Castilië en Andalusië De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 5
Toen Don Juan achttien jaar was, wilde Isabella hem reeds de zorgen der werkelijke regeering doen leeren kennen; daar zij bij ondervinding wist, hoe gevaarlijk het is, zonder overgang uit den zorgeloozen staat der kindsheid geroepen te worden tot het bestuur van een machtig rijk. Zij schonk hem dan ook toen reeds de voorrechten en den rang, dien de prinsen van Asturië anders slechts op het tijdstip van hun huwelijk ontvingen; en plaatste hem aan het hoofd van een raad, samengesteld uit de wijste mannen van Castilië. Voor de eerste maal nam hij deel aan de Cortes van Almanza, in 1496, toen hij achttien jaren telde. Zoo begon het leven van den jongeling, die door zijn natuurlijke gaven bestemd scheen, om een der grootste vorsten van zijn tijd te worden. Don Juan was even geoefend in den strijd, bij de jacht en alle lichaamsoefeningen, als gevorderd in de beoefening der schoone letteren en der kunst. Zijn levensbeschrijver, Gonzale Fernandez de Oviedo, vermeldt o. a., dat hij een vurig beminnaar was van zang en muziek, een eigen orkest bezat, en zelf verschillende instrumenten bespeelde. Elken morgen kwam zijn kapelmeester, vergezeld van eenige knapen, die een bijzonder schoone stem bezaten, om zich met hem te oefenen in den zang, en de prins, die een vrij goeden tenor had, vond hierin steeds veel behagen. In zijn kamer bevonden zich, behalve een orgel en een clavicordio, guitaren, violen en fluiten, en al deze instrumenten bespeelde hij met veel vaardigheid. De jeugdige prins trad in het huwelijk met de lieftallige Margaretha van Oostenrijk. Hun echtvereeniging werd met groote praal gevierd, en het scheen thans, alsof voor Ferdinand en Isabella, rustend op de behaalde lauweren, en een blijde toekomst tegemoet ziende, een gezegende ouderdom zou aanbreken. Doch thans eerst zou de grootste ramp huns levens hen treffen. Zij bevonden zich te Valence d'Alcantara, op de grens van Portugal, toen een bode uit Salamanca hun de verpletterende tijding kwam brengen, dat Don Juan door heftige koortsen was aangetast, midden in de feestelijkheden, ter eere van zijn aankomst in die stad. Ferdinand begaf zich in allerijl naar het ziekbed van zijn zoon, wiens toestand echter reeds hopeloos was verklaard. Don Juan was bij zijn volle bewustzijn en wist, dat hij eene wereld ging verlaten, die, zooals hij erkende, ook voor de grooten der aarde slechts vergankelijk heil en veel teleurstelling beschoren had. Hij stierf met den moed en de kalme gelatenheid van den waren Christen, welke hij gedurende zijn ziekte nimmer had verloochend, op den 4den October 1497, nog geen twintig jaren oud. Geheel Spanje was door zijn sterven in rouw gedompeld; want de overledene vereenigde in zich de deugden zijner ouders, zonder zijns vaders gebreken te bezitten. Met de grootste praal werd zijn lijk van Salamanca overgebracht naar het klooster St. Thomas te Avila. Het hof droeg den allerdiepsten rouw over hem; grof zaklinnen verving thans de witte wollen rouwkleederen, die anders bij dergelijke gelegenheden waren voorgeschreven. Veertig dagen bleven alle openbare vermakelijkheden gesloten, en zwarte vlaggen wapperden van de poorten van alle steden in het koninkrijk. Isabella bleef uiterlijk gelaten, en droeg haar smart heldhaftig, en ook Ferdinand bleef meester van zijn aandoeningen. Pedro Martyr schrijft van het vorstelijk echtpaar: "Zij deden zich geweld aan, om hun leed voor elkander te verbergen; doch wij gevoelden maar al te zeer, aan welke kwelling hun ziel ten prooi was. Naast elkander gezeten, wisselden zij somtijds blikken, die, ondanks hun pogingen tot zelfbedwang, uitdrukten, wat hun gemoed vervulde. Zes jaren na dit smartelijk verlies, stierf ook Isabella, wier krachtig gestel door veel grievend leed was ondermijnd.
