Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"

Chapter 4

Chapter 43,813 wordsPublic domain

Waar nu de gauwdieven terug te vinden, nu zij zich over de hun bekende bergpaden van de Sierra Nevada uit de voeten gemaakt hadden? Hoe het geld terug te bekomen? En hoe de reis naar Europa terug te doen, zonder geld om den overtocht te betalen?

Allen waren wanhopig, de een barstte in tranen, de ander in verwenschingen los. Cesar Cascabel was bijna razend van woede en het kostte zijne vrouw en zijne kinderen niet weinig moeite hem tot bedaren te brengen. Maar toen deze eerste opwelling voorbij was, kreeg hij spoedig zijne tegenwoordigheid van geest terug als een man die niet gewoon was met nuttelooze verwenschingen zijnen tijd te verspillen.

--Die ellendige geldkist! kon Cornelia niet nalaten te zeggen.

--Ja, als wij dat ding niet gehad hadden, voegde Jan er bij, zou ons geld.......

--Het is waarachtig een mooie inval van mij geweest, riep Cascabel uit, die satansche kist te koopen. Nu zie ik pas in dat het voorzichtiger is, als men eene geldkist heeft, er niets in te bewaren! Wat geeft het of zoo'n ding tegen het vuur bestand is, zooals die winkelier in Sacramento mij verzekerd heeft, als het toch door den eersten dief den beste weggekaapt kan worden!

Ieder begrijpt welk een harde slag dit voor onze reizigers was en niemand zal er zich over verwonderen dat zij in de eerste oogenblikken er als door versuft waren. Met zooveel moeite tweeduizend dollars bij elkaar te hebben en ze dan op die manier te moeten kwijtraken!

--Wat moeten wij beginnen? vroeg Jan.

--Ja, wat moeten wij beginnen? herhaalde Cascabel, terwijl de woorden met moeite tusschen zijne saamgeklemde tanden doorkwamen, alsof hij ze kauwde. Het is maar al te duidelijk wat wij beginnen moeten; het is zelfs zóó eenvoudig dat er niets tegen in te brengen is. Zonder hulp-paarden kunnen wij den berg niet over. Wij kunnen dus niet anders dan naar de boerderij terug. Misschien vinden wij daar onze twee schobbejakken ook!

--Waarschijnlijk zijn zij daar niet heengegaan, merkte Kruidnagel in zijnen eenvoud op.

Dat was inderdaad alles behalve waarschijnlijk. Maar er zat niet anders op, Cesar had het terstond begrepen, dan terug te gaan. Want den tocht bergopwaarts konden zij niet voortzetten.

Vermout en Gladiator werden dus ingespannen en de terugrit door den bergpas naar beneden nam eenen aanvang.

Dat ging maar al te gemakkelijk, helaas! Van eene helling af te komen kost niet veel moeite; maar het was een treurige tocht in alle stilte, die slechts van tijd tot tijd werd afgebroken als Cesar in eenen stroom van verwenschingen zijn gemoed lucht gaf.

Tegen den middag kwam de _Schoone Zwerfster_ aan de hoeve, waar niemand iets van de dieven wist. De eigenaar was woedend toen hij het geval vernam, maar sloeg weinig acht op hetgeen de familie Cascabel overkomen was. Dat zij bestolen was kon hem niet veel schelen; hijzelf was zijne drie paarden kwijt! De booswichten waren zeker een eind het gebergte ingevlucht en nu reeds aan de andere zijde van den pas. Hen na te zetten was niet doenlijk. Het had er iets van alsof de boer zelfs Cascabel nog aansprakelijk wilde stellen voor het stelen zijner paarden.

--Neen maar, die is goed! riep Cesar uit. Waarom hebt ge zoo'n paar schoeljes in dienst, en verhuurt gij ze aan menschen die hen meenen te kunnen vertrouwen?

--Hoe kon ik dat weten? antwoordde de boer. Ik had nooit reden van klagen over hen gehad. Zij kwamen uit engelsch Columbia....

--Wat, waren het engelschen?

--Zeker!

--In zoo'n geval, mijnheer, waarschuwt men de menschen, schreeuwde Cascabel. Voor zoo iets had ik gewaarschuwd moeten worden!

Dit mocht zijn zooals het wilde, de diefstal was in elk geval gepleegd.

Moeder Cascabel was volkomen ontroostbaar, maar haar echtgenoot die meer filozoof geworden was op zijne veeljarige omzwervingen, kreeg betrekkelijk spoedig zijne kalmte terug.

