhand aantegroeien, maar het was er nog verre van daan, dat er uitzicht bestond om de tweeduizend dollars terug te verdienen die hun daar ginds in de Sierra Nevada ontstolen waren.
Gelukkig bleven zij allen voor beten of steken van slangen en tarantula's bewaard, maar daarentegen werden zij na verloop van eenige dagen door iets anders geplaagd. Dat gaat zoo in de natuur. Die is wel mild, maar zij bezit ook ontelbare manieren om de menschen het leven onaangenaam te maken.
Dit gebeurde nadat onze karavaan, altijd haren weg vervolgende over het Oregon-gebied, de stad Eugène-city doorgetrokken was. Die naam met zulk een franschen klank had hen allen veel pleizier gedaan en mijnheer Cascabel had dien landgenoot wel willen kennen, die zeker een van de stichters der stad geweest was en haar zijnen naam gegeven had. Dat kon niet anders dan een brave man zijn, en al heette hij ook niet zooals een van de fransche koningen, Charles, Louis, François, Henri, Philippe of zelfs Napoleon, een franschman moest het toch zijn, dat stond als een paal boven water.
Achtereenvolgens hadden zij zich opgehouden te Harrisburg, te Albany en te Jefferson. Thans liet de _Schoone Zwerfster_ »haar anker vallen" voor Salem, eene stad van eenigen omvang, de hoofdplaats van den staat Oregon, gelegen aan een der armen van de Villamette-rivier.
Dit was op den 3den April.
Cascabel bepaalde dat er hier een dag rust gehouden zou worden; dat wil zeggen dat zij niet verder trekken zouden, want op de markt der stad werd weder eene voorstelling gegeven en over de opbrengst daarvan hadden zij alle reden van tevredenheid.
Toen dit afgeloopen was besloten Jan en Sander in de rivier, die zeer vischrijk heette te zijn, op de vangst uit te gaan.
Maar den daarop volgenden nacht kregen vader, moeder en kinderen op eens zoo'n ondragelijke jeuk over het geheele lichaam, dat zij een oogenblik niet anders dachten of een hunner had de anderen eene poets gebakken, zooals onder kermisklanten wel eens meer gebruikelijk is.
Des ochtends toen het licht geworden was, keken zij elkander echter stom van verbazing aan.
--Ik zie zoo rood als eene vrouw van de indiaansche Roodhuiden, riep Cornelia uit.
--Mijn gezicht is een en al blaâr! klaagde Napoleona.
--Kijk eens, ik zit van het hoofd tot de voeten vol bulten! kwam Kruidnagel vertellen.
--Wat beteekent dat nu? vroeg Cesar. Zou er in dit land de pest heerschen?
--Ik geloof dat ik wel weet wat het is, zeide Jan, nadat hij met aandacht de roode vlekken, waarmede zijne armen bedekt waren, had opgenomen.
--Nu, wat is het dan?
--Wij zijn door de _Yèdre_ gestoken, zooals de Amerikanen het noemen.
--Loop naar de maan met uw _Yèdre_! vertel me liever wat dat is.
--De _Yèdre_, vader, is eene plant, die men maar even heeft aan te raken, te ruiken, ja zelfs te zien zooals verteld wordt, om er onaangename gevolgen van te ondervinden. Zij vergiftigt op eenen afstand.
--Wat zegt ge daar? riep Cornelia verschrikt uit. Zijn we vergiftigd?
--Nu, het is zoo erg niet, haastte Jan zich er bij te voegen. Met wat jeuk en misschien een beetje koorts zijn we er af.
Dit was inderdaad het geval. De _Yèdre_ is eene ongezonde en venijnige plant. Het uiterst lichte zaad van dezen heester wordt door den wind voortgedreven en zoodra het in aanraking komt met de menschelijke huid, wordt die rood en komen er jeukende puisten op. Hoogst waarschijnlijk was de reiswagen, terwijl zij door de bosschen in den omtrek van Salem trokken, door zulk eenen met _Yèdre_-zaad bezwangerden luchtstroom gegaan. Gelukkig duurde deze huid-uitslag, waarvan zij geen van allen verschoond bleven, niet langer dan vierentwintig uren. Dien tijd brachten zij echter door met zich aanhoudend te krabben, zoodat zij allen iets van John Bull kregen, die in gewone omstandigheden zich met dit bij de apen zoo geliefkoosde tijdverdrijf pleegde bezig te houden.
Den 5den April schudden de passagiers van de _Schoone Zwerfster_ het Salemsche stof weder van hunne voeten, niet zonder eene jeukende herinnering aan hunnen tocht door het bosch langs de Villamette-rivier, hetgeen echter niet weg kon nemen dat zij dit een mooien naam, vooral voor fransche ooren vonden.
Over Fairfield, Canemah, Oregon-City en Portland, altemaal steden van vrij wat beteekenis, naderde de karavaan den 7den April de Columbia-rivier, de grensscheiding van Oregon, in welken Staat zij weder eenen afstand van honderdvijftien mijlen hadden afgelegd.
