Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"

Chapter 11

Chapter 113,829 wordsPublic domain

--Geduld, vermaande haar Sergius. Er zal spoedig een tijd komen dat gij terugverlangt naar hetgeen u nu zoo hindert.

--Naar zulk eene warmte? vroeg zij. Dat nooit!

--Gij zult toch nog meer te lijden hebben van de koude, moeder, zeide Jan, als wij de Behringstraat over zijn en door de uitgestrekte vlakten van Siberië trekken.

--Ik twijfel niet aan hetgeen mijnheer Sergius zegt, hernam Cascabel, maar tegen de warmte valt hoegenaamd niets aan te vangen en tegen de koude kan men zich ten minste met vuur en warme kleederen wapenen.

--Dit is zoo mijn vriend, was het antwoord, en dat is gelukkig ook, want over weinige maanden zult gij het ondervinden hoe bitter koud het daar ginds is. Reken daar maar op!

Na een tijdlang haren weg vervolgd te hebben in de _Canons_, dat zijn passen welke met grillige bochten tusschen de heuvels van middelmatige hoogte, die het land bedekken, doorloopen, kreeg de _Schoone Zwerfster_ eene onafzienbare vlakte tegenover zich, hier en daar alleen afgewisseld door bosschen van matigen omvang.

Dit was de 3de Juli. Dien dag trokken zij langs het kleine Dease-meer, waar de Lewis, een der hoofdtakken van de Youkon, in ontspringt.

Kayette was hier meer geweest en zeide:

--Jawel, dit is de Cargout, die in onze groote rivier uitkomt.

Zij legde aan Jan uit dat _Cargout_ in de Alaskische taal wil zeggen »kleine rivier."

Niemand moet denken dat de leden van den troep van Cascabel op dit gedeelte hunner reis, dat evenmin vermoeiend als bezwaarlijk was, verzuimden de lenigheid hunner ledematen, de kracht hunner spieren en de geoefendheid hunner handen door voortdurende oefeningen te onderhouden. Zoo dikwijls de hitte het niet geheel onmogelijk maakte, werd iederen avond hunne legerplaats veranderd in eene kermistent, waarin Sergius en Kayette de eenige toeschouwers waren. Zij sloegen beide de kunsten van het werkzame gezin belangstellend gade, Kayette niet zonder eenige verwondering, Sergius vriendelijk als altijd.

Cascabel en zijne vrouw oefenden zich beurtelings in het oplichten van gewichten en in het werken met de halters; Sander wrong zijn lichaam in allerlei bochten, eene kunst waarvoor hij vermaard was; Napoleona huppelde over het tusschen twee bokken gespannen koord en probeerde nieuwe passen; Kruidnagel verkocht al zijne grappen aan een publiek dat alleen in zijne verbeelding bestond.

Jan zou zeker liever bij zijn boeken gebleven zijn, of gepraat hebben met Sergius, van wien hij veel leeren kon, of Kayette eene les gegeven hebben in het fransch waarin zij snelle vorderingen maakte. Maar zijn vader stond er op dat hij zijne behendigheid als equilibrist niet mocht verliezen en om zijnentwil werkte hij dus met glazen, ringen, ballen, messen en stokjes, zoodat er niets op aan te merken viel. Maar in zijn hart dacht hij aan heel andere dingen.

Intusschen deed het hem genoegen dat er niets kon komen van de plannen zijns vaders om Kayette tot kunstenmaakster opteleiden. Nu het meisje als dochter aangenomen was door Sergius, een vermogend en beschaafd man die tot den deftigen stand behoorde, was hare toekomst verzekerd en behoefde zij niet te werken voor haar brood. Dat maakte den goeden Jan in zijn hart gelukkig, al kon hij er niet zonder smart aan denken dat Kayette nu ook, als zij aan de Behringstraat gekomen waren, afscheid van hen zou moeten nemen. Had zij deel van den troep uitgemaakt als balletdanseres, dan zou dit niet noodig geweest zijn.

Maar Jan hield te veel van haar om niet blijde te wezen dat Sergius zich met de zorg voor het meisje belast had. Hijzelf voelde immers ook eene levendige begeerte om van beroep te kunnen veranderen. Vol verlangen naar eene edeler bestemming, achtte hij zich weinig geschikt voor het beroep van kunstenmaker en niet zelden was het hem gebeurd dat hij zich inwendig schaamde over de toejuichingen, die hem op pleinen en markten om zijne groote behendigheid ten deel vielen.

