Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"

Chapter 14

Chapter 143,831 wordsPublic domain

Port-Clarence is het meest noordwestelijk gelegen punt dat door de Vereenigde Staten aan de Behringstraat bezeten wordt. Het ligt ten Zuiden van Kaap Prins-van-Wales, in een kleinen inham op dat gedeelte der kust, dat den neus vormt van het menschengezicht waar de geheele strandlijn van Alaska op lijkt. De haven heeft een uitmuntenden ankergrond en wordt daarom op hoogen prijs gesteld door de scheepsgezagvoerders, voornamelijk door die der walvischvaarders die in de Noordelijke IJszee hunne prooi komen achtervolgen.

Voor de _Schoone Zwerfster_ werd een kwartier uitgezocht nabij de binnenzijde der haven, niet ver van de plek waar een riviertje uitwatert, beschut door hooge rotsen, op wier top eenige magere berken hunne wortels in den harden steengrond hebben weten te doen dringen. Hier zouden zij het langste oponthoud der geheele reis hebben, want zij moesten er vertoeven zoo lang de Behringstraat nog niet geheel toegevroren en het ijs over de geheele breedte nog niet dik genoeg was om den wagen te dragen.

Er kon geen sprake van zijn om den reiswagen met een der vaartuigen, die tusschen Port-Clarence en de overzijde heen en weer varen, over te zetten, want dit zijn slechts visscherschuiten van geringen diepgang. Er was dus geen ander middel om op de kust van Azië te komen dan te wachten tot de geheele zeeëngte in een onafzienbaar ijsveld veranderd zou zijn.

De lange rust die zij gedwongen waren te nemen, kwam hun goed te pas nu zij op het punt stonden aan het tweede gedeelte hunner reis te beginnen, waar de groote moeielijkheden eerst recht eenen aanvang zouden nemen en waar zij met felle koude en zware sneeuwstormen te kampen zouden krijgen, althans zoo lang de _Schoone Zwerfster_ niet in het mildere klimaat van Zuidelijk Siberië aangekomen zou zijn. Vóór dat zij daar konden zijn, moesten zij eenige zeer moeilijke weken, misschien maanden doorworstelen en zij mochten het als een geluk beschouwen dat hun de noodige tijd gelaten werd om aan de toebereidselen voor dien zwaren tocht de laatste hand te leggen. Wel hadden zij het een en ander aangeschaft bij de Indianen in het fort Noulato, maar er ontbraken toch nog verschillende zaken die Cascabel bij de handelaars te Port-Clarence of bij de inboorlingen hoopte te kunnen krijgen.

Het was dus voor ieder een aangenaam oogenblik toen hun aanvoerder het gebruikelijke commando hooren liet:

--Op de plaats: rust!

Dit bevel, dat ook door soldaten op marsch of bij militaire manoeuvres het liefst gehoord wordt, liet Sander altijd volgen door den uitroep:

--Verbreekt de gelederen!

Zij wachtten dan ook geen oogenblik langer om her- en derwaarts te gaan kijken wat er op de plaats te zien was.

Natuurlijk had ook de _Schoone Zwerfster_ te Port-Clarence bij hare nadering niet weinig de aandacht getrokken. Nog nooit had zulk eene rollende woning zich zoo ver, tot aan de uiterste spits van Noord-Amerika, gewaagd. Voor de eerste maal kregen de verbaasde inboorlingen eenen troep fransche kunstenmakers te zien.

Op dat oogenblik bevonden zich te Port-Clarence, behalve de gewone bevolking van Eskimo's en kooplieden, eenige russische ambtenaren. Deze hadden tot dusver in Alaska dienst gedaan maar tengevolge der inlijving bij de Vereenigde Staten last gekregen naar het schiereiland der Tchouktchis op de aziatische kust of naar Petropavlovk, de hoofdstad van Kamschatka, te vertrekken. Deze ambtenaren bleven bij de andere bewoners niet achter om de _Schoone Zwerfster_ welkom te heeten, maar vooral de Eskimo's ontvingen de reizigers met groote ingenomenheid.

Dit waren dezelfde Eskimo's welke de beroemde zeevaarder Nordenskjöld twaalf jaren later in deze streken ontmoette, toen hij zijn vermaarden tocht deed waarbij hij den noordoostelijken doortocht tusschen Azië en Amerika ontdekte. Bij die gelegenheid vond hij sommige dier inboorlingen reeds gewapend met revolvers en achterlaadgeweren, de eerste vruchten der van elders ingevoerde beschaving.