Alle leden van het gezin kwamen in de _Schoone Zwerfster_ bijeen teneinde te overleggen wat hun te doen stond. Uit die beraadslaging, zeide mijnheer Cascabel met eene deftigheid die bewees dat hij reeds de oude weder geworden was, kon niet anders dan »eene allergewichtigste beslissing« voortvloeien.

--Kinderen, zeide hij, er komen in het leven omstandigheden voor waarin een verstandig man moet weten wat hem te doen staat, en ik heb ook opgemerkt dat dit in den regel onaangename omstandigheden zijn. Dat is ook het geval met die waarin wij ons op het oogenblik bevinden door de schuld van die gemeene smeerlappen van engelschen... _Englishmen_, zooals ze zich noemen!... Hierover lang te praten baat echter niets, vooral niet omdat er maar één plan overblijft dat wij kunnen uitvoeren,... en dat zullen we ook uitvoeren!

--Wat is dat dan? vroeg Sander.

--Ik zal er terstond toe overgaan u op de hoogte te brengen van hetgeen ik in mijn hoofd heb, antwoordde zijn vader. Maar om te weten of het uitvoerbaar is, moet Jan beginnen met dat ding voor den dag te halen waar de kaarten in zijn.

--Mijn atlas bedoelt gij?

--Jawel, jawel, uw atlas. Van aardrijkskunde moet ge meer weten dan een van ons allen. Voor den dag dus met uw atlas.

--Ik zal hem krijgen vader.

De atlas werd gehaald en op de tafel opengelegd. Toen hervatte papa Cascabel:

--Het spreekt van zelf, kinderen, dat ofschoon die fielten van engelschen--dat ik niet aan hun boeventronies gezien heb dat het engelschen waren!--met onze geldkist op den loop zijn--dat ik ook op het denkbeeld komen moest om er eene geldkist op na te willen houden!--het spreekt van zelf, herhaal ik, dat wij desniettemin ons plan niet opgeven om naar Europa terugtekeeren....

--Het opgeven?... Dat nooit! bevestigde zijne vrouw.

--Goed geantwoord, Cornelia. Wij willen naar Europa en wij zullen er komen! Wij willen Frankrijk terugzien en wij zullen het! Dat zoo 'n paar bandieten ons bestolen hebben, is geen reden.... Ik tenminste moet naar mijn land terug of ik ga dood....

--Gij moogt niet dood gaan, Cesar! Wij zijn eenmaal op weg naar Europa en wij keeren niet weer terug...

--Alles goed en wel, vroeg Jan, maar hoe? Op welke manier zullen wij er komen?

--Ja, op welke manier, dat is de vraag... hernam Cascabel, terwijl hij zich achter het oor krabde. Wij kunnen wel, met onderweg voorstellingen te geven, dagelijks zooveel verdienen als noodig is om te New-York te komen; maar eenmaal met onze _Schoone Zwerfster_ dáár aangeland, hebben wij geen geld om onze plaatsen op de stoomboot te betalen.... En zonder stoomboot zie ik geen kans om aan den overkant te komen, of het moest zijn door zwemmen. Dit nu lijkt mij nog al bezwaarlijk....

--Dat is inderdaad heel moeielijk, patroon, bevestigde Kruidnagel,... of wij moesten zwemvliezen hebben....

--Welnu, heb jij die?

--Zoover ik weet, niet....

--Houd dan je mond en luister.

Daarop richtte hij het woord meer rechtstreeks tot zijn oudsten zoon.

--Maak open die atlas, Jan! Laat ons op de kaart zien waar wij zijn!

Jan zocht de kaart van Noord-Amerika op en spreidde die uit. Nieuwsgierig keken de anderen, toen hij met den vinger op een punt in de Sierra Nevada wees, een klein eind oostelijk van Sacramento.

--Hier is de plek, zeide hij.

--Best, hernam Cesar. Wanneer wij dus onzen tocht over het gebergte hadden voortgezet, zouden wij het geheele grondgebied der Vereenigde Staten tot New-York toe hebben moeten doortrekken?

--Natuurlijk, vader.

--Hoeveel mijlen is dat?

--Ongeveer dertienhonderd.

--Onthoud dat! Vervolgens hadden wij den Oceaan over moeten varen?

--Dat kon niet anders.

--Hoeveel mijlen varens is dat weer?

--Ten naasten bij negenhonderd, tot aan het vasteland van Europa.

--En eenmaal in Frankrijk, zouden wij zoo goed als in Normandië geweest zijn, niet waar?