De fraaie beeltenis van den prins, met zijn uitdrukking van verheven kalmte, ligt uitgestrekt op een graftombe van prachtig carrarisch marmer, ontworpen door den Florentijn Domenico Alessandro Francelli en uitgevoerd te Genua door een beeldhouwer uit Barcelona, Bartolome Ordonez. Het monument staat op het kruispunt van de middenbeuk met het transept, terwijl het altaar, achter in het koor gelegen, dat zich eenige meters boven den beganen grond verheft, als het ware een achtergrond vormt voor het heerlijk praalgraf. Daar het koor niet veel ruimte biedt en het aantal Dominikaner monnikken in deze provincie zeer groot is, moeten velen van hen, bij godsdienstige plechtigheden, waaraan allen verplicht zijn, deel te nemen, in het schip der kerk nederknielen. Wanneer men de gelaatstrekken aanschouwt dier jeugdige priesterknapen, in hun wit gewaad, bijna even schoon als het marmeren beeld, dat zij omringen en bezield door godsdienstige geestdrift, wanneer de wierook omhoogwolkt, en de vlam der vele kaarsen hun biddend opgeheven gelaat verlicht, schijnt het, alsof een viertal eeuwen ware uitgewischt, en men in waarheid den lijkdienst bijwoonde van den erfgenaam der dubbele kroon van Castilië en Aragon.
Het is, alsof in deze streken van Spanje alles, natuur en kunst, menschen en dingen tot ons spreken van het verleden, en van de persoonlijkheden, die daarin zulk een gewichtige rol vervulden. Eene figuur echter betwist in de harten van het volk den voorrang aan de onvergetelijke koningin en hare naaste verwanten. Die eéne is la Santa, de heilige, wier naam niet eens behoeft te worden uitgesproken, daar geen andere haar nabijkomt in de oogen der inwoners van de stad, waar zij het levenslicht aanschouwde. Zij is in waarheid de ziel van het stadje. Geen blinde bedelaar, geen ongelukkige kreupele, (en die zijn er in menigte te Avila,) die niet aan den vreemdeling een of ander treffend verhaal weet te doen omtrent haar vroom en welbesteed leven.
Zoodra zich een reiziger op den drempel van een der hôtels vertoont, komen zwermen kleine jongens, zoo brutaal als musschen, op hem afstormen, trippelen als hongerige vogels om hem heen, en roepen om strijd, terwijl zij met hun vuile, bruine handjes in de lucht schermen: "Ik zal u den kortsten weg wijzen naar de Santa! Ik kan u de kapel vertoonen! En ik de relieken! Ik weet de mooiste wonderen te vertellen! Neen, ik, ik!" En met schitterende oogen beginnen zij maar vast hun naïeve verhalen op te zeggen, om den vreemdeling te boeien en te bewegen, hen te volgen naar de plaats, waar de geliefde heilige rust.
St. Theresa werd te Avila geboren uit een adellijk geslacht van het zuiverste bloed, "sangre limpia." De natuur schonk haar een lichaam, haren geest waardig. Reeds vroeg gaf zij blijk van een wijsheid, die anderen eerst door een lang leven vol ondervindingen moeten verwerven. Op haar zevende jaar las zij ijverig met haar broertje in haar gebedenboek, en besprak zeer ernstig de onderwerpen, die daarin werden behandeld. De beide kinderen namen zich voor, evenals de martelaren, hun leven op te offeren in den dienst van God, en verlieten op een goeden dag het ouderlijk huis, om de heidenen te gaan bekeeren. Ongelukkig kwamen zij op de brug over de Alaya hun oom tegen, die verbaasd was hen zoo vroeg, met hun reisbundeltje onder den arm, op weg te zien, en vroeg, waar zij heen wilden. Toen zij hem de waarheid zeiden, nam de booze oom hen mee terug naar hun ouders, die hen streng berispten. Doch toen zij bitter begonnen te schreien, vergaf hun moeder hunne onvoorzichtigheid en daarop begonnen zij huisjes van klei te bouwen, waarin zij als kluizenaars wilden leven.
Het klooster van de Incarnatie, waar Theresa de Cepeda y Ahmuda op haar zestiende jaar den sluier aannam, in 1531, is niet ver gelegen van een thans geheel vervallen gedeelte der stad, dat vroeger door de Joden werd bewoond. Deze zijn echter door Filips III verdreven, hetgeen de stad volstrekt niet ten goede kwam. De bevolking is sedert dien tijd van twintigduizend inwoners gedaald tot elfduizend.
Van het klooster zijn thans slechts twee kapellen voor het publiek toegankelijk, die overladen zijn met verguldsel en versieringen. In de sacristie vertoont er een monnik met aandoenlijken eerbied eenige reliquieën, en een kistje waarin een der vingers van de heilige wordt bewaard.
In dit klooster onderging Theresa zware beproevingen; want hier werd het haar voor het eerst openbaar, dat op haar de zware taak rustte, vele ingeslopen misbruiken te onderdrukken, en de geestelijke zusters weder terug te brengen op den rechten weg, waarvan zij schromelijk waren afgedwaald.
