Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster"

Chapter 10

Chapter 103,901 wordsPublic domain

De naam van den rus was Sergius Wassiolowitch, en voortaan noemden allen hem, met zijne toestemming, Mijnheer Sergius. Hij had geen andere bloedverwanten dan zijn vader, die in het gouvernement Perm, niet ver van de stad van dien naam, woonachtig was. Gedreven door reislust en door liefhebberij voor aardrijkskundige ontdekkingen en onderzoekingen, had mijnheer Sergius drie jaar geleden zijn vaderland verlaten. Hij had de landen in den omtrek der Hudsonsbaai doorreisd en was thans voornemens eenen tocht door Alaska te doen, langs de Youkon-rivier tot aan de Poolzee. De omstandigheden onder welke hij door roovers overvallen werd, waren de volgende.

Hij en zijn knecht Iwan hadden des avonds van den 4den Juni een nachtkwartier bij de grens gezocht, toen zij in hun eersten slaap door moordenaars overvallen werden. Twee mannen wierpen zich op hen; zij ontwaakten, sprongen overeind en poogden zich te verdedigen, maar de ongelukkige Iwan stortte bijna terstond ter aarde, door eenen kogel in het hoofd getroffen.

--Het was een trouwe en eerlijke bediende, voegde mijnheer Sergius er bij. Sedert tien jaren leefden wij te samen, hij hield veel van mij en ik betreur in hem een oprechten vriend.

Mijnheer Sergius deed geene moeite om zijne aandoening te verbergen en zoo dikwijls hij over Iwan sprak, kon men aan zijne vochtige oogen zien dat zijne smart niet voorbijgaand van aard was.

Hij verhaalde verder dat hij zelf in de borst verwond geworden en zijn bewustzijn kwijt geraakt was. Van hetgeen er verder gebeurd was, wist hij niets tot op het oogenblik toen hij, weder bij kennis komende, niet had kunnen begrijpen waar hij zich bevond, maar alleen dat hij met vriendelijke en medelijdende menschen te doen had.

Cascabel verhaalde hem dat de aanslag voor het werk gehouden werd van Karnof of van een paar kerels zijner bende. Dit achtte mijnheer Sergius ook waarschijnlijk, want hij had reeds vroeger hooren zeggen dat die roovers de grensstreek onveilig maakten.

--Zooals gij ziet, dus eindigde hij, is er niet veel bijzonders aan mijne lotgevallen en zeker minder dan aan de uwe. Na mijne onderzoekingsreis door Alaska volbracht te hebben, was ik voornemens naar Rusland en mijnen vader terug te keeren en het ouderlijke huis nooit meer te verlaten. Maar vertel mij nu ook eens iets van uwe geschiedenis, en in de eerste plaats hoe het komt dat een gezelschap fransche reizigers hier in dit afgelegen gedeelte van Amerika komt te zwerven?

--Kermiskunstenaars, mijnheer Sergius, trekken immers overal heen, antwoordde Cascabel.

--Ja, dit weet ik wel, maar ik ben er toch over verbaasd dat ik u hier aan het andere einde der wereld aantref!

--Jan, hervatte Cascabel, vertel gij maar eens aan mijnheer Sergius hoe het komt dat wij hier zijn en hoe wij ons reisplan naar Europa gemaakt hebben.