Aangezien de zomer pas ternauwernood geëindigd was, hadden ook de inboorlingen te Port-Clarence hunne winterkwartieren nog niet betrokken. Zij hielden verblijf onder kleine, sierlijke tenten, vervaardigd van zware katoenen stof in verschillende kleuren, welke met gevlochten stroo aaneengehecht was. Allerlei keukengereedschap van kokosnoten vervaardigd, werd in die tenten gebruikt.

Dit maakte dat Kruidnagel, toen hij die voorwerpen voor het eerst zag, uitriep:

--Er groeien dus kokosboomen in de bosschen van dit Eskimo-land!

--Ten minste.... verbeterde Sergius, als die noten niet met walvischvaarders uit de Stille Zuidzee-eilanden zijn aangevoerd en hier te Port-Clarence in betaling gegeven.

Dit was inderdaad het geval. Er bestond op dit tijdstip reeds een levendig verkeer tusschen de amerikanen en de inboorlingen, waarvan de invloed op de manieren der Eskimo's duidelijk merkbaar was.

Het is hier de plaats om op te merken, hetgeen ook later blijken zal, dat er niet de geringste overeenkomst in uiterlijk of in zeden bestaat tusschen de Eskimo's van de amerikaansche kust en de inboorlingen van Siberië. Zelfs verstaan de stammen in Alaska de taal niet, welke aan de westzijde van de Behringstraat gesproken wordt. Hunne eigen taal is vol engelsche en russische uitdrukkingen, zoodat het niet moeilijk viel hen te verstaan.

Reeds in de eerste dagen nadat zij te Port-Clarence hunnen intrek genomen hadden, geraakten de Cascabels in kennis met de inboorlingen dier plaats. Zij werden gastvrij door deze lieden in hunne tenten ontvangen en maakten dan ook geen zwarigheid hen in de _Schoone Zwerfster_ toe te laten, waarvan zij geen oogenblik spijt behoefden te hebben.

Deze Eskimo's zijn over het algemeen veel beschaafder dan men gewoonlijk denkt. Veelal stelt men zich voor dat het eene soort van pratende robben zijn, half visch half vleesch, maar met menschengezichten, en deze verkeerde voorstelling wordt in de hand gewerkt door de kleederen die zij dragen, vooral in den winter. Maar het heeft er niets van. Te Port-Clarence zien de lieden van den Eskimo-stam er uit als gewone menschen en kan men zeer goed met hen omgaan. Er zijn er zelfs die zoo op het navolgen der Europeesche dracht gesteld zijn, dat zij naar de laatste mode gekleed gaan. Allen hebben echter eene zekere mate van behaagzucht, hetgeen te merken is aan de manier waarop zij hunne kleederen van rendieren- en robbenvel, of van marmotten-bont dragen, en aan het tatoueeren van hun gezicht, dat gedaan wordt door eenige lichte lijnen in den omtrek der kin te trekken. De mannen hebben niet veel baard. Aan de hoeken der lippen hebben zij kunstig drie gaatjes geboord, waarin zij ringetjes van uitgesneden been dragen. Ook het neusbeentje versieren zij daarmede.

De Eskimo's met welke onze reizigers kennis maakten, hadden geen ongunstig uiterlijk, heel anders dan de meeste Samojeden en andere inboorlingen van de aziatische noordkust. De jonge meisjes droegen paarlsnoertjes in hare ooren en armbanden van koper of ijzer, die met vrij veel kunstvaardigheid bewerkt waren.

Ook mag hier bijgevoegd worden dat het eerlijke lieden waren, trouwhartig in het doen van zaken, ofschoon zij geweldig overvroegen en lieten afdingen. Maar men zou niet met andere kooplieden bekend moeten zijn, indien men dit deze bewoners der poolstreek kwalijk wilde nemen.

Onder de Eskimo's bestaat de meest volkomen gelijkheid. Zij hebben zelfs geene stamhoofden. Het zijn heidenen; zij vereeren bij wijze van afgoden houten palen met gebeeldhouwde en rood beschilderde koppen, welke vogels voorstellen, die hunne vleugels waaiervormig achter zich uitspreiden. Hunne zeden zijn zuiver; het familieleven is bij hen zeer hartelijk, zij hebben grooten eerbied voor hunne ouders, houden veel van hunne kinderen, en vereeren zorgvuldig hunne dooden, die in de open lucht te kijk worden gelegd, gekleed in feestgewaad en met hunne wapenen bij zich.

