Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"

Chapter 13

Chapter 133,844 wordsPublic domain

Het was duidelijk--dit was de slotsom van eenige zeer verstandige opmerkingen van mijnheer Cascabel--dat indien het hem te doen ware geweest om nieuwe leden voor zijnen troep aan te werven, hij die onder de inboorlingen van Alaska voor het kiezen zou gehad hebben. Al kostte het hem eenige moeite het te erkennen, hij moest toegeven dat deze Indianen een buitengewonen aanleg voor het vak van kunstenmaker aan den dag legden. In het turnen, in de oefeningen op het koord, als goochelaars of als equilibristen, onverschillig op welk deel der kunst zij zich toe wilden leggen, zij zouden het er altijd ver in kunnen brengen. Men mocht veronderstellen dat hunne verkregene behendigheid voor een goed deel de vrucht van oefening was; maar de natuur had toch nog meer voor hen gedaan, want zij waren van hunne geboorte af gespierd, lenig en vlug. Hij kon zonder onbillijk te zijn niet ontkennen dat zij zich op gelijken voet met de familie Cascabel hadden gemeten. Het was een geluk dat de laatstgenoemde het veld had kunnen behouden, dank zij de vindingrijkheid van »de koningin aller electrische vrouwen."

Wij mogen niet verzwijgen dat de beambten van het fort, voor het meerendeel weinig ontwikkelde lieden die nooit iets van de wereld gezien hadden, even verbaasd als de inboorlingen hadden gestaan over hetgeen er onder hunne oogen was voorgevallen. Maar er werd na overleg besloten dat ook hun het geheim niet geopenbaard zou worden, teneinde den geheimzinnigen stralenkrans van Cornelia's verborgen talenten niet te doen verflauwen. Het gevolg daarvan was dat de bewoners van het fort den volgenden dag, toen zij als naar gewoonte een praatje kwamen maken in de _Schoone Zwerfster_, zich niet al te dicht dorsten te wagen in de nabijheid der vrouw, die iemand aan zulke schokken bloot kon stellen, niettegenstaande zij hen thans met haar innemendsten glimlach ontving. Niet zonder eenige aarzeling staken zij haar de hand toe. Ook de _tyhi_ en de toovenaar kwamen weder schuchter te voorschijn. Dolgraag hadden zij willen weten wat er eigenlijk achter stak, want met dit geheim hadden zij hun voordeel kunnen doen en hun aanzien onder de lieden van hunnen stam zou er niet weinig door verhoogd zijn. Maar het werd hun niet geopenbaard.

Alle toebereidselen voor de afreis waren nu afgeloopen. Des ochtends van den 6den Augustus namen de Cascabels van hunne gastheeren afscheid en de karavaan, terdege van de vermoeienissen der reis uitgerust, hervatte haren tocht langs den rechteroever der rivier in de richting van het Westen.

De kaart van het terrein was door Sergius en Jan zorgvuldig geraadpleegd, waarbij Kayette hun weder eenige nuttige inlichtingen gaf. De meeste dorpen, waar zij door moesten, had zij vroeger bezocht en zij verzekerde hun dat er niet eene rivier van eenige beteekenis op hunnen weg lag.

In den eersten tijd behoefden zij er nog niet aan te denken om de Youkon-vallei te verlaten. Den rechteroever der rivier volgende tot aan den post Nelu, zouden zij eerst aan het dorp Nuclakayette komen. Van daar tot het fort Noulato hadden zij nog ongeveer tachtig mijlen af te leggen. Daar zouden zij de Youkon-rivier verlaten en in recht Westelijke richting verder gaan.

De tijd van het jaar was nog altijd gunstig, de warmte over dag dragelijk, maar des nachts werd het merkbaar koeler. Kwam er niets in den weg, dan mocht Cascabel er zeker van zijn dat hij te Port-Clarence kon wezen vóór dat de winter hem het voorttrekken onmogelijk maakte.

Het zal misschien iemand verwonderen dat de geheele reis tot dusver zoo zonder onoverkomelijke moeielijkheden werd afgelegd. Maar men dient in aanmerking te nemen dat de tocht ging door een tamelijk vlak land, in het goede seizoen, terwijl de dagen op hun langst waren en het weer niets te wenschen overliet. Naderhand, aan gene zijde van de Behringstraat, als de onafzienbare vlakten van Siberië, door stormen geteisterd en diep met sneeuw bedekt, vóór hen zouden liggen, stond hun heel wat anders te wachten. Over al deze gevaren, die zij te gemoet gingen, liep op zekeren avond hun gesprek.

