Castilië en Andalusië De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 3

Chapter 33,714 wordsPublic domain

Links van het klooster van St. Paulus, waarvan de hooge voorgevel, met het fraaie beeldhouwwerk, dat echter veel door de vorst heeft geleden, statig oprijst, verheft zich een paleis met zware muren, waarin een zeer schoon en karaktervol hoekvenster de aandacht van den beschouwer tot zich trekt. Hier aanschouwde de eenige wettige zoon van Karel V het levenslicht. Het gebouw, dat van buiten ongeschonden is gebleven, is van binnen geheel verbouwd en voor administratieve doeleinden ingericht. Het klooster van St. Paulus, dat thans aan de buitenzijde van de stad is gelegen, schijnt er vroeger het middenpunt van te hebben uitgemaakt; want in een ander paleis, tegenover het klooster, werd Anna van Oostenrijk geboren, die Koningin van Frankrijk, en de moeder van Koning Lodewijk XIV werd. Ook werd hier een gezantschap gehuisvest van den Shah van Perzië, toen deze vorst Philips II voorstelde, een verbond tegen de Turken aan te gaan. De perzische boodschappers geraakten zoozeer onder den indruk der verblindende pracht van den Katholieken eeredienst, dat drie van hen hun geloof verzaakten, en overgingen tot het Christendom. In dit paleis vertoefde ook Philips IV, na zijn terugkeer van die reis naar Frankrijk, waarbij hij zijn dochter Maria Theresia tot aan de grenzen had begeleid, waar haar jeugdige koninklijke verloofde haar wachtte. Het schijnt, dat hij zich hier moest herstellen van den schok, dien het weerzien van zijn zuster Anna, die hij niet had ontmoet sedert haar huwelijk met Lodewijk XIII, hem had veroorzaakt. Zij was namelijk zoo onvoorzichtig geweest, hem te willen omhelzen, iets dat geheel in strijd was met de spaansche étiquette, en hem met recht mocht doen vreezen voor de toekomst van zijn geliefde dochter, die thans ook in die lichtzinnige omgeving zou moeten verkeeren.

Doch andere herinneringen dan die aan vorstelijke grootheid en luisterrijke feestelijkheden dringen zich thans weder aan ons op. In een der straten, die naar het centrum van de stad voeren, staat nog het huis, waar Christoffel Columbus den laatsten adem uitblies. Op zijn verlangen werd hij begraven in het ordegewaad van den H. Franciscus, en in zijn doodkist legde men, op zijn uitdrukkelijken wensch, de ketenen, waarin hij, op bevel van Bobadilla, smadelijk was geklonken geweest. Al zijn bitterheid over die onrechtvaardige veroordeeling lag in dien laatsten eisch uitgedrukt. De katholieke vorsten hadden echter met nadruk geprotesteerd tegen die barbaarsche behandeling van hun gunsteling. "Wees verzekerd," schreven zij aan hun admiraal, op 14 Maart 1502, "dat uwe gevangenschap ons zeer leed doet. Gij zult dit duidelijk bemerken; want zoodra het bericht ervan tot ons kwam, gaven wij bevel, haar te doen eindigen. Gij weet, hoe hoog gij bij ons staat aangeschreven, en thans willen wij u goed behandelen en nog meer eer bewijzen dan te voren."

Ondanks dit openlijk bewijs der vorstelijke gunst, bleef het noodlot den admiraal vervolgen. Hij stierf in ongenade en in de treurigste omstandigheden; en schonk zelfs niet zijn naam aan het werelddeel, dat hij had ontdekt.

Nog een ander huis is in deze stad te vinden, waar in armoede en ontbering een der grootste genieën van zijn tijd heeft geleefd. Vroeger stond het buiten de stad; thans is het door moderne huizen ingesloten. Het is het huis, door Cervantes bewoond, in 1603. Een nauwe, steile trap voert naar twee kleine, lage kamers, met zware zolderbalken. De eene, die zeer donker is, diende blijkbaar als keuken, en als slaapplaats tevens, want in de andere kamer was geen plaats genoeg voor het zeer talrijke gezin, waarvan de vrouwelijke leden met borduren of verstelwerk den kost zochten te verdienen, terwijl Cervantes voor eenige groote heeren hun boeken bijhield, copiëerwerk verrichtte, en brieven schreef voor lieden, die deze kunst niet verstonden. Des avonds echter, wanneer zijn dagtaak was geëindigd, vergat hij zijn zorgen en ontberingen en schreef verder aan het werk, dat hij reeds begonnen was in den tijd zijner gevangenschap. Onder zulke omstandigheden ontstond Don Quixote, dat nog na driehonderd jaren door de gansche beschaafde wereld om strijd wordt geroemd en genoten.