Het zag er met de Karmelieten-orde toen ter tijd treurig uit. In den beginne waren slechts mannen tot deze orde toegelaten, doch in 1452 had paus Nicolaas V een bul uitgevaardigd, waardoor ook vrouwen tot de Karmelieter orde konden toetreden. Dit verlof sleepte noodlottige gevolgen mede. Want de Karmelieter nonnen wisten den overste der orde te bewegen, bij den Paus aan te dringen op verzachting der strengste levensregels; zooals het vasten van 14 September tot Paschen, het strikte stilzwijgen, en de afzondering van de buitenwereld. Toen Theresa dus haar gelofte aflegde, waren vrouwenkloosters geen plaatsen van rust en stille beschouwing meer. De wereld, met al haar verleidingen, was erin doorgedrongen. Hoe voorzichtig zich de heilige Theresa ook in haar geschriften poogt uit te drukken, zij geeft duidelijk te kennen, dat de vrijheid, welke men zich hier veroorloofde, de grenzen van het betamelijke verre overschreed. Geen vader kon thans over de eer zijner dochter waken, door haar toe te vertrouwen aan de veilige hoede van het klooster, want "wat buiten het klooster als zonde werd beschouwd," schrijft zij, "werd binnen de muren met verschooning behandeld."
Teleurgesteld door de bezwaren, welke zij hier ontmoette, en die haar beletten, een strengeren levensregel te volgen, verliet Theresa het gesticht, en vormde, geholpen door eenige harer familieleden, de kleine vereeniging der ongeschoeide Karmelieten, onder de bescherming van den heiligen Jozef, met het voornemen, den vroegeren eenvoud der orde weder te herstellen. Deze stap wekte heftige verontwaardiging bij de overige Karmelieter zusters, die hierdoor op haar eigen gedrag een blaam zagen geworpen, welke haar onverdiend scheen, daar het gebruik hare overtredingen reeds in zekere mate had gewettigd. Nog veel heftiger werd haar verzet, toen, na een bezoek van den voorganger der Orde aan het klooster van St. Jozef, aan zuster Theresa werd verzocht, het bestuur van die inrichting aan een der andere nonnen over te laten, om zelf als priores aan het hoofd te staan van het klooster der Incarnatie. Eenparig besloten de zusters de indringster niet binnen hare muren te dulden, en zij gingen zelfs zoover, de verdediging der kloosterpoort op te dragen aan eenige bevriende edellieden, die er vrijelijk toegang hadden. Na lange overleggingen besloten deze trouwe wachters, een weinig in het nauw gebracht door de priestelijke bedreigingen, den overste der orde door een zijdeur binnen te laten, om hem zoodoende gelegenheid te verschaffen, openlijk in de kapel de acte te kunnen voorlezen, waarbij Theresa als abdis werd aangesteld. Doch thans ontstond een geweldig rumoer, en terwijl twaalf van de zusters, kruisen en banieren dragend, zich een weg zochten te banen naar het koor, waar de nieuw benoemde abdis zou moeten plaats nemen, overstemde het driftig geschreeuw van tweehonderd woedende vrouwen de woorden van den overste, die te vergeefs stilte gebood. Theresa lag intusschen biddend voor het altaar geknield. Haar kalm en waardig gedrag en haar verzoenende houding verzachtten de stemming van enkele der zusters, die zich door haar zachten invloed gunstiger lieten stemmen.
De volgende dagen echter kenmerkten zich door een lijdelijk verzet, een ijzige koelheid en stijfhoofdigheid van den kant der zusters, waarop alle pogingen tot verzoening moesten afstuiten. Toen Theresa voor het eerst den zetel der abdis in het koor zou innemen, plaatste zij daarin een beeld van de heilige Maagd, met de sleutels van het klooster in de hand, en zette zich neer aan de voeten der moeder Gods. Door dit bewijs van nederigheid getroffen en ontwapend, luisterden de nonnen thans met meer gewilligheid naar de aandoenlijke en ernstige toespraak harer nieuwe superieure, die haar herinnerde aan de jaren, waarin zij als een zuster onder haar had verkeerd, en gaarne beloofde, niet streng te zullen optreden, en nooit te zullen vergeten, dat zij hier aan het hoofd geplaatst was van een vereeniging, die bijzondere voorrechten genoot. Werkelijk wist zij door toegevendheid en geduld haar positie niet alleen te handhaven; doch gaandeweg vele verbeteringen aan te brengen en misbruiken uit den weg te ruimen. Zoo werden o. a. guitaar en clavecimbel verbannen; het dansen en komedie spelen afgeschaft; en de al te behaagzieke kleederdracht, de sierlijke kappen en kragen, verwisseld voor een eenvoudiger en stemmiger gewaad, met welke verandering zij wijselijk bij de oudste en het minst aan pronk gehechte zusters een aanvang maakte. De vriendschappelijk gezinde edellieden waren met deze wijzigingen minder ingenomen; doch tegen hen trad Theresa vrijwat strenger op. Zij dreigde zelfs, den koning, ja, zoo noodig, den Paus te hulp te roepen, als zij zich niet goedschiks wilden terugtrekken. Van toen af had het publiek in het klooster der Incarnatie geen vrijen toegang meer.