De dagelijksche bezoeken die de Cascabels bij de inboorlingen aflegden, waren voor hen eene bron van veel genoegen. Ook gingen zij dikwijls in eene oude traankokerij, door amerikanen opgericht, welke destijds nog in werking was, een kijkje nemen.

Het land is niet geheel van boomen ontbloot en de plantengroei is veel weelderiger dan die welke op het Tchouktchi-schiereiland, aan de overzijde der straat, wordt aangetroffen. Dit komt doordien de amerikaansche kust bespoeld wordt door een warmen stroom, welke uit de zuidelijke streken der Stille Zuidzee derwaarts loopt. Langs het Siberische strand daarentegen vloeit alleen het koude water dat uit de noordelijke poolzee aangevoerd wordt.

Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Cascabel er niet aan dacht om te Port-Clarence zijne kunsten te vertoonen. Hij was niet zonder reden bevreesd dat hij misschien hier even als bij de Youkon-Indianen weer duikelaars, springers en acrobaten zou aantreffen, die van hem niets te leeren zouden hebben. Den goeden naam van zijnen troep wilde hij dus niet voor de tweede maal aan eene nederlaag wagen.

Intusschen verliep de eene dag na den anderen en zij hadden reeds langer gerust dan noodig ware geweest. Na een oponthoud van eene week te Port-Clarence behoefden zij zekerlijk niet meer tegen de vermoeienissen van eenen tocht door Siberië op te zien.

Maar de _Schoone Zwerfster_ kon de Behringstraat nog niet over. Zij waren nu in de laatste dagen van September en ofschoon de thermometer thans, even als altijd omstreeks dezen tijd en op die aardrijkskundige breedte, voortdurend beneden het vriespunt wees, lag de zee-arm die Amerika van Azië scheidt, nog niet dicht. De zee was echter reeds vol ijsschotsen, die buiten de straat in het ruime sop van de Behringzee gevormd worden en die langs de kust van Alaska, voortgestuwd door den uit den Stillen Oceaan komenden stroom, naar het Noorden drijven. Wachten bleef voor alsnog de boodschap, wachten tot al die schotsen samengesmolten zouden zijn tot één ontzaglijk ijsveld, onbewegelijk en sterk genoeg om eene berijdbare oppervlakte tusschen de beide werelddeelen te vormen.

Heeft deze ijsvlakte zich eenmaal gezet, dan neemt zij binnen korten tijd zoodanig in dikte toe dat zij desnoods eenen geschuttrein zou kunnen dragen. Geen nood dus dat de _Schoone Zwerfster_ en hare passagiers het geringste gevaar zouden loopen van door het ijs te zakken. De geheele ijsmassa op het smalste gedeelte van den zeearm tusschen Kaap Prins-van-Wales, even beneden Port-Clarence, en de kleine haven van Numana op de Siberische kust, is voor het overige niet meer dan een twintigtal mijlen lang.

--Weet ge wat jammer is? zeide Cascabel op zekeren dag. Dat de amerikanen hier geene brug gelegd hebben.

--Eene brug van twintig mijlen? vroeg Sander.

--Waarom niet? meende Jan. In het midden van de straat ligt het eilandje Diomedes, waar de brug op zou kunnen rusten.

--Onmogelijk zou het niet zijn, zeide Sergius, en wij mogen aannemen dat het ook eenmaal gebeuren zal want het menschelijke vernuft deinst voor niets terug.

--Er wordt immers ook wel over gedacht om eene brug over het engelsche kanaal te leggen, hernam Jan.

--Daar is inderdaad sprake van, stemde Sergius toe. Maar het valt niet te ontkennen dat eene brug over de Behringstraat minder nuttig zou wezen dan eene van Dover naar Calais, en dat zij stellig hare kosten niet goed zou maken.

--Al was zij dan ook niet nuttig voor het reizigersverkeer in 't algemeen, meende Cornelia, zou zij ons ten minste nu van dienst wezen.

--Eigenlijk hebben wij er toch ook geen behoefte aan, zeide Cascabel. Gedurende acht maanden van het jaar ligt er immers eene brug, eene van ijs, zoo sterk als eene brug van ijzer of steen bij mogelijkheid gemaakt kan worden. Moeder natuur bouwt die ieder jaar weder op en heft niet eens tol!

Vader Cascabel was gewoon de dingen van den besten kant op te nemen en in den grond der zaak had hij dikwijls gelijk. Waartoe eene brug die millioenen kosten zou, wanneer zij slechts op het geschikte tijdstip behoefden te wachten om den overtocht, te voet of per as, naar verkiezing te kunnen doen?