Op zekeren avond met Sergius wandelende, maakte hij dezen deelgenoot van al zijne wenschen en van zijn heimelijk verdriet. Hij kwam er voor uit dat hij eene, naar het hem voorkwam, rechtmatige eerzucht koesterde om vooruit komen. Misschien zouden zijne ouders er in slagen, door de kermissen af te reizen en hun beroep van kunstenmakers te blijven uitoefenen, nog eenige clowns en andere sujetten aan zich te verbinden en mettertijd een klein fortuin te verzamelen. Maar als dat gebeuren mocht, zou het voor hem toch te laat wezen om eene meer eervolle loopbaan te zoeken.

--Ik schaam mij niet over mijne ouders, mijnheer Sergius. Ik zou ondankbaar zijn als dat het geval was. Zij zijn goed voor hunne kinderen en wat zij in de mogelijkheid waren voor mij te doen, hebben zij gedaan. Maar ik voel dat ik aanleg genoeg heb om eene fatsoenlijke betrekking met eer te vervullen, en ik zie geen kans iets anders te worden dan een arme kunstenmaker.

--Mijn vriend, antwoordde Sergius, ik begrijp volkomen uwe bedoeling. Laat mij u echter zeggen dat onverschillig welk beroep iemand uitoefent, het altijd lof verdient, als hij op eerlijke manier door de wereld komt. Kunt gij u braver lieden voorstellen dan uw vader en uwe moeder zijn?

--Zeker niet, mijnheer Sergius.

--Welnu, blijf hen dan hoogachten even als ik het doe. Het strekt u tot eer dat gij zulk eene loffelijke eerzucht koestert en wie weet wat er in de toekomst nog voor u kan zijn weggelegd. Houd moed mijn jongen en reken er op dat ik voor u doen zal wat ik kan. Gij kunt er van verzekerd zijn dat ik nimmer vergeten zal wat uwe ouders voor mij gedaan hebben. Indien ik er ooit toe in staat ben, dan zal ik ongetwijfeld..........

Terwijl Sergius zoo sprak, bemerkte Jan dat er als eene wolk over zijn gelaat trok en dat zijne stem eenigszins haperde. Het was alsof hijzelf niet gerust was over zijne toekomst. Beiden zwegen een oogenblik; toen hervatte Jan het gesprek.

--Nu wij toch samen den tocht naar Port-Clarence doen, mijnheer Sergius, begrijp ik niet waarom gij niet verder met ons medegaat? Gij hebt ons immers gezegd dat gij voornemens zijt naar Rusland en naar uwen vader terugtekeeren?

--Dat kan niet Jan, antwoordde Sergius. De onderzoekingen die ik in het verre Westen van Amerika heb aangevangen, zijn nog niet ten einde gebracht.

--En blijft Kayette dan bij u? vroeg de ander.

Dit zeide hij op zulk een treurigen toon dat Sergius er onwillekeurig door getroffen werd.

--Nu ik eenmaal de zorg voor hare toekomst op mij genomen heb, zeide hij, dient zij ook in mijne nabijheid te blijven.

--Als gij met ons medegingt, behoefde zij u niet te verlaten en eenmaal in uw vaderland......

--Mijne plannen zijn nog niet voorgoed vastgesteld. Meer kan ik u er op het oogenblik niet van zeggen. Te Port-Clarence zullen wij nader overleggen. Het is niet onmogelijk dat ik dan uw vader iets anders zal voorstellen en van zijn antwoord zal het afhangen wat er verder gebeurt.

Opnieuw bespeurde Jan dezelfde aarzeling in de woorden van den Rus. Hij wilde niet verder aandringen dewijl hij begreep dat hij dan onbescheiden zou worden, maar na dit gesprek ontstond er tusschen hen beiden eene nog vriendschappelijker verhouding. Sergius had het oprechte, degelijke en in alle opzichten voortreffelijke karakter van den flinken jongen op prijs leeren stellen. Hij spaarde dus geen moeite om hem te helpen in zijne studiën en hem den weg te wijzen dien de jonge man zoo gaarne op wilde. Wat vader en moeder Cascabel betreft, zij zagen met groote voldoening dat een man als Sergius hunnen zoon zooveel belangstelling waardig keurde.