--Ik ben er niet bang voor, zeide Cascabel, die nooit den moed verloor. Wij zullen er ons wel doorheen slaan.

--Ik help het u wenschen, antwoordde Sergius. Maar ik raad u, zoodra gij den voet op den Siberischen grond gezet hebt, terstond in zuid-westelijke richting verder te trekken, zóó dat gij spoedig op zuidelijker breedte komt waar gij met de _Schoone Zwerfster_ minder van de koude te lijden zult hebben.

--Dat was ook ons voornemen, mijnheer Sergius, stemde Jan toe.

--Gij kunt dat te veiliger doen, dewijl gij van de Siberische bevolking niets te duchten hebt, ten minste--zou Kruidnagel zeggen--indien gij niet te midden der meer noordelijk rondzwervende stammen terecht komt. Uw ergste vijand zal de koude zijn.

--Wij zullen op onze hoede wezen, zeide Cascabel en ik twijfel niet of wij zullen het er goed afbrengen. Alleen spijt het ons, mijnheer Sergius, dat gij de verdere reis niet met ons medemaakt.

--Ja, zeker spijt ons dat! voegde Jan er met eenen zucht bij.

Sergius merkte niet zonder ontroering op hoe zij allen aan hem gehecht waren en omgekeerd was dit met hem niet minder het geval. Naarmate zij langer in elkanders gezelschap verkeerden, werd de vriendschap tusschen hen inniger. Voor allen zou de scheiding smartelijk wezen, en wie weet of het hun gegeven zou zijn, bij eene zoo uiteenloopende bestemming als de hunne, elkander ooit terug te zien? Daar kwam nog bij dat Sergius Kayette zou medenemen en het was hem niet ontgaan dat Jan's broederlijke genegenheid voor het jonge meisje eigenlijk een anderen naam verdiende. Of Cascabel reeds iets gemerkt had van hetgeen er in het gemoed van zijnen zoon omging, wist Sergius niet, maar wat Cornelia betreft, aangezien deze verstandige vrouw het niet dienstig oordeelde er iets van te zeggen, wilde ook hij er niet over beginnen. Eene verklaring zou trouwens tot niets hebben kunnen leiden, want als de aangenomen dochter van Sergius ging het meisje eene andere toekomst tegemoet en Jan gaf zich dus over aan verwachtingen die toch niet verwezenlijkt schenen te kunnen worden.

Zonder ernstige hinderpalen en zonder overgroote vermoeienis, werd de reis voortgezet. Vóór dat het ijs in de Behringstraat zich vastgezet had zou de _Schoone Zwerfster_ te Port Clarence zijn. Daar zou zij stellig nog verscheidene weken hebben te wachten en er was dus niet de minste reden om van menschen of paarden buitengewone inspanning te vorderen.

Intusschen kon alles van eene onvoorziene kleinigheid afhangen. Werd een van de paarden ziek of gewond, of brak er een wiel, dan zouden zij zich in groote moeielijkheid bevinden. De grootste voorzichtigheid bleef dus wenschelijk.

De eerste drie dagen volgden zij eenvoudig den loop der rivier, recht westelijk; maar toen de Youkon eene richting naar het Zuiden begon te nemen, vonden zij het geraden niet van den vijfenzestigsten breedtegraad af te wijken [1].

De rivier maakt hier vele bochten door eene steeds nauwer wordende vallei, tusschen eenige rijen heuvelen van matige hoogte, welke op de kaart »wallen" genoemd worden dewijl ze in hunnen vorm veel overeenkomst met borstweringen hebben.

Het ging niet heel gemakkelijk om door dit heuvelachtige terrein heen te komen, te meer dewijl zij alle voorzorgen moesten gebruiken om geen ongeluk aan hun voertuig te krijgen. Waar de weg te steil was, werd de wagen voor een gedeelte afgeladen en hielpen zij allen de wielen voortduwen, hetgeen te meer raadzaam was, merkte Cascabel op, »dewijl waarschijnlijk niemand in dit land iets van een wagenmaker vernomen had."

Zij hadden ook enkele riviertjes door te trekken, zooals de Nocolocargout, de Shetehaut en de Klakencot. Gelukkig stond er in dezen tijd van het jaar niet veel water en het viel hun nergens moeilijk eene doorwaadbare plek te vinden.