Spanje heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan een vijandige bejegening van diegenen harer zonen, welke zij veeleer de hoogste eer had mogen waardig keuren. Tevergeefs zocht ik hier naar den kerker, waarin de beroemde mystieke dichter, tevens Professor aan de Universiteit van Salamanca, Fray Luis de Léon, gedurende de vijf jaren van zijn gevangenschap niet slechts een vertaling van het boek Job en de Psalmen schreef, doch ook het schoone dichtwerk "de volmaakte Echtgenoote," 't welk hij opdroeg aan zijn verwante, Dona Valeria de Osorio, een boek vol wijze en beminnelijke raadgevingen, die de hedendaagsche vrouwen nog steeds wel zouden doen, te behartigen.

Reeds lang heeft men in de oude hoofdstad van Castilië toegegeven aan eene neiging, om het oude af te breken, en in de plaats daarvan het nieuwe te doen verrijzen, dat niet altijd hetgeen voorafging, in schoonheid overtreft. De gothische kathedraal is verdwenen, en heeft plaats gemaakt voor een half grieksch, half romeinsch bouwwerk, dat schijnt te willen wedijveren met de St. Pieterskerk te Rome. Het is het werk van Herrera en herinnert aan de Kathedraal van Granada, doch is nuchterder en killer dan deze. Dáár toch werd het kerkgebouw onder het oppertoezicht der katholieke vorsten begonnen, en voltooid in de dagen, toen gevoelens van rechtmatigen trots en vurige vroomheid allen bezielden, die naar hun beste vermogen medewerkten, om het geheel te volmaken door heerlijk beeldhouw- en schilderwerk. Te Valladolid echter, waar reeds eeuwen het vuur der godsdienstige geestdrift, door de godsdienstoorlogen gewekt, was uitgebluscht, toen met den bouw dezer kerk werd begonnen, is het gebouw, ondanks zijn grootschen opzet, kil en ledig gebleven. De geloovige inwoners bezoeken dan ook bij voorkeur andere kerkgebouwen, welke meer werken op hun fantasie, zooals dat van Santa Maria la Antigua, San Martin, la Cruz, en Nuestra Senora de las Angustias, welke allen versierd zijn met dat heerlijk schilder- en beeldhouwwerk, 't welk wij danken aan den beitel en het penseel van Juan de Juni, Hernandez, Berruguete en Cristobal de Velasquez, dien kring van beroemde kunstenaars uit het Noorden, die der school van Sevilla den weg hebben gebaand.