Zoo had Theresa haar eerste groote moeilijkheid overwonnen. Maar door hoeveel zwaren strijd zou deze niet worden gevolgd; hoeveel grooter en gevaarlijker struikelblokken zouden, gedurende de dertig jaren van haar apostelschap, Theresa den moeilijken langen weg niet versperren, waarop zij thans de eerste schreden had gezet. Het was een bezwaarlijke tocht, dien zij ondernam door de woeste bergstreken van Spanje, afwisselend blootgesteld aan uitersten van koude en hitte, zonder andere reisgezellen dan hoop, geloof en armoede, en met het eenig doel, hervorming en verbetering te brengen in onwaardige toestanden, ijdele vreugde te doen plaats maken voor gebed, zinledig gebabbel voor plechtig stilzwijgen, en wereldsche vermaken voor stichtelijke overpeinzing.
"Ons voertuig is ons kerk en klooster beide," zeide de H. Gregorius tot zijn makkers, die psalmzingend met hem de arabische woestijn doortrokken. Datzelfde had Theresa op haar omzwervingen tot haar gezellinnen kunnen zeggen. Zij droeg wijwater mede, om den weg te besprenkelen, een beeld van het Jezuskind, om den uittocht naar Egypte in herinnering te brengen, een bel om te luiden voor de godsdienstoefening, en een zandlooper, om nauwkeurig de uren te bepalen, waarin strikt stilzwijgen was voorgeschreven. Welk een bezielend voorbeeld gaf die kleine gemeente, die zonder geld, zonder levensmiddelen, bijna zonder voldoende kleeding langs bergen en door dalen haars weegs ging, vertrouwend op hulp van boven, en in de vaste overtuiging, haar liefdewerk tot een goed eind te zullen voeren. Moeilijkheden en bezwaren wakkerden steeds Theresa's ijver aan, in plaats van dien te doen verflauwen. Van dezen eigenaardigen karaktertrek getuigen voortdurend haar persoonlijke uitingen, zooals die in haar brieven zijn bewaard gebleven, een letterkundige nalatenschap van groote waarde, en de heerlijkste openbaring van mystieke vroomheid. Haar geheele ziel ligt in die bladzijden voor ons open.
Men heeft zich met recht verwonderd over het feit, dat Theresa, die in geestvervoering, visioenen, gebed en prediking niet alleen, maar ook onder arbeid van allerlei aard haar dagen en nachten placht te slijten, terwijl zij door velerlei beslommeringen werd gekweld, toch zulk een heldere, eenvoudige, treffende wijze van uitdrukking voor haar gedachten wist te vinden, zoodat haar volmaakte stijl ons thans nog met bewondering vervult. Haar vroegste opvoeding had haar zeer zeker niet in staat kunnen stellen, haar gedachten in dien onberispelijken vorm te kleeden. De ridderromans, die haar moeder gaarne las, en de godsdienstige werken, die haar oom haar te leen gaf, werkten misschien in haar jeugd op haar vurige verbeelding. Doch als zij haar diepere gemoedsbewegingen wilde schilderen, behoefde zij slechts in te keeren tot haar eigen hart, en daar ons rond te leiden te midden der verborgen schatten van dat heiligdom, met een oprechtheid, een overgave, een natuurlijke waardigheid, die als van zelf alle onnatuur of overdrijving buitensloot.
Het proza harer brieven is doorzichtig helder, en weerspiegelt als het ware alle wisselingen des hemels in zijn liefdevollen en verheven drang naar het goddelijke.