--Op eene kleinigheid na.

--Hoeveel is dat nu samen?

--Tweeëntwintighonderd! riep Napoleona, die het al op hare vingers had uitgerekend.

--Kijk zoo'n kleuter! zeide mijnheer Cascabel. Dat kan ook al cijferen..... Is het zoo, twee duizend twee honderd mijlen?

--Ten naasten bij vader, bevestigde Jan, en dan rekenen wij ruimschoots.

--Welnu kinderen, dat eind zouden wij met onze wakkere _Schoone Zwerfster_ wel kunnen afleggen, als er maar geene zee lag tusschen Amerika en Europa, een eeuwig groote waterplas dien wij over moeten. Zonder geld, dat wil zeggen zonder stoomboot, komen wij niet aan den overkant....

--Of wij moesten zwemvliezen hebben, viel Kruidnagel in de rede.

--Daar heb je hem weer met zijn zwemvliezen! zei Cascabel, terwijl hij zijne schouders ophaalde.

--Dus is het duidelijk, merkte Jan op, dat wij den kant van het Oosten onmogelijk op kunnen.

--Onmogelijk mijn jongen, ten eenenmale onmogelijk! Maar zouden wij er in westelijke richting niet kunnen komen?

--In westelijke richting? vroeg Jan verbaasd.

--Ja zeker! Kijk eens na waar wij terecht zullen komen als wij den kant van het Westen opgaan?

--Dan zouden wij eerst Californië en Oregon, en vervolgens het territorium Washington door moeten tot aan de noordelijke grens van de Vereenigde Staten.

--En vervolgens?

--Vervolgens door Engelsch Columbia.....

--Bah! zeide Cascabel met een vies gezicht. Zit er niets anders op dan dat wij door dat stuk van Engeland trekken?

--Onmogelijk, vader.

--In 's hemels naam dan. En verder!

--Achter de noordelijke grens van Columbia ligt de provincie Alaska....

--Is die ook al van de engelschen?

--Neen, van de russen--ten minste op het oogenblik nog, want er is sprake van haar intelijven.

--Bij Engeland?

--Neen, bij de Vereenigde Staten.

--Dat doet mij pleizier! Wat komt er achter Alaska?

--Daar ligt de Behringstraat, die het vasteland van Amerika van dat van Azië scheidt.

--Hoeveel mijlen is dat, van de plek waar wij ons thans bevinden tot aan die Behringstraat?

--Elfhonderd mijlen.

--Onthoud dat, Napoleona. Straks moogt ge weder optellen.

--En wat moet ik doen? vroeg Sander.

--Je moogt het natellen.

--Vertel mij nu eens, Jan, hoe breed de Behringstraat wel zijn kan?

--Nagenoeg twintig mijlen, vader.

--Twintig mijlen! merkte moeder Cascabel op.

--'t Is maar een sloot, Cornelia, niet veel meer ten minste.

--Nu ja, een sloot, maar dan toch een breede.

--Een sloot, zeg ik. Bovendien Jan, vriest die Behringstraat in den winter niet dicht?

--Heelemaal vader. Gedurende vier of vijf maanden is het niets dan een groot ijsveld.

--Prachtig! over het ijs te trekken is geen bezwaar.

--Wel neen, dat wordt ieder jaar gedaan.

--Dat is nog eens een pleizierige straat!

--Maar als wij daar overheen zijn, vroeg Cornelia, komt er dan in 't geheel geen zee meer?

--Neen, moeder. Van de Behringstraat af tot aan het Russische gebied in Europa, ligt niets dan land.

--Laat ons dat eens op de kaart zien, Jan.

Jan zocht nu in den atlas de algemeene kaart van Azië op en Cascabel bekeek die met aandacht.

--Dat ziet er niet kwaad uit, merkte hij op. Er zijn geloof ik niet veel onbewoonde landen daar in Azië?

--Niet heel veel, vader.

--Maar waar ligt nu Europa?

--Hier, antwoordde Jan, terwijl hij met zijnen vinger op het Oeralgebergte wees.

--Hoe ver is het wel van die straat.... hoe heet ze ook weer? ... van die Behringsloot tot aan de Europeesche grens van Rusland?

--Dat schat ik op zestienhonderd mijlen.

--En van daar tot in Frankrijk?

--Nagenoeg zeshonderd.

--Hoeveel is nu het totaal van Sacramento af?

--Drieduizend driehonderd en twintig mijlen! riepen Sander en Napoleona allebei te gelijk.