Jan verhaalde nu alles wat aan de bewoners der _Schoone Zwerfster_ overkomen was sedert hun vertrek uit Sacramento. Teneinde ook door Kayette verstaan te worden, sprak hij Engelsch, dat mijnheer Sergius zooveel noodig aanvulde met eenige woorden in de Chinouksche taal. Het indiaansche meisje luisterde met de meeste aandacht. Zij kwam nu te weten wie de familie Cascabel was, aan welke zij zich reeds zeer gehecht voelde. Jan verhaalde hoe de reizigers van al hun geld bestolen waren in een der bergpassen van de Sierra Nevada, dien zij doortrokken om naar de kuststreek van den Atlantischen Oceaan koers te zetten. Hoe zij, de middelen niet meer hebbende om hunne plannen ten uitvoer te brengen, besloten hadden in de richting naar het Oosten denzelfden tocht te doen, dien zij naar het Westen hadden willen volbrengen. Hoe zij den voorkant hunner rollende woning naar het Oosten gewend hadden en den Staat Californië, Oregon, het Washington-territorium en Britsch-Columbia doorgetrokken, maar op de grens van Alaska, tot staan gebracht waren. Hoe de russische grensbewakers hun onverbiddelijk den toegang geweigerd hadden, hetgeen echter door de uitkomst eene gelukkige omstandigheid gebleken was, dewijl zij tengevolge van dit oponthoud in de gelegenheid geweest waren mijnheer Sergius te hulp te komen. Hoe het dus kwam dat fransche kermisreizigers, en wel Normandiërs, indien men hen naar het hoofd van het gezin mocht noemen, zich nu te Sitka bevonden, waar alleen de inlijving van Alaska bij de Vereenigde Staten het hun mogelijk gemaakt had te komen.

Mijnheer Sergius vernam met groote belangstelling alles wat hem verteld werd, maar hij kon zijne verwondering niet verbergen toen hij te weten kwam dat zij plan hadden met de Karavaan geheel Siberië door te trekken, teneinde langs dien weg in het Oosten van Europa aan te landen. De anderen begrepen echter niet waarom hij zich daarover verbaasde.

--Alzoo, mijne vrienden, begon hij, toen Jan uitgesproken had, is het uwe bedoeling, als gij Sitka verlaat, uwen weg naar de Behringstraat te nemen?

--Gewis mijnheer Sergius, antwoordde Jan, en zoodra die zeeëngte toegevroren zal zijn, trekken wij haar over.

--Dat is een lange en bezwaarlijke tocht dien gij ondernemen gaat, mijnheer Cascabel.

--Lang is hij zeker, mijnheer Sergius, en bezwaarlijk zal hij ook wel wezen. Maar wat zullen wij doen? Wij hebben geen keus. Wij kunstenmakers geven voor het overige niet om wat moeite en zijn gewoon in de geheele wereld rond te zweven.

--Ik vermoed, dat gij er niet op rekent om op die manier dit jaar nog in Rusland te komen?

--Dat kan niet, antwoordde Jan, want de Behringstraat kunnen wij niet over vóór de eerste dagen van October.

--In elk geval, hernam Sergius, is het een avontuurlijk en stoutmoedig plan.

--Dat is mogelijk, zeide Cascabel, maar er was geen ander te bedenken. Gij moet weten, mijnheer Sergius, dat wij allen aan heimwee lijden. Wij willen en zullen naar Frankrijk terug! Onze weg voert langs Nisjni en langs Perm, in den tijd dat daar kermis gehouden wordt, en wij zullen ons best doen om er geen kwaad figuur te maken.

--Maar welke middelen hebt gij tot uwe beschikking?

--Wij hebben op weg hierheen reeds iets verdiend en hier te Sitka, waar wij eenige voorstellingen hopen te geven, denken wij onze spaarpot weder te zien aangroeien. Er is juist feest ter eere van de inlijving bij Amerika en ik houd het er voor, dat het geëerde publiek over de familie Cascabel te vreden zal zijn.

--Gaarne zoude ik mijne beurs met u deelen, antwoordde de rus, wanneer ik ook niet bestolen was...

--Maar dat zijt ge niet, mijnheer Sergius, viel Cornelia hem in de rede.

--Zij hebben u geen halven roebel afgenomen, voegde Cesar er bij.

Hij verwijderde zich een oogenblik en kwam terug met den gordel, waarin al het geld was dat de gewonde bij zich had gehad.

--Nu het zoo gelegen is, mijne vrienden, wilt gij toch wel eenig geld van mij wilt aannemen.....