Te midden van dit alles liet Jan het jagersbedrijf echter niet rusten. Sergius was een hartstochtelijk liefhebber en vergezelde hem gewoonlijk op zijne tochten. Dit gaf hun gelegenheid tot menig ernstig en leerzaam gesprek. Aan wild was in deze streek geen gebrek en er liepen hazen genoeg rond om tien karavanen als de hunne van het noodige te voorzien. Bovendien was dit wild niet alleen nuttig voor de keuken, maar ook in andere opzichten had het waarde.

--Kijk eens, zeide Cascabel, zulk een beest geeft ons een lekkeren schotel, maar bovendien loopt het rond met een bonten mantel, een mof, een boa of een deken aan zijn lijf.

--Daar hebt gij groot gelijk in, mijn vriend, antwoordde Sergius, want nadat zij eenmaal hun dienst aan onze maag bewezen hebben, kunnen zij met even veel voordeel in de kleerenkast gebruikt worden. Voor eene koude zooals gij in Siberië zult ondervinden kunt gij geen voorzorgen genoeg nemen.

De hazenvellen werden dus zorgvuldig bewaard en het vleesch, dat niet dadelijk verbruikt kon worden, werd ingezouten om te dienen in den winter, als het wild door de koude uit de poollanden wordt verjaagd.

Gebeurde het echter eene enkele maal dat de jagers geen haas of patrijs thuis brachten, dan ontzag Cornelia zich niet, op de manier der Indianen een kraai of een raaf in den ketel te doen. Zulk eene soep smaakte niet minder goed.

Nu en dan kwam Jan of Sergius ook wel van de jacht terug met een prachtig koppel korhoenders. Bij zulk eene gelegenheid maakten zij goede sier en werd er een waar feestmaal aangericht.

Er bestond dus niet het minste gevaar dat onze karavaan van honger zou omkomen, maar het was ook nog slechts het minst moeielijke gedeelte van de gevaarvolle reis welke zij ondernomen hadden, waar zij op het oogenblik aan bezig waren.

Een van de ongemakken die zij te verduren hadden, en dat wel een van de ergste soort, waren de steken der muskieten. Nu hij zich niet meer op engelschen grond bevond, verwenschte Cascabel dit hinderlijke gedierte uit den grond van zijn hart. De plaag zou inderdaad niet te verduren geweest zijn indien de zwaluwen niet zulk eene geweldige hoeveelheid muskieten verslonden hadden. Maar de zwaluwen zouden spoedig naar zuidelijker gelegen landen verhuizen, want in den omtrek der poollanden vertoeven zij slechts korten tijd.

Den 9den Juli kwam de _Schoone Zwerfster_ aan de samenvloeiing van twee rivieren, waarvan de eene zich in de andere stort. Dit is de Lewis-rivier, wier linkeroever eerst eene wijde bocht beschrijft en vervolgens geheel in de Youkon overgaat. Kayette maakte hen opmerkzaam dat het bovengedeelte dezer rivier ook onder den naam van Pelly-rivier bekend is. Voorbij de plek waar de Lewis zich met haar vereenigt, keert de stroom zich recht naar het noordwesten. Een eind verder wordt zijne richting westelijk, waarna hij spoedig zijne wateren in een ruimen inham van de Behringzee uitstort.

Bij de samenvloeiing van de Lewis en de Youkon ligt weder eene factory, het fort Selkirk, dat echter van minder beteekenis is dan het fort Youkon. Dit laatste ligt ongeveer honderd mijlen verder naar beneden, op den rechteroever der rivier.

De jonge Indiaansche had aan de karavaan na het vertrek van Sitka goede diensten bewezen en zich bij menige gelegenheid een vertrouwbare gids getoond. Vroeger met haren stam in deze streek rondtrekkende, had zij aan de oevers van de grootste rivier in Alaska geruimen tijd doorgebracht. Sergius verlangde in bijzonderheden alles te weten wat op hare kindsheid betrekking had. Dit was grootendeels eene ware lijdensgeschiedenis, een leven vol ontbering en gevaar, terwijl de stam der Indgeletés eerst her en derwaarts trok, steeds kleiner werd en eindelijk geheel wegsmolt, zoodat er van haar familie ten laatste niemand meer overbleef. Het eenige wat zij toen nog kon beproeven, was zich als dienstbode te gaan verhuren bij den een of anderen ambtenaar of koopman te Sitka. Meer dan eens hoorde Jan haar dit treurige verhaal doen en telkens voelde hij het diepste medelijden met de arme verlatene.