--Knap gecijferd kinderen, zeide hun vader tevreden. Derhalve naar het Oosten tweeëntwintig honderd mijlen?

--Juist vader.

--En naar het Westen ongeveer drieëndertig honderd?

--Dat maakt elfhonderd mijlen verschil.....

--Zooveel is de westelijke weg langer, stemde Cascabel toe, maar dan ligt er geene zee tusschen beide. Als men den eenen kant niet op kan, kinderen, en er zijn er maar twee, dan kiest men den anderen. Ik stel dood eenvoudig voor dat te doen!

--Kijk, dan reizen wij achterste voren, riep Sander.

--Niet achterste voren, maar den omgekeerden kant uit.

--Heel goed, vader, antwoordde Jan. Maar ik moet u doen opmerken dat als wij den kant van het Westen opgaan, het niet mogelijk is die zooveel langere reis nog dit jaar afteleggen, en wij dus eerst later in Frankrijk kunnen komen.

--Dat zie ik nog niet in.

--Wel, elfhonderd mijlen is geen kleinigheid. De _Schoone Zwerfster_ zal het wel uithouden, maar onze paarden?

--Welnu kinderen, als wij dit jaar niet in Europa komen, dan komen wij een jaar later, ziedaar alles! En nu ik er aan denk, zie ik er nog iets beters in. Als wij Rusland doortrekken komen wij te Perm, te Kasan, te Nisjni en op andere plaatsen, waar ik dikwijls van gehoord heb. Daar zijn overal groote kermissen, wij kunnen er voorstellingen geven en ik sta er voor in dat de familie Cascabel een goed figuur zal maken en er niet met ledige beurs van daan zal komen!

Iemand die op alles een antwoord heeft, is door geen tegenspraak van zijn denkbeeld terug te brengen.

Het gaat met een karakter even als met ijzer. Als het hard geslagen wordt, trekt het zich samen, het wordt vaster, taaier en steviger. Met onze wakkere kermiskunstenaars ging het niet anders. Jaren achtereen hadden zij een moeielijk bestaan geleid en allerlei lotgevallen ondervonden; ontelbaar waren de bezwaren die zij overwonnen hadden, maar nooit hadden zij zulk eene bittere teleurstelling gehad als thans, nu al hunne spaarpenningen in handen van roovers waren gevallen en de terugreis naar hun land, langs den voorgenomen weg, eene onmogelijkheid geworden was. Maar die laatste harde slag van het noodlot was zoo ter dege aangekomen, dat zij zich nu ook sterk genoeg voelden om het ergste wat hun nog overkomen kon, te trotseeren.

Cornelia Cascabel en de kinderen maakten dus niet het minste bezwaar tegen het plan van het hoofd der familie. Toch was er moeielijk iets buitensporigers te bedenken, en Cascabel zou zelf aan zoo iets bijna onuitvoerbaars geen oogenblik gedacht hebben indien zijne begeerte om naar Europa terug te keeren niet om zoo te zeggen een stuk van zijn leven geweest ware. Daarom zag hij tegen niets meer op. Wat kon het hem schelen of hij heel het Westen van Amerika en vervolgens Siberië van het eene eind tot het andere door moest, nu dat de eenige weg was die hem openstond om in Frankrijk te komen!

--Bravo, bravo! riep Napoleona in de handen klappende uit.

--Bis, bis! voegde Sander er bij, die geen ander woord kende om den hoogsten graad van ingenomenheid uit te drukken.

--Zeg eens, vader, vroeg de kleine meid, zullen wij nu ook den czaar van Rusland zien?

--Zeker kind. Tenminste als Zijne Majesteit naar de kermis te Nisjni-Novogorod komt kijken.

--En zullen wij voor hem mogen werken?

--Dat kan wel gebeuren, als hij er pleizier in heeft.

--Dan krijgt hij van mij een zoen op zijn twee wangen.

--Misschien geeft hij er u maar één te zoenen, meidlief. Maar pas dan op, als je hem beetpakt, dat je zijne kroon niet vuil maakt.

Kruidnagel--om van hem niet geheel te zwijgen--dacht bij zichzelf dat er geen grooter genie op de wereld kon zijn dan zijn patroon.