Het kon nu niet heel lang meer duren. Hun geduld zou op geen al te lange proef gesteld worden.

Den 7den October behoefden zij er niet meer aan te twijfelen of de winter was, op deze hooge breedte, voorgoed ingetreden. Alle spoor van plantengroei was verdwenen, het sneeuwde dikwijls, de enkele boomen langs de kust waren met ijzel overdekt. Van de schrale planten die in de poollanden nog tieren willen, en van de harstachtige gewassen die in het Noorden van Scandinavië aangetroffen worden en zich tot den poolcirkel voortzetten, was nu niets meer te zien.

Nog altijd werden de ijsschotsen door den snellen stroom de zeeëngte doorgejaagd, maar zij begonnen breeder en dikker te worden. Evenals eene korte, maar felle hitte voldoende is om metalen aan elkaar te smelten, zoo was hier nog slechts eene geweldige koude noodig om van de ijsklompen een ijsveld te maken. Zij konden er staat op maken dat het den eenen of anderen dag gebeuren zou.

Zoo vurig onze reizigers echter naar het oogenblik wenschten dat de zee begaanbaar zou worden, zoo verlangend zij waren om Port-Clarence te verlaten en den voet op de Oude Wereld te zetten, toch had dat aangename vooruitzicht ook zijne keerzijde. Dan immers, zou ook het oogenblik van scheiden daar zijn. Wel zouden zij Alaska den rug toekeeren, maar Sergius zou daar achter blijven, want er was geen sprake van dat hij zijne reis verder naar het Westen zou voortzetten. Na het einde van den winter was hij voornemens zijne onderzoekingstochten in dit gedeelte van Amerika te hervatten, en wilde hij de landstreek ten Noorden van de Youkon en aan genen kant der bergen gaan opnemen.

Het vooruitzicht dier scheiding was voor allen even smartelijk. De genegenheid die zij in korten tijd voor elkander hadden opgevat, was tot eene oprechte en hartelijke vriendschap aangegroeid.

Wie het zich het meest aantrok, was Jan. Hij kon er nauwelijks aan denken dat Sergius ook Kayette zou medenemen. Het was immers in het belang van het meisje zelve, dat haar aangenomen vader de zorg voor hare toekomst geheel op zich nam. Zij kon aan geen betere handen dan die van Sergius worden toevertrouwd; deze zou haar medenemen naar Europa, waar hij haar eene zorgvuldige opvoeding zou doen geven en haar in eenen stand zou inleiden, oneindig beter dan die van arme kermiskunstenmakers. Waar zulke voordeelen voor het grijpen lagen, viel er niet te aarzelen. Jan kon dat niet ontkennen en was de eerste om het in te zien. Maar hij dacht er niettemin aan met eene steeds toenemende beklemdheid, welke hij niet bij machte was van zich af te zetten. Het was om allen moed te verliezen wanneer hij er aan dacht dat hij van Kayette zou moeten scheiden en haar nimmer terug zou zien. In zedelijken en in stoffelijken zin zou er tusschen hen beiden een afgrond zich openen wanneer zij in den kring der bloedverwanten van Sergius werd opgenomen. Het was hun beiden tot eene aangename gewoonte geworden samen te praten, samen te werken en altijd bij elkander te wezen. Hetgeen Jan voor Kayette voelde was eene oprechte liefde, welke zich uitte in eene bezorgdheid voor haar, die zich geen oogenblik verloochende, en in zijne ontroering wanneer hij met haar sprak. En misschien beantwoordde Kayette die liefde reeds, al gaf zij zich zelve daar nog geen rekenschap van. Dat alles moest dan verbroken worden door eene scheiding welke naar alle waarschijnlijkheid voor altijd zou wezen!

Jan voelde zich dus inderdaad ongelukkig, maar ook zijne ouders, zijn broeder en zijne zuster hielden veel van Kayette, konden zich niet gewennen aan het denkbeeld dat zij haar moesten verliezen, en dachten ook niet zonder smart aan het oogenblik dat zij van Sergius afscheid zouden moeten nemen. Zij zouden er heel wat voor over hebben, betuigde Cascabel meer dan eens, wanneer Sergius voorloopig slechts wilde toestemmen om met hen de reis voort te zetten. Eenige maanden duurde hun tocht nog; daarna konden zij altijd nog zien wat hun te doen stond.