De Virgen de los Cuchillos of de los Dolores is een der schoonste van deze kunstwerken, en in een omgeving geplaatst, die haar tragische grootheid te meer doet uitkomen. In een kapel, die bijna even groot is als de kerk, waarvan zij deel uitmaakt, op een verhevenheid, eenige meters boven den beganen grond, onder een marmeren en bronzen troonhemel, die verlicht wordt door onder den koepel verborgen electrische lampen, ligt de moeder der smarten neergezonken aan den voet van het kruis. Met achterovergeworpen hoofd richt zij in wanhoop de betraande oogen naar den hemel, terwijl zij de hand krampachtig op haar hart drukt, als verscheurd door smart. Geen ivoor kon fraaier en zorgvuldiger zijn bewerkt, noch beter eene beschildering hebben verdragen, even warm en doorwerkt, als het koloriet der schoonste schilderij. In tegenstelling met het gelaat en de handen, is de kleeding niet zoo uitvoerig behandeld; het roodbruin en zwartblauw van het gewaad is in groote en eenvoudige massa's gehouden, en enkel door wat goud verlevendigd, dat men op eenigen afstand reeds niet meer onderscheidt. Doch waarom zijn de geloovigen in hun ijver zoo ver gegaan, in die hand, den beitel van een Michel Angelo waardig, zeven blinkende zwaarden te plaatsen? Het heet, dat zij beter de bedoeling van het kunstwerk doen begrijpen, en de beteekenis er van verzinnelijken. Voor de groote menigte der geloovigen zou de uitdrukking van het gelaat op zich zelf niet voldoende zijn; een stoffelijk symbool was noodig om hen het martelend lijden der heilige moeder Gods te doen nagevoelen; dus moeten zwaarden haar hart doorboren. Men kan zich moeilijk iets afstootenders en meer belachelijk realistisch voorstellen dan deze lompe verzameling wapentuig, waaraan als waardig pendant een zilveren aureool, met zware, wijd uitstaande stralen is toegevoegd. De Virgen de los Cuchillos behoort aan een machtige broederschap. En al zou het zeer wel mogelijk zijn, dat zich onder de leden daarvan lieden van smaak en ontwikkelden kunstzin bevonden, geen van hen zou durven voorstellen, deze zwaarden te verwijderen, die met groote, lompe spijkers in de plooien van het kleed zijn geslagen. Zulk een daad zou als heiligschennis worden beschouwd door een volk, waarvan de vroomheid, ofschoon in wezen verflauwd, toch hardnekkig aan uiterlijke vormen gehecht blijft. Als men echter in gedachten die storende bijkomstigheden verwijdert, heeft de lijdende moedermaagd van Juan de Juni de macht, ons door de uitdrukking alleen van haar door hopelooze smart verwrongen gelaat, oprecht te ontroeren. Een ander schoon kunstwerk in dezelfde kapel is een bas-relief, de Blijde Boodschap voorstellend, dat langen tijd aan Pompeyo Leoni werd toegeschreven, doch het werk is van een kunstenaar uit Valladolid, Christobal Velasquez.

De verschillende kerken betwisten elkaar hier bijna de eer, de heerlijkste kunstwerken te bezitten. Velen beweren, dat de Maagd der Smarten van Hernandez, die in de kerk van la Cruz wordt bewaard, die van Juan de Juni nog in schoonheid overtreft. Misschien zou ook ik deze meening zijn toegedaan, als ik het andere beeld had aanschouwd in een passende omgeving; doch daar het uitkwam tegen een achtergrond van spiegels met vergulde lijsten, en rondom de tragische hoofdfiguur engeltjes zweefden, die als echte Cupido's beter bij een triomftocht van Venus zouden hebben gepast, kreeg ik den indruk, alsof de maagd van Hernandez hier een vreemde verschijning was, uit een naburig klooster hierheen overgebracht, en meer uit eerbied, dan uit kunstzin voor dit altaar geplaatst, waar zij niet behoorde. Toch is zij zeer schoon, en jeugdiger opgevat, dan de maagd van Juan de Juni, wier trekken door het lijden verouderd zijn.

Deze beide beelden nemen geregeld deel aan de pasos, of optochten, die in de Paaschweek plechtig rondgaan, en in hooge mate de belangstelling en geestdrift der menigte gaande maken. In de Kerk van la Cruz wordt zulk een beeldengroep vertoond, die gereed is om aan den optocht deel te nemen; het geheel rust op een voetstuk, dat door vier zware wielen wordt voortbewogen. Als de poort der kapel wordt geopend, kan het zonder bezwaar naar buiten worden gereden. De groep stelt voor de afneming van Christus van het Kruis, met de weenende vrouwen aan den voet. Elk détail is zoo realistisch mogelijk weergegeven, tot een nog al leelijke ladder toe, en de geloovigen hebben niet kunnen nalaten, hun goeden wil te toonen, door de heilige maagd een prachtigen kanten zakdoek te vereeren, om haar tranen af te wisschen. Het lijkkleed, waarin Christus zal worden gewikkeld, is van fijn, geborduurd linnen, en de heilige vrouwen dragen keurig gesteven en gepijpte kanten kragen, die de strijkster veel werk moeten hebben gekost. Toen ik den pastoor, een zeer verstandig man, opmerkzaam maakte op de overbodigheid dezer versiersels, zeide hij: "Die nauwe vereeniging van zulk een ideale voorstelling met de dingen van het dagelijksch leven, doet het volk beter de beteekenis van het voorgestelde begrijpen. Als men dit naliet, zou de groote massa deze dingen minder goed verstaan; alleen de meer ontwikkelden zouden onder den indruk geraken."

Nog meer kunstschatten zijn in de overige kerken der stad te vinden; maar op de rijkste verzameling mag zich de school van Santa Cruz beroemen, die als museum is ingericht voor de vele kunstwerken, die uit naburige kloosters hier zijn aangebracht, vooral uit San Benito el Real.