De weg was dus duidelijk aangewezen. De _Schoone Zwerfster_ moest Californië, Oregon en het Washington-territorium door tot aan de grens die het amerikaansche van het engelsche gebied scheidt. Zij hadden nog een vijftigtal dollars in kas, het eenige losse geld dat gelukkig niet in de rampzalige geldkist geborgen was. Met dit sommetje konden de dagelijksche uitgaven op reis niet lang bestreden worden, en er werd dus bepaald dat de troep op ieder dorp en in elke stad, waar zij doortrokken, eene voorstelling geven zou. Hiermede ging eenige tijd verloren, maar dit kwam er niet op aan want zij moesten in elk geval wachten tot de Behringstraat over hare geheele breedte toegevroren zou wezen om met den reiswagen er over te kunnen. Dat zou niet het geval zijn vóórdat zij zeven of acht maanden verder waren.

--De drommel moge mij halen, zeide Cascabel om de beraadslaging te sluiten, als wij nog niet een aardigen stuiver ophalen vóór dat wij aan het andere eind van Amerika zijn!

Het scheen wel min of meer twijfelachtig of er in de bovenste streken van Alaska, waar niet veel andere bevolking gevonden wordt dan eenige zwervende Indianen-stammen, veel »stuivers op te halen" zouden zijn. Maar tot aan de westelijke grens der Vereenigde Staten, een land waar de troep van Cascabel nog nooit zijne kunsten vertoond had, zou het publiek stellig komen toestroomen, alleen reeds aangetrokken door hun beroemden naam. De kas zou dus niet ongevuld blijven.

Eenmaal die grens over zijnde, lag echter het engelsche grondgebied vóór hen. Daar waren steden genoeg, maar Cascabel zou liever honger geleden hebben dan zich zóó diep te vernederen dat hij engelsche schellingen of stuivers had moeten aannemen. Het hinderde hem al genoeg, ja hij vond het bijna onverdragelijk dat de _Schoone Zwerfster_ en hare passagiers over eenen afstand van meer dan tweehonderd mijlen eene britsche kolonie door moesten.

Op het vaste land van Azië, in Siberië, waar onafzienbare vlakten zonder bewoners zich uitstrekken, konden zij niet veel anders ontmoeten dan eenige zwervende benden Samojeden en Tchouktchis, die niet dan bij uitzondering zich buiten hun onherbergzaam geboorteland vertoonen. De kas zou daar dus zeker geen goede zaken maken, maar daar viel eenmaal niets aan te doen.

Nadat alles afgesproken was, bepaalde Cesar dat de _Schoone Zwerfster_ reeds den volgenden ochtend vroeg haren tocht hervatten zou.

Intusschen was het tijd geworden voor het avond-eten. Cornelia ging met haar gewonen ijver aan den arbeid en terwijl zij aan het bakken en braden was, zeide zij tegen Kruidnagel, die weder als koksknecht dienst deed:

--Dat is toch knap bedacht van mijnheer Cascabel, om langs dien anderen weg in Europa te komen!

--Of het, juffrouw. Maar al wat de patroon in zijne braadpan... ik wil zeggen in zijne hersenkas klaar maakt is knap!

--Denk eens aan, Nageltje, nu wij de zee niet over moeten, kunnen wij ook niet zeeziek worden....

--Ten minste als het ijs in de Behringstraat niet op en neer gaat....

--Houd je mond, Nagel, of kraak geen kwade noten!

In dien tusschentijd voerde Sander eenige luchtsprongen uit tot groote tevredenheid van zijnen vader, en maakte Napoleona een sierlijken danspas, waarbij de honden haar op hunne achterpooten gezelschap hielden. Er was reden om met nieuwen ijver aan het leeren te gaan, want de voorstellingen moesten nu weer beginnen.

Op eens kwam Sander op eenen inval.

--Kijk, nù hebben wij niet eens gevraagd wat de paarden van die groote reis denken.

Hij liep op eenen draf naar Vermout, en zeide:

--Zeg eens oude heer, wat denk je van zoo'n rit van een duizend mijl of drie?

Vervolgens richtte hij tot Gladiator het woord:

--Wat zeg jij er van, met je stramme beenen?

De twee paarden begonnen allebei te hinniken, hetgeen beschouwd kon worden als een bewijs dat zij het heel pleizierig vonden.

Nu was de beurt aan de honden:

--Wagram en Marengo, mijne goede vrienden, er is eene aardige wandeling voor u in het verschiet.

Kwispelstaartend en blaffend sprong het tweetal tegen den knaap op. Er viel geen oogenblik aan te twijfelen: die twee zouden meê loopen, al was het tot het einde der aarde.

De aap mocht evenmin vergeten worden.