--In geenen deele, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel. Ik wil volstrekt niet, dat gij ons helpt ten koste misschien van u zelven.

--Verkiest gij dus niet met mij te deelen?

--Zoo stellig mogelijk: neen!

--Gij zijt echte Franschen! zeide Sergius, terwijl hij hen hartelijk de hand drukte.

--Leve Rusland! riep de kleine Sander.

--En leve Frankrijk! antwoordde Sergius.

Het was zeker voor het eerst, dat die dubbele uitroep in dit afgelegen gedeelte van Amerika vernomen werd.

--Maar nu hebt gij genoeg gepraat, kwam Cornelia tusschen beide. Mijnheer Sergius, de dokter heeft u bevolen u kalm en rustig te houden en een zieke mag nooit verzuimen te doen wat zijn geneesheer zegt.

Ik wil mij gaarne aan u onderwerpen; mevrouw Cascabel, antwoordde de rus. Maar ééne vraag, of liever één verzoek heb ik nog te doen.

--Zeg ons wat gij verlangt, mijnheer Sergius.

--Ik heb u zelfs eene gunst te vragen....

--Welke gunst?

--Gij begeeft u dus naar de Behringstraat. Wilt gij mij vergunnen u tot daar te vergezellen?

--Verlangt gij met ons te reizen?

--Ja, ik was immers voornemens geheel Alaska in oostelijke richting door te trekken.

--Nu wij kunnen niet anders zeggen, dan dat het ons groot genoegen zal doen, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel.

--Op ééne voorwaarde echter, zeide Cornelia.

--Wat is dat?

--Dat gij alles doen zult om heelemaal beter te worden, en zonder tegen te spartelen.

--Ook ik heb nog eene voorwaarde, namelijk, dat als ik met u mede ga, ik ook mijn deel in de reiskosten zal betalen.

--Daarmede kunt gij doen zooals gij verkiest, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel.

Alles was nu tot wederzijdsch genoegen geschikt, maar het hoofd van den troep meende niet af te mogen zien van zijn voornemen om op de groote markt te Sitka eenige voorstellingen te geven. Hij hoopte daarmede eer en voordeel te behalen, want in de geheele provincie heerschte eene feestelijke stemming, tengevolge der inlijving en de _Schoone Zwerfster_ had op geen gunstiger oogenblik in de hoofdstad kunnen komen.

Zooals van zelf sprak, had Cascabel van den moord-aanslag op den rus en diens bediende aangifte bij de politie gedaan. Het gevolg hiervan was dat er terstond bevelen gegeven werden om de bende van Karnof op de grens van Britsch-Columbia nog ijveriger te vervolgen.

Den zeventienden Juni mocht Sergius voor de eerste maal uit. Hij voelde zich veel beter en dank zij de zorgen van dokter Harry was zijne wond zoo goed als genezen.

Hij maakte nu ook kennis met de andere leden van het gezelschap, met de honden die vroolijk tegen hem opsprongen, met Jako, wien Sander geleerd had: »Hoe vaart mijnheer Sergius?» te zeggen, en met John Bull, die zijn vriendelijksten grijns tegen hem trok. Ook de twee trouwe oude paarden, Vermout en Gladiator, hinnikten van pleizier toen hij ze op een stuk suiker trakteerde. Sergius was nu voorgoed in het gezin opgenomen even als Kayette. Hij had reeds het degelijke karakter, het goede verstand en het streven naar kundigheden boven zijnen stand opgemerkt, waar de oudste zoon zich door onderscheidde. Sander en Napoleona had hij lief om hunne vroolijkheid. Kruidnagel, goedhartig en dom als die was, mocht hij gaarne lijden. Voor mijnheer Cascabel en zijne vrouw koesterde hij eene oprechte hoogachting, want hij had hen als brave lieden leeren kennen.