In de nabijheid van het fort Selkirk, aan den oever van de Youkon-rivier, ontmoetten zij eenige zwervende Indianen, behoorende tot den stam der Birch-, of zooals Kayette het vertaalde, der Berk-indianen. Behalve de pijnboomen, de Douglas-dennen en de ahornboomen, worden er namelijk in het binnenland van Alaska ook vele berkenboomen gevonden, naar welke deze inboorlingen hunnen naam dragen.

Het fort Selkirk wordt bewoond door eenige beambten van de russisch-amerikaansche handelmaatschappij. Het is eigenlijk niets dan eene stapelplaats van bont en pelterijen, waar de kooplieden der kuststreek op vaste tijden hunne inkoopen komen doen.

Deze lieden waren blijde dat er eenige afwisseling in hun eentonig bestaan kwam en haalden dus de _Schoone Zwerfster_ met groote ingenomenheid in. Cascabel was daarom te eerder geneigd hier een etmaal te vertoeven.

Zij besloten echter op dit punt den reiswagen naar de overzijde der rivier te doen brengen, dewijl anders de overtocht misschien op eene andere plek onder minder gunstige omstandigheden had moeten plaats hebben. De stroom wordt namelijk breeder en sneller naarmate hij eene meer westelijke richting neemt en dichter bij de monding komt.

Dit geschiedde op raad van Sergius, die den loop der Youkon op de kaart nagegaan en bevonden had dat zij op dit punt van hunne reis nog tweehonderd mijlen van Port Clarence verwijderd waren.

De _Schoone Zwerfster_ werd dus met eene pont naar den rechteroever overgezet. Daarbij verleenden niet alleen de bewoners van het fort hunne hulp, maar ook de in den omtrek gelegerde Indianen die zich met de vischvangst op de rivier bezig houden.

De komst der karavaan was voor hen eene heugelijke gebeurtenis, want in ruil voor hunne hulp bij het overvaren, waren de reizigers in staat den Indiaanschen stam een gewichtigen dienst te bewijzen, waar zij niet weinig dankbaar voor waren.

Hun opperhoofd lag op dat oogenblik gevaarlijk ziek, ten minste het had er allen schijn van. Hij had echter geen andere geneeskundige hulp en geen medicijnen onder zijn bereik dan de geestenbezweerder van den stam en de middelen die bij deze soort van lieden sedert onheugelijke tijden in gebruik zijn. Sedert eenige dagen hadden zij het opperhoofd midden op het dorpsplein nedergelegd, waar dag en nacht een groot vuur brandende gehouden werd. De Indianen zaten in eenen kring rondom hem en zongen in koor een smeekgebed aan den grooten Manitou, hun oppersten god, terwijl de geestenbezweerder al zijne kunsten in het werk stelde om den boozen geest, die in het lichaam van den lijder gevaren was, daaruit te verjagen. Teneinde zekerder van zijne zaak te zijn, beproefde hij zelfs dien geest in zijn eigen lichaam te doen overgaan, maar het bleek een koppige geest te zijn, die zijne verblijfplaats niet verkoos te verlaten.

Gelukkig bezat Sergius eenige kennis van de geneeskunde. Door zijn hulp kwamen zij in het bezit van doeltreffende middelen om den zieke beter te maken.

Nadat Sergius den lijder onderzocht had, kwam hij er spoedig achter wat hem schortte. Uit de reisapotheek der _Schoone Zwerfster_ haalde hij een krachtig braakmiddel, dat beter werkte dan al de bezweringen van een geestenbanner ooit hadden kunnen doen.

De waarheid was dat het Indiaansche opperhoofd zijne maag overladen had. De thee, die hij sedert twee dagen bij kommen vol inzwolg, was niet in staat geweest dit te verhelpen.

Tot groote voldoening van zijnen stam, schoot hij er dus het leven niet bij in. Dit beroofde de familie Cascabel van het schouwspel der plechtigheden, waarmede de begrafenis van een Indiaanschen potentaat vergezeld gaat. Het woord begrafenis is hier echter niet juist gekozen, want de Indianen zijn niet gewoon de lijken onder den grond te verbergen; maar hangen ze eenige voeten boven de aarde in de vrije lucht op. Teneinde hun hiernamaals van dienst te kunnen zijn, leggen zij in de doodkist de pijp van den overledene, zijnen boog, zijne pijlen, zijne sneeuwschoenen en de bonte kleedingstukken van meer of minder waarde die hij des winters gewoon was te dragen. Aldus toegerust wordt hij door den wind, gelijk een kind in zijne wieg, in den eeuwigen slaap heen en weder geschommeld.