Wij hebben reeds gezegd dat de bewoners van Port-Clarence onze reizigers een goed hart toedroegen. Niet zonder bezorgdheid zagen zij het oogenblik naderen waarop de karavaan zich in de Siberische steppen zou gaan wagen, waar haar ernstige gevaren te wachten stonden. Die in eenzaamheid levende lieden stelden belang in deze vreemdelingen die van zoo verre kwamen en nog zulk een verren tocht vóór zich hadden. Maar met geheel andere oogen sloegen de russische ambtenaren, die eerst sedert kort hier aan het strand verblijf hielden, het reisgezelschap gade. Vooral op Sergius hadden zij hunne bijzondere aandacht gevestigd.

Wij hebben verhaald dat deze ambtenaren, die zich op dat tijdstip te Port-Clarence bevonden, in Alaska dienst gedaan hadden en tengevolge der inlijving van dat gewest verplicht waren naar Siberië terug te keeren.

Onder hen bevonden zich twee politie-beambten, die in de gewezen russische bezitting met eene bijzondere opdracht belast waren geweest. Zij hadden namelijk tot taak gehad het oog te houden op de politieke vluchtelingen, die in Nieuw-Brittannië eene schuilplaats vonden, maar somtijds poogden over de grens van Alaska weder op russisch grondgebied te komen. Nu had Sergius, als een rus, die zich bij eenen troep fransche kunstenmakers bevond en die juist op eene plaats, waar de grenzen van het Czarenrijk eenen aanvang namen, niet verder verkoos te reizen, terstond hunne achterdocht gaande gemaakt. Zij hielden dus het oog op hem, maar voorzichtig en met beleid, zóódat niemand het merkte.

Sergius kon dus ook niet vermoeden dat hij den argwaan der politiebeambten had opgewekt. Hij dacht, evenals de Cascabels, alleen aan hunne ophanden zijnde scheiding. Het was alsof hij geslingerd werd tusschen het vooruitzicht om zijne reis door westelijk Amerika te hervatten, en zijnen lust om daarvan aftezien en den tocht naar Europa mede te maken. Wat er eigenlijk bij hem omging kon niemand met zekerheid zeggen, maar Cascabel besloot, dewijl hij hem dikwijls in gepeins verzonken zag, op eene verklaring aan te dringen.

Des avonds van den 11den October, nadat het avondeten afgeloopen was, sprak Cascabel hem dus aan alsof er plotseling eene gedachte bij hem opkwam.

--Wat ik zeggen wilde, mijnheer Sergius, het zal nu niet lang meer duren of wij gaan op weg naar uw land.

--Zeker mijn vriend, dat is afgesproken.

--Ja, wij gaan dus naar Rusland. Wij komen dan ook te Perm, waar, als ik mij wel herinner, uw vader woont.

--Dat is zoo, en ik wil wel bekennen dat ik u niet zie heengaan zonder grooten lust om u te vergezellen.

--Maar mijnheer Sergius, vroeg Cornelia, denkt gij nog lang in Amerika te blijven?

--Lang? Dat weet ik nog niet.

--En op welke manier zijt gij voornemens naar Europa terug te keeren?

--Dwars door het verre Westen. In die richting hervat ik mijne reis en hoop zoodoende eindelijk te New-York te komen, waar ik scheep zal gaan en Kayette medenemen.

--Met Kayette dus? vroeg Jan zacht, terwijl hij het meisje aanzag dat de oogen neersloeg.

Allen zwegen eenige oogenblikken. Toen vervolgde Cascabel, terwijl zijne stem eenigszins haperde:

--Kijk eens mijnheer Sergius, ik wilde u met uw verlof wel eens iets voorstellen. Ik weet heel goed dat het eene bezwaarlijke onderneming is, Siberië van het eene eind tot het andere door te trekken. Maar met moed en eenen vasten wil hopen wij toch.....

--Mijn waarde vriend, viel Sergius hem in de rede, wees overtuigd dat noch het gevaarlijke, noch het vermoeiende der reis mij af zou schrikken. Gaarne zoude ik dat alles met u deelen, maar...

--Maar wat belet u dan samen met ons onzen tocht voort te zetten? vroeg Cornelia.

--Dat zou aardig zijn! voegde Sander er bij.

--Als gij het doet krijgt ge een zoen van mij, riep Napoleona uit.

Jan noch Kayette hadden een woord gezegd, maar het was hun aan te zien dat zij in angstige spanning verkeerden.