Indianen worden er tegenwoordig weinig meer aangetroffen in dit gedeelte van het land, dat vroeger nog doorkruist werd door eenige stammen, die thans bijna geheel uitgestorven zijn. Nu en dan kwamen zij een enkel troepje tegen dat op weg was naar de kuststreek in het zuidwesten, om daar in het najaar op de visscherij uit te gaan.

Ook ontmoetten zij eenige handelaars die van de monding der Youkon-rivier kwamen en naar de verschillende nederzettingen der russisch-amerikaansche handelsvereeniging bestemd waren. Niet zonder verwondering staarden deze reizigers het helbeschilderde rijtuig en zijne passagiers aan. Er werd een groet en een »goede reis!" gewisseld en daarna ging ieder zijns weegs.

Den 13den Augustus kwam de _Schoone Zwerfster_ in het fort Nuclakayette, op honderd-twintig mijlen afstands van fort Youkon. Dit is niets dan een kantoor voor den pelterijenhandel; de beambten komen er zelden buiten. Uit verschillende punten van Aziatisch-Rusland en van het noordelijk deel van Amerika komen zij daar bijeen en drijven er handel ten spijt van hunne concurrenten, de lieden van de Hudsonsbaai-compagnie.

Nuclakayette is dus ook voor de inboorlingen eene verzamelplaats waar zij de pelterijen, die zij gedurende den winter machtig hebben weten te worden, afgeven.

Nadat zij een eindweegs de rivier op zijde hadden laten liggen teneinde niet al hare bochten te moeten medemaken, waren zij nu den stroom weder genaderd, ter plaatse waar dit dorp vriendelijk te midden van lage heuvels en groene boschjes gelegen is. Het fort is omringd van eene omrastering en daar buiten staan eenige houten hutten. Door het malsche weiland stroomden murmelende beekjes en een drietal vaartuigen lagen in de Youkon aan den oever vastgemaakt. Het geheel bood een aangenaam tafereel aan, dat tot rust scheen uit te noodigen. De hier verblijf houdende Indianen behoorden tot den Tanana-stam. Dat is, zegt men, het mooiste inboorlingen-type van noordelijk Alaska.

Zoo uitlokkend als het er echter uitzag, de _Schoone Zwerfster_ vertoefde er toch niet langer dan een etmaal, want de paarden hadden geen behoefte aan meer rust. Cascabel was voornemens zich langer op te houden te Noulato, wat eene vrij aanzienlijke plaats is en waar meer gelegenheid bestond om nog het een en ander aan te schaffen dat zij voor hunne reis door Siberië noodig zouden hebben.

Natuurlijk werd intusschen de jacht niet door Sergius en Jan verzuimd. Soms namen zij Sander op hunne tochten mede. Het groote wild bestond nog altijd uit elanden en rendieren, die onbeschroomd over de vlakten draafden, of zich in de boschjes en boomgroepen, welke tamelijk schaars hier aangetroffen worden, ophielden. Op de moerassige plekken hadden zij gelegenheid tot menig mooi schot op ganzen, watersnippen, langstaart-eenden, gewone wilde eenden en maakten zij ook enkele reigers buit, die echter om te eten niet veel waarde hebben.

Toch beweerde Kayette dat de Indianen veel van reigervleesch houden, voornamelijk echter wanneer zij niets anders op schotel hebben. Den 13den Augustus werd daarmede de proef genomen aan het ontbijt, maar al de ervaring en het talent van Cornelia waren niet in staat te beletten dat het een taai en droog eten gevonden werd. Alleen Wagram en Marengo hadden er vrede meê en die knaagden dan ook het laatste vezeltje van het karkas af.

In tijden van gebrek worden trouwens ook uilen, valken en zelfs marters niet door de Indianen versmaad. Maar zij nemen daartoe toch alleen hunne toevlucht wanneer zij niets anders hebben.

Den 14den Augustus moest de _Schoone Zwerfster_ door eene bochtige kloof tusschen steile heuvelen, die den oever der rivier vormen, heengeholpen worden. Ditmaal was het pad zoo ongebaand en hobbelig alsof het de uitgedroogde bedding eener beek was, en ondanks alle genomen voorzorgen gebeurde er een klein ongeval. Gelukkig brak er alleen een van de lamoenen van den wagen en geen wiel, zoodat de breuk met touwen tijdelijk weder te heelen was en zij geen langdurig oponthoud ondervonden.