Na een verblijf van vier-en-twintig uren te Selkirk namen de Cascabels weder afscheid van de bewoners en de Indianen. Hun eerste oponthoud aan den oever der rivier had hun niet kwaad bevallen. Zij moesten nu de Pelly-rivier langs trekken over eenen hobbeligen oever die het de paarden soms lastig genoeg maakte. Eindelijk den 27sten Juli, zeventien dagen na hun vertrek van fort Selkirk, kwam de _Schoone Zwerfster_ in het fort Youkon aan.

XIII.

EEN INVAL VAN CORNELIA CASCABEL.

Dit gedeelte der reis tusschen de forten Selkirk en Youkon had de _Schoone Zwerfster_ op den rechteroever der rivier afgelegd. Zij waren echter op ongelijken afstand van den waterkant gebleven, teneinde niet al de talrijke bochten, welke de rivier maakt en die soms door onbegaanbare moerassen omgeven worden, te moeten omtrekken. Dit laatste is alleen het geval aan deze zijde, want op den linkeroever verheffen zich eenige heuvelrijen van matige hoogte, die naar het noordwesten uitloopen. In een anderen tijd van het jaar hadden zij moeite kunnen hebben om sommige zijtakken van de Youkon over te komen, zooals de Stewart-rivier, waar geen overzetveer op onderhouden wordt. Maar in den zomer staat er op de droogste plekken zoo weinig water dat deze kleine stroomen doorwaad kunnen worden. Toch zouden zij nog dikwijls in verlegenheid verkeerd hebben als zij Kayette niet bij zich gehad hadden, die in de vallei goed thuis was en hun de doorwaadbare plaatsen aan wist te wijzen.

Het was dus waarlijk gelukkig voor hen dat het Indiaansche meisje als gids dienst kon doen. Zij was zelve blijde als zij hare vrienden op de eene of andere wijze nuttig kon zijn; zij voelde zich tevreden te midden dier lieden die als het ware hare bloedverwanten vervangen hadden, en boven alles was de moederlijke zorg, die Cornelia haar toonde en die het arme meisje zoo lang gemist had, haar onuitsprekelijk veel waard.

Het land was hier en daar nog met bosschen bedekt en op verschillende plaatsen heuvelachtig. Maar over het algemeen vertoonde het landschap zich reeds anders dan in den omtrek van Sitka.

De weersgesteldheid, die gedurende acht maanden van het jaar met den winter der poollanden gelijk staat, is oorzaak dat de plantengroei hier niet tot groote ontwikkeling komen kan. Behalve hier en daar eenige populieren, waarvan de toppen boogvormig gekromd zijn, behooren er in deze landstreek geene andere soorten van boomen thuis dan dennen en berken. Wat er voor het overige nog gevonden wordt, zijn armoedige wilgeboomen, schraal van loof en fletsch van kleur, die door de scherpe winden, welke over de IJszee komen aangieren, vroegtijdig van hunne bladeren beroofd worden.

Op de reis van fort Selkirk naar fort Youkon had de jacht voortdurend zooveel opgeleverd dat het niet noodig was geweest den voorraad ingemaakte voedingsmiddelen aan te roeren om dagelijks de tafel van het noodige te voorzien. Er werden zooveel hazen geschoten dat onze reizigers er eindelijk bijna beu van werden, al werd de hazenpeper, de hazensoep, de gebraden haas en de hazenpastei ook nu en dan afgewisseld door eenden en ganzen, en door de eieren dier vogels, welke Sander en Napoleona goed slag hadden om uit de holten, waarin ze verstopt lagen, te voorschijn te halen. Cornelia was eene volleerde keukenprinses in het op verschillende wijze klaarmaken van eieren en andere dagelijks voorkomende spijzen, en liet zich daarop heel wat voorstaan. Aan eetlust was bovendien nooit gebrek.

--Dit is nu toch eens een goed land om in te leven! riep Kruidnagel bij zekere gelegenheid uit, toen hij aan het afkluiven van eene overheerlijke ganzenbout was. Jammer dat het niet meer in het midden van Europa of Amerika ligt.

--Lag het tusschen bewoonde landen, merkte Sergius op, dan zou er vermoedelijk zooveel wild niet zijn.

--Ten minste.... wilde Kruidnagel antwoorden.

Een blik van Cesar legde hem het zwijgen op en deed hem begrijpen dat hetgeen hij zeggen ging, onzin was.