Intusschen hielden zij zich ijverig bezig met de toebereidselen voor hun aanstaand vertrek. Er mocht niets verzuimd worden om den goeden uitslag van hunne reis, over eene uitgestrektheid van vijfhonderd mijlen tot aan de Behringstraat, te verzekeren. Het land, ofschoon weinig bekend, was niet onveilig. Wilde beesten of kwaadwillige Indianen, hetzij zwervende of vast gevestigde, werden er niet gevonden. Zonder eenig bezwaar konden zij in de verschillende factorijen, waar de beambten der pelterij-compagnieën verblijf hielden, de noodige rust nemen. Het voornaamste was dat zij zich van alle noodzakelijke levensbehoeften voorzagen op eene reis door een land waar zoo goed als niets te krijgen was, behalve hetgeen de jacht hen opleverde.

Over al deze punten werd dus op zekeren dag, in tegenwoordigheid van Sergius, beraadslaagd.

--In de eerste plaats, begon Cascabel, hebben wij in aanmerking te nemen dat wij niet gedurende het ruwste gedeelte van het jaar onzen tocht ondernemen.

--Dat is gelukkig ook, merkte Sergius op, want hier in Alaska, zoo dicht bij den poolcirkel, zijn de winters niet om mede te spotten.

--Bovendien gaan wij niet blindelings op weg, zeide Jan, vooral niet nu wij zulk een bekwaam aardrijkskundige als mijnheer Sergius bij ons hebben.

--Nu, wat dat betreft, antwoordde Sergius, een aardrijkskundige is niet slimmer dan een ander mensch, wanneer hij zijnen weg heeft te zoeken in een land waar hij niet bekend is. Met ons beiden echter, Jan, en met behulp van uwe kaarten, waar gij zoo goed thuis op zijt, zullen wij ons wel redden. Bovendien heb ik nog een plan waar ik u later wel eens over zal spreken....

Als Sergius een plan had, kon het niet anders dan goed wezen. Daarvan hielden allen zich overtuigd en zij lieten hem dus met rust om er op zijn gemak over te kunnen denken.

Zij hadden nu geld genoeg bijeen en Cascabel deed een goeden voorraad op van meel, reuzel, rijst, tabak en vooral thee, welke in Alaska in verbazende hoeveelheid gebruikt wordt. Ook kocht hij hammen, vleesch in blikken, beschuit en eenige potten ingelegd vleesch van eene russisch-amerikaansche maatschappij. Aan water behoefden zij geen gebrek te hebben als zij de Youkon-rivier en hare zijtakken volgden, maar om het smakelijker te maken voorzagen zij zich van suiker en cognac, of eigenlijk _Vodka_, eene soort van brandewijn dien de russen drinken en die bij hen voor eene lekkernij doorgaat. In de bossen konden zij brandhout genoeg vinden, maar toch werd de _Schoone Zwerfster_ beladen met eene ton beste Vancouver-kolen. Meer dan eene ton mocht niet, want het was zaak den wagen niet al te zwaar te belasten.

Intusschen hadden zij in het tweede vertrek van het rijtuig eene tijdelijke slaapplaats ingericht, waar Sergius gebruik van zou maken, met goed beddegoed er in. Er werden ook de noodige dekens gekocht even als hazenvellen, die de Indianen des winters gebruiken om zich te verwarmen. Voor het geval dat zij onderweg nog in de noodzakelijkheid mochten komen om het een en ander aan te koopen, nam Sergius een kleinen voorraad glazen sieraden, katoenen stoffen en goedkoope messen en scharen meê, waar de ruilhandel met de inboorlingen mede gedreven wordt.

Voor de jacht was het vooruitzicht gunstig, want er is in dit land overvloed van grof wild, zooals herten en rendieren, en van kleiner, zooals hazen, korhoenders, patrijzen en wilde ganzen. Kruit en lood werden dus naar behoefte ingeslagen en Sergius kocht bovendien nog twee geweren en eene karabijn, waarmede het arsenaal van de _Schoone Zwerfster_ verrijkt werd. Hij zelf was een ervaren schutter en stelde er zich veel van voor, gezamenlijk met zijnen vriend Jan op de jacht te kunnen gaan.