Zoo zien wij daar een prachtigen Christus in het graf van Juan de Juni; de doop van Christus door Hernandez; de St. Sebastiaan van Berruguete; een borstbeeld van de heilige Elizabeth, dat door de forsche behandeling aan Michel Angelo herinnert; St. Theresa, schrijvend wat de H. Geest haar voorzegt, een werk, dat, hoewel eenigszins theatraal opgevat, van groote technische vaardigheid getuigt, en voorts de prachtvolle kop van Paulus door Juan Alonso de Villabrille, uit het jaar 1707. In plaats van zelf verder over deze meesterstukken uit te weiden, verwijs ik liever den lezer naar het werk van mijn echtgenoot over de beschilderde beelden van Spanje, waarin hij ieder afzonderlijk uitvoerig heeft behandeld. Bij het prachtige museum der school van Santa Cruz, behoort ook een kerkgebouw, waar, behalve groote, historische doeken, die ten onrechte aan Rubens worden toegeschreven, zich twee heerlijke bronzen beelden bevinden, die den graaf en de gravin de Lerma voorstellen, en vervaardigd zijn door Pompeijo Leoni. Zij zijn, hoewel misschien niet zoo grootsch ontworpen, nog uitvoeriger behandeld, dan de groepen, die Karel V en Philips II met hun verwanten voorstellen, in de kerk van het Escuriaal. Evenals de koorstoelen, zijn zij afkomstig uit het klooster van San Benito, waar zich het grafgewelf der grafelijke familie bevond. Het gewaad van de gravin is zoo getrouw nagebootst en zóó minutieus behandeld, dat men elken naad en zoom der verschillende kleedingstukken, elken steek van het borduurwerk volgen kan. Toch schaadt deze uitvoerigheid niet aan den indruk van het geheel en sluit volstrekt geen dorheid van behandeling in.

Een fraaie trap leidt naar de bovenverdieping van het gebouw, waarvan de zalen eveneens tot bewaarplaats dienen van allerlei kunstvoorwerpen; 't zij deze van groote waarde zijn of slechts als herinneringen door de Spanjaarden in eere worden gehouden. Een bonte mengeling van tapijten, inlegwerk in hout en ivoor, beeldjes van klei en beschilderd porselein, naast bijv. een half vergaan ledikant van verguld hout, waarin Napoleon eens heeft geslapen; en kunstig gesneden renaissance koorstoelen naast de grafkransen van een onlangs overleden verdienstelijk burger van Valladolid.

Geheel boven in het gebouw bevindt zich een gothische deur, even merkwaardig door de rijke versiering, als omdat zij zoo volkomen ongeschonden is bewaard gebleven.

De smalle deuropening geeft toegang tot een prachtige zaal, die als bibliotheek is ingericht. Vijftienduizend boekdeelen staan hier langs de wanden geschaard, grootendeels afkomstig uit naburige kloosters. In die stapels manuscripten, in hun perkamenten omhulling, zal wel veel merkwaardigs zijn te vinden. Vooreerst wordt dit heiligdom nog voor de meeste reizigers gesloten gehouden; een wijze maatregel; want dergelijke schatten mogen niet aan de onbescheiden blikken van nieuwsgierige lieden worden blootgesteld. Een belangrijke verzameling teekeningen staat echter ten dienste van kunstenaars, die in dergelijke zaken belang stellen; o. a. een reeks afbeeldingen van de kleederdracht der verschillende kloosterorden van de geheele wereld. Onder de schilderijen van zeer verschillende waarde, die hier in het museum worden tentoongesteld, is er een, die in 't bijzonder de aandacht trekt, het portret van den stichter dezer school, den beroemden kardinaal Mendoza, die de vriend, raadsman en getrouwe dienaar was van Ferdinand en Isabella, en in zoo hooge mate hun gunst genoot, dat zij er zelfs geen aanstoot aan namen, hem den bijnaam van "den derden Koning" te hooren geven. Het is een echte spaansche kop, met groote donkere oogen, volle lippen, die niets ascetisch hebben, en de gladgeschoren wangen blauwachtig getint. De Mendoza was dapper in den oorlog, en een wijs raadsman. Hij bezat de deugden en gebreken, die behoorden bij zijn tijd. Zijn lichaamskracht, zijn strijdlust en zijn losbandigheid waren even bekend als eenige jaren later de strengheid van zeden en de ascetische leefwijze van Ximenes. De laatste liet zijn harde houten legerstede plaatsen naast het sierlijke praalbed in de met koninklijke pracht ingerichte vertrekken van zijn voorganger.