Was het land wildrijk, in de beken en riviertjes die zich in de Youkon uitstortten, wemelde het van visschen. Sander en Kruidnagel hengelden ijverig en brachten menig heerlijk zoodje thuis, vooral snoeken van de beste soort. Zij mochten vrij den hengel uitwerpen waar zij goedvonden, want naar eene visch-akte kwam niemand hen vragen, zoodat het hen niets kostte dan de moeite van het vangen.

Voor kosten maken was trouwens de kleine Sander minder bevreesd dan iemand anders. Hij hield zich overtuigd dat, dank zij hem, de toekomst der familie Cascabel voor altijd verzekerd was. Hij bezat immers dien geweldigen klomp goud, dien hij in de Caribou-vallei opgeraapt en zorgvuldig in eenen hoek van den wagen verstopt had, verzekerd als hij was dat het een steen was van onschatbare waarde. Hij had zijn geheim zorgvuldig bewaard en wachtte geduldig het oogenblik af waarop hij zijnen schat in klinkende munt zou kunnen omwisselen. Wat een vreugde zou dat geven als hij plotseling zóó rijk werd! Niet voor zichzelf: de goedhartige knaap dacht er niet aan, het geld voor zich te houden. Zijnen vader en zijne moeder wilde hij er gelukkig mede maken en hen op die manier ruimschoots schadeloos stellen voor den laaghartigen diefstal, waar zij de slachtoffers van waren.

Toen de _Schoone Zwerfster_ na ettelijke smoorheete dagen eindelijk te Youkon aankwam, waren al de reizigers uitgeput van vermoeienis. Er werd dus besloten dat zij hier niet minder dan eene week vertoeven zouden.

--Gij kunt dat te geruster doen, zeide Sergius, dewijl dit fort slechts op een paar honderd mijlen afstands van Port-Clarence ligt. Het is van daag eerst de 27ste Juli, en niet dan over twee of misschien drie maanden kan het ijs in de Behringstraat sterk genoeg wezen om den wagen te dragen.

--Dat is zoo klaar als de dag, stemde Cascabel toe. Wij hebben dus den tijd om eene poos uit te blazen.

Dit was een welkom bericht, zoowel voor het tweehandige als voor het viervoetige personeel der _Schoone Zwerfster_.

Het fort Youkon is in het jaar 1847 opgericht. Het is de meest westelijke vestiging van de Hudsonsbaai-compagnie en ligt bijna op den poolcirkel. Dewijl het fort tot het grondgebied van Alaska behoort, is de Hudsonsbaai-compagnie verplicht jaarlijks eene schadeloosstelling te betalen aan de concurreerende vennootschap, de Russisch-Amerikaansche handelsvereeniging.

Niet vóór 1864 werden de gebouwen gezet waar de vestiging thans uit bestaat. Zij werden met eene palissadeering omringd en waren juist gereed gekomen toen de troep van Cascabel in het fort aankwam, met het voornemen er eenige dagen te vertoeven.

De beambten boden hun gastvrij een verblijf binnen het fort aan, want in de loodsen en pakhuizen was plaats genoeg om hen te herbergen; maar Cascabel bedankte met eenige sierlijke en klinkende volzinnen voor hunne uitnoodiging. Hij was aan de geriefelijkheden van de _Schoone Zwerfster_ gewend en wilde die niet missen.

De bevolking van het fort bestond uit een twintigtal beambten der compagnie, meerendeels amerikanen, met eenige indiaansche bedienden. In de nabijheid van het fort waren echter ettelijke honderden inboorlingen gelegerd.

De oorzaak daarvan was dat het fort Youkon de voornaamste verzamelplaats in Alaska is voor den handel in bontwerk en pelterijen. Daar komen al de inlandsche stammen van het gewest bijeen, de Kotch-à-Koutchins, de An-Koutchins, de Tatantchoks, de Tananas en voornamelijk de talrijkste aller stammen, de Co-Youkons, die het meest in de nabijheid der groote rivier gevestigd zijn.

Het fort is bijzonder gunstig voor dezen ruilhandel gelegen, want het is gebouwd in eenen hoek, dien de Youkon bij hare samenvloeiing met de Porcupine maakt. De rivier splitst zich op deze hoogte in vijf armen, langs welke de handelaars gemakkelijk tot in het binnenland kunnen doordringen en zelfs over de Mackenzie-rivier met de Eskimo's in aanraking kunnen komen om met deze handel te drijven.