Dit was te meer nuttig dewijl in den omtrek van Sitka het land misschien onveilig werd gemaakt door de bende van Karnof en het dus te pas kon komen dat zij in staat waren die roovers naar verdienste te onthalen.

--Als die schavuiten, wier voornaamste eigenschap het niet is bescheiden te zijn, ons het een of ander komen vragen, merkte Cascabel op, weet ik geen beter antwoord dan een kogel in hun ribbenkast....

--Of het moest zijn in hun hersenpan, voegde Kruidnagel er zeer bedachtzaam bij.

Om kort te gaan, onze reizigers waren in de gelegenheid in de hoofdstad van Alaska, waar een drukke handel gedreven werd met verschillende steden in Columbia en met de zeehavens aan den Stillen Oceaan, zich van alles te voorzien wat zij voor eene langdurige reis in een schaars bewoond land noodig konden hebben, en dat wel zonder buitensporige prijzen te betalen.

Eerst in de voorlaatste week van juni waren al deze toebereidselen afgeloopen. Het vertrek werd bepaald op den 26sten. Vóórdat de Behringstraat geheel toegevroren lag, kon er aan geen overtocht gedacht worden, zoodat zij al den tijd hadden om de reis te ondernemen. Maar er moest ook gerekend worden op onvoorziene hinderpalen en oorzaken van oponthoud, zoodat het beter was een weinig te vroeg op te breken dan te laat. Te Port-Clarence, gelegen aan het strand der zeeëngte, konden zij desnoods rust houden en het geschikte oogenblik afwachten om naar de Aziatische kust over te steken.

Wat voerde intusschen het Indiaansche meisje uit? Dat is spoedig genoeg te vertellen: zij hielp met overleg moeder Cascabel bij alles wat zij voor den tocht in orde te brengen had. De brave vrouw had voor de vreemdelinge eene genegenheid opgevat alsof zij hare dochter was; zij hield bijna even veel van haar als van Napoleona en voelde iederen dag hare gehechtheid sterker worden. Zij hadden trouwens allen Kayette hartelijk lief en dit goede kind smaakte zonder twijfel een geluk dat zij nooit gekend had zoolang zij met haren stam rondzwierf. Het oogenblik dat zij van de familie Cascabel gescheiden zou worden, werd dus door ieder met leedwezen tegemoet gezien. Toch kon dat niet anders. Zij stond alleen op de wereld en was naar Sitka gekomen met het plan daar eene plaats als dienstbode te zoeken om, misschien onder treurige omstandigheden, haar brood te verdienen.

--Daarom, zeide Cascabel nu en dan, heb ik mij wel eens afgevraagd of onze Kayette,--ik zou haar wel mijn vogeltje willen noemen--als zij lust en aanleg had om dansen te leeren, niet wat beters kon beginnen. Wat zou zij eene knappe balletdanseres kunnen worden! Of indien zij smaak had in paardrijden, wat zou zij een goed figuur maken in een paardenspel! Ik ben zeker dat zij te paard zou zitten als een Centaurus!

Mijnheer Cascabel geloofde in allen ernst dat de centaurussen mannen te paard waren geweest en niemand had hem dat uit zijn hoofd kunnen praten.

Maar Jan schudde het hoofd als hij zijnen vader zoo hoorde praten en Sergius begreep wel dat de bedachtzame en stille knaap heel anders dan zijn vader dacht over de genoegens en voordeelen van koorddansen, paardrijden en andere kermiskunsten.

Er werd dus veel over Kayette gedacht en gesproken, over hare toekomst en over hetgeen haar te Sitka te wachten stond. Dit baarde hen allen veel zorg, maar den avond vóór hun vertrek kwam Sergius, met het Indiaansche meisje aan de hand, in den kring van het gezin.