Naar het noorden strekte zich nu het gebied uit, dat toen nog als het Washington territorium bekend stond, maar sedert onder de Staten der Unie opgenomen is geworden. Het meest bergachtige gedeelte dezer streek liet de _Schoone Zwerfster_ op haren verderen tocht links liggen, dat is in het Oosten. Hier liggen de uitloopers van een gebergte genaamd Cascade-Ranges, waaronder toppen gevonden worden als die van Sint Helena, van Baker en van Bainer, de eerstgenoemde negenduizend zevenhonderd, de twee anderen ongeveer elfduizend voet hoog. Het is alsof de natuur, na zich een tijdlang rust en aan uitgestrekte vlakten het aanzijn gegeven te hebben, nog eens hare krachten heeft willen toonen door in het Westen der Nieuwe Wereld eene reeks geweldige hoogten te doen verrijzen. Als men de geheele landstreek bij eene zee wilde vergelijken, zou men kunnen zeggen, dat die aan den eenen kant zoo effen ligt als een meer, maar aan den anderen kant door een nimmer ophoudenden stormwind bewogen wordt, waarbij dan de bergruggen de kruinen der golven zouden wezen.
Jan maakte inderdaad deze vergelijking en zijn vader had daar niet weinig schik in.
--Juist zoo, zeide hij. Eerst hebben we mooi weer gehad en nu komt er storm. Maar onze _Schoone Zwerfster_ is een kloek zeilschip en gaat niet licht naar den kelder. Komaan, kinderen! Aan boord en het anker gelicht!
Ieder maakte zich op en de bewegelijke woning ging weder aan 't »varen" over de onstuimige zee. Gaandeweg--om bij de vergelijking te blijven--werden de golven echter kleiner en dank zij de goede zorgen harer bemanning, kwam de ark der Cascabels behouden over de ergste plekken. Wel ging de reis niet altijd even snel, maar het schip liep toch op geen enkele klip of zandbank.
Ook vonden zij nog overal een goed onthaal, in de kleine stadjes als Kalmera en Monticello zoowel als in de forten, waar bijna geen andere bewoners gevonden werden als de manschappen van het garnizoen. De wallen van deze versterkingen bestaan uit niets dan staketsels van zware palen, en de bezettingen zijn niet talrijk, maar beide zijn voldoende om de zwervende Indianen-stammen die het land doorkruisen in bedwang te houden.
Noch de Chinoux, noch de Nesquallys, welke stammen het land Walla-Walla voornamelijk in bezit hebben, deden dus de _Schoone Zwerfster_ eenig kwaad. Tegen den avond kwamen de Indianen dikwijls op den stilstaanden reiswagen af, die hunne nieuwsgierigheid gaande maakte, maar zonder booze bedoelingen. Het meest stonden zij verbaasd over John Bull en over de malle gezichten die hij trok, want in dit gedeelte van Amerika zijn in 't geheel geen apen en sommigen dachten niet anders of het beest was een der leden van het gezin.
Dat vond Sander eene goede gelegenheid om weder eens eene grap te hebben en hij verzekerde hun plechtig dat John Bull zijn jongste broertje was, maar zijne moeder kwam daar met groote verontwaardiging tegen op.
Eindelijk kwamen zij te Olympia, de hoofdstad van het Washington-territorium, en daar werd »op vereerend verlangen" de allerlaatste voorstelling gegeven, die de troep voornemens was op het grondgebied der Vereenigde Staten te vertoonen.
Niet ver van daar ligt de grens der Vereenigde Staten in het noordwesten van Noord-Amerika.
Van hier af liep de weg langs de kust van den Stillen Oceaan, of om juister te spreken, zij moesten de talrijke inhammen en zeeboezems volgen, Sounds genaamd, waar Van Couvereiland en het eiland Queen-Charlotte door worden ingesloten.
Voorbij het stadje Steklakoom moesten zij, om te beginnen, de Pagget-Sounds omtrekken. Zoo kwamen zij aan het fort Bettingham, dicht bij de zeeëngte, door welke de eilanden van het vasteland gescheiden worden.
Vervolgens kwam het vlek Whatcome, waar de berg Baker als een reus in de verte boven de wolken uitsteekt en een weinig verder Srimiahmoo, een plaatsje aan den mond van de Georgia-straat.
Den 27sten April eindelijk, na ongeveer driehonderdvijftig mijlen sedert Sacramento afgelegd te hebben, bereikte de _Schoone Zwerfster_ de grensscheiding, welke bij het tractaat van 1847 tusschen de republiek der Vereenigde Staten en Britsch-Columbia is vastgesteld.
VI.
VERVOLG VAN DE REIS.