Tevens verraadt zich overal de vrouw van edele afkomst en beschaafde vormen, in haar natuurlijke terughouding, haar gelukkige woordenkeus en gekuischtheid van uitdrukking, terwijl ondanks het waas van heiligheid, dat haar omstraalt, haar simpel vrouw-zijn eene bekoring te meer uitmaakt van haar innemende persoonlijkheid. Zelve geheel vrouw, wenscht zij, dat haar geestelijke dochters sterker zullen zijn dan zij zelve, daar zij zegt: "Gij moet u in acht nemen voor die liefkoozende uitdrukkingen, die in de wereld zoo dikwijls worden gebezigd, als 'mijn leven, mijn ziel, mijn hoogste goed,' want hoe zoudt gij dan God moeten toespreken? Ik weet wel, dat vrouwen gewoon zijn, zoo te spreken; maar ik kan niet wel verdragen, dat gij als vrouwen wordt beschouwd. Ik wenschte u sterk te zien als mannen.... als sterke mannen...."
Misschien heeft geen der mystieke schrijvers zulk een belangrijk werk nagelaten als de H. Theresa, of zich, als zij, mogen verheugen in trouwe leerlingen en navolgers, die zich met de uitgaaf harer gedenkschriften hebben belast.
Haar biechtvaders trachtten wel enkele gedeelten te wijzigen, die tot misvatting aanleiding zouden kunnen geven, doch gelukkig werden hun de geschriften ontnomen en toevertrouwd aan den geleerden Augustijner monnik, Fra Luis de Leon. Zelf geleerde, dichter en bijbelverklaarder, in zijn vertaling van het Hooglied; mysticus en wijsgeer, door zijn werk "de namen van Christus"; fijn menschenkenner, getuige zijn leerdicht "de volmaakte Echtgenoote," begreep de begaafde man, dat de taal, waarin de H. Theresa zich uitdrukte, eer een hemelsche dan een aardsche taal genoemd mocht worden, en dat in haar werk niets mocht worden weggelaten, tenzij zij zelve dit had geschrapt.
"Op vele plaatsen," zegt hij, "komt het mij voor, dat zij het niet is, die tot mij spreekt; maar de H. Geest, die zich door haar openbaart."
Nadat hij haar werken in het licht had gegeven, wilde Fra Luis, bezield door zijn heerlijk onderwerp, het leven beschrijven der heilige, die hij vereerde, en wier zieleleven hij had verstaan. Doch de dood nam hem weg, eer hij die schoone taak had kunnen volvoeren.
Bij het verlaten van het klooster zagen wij nog in een gebouw, dat buiten de eigenlijke kloostermuren lag, een beeld van de H. Theresa, gehuld in een fluweelen, rijk met goud geborduurden mantel, en met den doctorshoed boven op den conventioneelen sluier, die haar hoofd bedekt. Het gelaat was hier vol, jeugdig en frisch, zeer verschillend van het portret, dat in het Ayuntamiento-paleis wordt bewaard, en dat in 1581 naar het leven werd geschilderd, toen Theresa reeds zeventig jaar was, en ondermijnd werd door de kwaal, die haar een jaar later ten grave sleepte. De oogen zijn vol uitdrukking; maar het gelaat vertoont geen sprekende trekken, noch een krachtig karakter; het doet eenigszins aan de oudere portretten van George Sand denken.
De heilige vrouw was niet zeer ingenomen met haar conterfeitsel, en moet, toen het af was, tot den meer goedwilligen dan bekwamen schilder hebben gezegd: "De Heer vergeve u, broeder Juan; want Hij alleen weet, hoe gij mij met die zittingen hebt geplaagd, en ten slotte hebt gij mij ook nog leelijk en met bolle oogen uitgeschilderd."
Haar beminnelijke oprechtheid vond eens uiting in de volgende woorden: "Toen ik jong was, noemde men mij schoon, en ik geloofde dat gaarne. Later zeide men mij, dat ik verstandig was, en dat geloofde ik eveneens; doch de tijd kwam, dat ik berouw had over die ijdele inbeeldingen. Nu verklaart men mij voor een heilige; maar thans verbeeld ik mij niet meer, dat het waarheid is."
Gelukkig de geschiedschrijver en philosoof, die rustig zijn tenten zou kunnen opslaan in de buurt van dat klooster en er in alle kalmte de werken zou kunnen bestudeeren van de onvergelijkelijke voorgangster der Karmelieten. Hij zou niet alleen baat vinden voor zijn ziel, maar tevens, beter dan uit tal van kronieken, den geest leeren kennen, die het zestiende-eeuwsche Spanje bezielde, en waarvan Theresa een der nobelste draagsters is geweest. Zij was in waarheid de belichaming der christelijke gedachte. Macaulay heeft gezegd, dat het protestantisme sedert de zestiende eeuw geen duimbreed gronds had gewonnen. Als de H. Ignatius de held der verdediging van het Katholicisme mag genoemd worden, dan is de H. Theresa voorzeker er het hart van geweest.