Nadat zij achtereenvolgens de dorpen Suquongilla en Newicargout, aan het riviertje van dien naam, voorbijgetrokken waren, werd de weg verder op minder bezwaarlijk. Zij hadden nu de heuvels achter den rug en zoo ver het oog reikte zagen zij niets dan eene vlakte vóór zich. Een viertal kleine rivieren liepen er doorheen, doch in dezen tijd des jaars waren hare beddingen geheel droog. In het seizoen der stortregens en sneeuwstormen had de karavaan onmogelijk deze richting kunnen volgen.

Toen zij een dezer kreekjes, de Milo-cargout, waar nauwelijks een voet water stond, doorwaadden, merkte Cascabel op dat er een dam dwars door de rivier gelegd was.

--Kijk, zeide hij, nu er toch een dam in dit water gebouwd werd, hadden zij ook even goed eene brug er over kunnen leggen, hetgeen met hoog water gemakkelijker wezen zou.

--Dat is zeker vader, antwoordde Jan, maar de werklieden die dezen dam gemaakt hebben, zouden niet in staat zijn geweest eene brug te bouwen.

--Waarom niet?

--Omdat het werklieden zijn op vier pooten, anders gezegd bevers.

Jan's vermoeden was juist en zij hadden gelegenheid het vernuft dezer nijvere dieren te bewonderen, die bij het leggen hunner dammen zorgvuldig rekening houden met de richting van den stroom, en ze tevens hoog genoeg maken om boven den hoogsten waterstand uit te steken. Ook de helling der zijden van zulk eenen dam wordt nauwkeurig zóó gemaakt dat die het best aan de persing van het water weerstand kunnen bieden.

--Dat hebben die bevers toch niet op school kunnen leeren! riep Sander uit.

--Zij behoefden er ook niet voor school te gaan, antwoordde Sergius. Schoolgeleerdheid, die het niet altijd bij het rechte eind heeft, is niet noodig om te leeren wat men door instinct weet, en dit vergist zich nimmer. De bevers hebben dezen dam opgeworpen zoo als de mieren hunne nesten, zooals de spinnen hunne webben en zooals de bijen de cellen in hunne woningen maken. Ook de boomen en kruiden brengen hunne bloesems en vruchten voort bij instinct. Zij maken nooit eene fout, maar gaan ook nooit vooruit en in het werk, dat zij te verrichten hebben, is ook geen vooruitgang mogelijk. De bever bouwt in onzen tijd even zorgvuldig als de eerste bever die ooit op den aardbol gezien werd. Ontwikkeling ligt niet in de bestemming der dieren; deze is den mensch voorbehouden en hij alleen is in staat, van trap tot trap zich te verheffen, zoowel waar het de kunst, als de nijverheid of de wetenschap betreft. Het bewonderenswaardige instinct der dieren, dat hen in staat stelt zoo vernuftig te werk te gaan, perst ons rechtmatige bewondering af, maar wij mogen uit die wonderen der natuur geen gevolg trekken voor hetgeen ons menschen te doen staat.

--Ik begrijp volkomen uwe bedoeling, mijnheer Sergius, antwoordde Jan. Dat is het onderscheid tusschen instinct en rede. Al staat de rede bloot aan dwalingen, toch moet zij op hooger prijs geschat worden.

--Dat valt niet tegen te spreken, zeide Sergius. Al onze dwalingen, die wij mettertijd leeren inzien en verbeteren, vormen den weg van den vooruitgang.

--Maar in elk geval, hield Sander vol, blijf ik bij hetgeen ik gezegd heb. Die bevers hebben niet school behoeven te gaan.

--Zeker niet, maar menschen die geen onderwijs genoten hebben, zijn ook niets meer dan beesten, was Sergius antwoord.

--Maar nu wat anders, kwam Cornelia tusschenbeide, die altijd een oog had op den practischen kant der dingen. Kan men die bevers eten?

--Zonder twijfel, antwoordde Kayette.

--Ik heb zelfs ergens gelezen, voegde Jan er bij, dat een beverstaart een lekkere schotel is.

Zij waren niet in de gelegenheid zich daarvan te overtuigen, want op dit oogenblik waren er geen bevers in de kreek te zien.

Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken, hield de _Schoone Zwerfster_ op het dorp Sacherteloutain, een van de voornaamste vestigingen der Co-Youkon-Indianen aan. Op raad van Kayette namen zij eenige voorzorgen tegen deze van nature zeer diefachtige wilden. Zij kwamen nieuwsgierig naar den wagen kijken, maar er werd goed opgepast dat niet een er in kwam. Uit vrije beweging werden er echter eenige kralen en andere snuisterijen aan de voornaamsten van den stam ten geschenke gegeven, hetgeen een goeden indruk maakte zoodat beide partijen in vrede van elkaar scheidden.