--Komaan mijnheer John Bull, geen vieze gezichten! Je zult vreemde landen te zien krijgen, oude jongen! Als je het te koud krijgt, zullen we je een pelsjas aantrekken. Kun je nog leelijke tronies trekken? Pas op dat je dat niet afleert!

John Bull toonde op hetzelfde oogenblik dat hij die kunst nog verstond, hetgeen de algemeene vroolijkheid nog vermeerderde.

Nu bleef alleen de papegaai nog over.

--Geachte Jako, begon Sander, je hebt nog geen woord gezegd. Je hebt toch je tong niet verloren? Wij gaan een mooie reis doen Jako! Wat zegt UEdele daarvan?

Uit de diepte van Jako's hoornigen snavel kwamen een aantal raadselachtige geluiden, waarin de r's ratelden alsof ze door Cesar Cascabel's machtige longen werden voortgebracht.

--Bravo! riep Sander, Jako geeft zijne tevredenheid te kennen! Hij heeft duidelijk ja gezegd.

Met een aantal lucht- en duikelsprongen bekrachtigde Sander deze verzekering, en zijn vader liet niet na hem daarover zijne tevredenheid te betuigen.

Op dit oogenblik hoorden zij Cornelia roepen dat de tafel in den wagen gedekt was.

Allen snelden toe; de eetlust had onder het gebeurde in het geheel niet geleden en spoedig was er geen kruimel meer over.

Het was alsof zij geen van allen meer aan het ongeluk dachten, toen Kruidnagel op eens zeide:

--Daar bedenk ik iets, patroon. Die twee schavuiten zullen leelijk staan te kijken!

--Hoe zoo? vroeg Jan.

--Wel, zij weten het woord niet Waarmede het letterslot gesloten is en kunnen dus de geldkist niet open krijgen.

--Daarom houd ik het er ook stellig voor dat zij het ding weer terug zullen komen brengen, zeide Cascabel met een gullen lach.

Een wonderlijke kerel! Hij had het hoofd zoo vol met zijne nieuwe plannen dat hij den diefstal bijna weer vergeten was.

V.

OP REIS!

Ja, zij waren op reis naar Europa, maar langs een weinig gebruikelijken weg, die zeker niet aan te bevelen is voor reizigers die haast hebben.

--Toch hebben wij ook haast, merkte Cascabel op, maar om weer geld te gaan verdienen!

Des ochtends van den 2den Maart werden Vermout en Gladiator voor de _Schoone Zwerfster_ gespannen. Moeder Cascabel en haar dochtertje gingen binnen, haar man en de twee knapen volgden te voet, Kruidnagel mende, John Bull zat boven op den wagen en de honden liepen reeds heen en weer. Voort ging het.

Het was heerlijk weder. De vroege lente deed de knoppen aan de heesters openspringen. Het was alsof het voorspel reeds begonnen was van het verrukkelijke schouwspel, dat het voorjaar in dit gezegende land te zien geeft. Tusschen de twijgen van die boomen welke ook in den winter hun groen niet verliezen, zaten vogels te zingen. Dat waren steen-eiken, witte eiken en dennen, wier spitse uiteinden zich wiegden boven het eerste loof der heesters. Hier en daar stonden ook groepjes kleine kastanjeboomen en enkele manzanilles, waarvan de vrucht op appelen lijkt, waar de Indianen dan ook eene soort appelwijn van maken.

Aan Jan was de taak opgedragen om op de kaart den weg te zoeken dien zij aflegden. Maar bovendien rustte op hem in 't bijzonder de zorg voor de provisiekamer, in dien zin dat hij maken moest dat er nooit gebrek aan wild was. Marengo deed het zijne om te zorgen dat zijn baas dit niet vergat. Dit was trouwens niet noodig, want waar iets te schieten valt, zal geen echte jager noch zijn hond het wild met rust laten. Het was dan ook eene uitzondering wanneer er voor moeder Cascabel niet het een of ander te braden viel, een haas of eene kuif-patrijs, een korhoen of een koppel van die bergkwakkels, wier schoone veêren het oog bekoren, maar wier sappig vleesch nog streelender is voor het verhemelte. Bleef het met de jacht zóó voordeelig gaan, ook op de steppen van Alaska tot aan de Behringstraat toe, dan zouden zij niet veel geld behoeven uittegeven om in hun dagelijksch onderhoud te voorzien. Eenmaal in Azië gekomen, zouden zij misschien zooveel wild niet meer ontmoeten, maar daar, in de onafzienbare vlakten van het land der Tchouktchis, zouden zij op andere manieren aan den noodigen leeftocht zien te komen.