--Mijne vrienden, zeide hij, ik heb geene kinderen, maar nu bezit ik tenminste eene aangenomen dochter. Kayette heeft er niets tegen, mij als haar vader te beschouwen en ik kom voor haar een plaatsje vragen in de _Schoone Zwerfster_.

Met vreugdekreten werd dit nieuws begroet en het »vogeltje" werd met liefkozingen overladen. Het meisje had met dankbaarheid het aanbod van Sergius aangenomen, en mijnheer Cascabel kon niet nalaten, terwijl zijne stem van ontroering trilde, te zeggen:

--Mijnheer Sergius, dat is braaf van u!

--Wat is er voor bijzonders aan? vroeg de rus. Gij hebt toch niet vergeten hoeveel verplichting ik aan Kayette heb? Zonder haar was ik niet meer in leven; wat is dus natuurlijker dan dat ik haar als kind aanneem?

--Welnu, hernam Cascabel, laat ons dan samen deelen. Wees gij haar vader mijnheer Sergius; maar ik ben haar oom!

XII.

VAN SITKA TOT HET FORT YOUKON.

Den 26sten Juni met het aanbreken van den dag »lichtte de zegekar der Cascabels haar anker." Dit was eene soort van valsche beeldspraak waar haar aanvoerder zich niet zelden aan te buiten ging. In denzelfden trant had hij er nog bij kunnen voegen dat de wagen nu misschien »ging varen op eenen vulkaan." En dit zou niet eens heelemaal onjuist geweest zijn, want niet alleen beloofde de weg moeilijk te zullen worden, maar ook zijn uitgedoofde of nog in werking zijnde vuurspuwende bergen aan de zuidkust van de Behringzee niet zeldzaam.

De _Schoone Zwerfster_ liet de hoofdstad van Alaska achter zich, vergezeld van talrijke wenschen voor hare behouden reis en aankomst. Want zij had zich vele vrienden verworven, die niet karig waren geweest met hunne roebels en hunne toejuichingen zoolang de troep voor de poorten van Sitka verblijf had gehouden.

Dit woord »poorten" is juister dan men oppervlakkig denken zou. De geheele stad is omringd door een stevig rasterwerk van palen, waarbinnen slechts enkele openingen toegang geven, die iemand niet gemakkelijk zou doorkomen als het hem belet werd.

De russen hebben zich door deze voorzorgen moeten beveiligen tegen den aanhoudenden toevloed van Kaluche-Indianen, die gewoonlijk in de nabijheid van Nieuw-Archangel, tusschen de rivieren Stekine en Tchilcot, hunne legerplaats opslaan. Daar bouwen zij hunne hutten, die zoo eenvoudig mogelijk zijn ingericht. Eene lage deur geeft toegang tot een cirkelvormig vertrek, dat somtijds in twee afdeelingen gescheiden is, en alleen licht ontvangt door eene opening in het dak, welke tevens de rook uit de stookplaats gelegenheid geeft te ontsnappen. Deze buurt van Indiaansche hutten vormt eene soort van voorstad van Sitka, binnen welke stad geen enkele inboorling na zonsondergang verblijf mag houden. Dit verbod vindt zijnen grond in de somtijds alles behalve vriendschappelijke verhouding tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezichten.

Buiten Sitka moest de _Schoone Zwerfster_ beginnen met eenige nauwe zeearmen in daartoe ingerichte ponten overtesteken alvorens zij eene uitstekende punt aan een bochtigen zeeboezem, Lyan-baai genaamd, bereikten.

Hier bevonden zij zich weder op het vasteland.