Langs den smallen voet der walachtige heuvels gaande, werd hun tocht weder een weinig moeilijker, maar zij konden geen anderen weg kiezen zonder op een nog bergachtiger terrein te komen.

Het ging dus nu langzamer vooruit en toch begon het zaak te worden om niet onnoodig te talmen. Hoewel het overdag nog altijd zacht bleef, werd het des nachts hoe langer hoe kouder. Zij konden trouwens niets anders verwachten, want zij bevonden zich nu reeds op korten afstand van de Poolstreek.

De karavaan was hier op eene plek gekomen waar de Youkon-rivier met eenen vrij scherpen hoek zich naar het Noorden keert. Zij moesten nog den oever houden tot waar de Co-Youkon, die zich in twee bochtige armen splitst, hare wateren in de Youkon uitstort en zij hadden bijna eenen dag noodig om eene doorwaadbare plaats te vinden, want Kayette was niet in staat, dewijl het water reeds merkbaar gerezen was, die terstond aantewijzen.

Voorbij deze laatste hindernis konden zij met de _Schoone Zwerfster_ recht Zuid op, totdat zij door een weder tamelijk heuvelachtige streek in het fort Noulato aankwamen.

Dit is voor de russisch-amerikaansche handelsvereeniging eene belangrijke nederzetting. Het is de noordelijkste factorij in het Westen van Amerika. Volgens de waarnemingen van den reiziger Frederick Whymper, ligt zij op 64° 42' noorderbreedte en 155° 36' westerlengte.

Toch zou niemand op het eerste gezicht vermoed hebben dat hij zich in dit gedeelte van Alaska zoo dicht bij het pool-ijs bevond.

De bodem is hier ontegenzeggelijk vruchtbaarder dan in den omtrek van fort Youkon. Overal ziet men hoog opgaande boomen, overal malsche groene weilanden, zonder nog te spreken van de uitgestrekte vlakten die voor den landbouw groote waarde zouden hebben, want er ligt eene dikke laag teelaarde op den vetten kleibodem. Aan water is ook geen gebrek: de Noulato loopt met een aantal bochten in zuidwestelijke richting en een geheel net van kreeken, of _Cargout's_, stroomt naar het noordoosten. De plantengroei bepaalt zich echter, behalve de straks bedoelde boomen, tot eenige heestergewassen, die wilde bessen voortbrengen en aan de natuur overgelaten blijven.

Het fort Noulato bestaat weder uit verscheidene gebouwen, ingesloten door eene omrastering, versterkt met twee torens. De Indianen mogen des nachts in het geheel niet en over dag nooit in grooten getale binnenkomen. Binnen het omrasterde gedeelte staan hutten, loodsen en houten pakhuizen; in plaats van glasruiten zijn de vensters voorzien van robbenblazen. Al deze afgelegen posten in het verre Westen van Amerika zijn zoo eenvoudig en armoedig mogelijk.

Cascabel en zijn gezin werden er dan ook met vreugde ontvangen. Verloren in eene eenzame wildernis en van alle geregelde gemeenschap met de buitenwereld verstoken, is het voor de bewoners niet alleen eene welkome afleiding maar een waar feest als er eens bezoekers komen. Zoo lang kunnen zij niet onder weg geweest zijn, of het nieuws dat zij medebrengen is altijd versch.

De ingezetenen van het fort Noulato waren een twintigtal russische of amerikaansche beambten. Zij verklaarden zich terstond bereid de reizigers alles te bezorgen wat zij noodig konden hebben. De handelsvereeniging voorziet hen van alle levensbehoeften, maar bovendien gaan zij in den zomer druk op de elanden- en de rendierenjacht en visschen zij geregeld in de Youkon. Deze is tamelijk vischrijk, vooral wordt er ééne soort veel gevangen, die _naliena_ genaamd en in den regel als voedsel aan de honden gegeven wordt. De _naliena_-lever wordt echter voor degenen die er aan gewend zijn, voor een goed eten gehouden. Het spreekt van zelf dat de bewoners van Noulato vreemd stonden te kijken toen zij de _Schoone Zwerfster_ zagen aankomen. Nog meer verbaasd waren zij echter toen zij van Cascabel's voornemen hoorden om door Siberië naar Europa te trekken. Van zoo iets hadden zij nog nooit gehoord. Dat konden alleen franschen bedenken! Zij bevestigden echter dat het gedeelte der reis tot Port-Clarence geen bezwaar zou opleveren en dat de reizigers dit achter den rug konden hebben vóór dat de grond in Alaska met de langdurige sneeuw van den winter bedekt zou zijn.