Wel moet Valladolid de geliefkoosde verblijfplaats van Koningin Isabella zijn geweest, want bij elken stap dringen zich herinneringen aan haar op. Al bleef zij het voorbeeld volgen harer vorstelijke voorgangers, die gewend waren, nu eens in het Noorden, dan in het Zuiden van hun rijk hun tenten op te slaan; al hield de kamp om Granada haar langen tijd terug in Andalusië; al moest zij, schoon met tegenzin, somtijds in Catalonië vertoeven, Valladolid, waar haar huwelijk was voltrokken, dat haar had bijgestaan in den strijd om haar gezag te bevestigen, Valladolid, dat omringd was door burchten en sterke vestingen, zooals Medina del Campo, Rioseco en Simancas, was haar een machtige en getrouwe steun; en binnen de muren dezer stad wist zij, dat noch haar, noch het castiliaansche koningschap eenig gevaar zou dreigen. Onder de naburige vestingen is het kasteel van Simancas het best bewaard gebleven. Ondanks enkele veranderingen, die het heeft ondergaan, maakt het nog een strengen en dreigenden indruk, met zijn zwaren ringmuur van grijzen steen, zijn somberen kerkertoren, en zijn kale, verlaten omgeving. Men zou geneigd zijn het voor een gevangenis te houden, inplaats van wat het werkelijk is: de bewaarplaats der archieven van het koninkrijk.

Pulgar, de kroniekschrijver, die het leven der katholieke vorsten beschreef, deelt naar aanleiding van deze vesting, een voorval mede, dat de kloekheid en geestkracht der koningin in het licht stelt, zoowel als het ontzag, dat zij wist in te boezemen.

Toen Ferdinand zich eens in Aragon bevond, en Isabella alleen in Valladolid was achtergebleven, ontstond een twist tusschen twee hovelingen, den jongen Don Fabrique, zoon van graaf Amirante, een oom des Konings, en Ramiro Nunez de Guzman, Heer van Torral. Daar de koningin het gerucht van hun geschil was ter oore gekomen, en zij vreesde dat deze oneenigheid noodlottige gevolgen na zich zou slepen, beval zij haar majordomo, Garcilaso de la Vega, den jongen Ramiro in zijn huis te doen bewaken, terwijl zij Don Fabrique liet bevelen, zich als gevangene te beschouwen in het slot van zijn vader, en dit niet zonder haar verlof te verlaten. Voorts gebood zij den twee tegenstanders, erin te berusten, dat zij zelve den strijd tusschen hen beslechten zou.

Daar hij de bedoelingen der koningin wel vermoedde, had Don Fabrique reeds in 't geheim de stad verlaten, wijl hij voornemens was, zich met eigen hand te wreken op zijn vijand. Toen de koningin dit vernam, schonk zij Ramiro Nunez de Guzman zijn vrijheid, en verzekerde, dat hem geen leed zou geschieden. Doch toen de jonge man, vertrouwend op de belofte der vorstin, des anderen daags zich op de Plaza Mayor vertoonde, werd hij door drie gemaskerde personen aangevallen en zoo geslagen, dat hij bewusteloos bleef liggen. Op het hooren van dit bericht was de koningin buiten zich zelve van toorn. Zij liet haar paard zadelen en reed in storm en regen, zonder gevolg, naar het kasteel Simancas, het eigendom van den vader van Don Fabrique. Toen de poort haar geopend was, eischte zij op gebiedenden toon de uitlevering van den schuldige, die haar bevelen niet was nagekomen. Toen Don Amirante beweerde, niet te weten waar zijn zoon zich bevond, zeide zij: "Daar gij weigert, mij te gehoorzamen, eisch ik, dat gij mij deze vesting, zoowel als Rioseco, overgeeft. Gij zijt niet waardig, hier het bevel te voeren."