Voor de eerste maal in zijn leven zette Cesar Cascabel, de natuurlijke en onverzoenlijke vijand van Groot-Brittannië, den voet op engelschen bodem! Nog nooit had het stof van dezen grond, dien hij instinktmatig haatte, aan zijne zolen gekleefd. Onze lezers moeten niet denken dat wij deze overdreven uitdrukkingen billijken, maar op eene andere wijze kunnen wij geen denkbeeld geven van de vrij belachelijke voorstelling, welke onze kermiskunstenaar zich maakte van de gevoelens die ieder goed franschman koesteren moet tegenover den zoogenaamden erfvijand van zijn land. Dit was een dwaas vooroordeel en in 't geheel niet in overeenstemming met de begrippen van onzen tijd, maar de man was eenmaal niet anders.
Hij zag daarbij nog over 't hoofd dat Columbia geen europeesch land is en dus geen deel uitmaakt van het echte Groot-Brittannië, bestaande uit Engeland, Schotland en Ierland, waartegen in vroeger tijd de volkshaat der franschen gericht was. Voor Cesar Cascabel was het genoeg dat de britsche vlag er wapperde, evenals zij bijvoorbeeld wappert boven de Indiën, Australië of Nieuw-Zeeland.
Britsch-Columbia is eene provincie van Nieuw-Brittannia, waaronder eene van de belangrijkste koloniale bezittingen der engelschen verstaan wordt, want de geheele Canada-Dominion, dat is Boven- en Beneden-Canada, alsmede de onmetelijke uitgestrektheden lands die aan de Hudsonsbaai-compagnie zijn afgestaan, behooren ertoe. Twee oceanen, de Stille en de Atlantische, begrenzen het aan den West- en den Oostkant. De Zuidergrens vormen de Vereenigde Staten en deze loopt van het Washington-territorium in het Oosten tot den Staat Maine in het Westen.
Er was dus geen mogelijkheid voor onze karavaan om op haren tocht naar het Noorden deze engelsche bezitting te ontwijken. Wel waren het maar een paar honderd mijlen, want zoo lang is de kortste lijn tot aan de zuidelijke grens van Alaska, waar het russische gebied in westelijk Amerika eenen aanvang neemt. Maar twee honderd mijlen mochten eene kleinigheid wezen voor de _Schoone Zwerfster_, die wel andere reizen achter den rug had, het was toch precies tweehonderd maal meer dan Cesar Cascabel pleizierig vond in zulk een «vervloekt land" te vertoeven. Hij deed dus wat hij kon om het oponthoud zoo kort mogelijk te doen zijn.
Er zou dus nergens halt gehouden worden als alleen om te eten en te rusten. Ook van kunstenmaken, koorddansen of worstelen mocht niets inkomen. De familie Cascabel zou geen paarlen voor de zwijnen werpen en geen engelsche oogen op hare toeren vergasten. Voor muntstukken met het borstbeeld van koningin Victoria koesterde zij niets dan minachting en een papieren dollar was haar meer waard, dan een zilveren kroon of een gouden pond sterling.
Met deze voornemens bezield, kozen de passagiers der _Schoone Zwerfster_ hunnen weg zoover mogelijk buiten de steden of dorpen. Als zij onder weg gelegenheid vonden om door de jacht aan leeftocht te komen, behoefden zij hunne beurs niet open te maken en de winkeliers in dit verafschuwde land geen voordeel van hunne reis te doen hebben.
Niemand verbeelde zich dat dit eene soort van aanstellerij van Cesar Cascabel was, het ging bij hem inderdaad van harte. Kalm als een wijsgeer had hij zich geschikt in de grievende teleurstelling welke hij ondervonden had; weinige uren waren voldoende geweest om hem na den schandelijken diefstal zijne opgeruimdheid te doen herkrijgen; maar van het oogenblik af dat hij de grens van Nieuw-Brittannië overtrok, was hij kregelig en uit zijn humeur. Met een zuur gezicht, het hoofd voorover en zijnen hoed over de ooren liep hij voort, terwijl hij met stuursche blikken de onschuldige voetgangers, die hij tegenkwam, monsterde. Hij was niet goed-lachs meer zooals anders en dat ondervond Sander bij eene grap die hij zich veroorloofde, maar die met een onverwachten uitbrander beloond werd.
Op een mooien dag ging die kwajongen opeens achteruit loopen, wel een kwartier lang, waarbij hij de gekste bokkensprongen en grimassen maakte.
Knorrig vroeg zijn vader wat het beduidde om zich op die manier veel meer te vermoeien dan noodzakelijk of nuttig was.
--Wel, wij reizen immers den verkeerden kant uit! was Sander's antwoord.
Al de anderen schoten in eenen lach, zelfs Kruidnagel, die het een heel geestig gezegde vond... als het tenminste niet uiterst flauw was.
--Sander, klonk het echter op strengen toon uit den mond van het hoofd des gezins, als je weer van die aardigheden verkoopt op oogenblikken dat het in 't geheel niet te pas komt, zal ik zoodanig aan je ooren trekken dat ze op je hielen komen te hangen!
--Maar vader.....
--Mond gehouden! zoo lang wij in dit land van engelschen zijn, wordt er geen gekheid gemaakt.
Van dit oogenblik af waagde niemand meer eene grap in tegenwoordigheid van den geweldigen Albion-hater, al voelden de anderen ook niet zoo 'n heftigen afkeer van engelschen.