Op raad van Sergius werd er overgegaan tot het aankoopen van verschillende benoodigdheden voor den tocht over de steppen. In de eerste plaats eenige brillen die onmisbaar zijn voor een langen tocht over sneeuwvelden. De Indianen stonden hen voor eenige kralen een dozijn van die toestellen af. Het waren houten brillen zonder glazen, of eigenlijk oogkleppen die het geheele oog bedekken, met eene nauwe spleet om doorheen te zien. Dit weinige is genoeg om zooveel gewaar te worden als men noodig heeft om te zien waar men loopt; ware het oog onbedekt of de spleet wijder, dan zou de felle weerkaatsing der sneeuw onvermijdelijk eene ontsteking te weeg brengen. Alle leden van ons reisgezelschap moesten die oogkleppen aanpassen, en het bleek dat zij er spoedig aan gewennen zouden.

Na aldus het gezicht beveiligd te hebben, moest er ook aan hunne voeten gedacht worden. Want met gelakte schoenen of zelfs met gewone laarzen is het niet mogelijk in den winter over de siberische steppen te trekken.

In het pakhuis te Noulato was een voorraad laarzen van robbenvel voorhanden. Dezen worden ingesmeerd met eene laag vet en zijn dan volkomen waterdicht, zoodat ze voor eene lange voetreis over sneeuw en ijs het best geschikt zijn.

Cascabel maakte bij deze gelegenheid weder eene zeer verstandige opmerking.

--Het is altijd het doelmatigst, zich te kleeden op de manier van de dieren in het land waar men zich bevindt. In Siberië hooren robben thuis; niets natuurlijker dus dan dat wij ons als robben toetakelen.

--Als robben met brillen op! kwam Sander vertellen en deze bijvoeging droeg de hooge goedkeuring van zijnen vader weg.

Twee dagen vertoefde de karavaan te Noulato en dit was voldoende om het trouwe span paarden te doen uitrusten. Zij hadden haast om te Port-Clarence te komen. Den 21sten Augustus in de ochtendschemering ging de _Schoone Zwerfster_ weder op marsch. Van nu af lieten zij den rechteroever der Youkon voorgoed achter zich liggen.

Deze groote rivier buigt zich namelijk op dit punt naar het zuidwesten om zich een eind verder in de Norton-golf uit te storten. Met den oever verder te volgen zouden zij zonder eenig nut hunne reis langer gemaakt hebben, want de riviermonding is beneden de Behringstraat gelegen. Zij zouden dus van daar verder noordwaarts op Port-Clarence hebben moeten trekken, over een strand vol kreeken, inhammen en moerassen, dat voor de paarden hoogst vermoeiend geweest zou zijn.

Het begon nu reeds fijn koud te worden. De zonnestralen vallen hier in zeer schuinsche richting op de aarde en geven veel licht maar weinig warmte. Veeltijds hingen er groote grijze wolken, die er uitzagen alsof zij spoedig als sneeuw zouden neerkomen. Er werd niet veel klein wild meer gezien en de trekvogels begonnen reeds een milder verblijf in zuidelijker streken op te zoeken.

Tot dusverre mocht ons reisgezelschap van geluk spreken dewijl het nog zoo weinig hinder van de vermoeienissen der reis gehad had. Dit hadden zij echter zeker ook te danken aan hunne ijzersterke gestellen, een gevolg van hun leven in de open lucht onder de meest verschillende klimaten, en van de gehardheid die zij door aanhoudende lichaamsoefening gekregen hadden. Zij mochten dus de verwachting koesteren dat zij behouden en wel te Port-Clarence zouden komen.

Dit gebeurde dan ook op den 5den September. Zij hadden toen ruim vijfhonderd mijlen afgelegd sedert Sitka en ruim elfhonderd van de Sacramento tot daar, in het geheel dus ongeveer zeventien honderd mijlen. Zij hadden daar zeven maanden over gedaan en waren nu het Westen van Amerika in zijne volle lengte doorgetrokken.

XV.

PORT-CLARENCE.