--Mijn waarde Cascabel, zeide Sergius na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, ik zou met u en uwe vrouw gaarne eens willen praten.

--Wij zijn tot uwen dienst, terstond zoo gij wilt.

--Neen, liever morgen ochtend!

Er werd toen verder niet over gesproken en spoedig gingen allen, benieuwd naar hetgeen er gebeuren zou, naar bed.

Wat was de bedoeling van Sergius met dit gesprek? Was hij besloten verandering in zijne plannen te brengen, of wilde hij alleen aan Cascabel de middelen verschaffen om in gunstiger omstandigheden de reis te doen, door hem opnieuw geld aantebieden?

Kayette en Jan waren het meest in spanning. Zij deden geen van beiden dien nacht een oog toe.

Den daarop volgenden ochtend had het onderhoud plaats. Niet omdat hij de kinderen niet vertrouwde, maar dewijl hij vreesde beluisterd te worden door de inboorlingen en andere bezoekers die af en aan liepen, wenschte Sergius dat Cascabel en zijne vrouw zich met hem op eenigen afstand van den wagen zouden verwijderen. Hetgeen hij hun te zeggen had was van groot belang, en hij wilde het voor anderen zorgvuldig geheim houden.

Zij wandelden dus met hun drieën het strand op, den kant uit van de traankokerij. Onder de hand leidde Sergius het gesprek in.

--Mijne vrienden, zeide hij, luistert goed en denkt rijpelijk na vóór dat gij antwoordt op hetgeen ik u ga voorstellen. Ik heb uwe goedhartigheid op prijs leeren stellen en ondervonden wat gij voor uwe vrienden overhebt. Maar vóór dat gij een gewichtig besluit gaat nemen, moet gij eerst weten wie ik ben.

--Wie gij zijt? vroeg Cascabel. Wel voor den drommel, gij zijt een braaf man, dat is al wat ik noodig heb te weten.

--Nu ja, een braaf man, antwoordde Sergius, maar juist omdat ik dat ben, past het mij niet de ernstige gevaren, die gij in Siberië zult gaan loopen, nog te vermeerderen.

--Waarom zou uwe tegenwoordigheid voor ons een gevaar kunnen opleveren, mijnheer Sergius? vroeg Cornelia.

--Omdat mijn ware naam is: graaf Sergius Narkine en ik een staatkundige banneling ben.

Hij vertelde hen nu in korte bewoordingen zijne geschiedenis.

Graaf Sergius Narkine was uit een vermogend geslacht in het gouvernement Perm gesproten. Bezield met warme belangstelling voor wetenschappelijke en aardrijkskundige onderzoekingen, bracht hij de jaren zijner jeugd grootendeels door met het doen van reizen in alle deelen der wereld.

Die reizen hadden hem een beroemd man kunnen maken, maar ongelukkig bepaalde hij zich niet daartoe. Hij raakte in staatkundige beroeringen verwikkeld en werd in 1857 lid van een geheim genootschap, waar zijne vrienden hem toe overhaalden. Niet lang daarna werden alle leden dezer vereeniging gevangen genomen en met al de gestrengheid, waarvoor de russische regeering berucht is, vervolgd en gestraft. De meesten werden veroordeeld tot levenslange ballingschap in Siberië.

Dit was ook het lot van graaf Sergius Narkine, wien de stad Jakoutsk tot verblijfplaats werd aangewezen. De eenige bloedverwant dien hij verplicht was achter te laten, was zijn vader, prins Wassili Narkine, thans een tachtigjarige grijsaard. Deze bleef op zijne landgoederen te Walska, nabij Perm, verblijf houden.

Na vijf jaren te Jakoutsk gesleten te hebben, gelukte het den veroordeelde naar Okhotsk, aan den zeeboezem van dien naam, te ontkomen. Daar vond hij een schip dat zeilreê lag en hem medenam naar eene haven in Californië. Sedert dien tijd had graaf Sergius Narkine zeven jaren lang in de Vereenigde Staten of in Nieuw-Engeland geleefd, altijd in de nabijheid der grenzen van Alaska, waar hij heen hoopte te gaan zoodra het gewest bij de Vereenigde Staten werd ingelijfd. In het geheim koesterde hij de hoop door Siberië heen naar Europa terug te keeren en dus juist te doen wat Cascabel ondernomen had. Het is licht te begrijpen met welk eene ontroering hij dus vernam dat dezelfde lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was, voornemens waren de Behringstraat over en Siberië door te trekken.