Zonder tegenspraak liet de graaf zich zijn eigendom ontnemen; doch Isabella's toorn was nog niet geweken. Zij liet het kasteel door haar eigen manschappen bezetten, onder den kapitein Alonso de Fonseca, en rustte niet, eer men het tot in zijn geheimste schuilhoeken had doorzocht. Don Fabrique werd echter niet gevonden. Toen de koningin, welvoldaan over de wijze waarop zij zich van twee sterke vestingen had meester gemaakt, naar Valladolid was teruggekeerd, werd zij ziek door de uitgestane vermoeienis, en antwoordde op de deelnemende vragen naar haar gezondheid, dat zij nog steeds leed door de stokslagen, die Don Ramiro hadden getroffen, ondanks de door haar beloofde bescherming.

Don Fabrique's vader niet alleen, doch zijn geheele familie moest van nu af de ongenade der vorsten ondervinden, zoodat men eindelijk in een familieraad besloot, den jongen man op genade en ongenade aan de koningin over te leveren. Hoewel zijne verwanten nadruk legden op het feit, dat hij nog geen twintig jaar was, en door zijn jeugd nog niet genoegzaam was doordrongen van den eerbied en de volstrekte gehoorzaamheid, die hij zijn souvereine vorstin was verschuldigd, baatte dit alles niet, om den toorn der koningin te verzachten. Hoewel hij smeekte, aan hare voeten schuld te mogen belijden, wilde zij hem zelfs niet ontvangen, doch liet hem geboeid naar de Plaza Mayor voeren, het tooneel van zijn misdrijf, en vervolgens gevangen zetten, in den kerker van Arevalo. Mogelijk had hij nimmer zijn vrijheid herwonnen, als hij niet op voorspraak zijner verwanten had verkregen, dat zijn vonnis in levenslange verbanning werd veranderd.

Toen ik het kasteel verliet, waar ik met eigen oogen het handschrift der groote vorstin had aanschouwd, hoorde ik in de verte muziek. Op het naburige dorpsplein waren jonge meisjes aan het dansen, en een blinde man begeleidde haar vroolijk gehuppel op zijn guitaar, terwijl hij nu en dan zonderlinge klagende keelgeluiden uitstiet. De herfstwind deed de gele, ritselende bladeren mededwarrelen in dien rondedans; en toch was er in dat najaarslandschap niets treurigs; want de hemel, niet langer zoo onverbiddelijk strak-blauw als in den zomertijd, welfde zich over bosch en veld in harmonische tinten van zacht-grijs en teer rose, waartusschen zich die wonderbare schakeeringen van groen vertoonden, welke Velasquez met voorliefde te schilderen placht. De opwekkende, frissche geur van wilde thijm en rozemarijn vervulde de lucht, de gezichteinder ging schuil in een gulden waas, en boven ons hoofd kleurden zich de avondwolken steeds vuriger rood, met een gloed als van gesmolten metaal. Doch weldra verflauwde het fluweelig purper van den avondhemel; de schemering viel, geheimzinnig en vervuld van vage, verwijderde geruchten; vogels en insecten gingen ter rust en de bloemen sloten haar kelken bij het naderen van den schoonen en kalmen nacht.

Terwijl ik mijn tocht door Castilië voortzette, waarbij zich overal herinneringen opdrongen aan Spanje's groote koningin Isabella, bezocht ik ook het kasteel van la Mota, niet ver van Medina del Campo gelegen, eene vroeger zeer welvarende stad, waar de groote jaarmarkten al de bewoners van het Noorden van Spanje tot zich trokken, doch die bij den opstand der communeros verbrand, en thans geheel van hare vroegere glorie beroofd is. Van het kasteel zijn niet anders overgebleven dan de hooge torens van rooden steen en de bouwvallen van een zwaren ringmuur. De velden in den omtrek zijn onbebouwd en verlaten; de eenige levende wezens, die zich vertoonen, zijn dichte zwermen kraaien, die rondom de torentinnen vliegen, en de stilte verbreken met hun gekras. Die sombere omgeving is wel in overeenstemming met den toestand daar binnen, waar alles in een staat van treurig verval verkeert, en het slotplein ligt bedolven onder het puin der neergestorte muren. Binnen die muren heeft de groote Isabella den laatsten adem uitgeblazen; doch niemand wist mij te zeggen, in welk vertrek zij gestorven was, en nergens zag ik eenig inschrift, dat mij licht had kunnen geven.

Gedurende de laatste jaren harer regeering, de eerste dus der zestiende eeuw, had Isabella de vruchten geplukt van haar onvermoeiden arbeid en haar krachtig beheer.