Het reisplan en de te volgen weg waren met zorg door Sergius en Jan vastgesteld op de uitvoerige kaarten welke zij zich zonder veel moeite in de club te Sitka hadden aangeschaft. Kayette, die met het land goed bekend was, vroegen zij bij deze gelegenheid om raad. Vlug van begrip als zij was, had zij spoedig genoeg wijs leeren worden uit de kaarten die zij haar te zien hadden gegeven. Zij sprak de inlandsche taal met Russisch vermengd, en veel van hetgeen zij wist te vertellen kwam bij het maken van de plannen goed te pas. Het was zaak niet uitsluitend den kortsten, maar ook den gemakkelijksten weg te zoeken om naar Port Clarence, dat op de oostkust van de Straat gelegen is, te komen. Zij kwamen daarom overeen dat de _Schoone Zwerfster_ dadelijk op de groote Youkon-rivier aan zou houden, ter plaatse waar het fort gelegen is dat naar dien breeden stroom genoemd wordt. Dit was ongeveer halfweg, met andere woorden nagenoeg tweehonderdvijftig mijlen van Sitka af. Op deze manier ontweken zij de moeilijkheden welke zij ontmoet zouden hebben indien zij de kust dichter gevolgd hadden, dewijl deze voor een gedeelte met bergen bedekt is. Daarentegen loopt de Youkon-vallei in eene breede vlakte, tusschen eene verwarde reeks van bergketenen in het Westen en het Rotsachtige gebergte door, welk laatste de scheiding vormt tusschen Alaska en de Mackenzie-vallei eener- en Nieuw-Brittannië anderzijds.

Eenige dagen na hun vertrek verloren de reizigers in het zuidwesten de puntige bergspitsen aan de kust uit het oog. Het langst bleven de hooge bergen Fairweather en Elias in het zicht.

De eenmaal zorgvuldig vastgestelde indeeling der uren waarin gereden en die waarop gerust moest worden, werd streng in acht genomen. Er was niet ééne reden om haast te maken ten einde spoedig aan de Behringstraat te komen, en langzaam maar zeker mocht dus hunne leuze zijn. Vóór alles kwam het er op aan hunne paarden te ontzien, want kwamen die te bezwijken dan konden ze niet dan gebrekkig misschien vervangen worden door een span rendieren. Dat moest dus tot elken prijs voorkomen worden. Daarom werd er iederen middag, nadat zij te zes uur 's morgens op weg gegaan waren, twee uren halt gehouden; vervolgens reden zij weder zes uren en daarna werd er den geheelen nacht gerust. Op die manier legden zij iederen dag gemiddeld vijf of zes mijlen af.

Hadden zij in den nacht willen doorreizen, dan ware hun dit gemakkelijk gevallen, want, zeide Cascabel, in Alaska bleef de zon niet langer dan noodig was in haar bed.

--Nauwelijks is zij ondergegaan of zij komt weer op, vervolgde hij. Drie en twintig uren in een etmaal is het hier licht en dat kost u niemendal!

Op deze hooge breedte namelijk en gedurende het tijdvak van den zonnestilstand of daaromtrent verdwijnt de zon des avonds te elf uur zeventien minuten en komt ze te elf uur negen en veertig minuten weder voor den dag, zoodat zij slechts gedurende twee en dertig minuten onzichtbaar blijft. De schemering na den zonsondergang vermengt zich dan ook zonder dat het duister wordt met die welke den zonsopgang voorafgaat.

De temperatuur was daarbij warm, dikwijls zelfs broeiig en in deze omstandigheden zou het erger dan onvoorzichtig geweest zijn indien zij gedurende de uren der grootste middaghitte niet halt gehouden hadden. Menschen en dieren hadden veel van deze geduchte warmte te lijden. Het is bijna niet te gelooven dat zoo dicht bij den poolcirkel, de thermometer somtijds tot dertig graden boven nul van de honderddeelige schaal rijst. Toch is dat het geval.

De reis vorderde dus geregeld en zonder bezwaren, maar Cornelia, die veel hinder van de brandende hitte had, klaagde daarover niet weinig.