Castilië en Andalusië De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 2

Chapter 23,665 wordsPublic domain

In dit heiligdom wordt een kostbare reliquie bewaard, door Paus Sixtus VI aan Don Juan Velasco geschonken; een doorn uit de doornenkroon van den Heiland, die in den achterwand van het altaar is aangebracht, in een omlijsting; waarvan de rijkdom in overeenstemming is met de waarde van het kleinood, dat zij omsluit. Het altaarstuk stelt Simeon en Anna in den tempel voor, en het geheele altaar is een pronkstuk van renaissance-stijl, dat de aandacht verdient van iederen kunstenaar, die een volmaakt voorbeeld van polychrome versiering wenscht te bestudeeren. Vóór het altaar rusten de stichters der kapel onder een prachtige roodgranieten zerk, waarop in carrarisch marmer hun beeltenissen zijn aangebracht, in liggende houding. Hij in volle wapenrusting, de grafelijke kroon op het hoofd, en de voeten rustend op een leeuwenpaar, zij een trotsche edelvrouw, met den sluier om het hoofd gewonden, en een lievelingshond, slapend in de plooien van haar kleed. Toen deze kapel gesticht werd, waren de katholieke vorsten er nog niet in geslaagd, Granada te veroveren. Don Pedro Hernandez de Velasco was in den strijd, welke aan die beslissende zegepraal voorafging, een der trouwste helpers van den Koning geweest, en had, toen hij ten strijde trok, vertrouwend op het verstand en de voorzichtigheid van zijn echtgenoote, haar het beheer over zijn uitgestrekte goederen opgedragen. Zij vergenoegde zich niet ermede, zijn rijkdommen te doen vermeerderen; maar ging nog verder in hare edelmoedige toewijding, door gedurende de afwezigheid van haar gemaal de kapel der Reiniging te laten bouwen, het paleis van het Koord, en een landhuis, de Casa de la Vega. Men zegt, dat Dona Mencia haar man bij zijn terugkomst tegemoet ging, vergezeld van een gevolg van edelvrouwen en dienaren, en hem knielende begroette met de woorden: "Heer, wees welkom op uw grondgebied; gij zult er een schoon lustverblijf vinden, om te rusten na de jacht; een paleis, waarin gij uwe vorsten moogt ontvangen, en een kapel, waar gij zult begraven worden, als God u roept." Don Pedro prees zijne vrouw om haar doorzicht, en verheugde zich over hare trouw. De Casa de la Vega is mij onbekend; maar ik heb ruimschoots, gelegenheid gehad, het paleis van het Koord in oogenschouw te nemen. Dit fraaie gebouw, dat op het Vrijheidsplein is gelegen, en thans voor militaire doeleinden wordt gebruikt, is zoo genoemd naar het koord van den H. Franciscus, dat als eigenaardig versieringsmotief de ingangsdeur omlijst, waarboven de beide schilden der Mendoza's en der Velasco's de Figueroa zijn aangebracht. In den voorgevel liet Dona Mencia de spreuk beitelen: Un bel morir toda la vida honra. (Een schoone dood strekt een geheel leven tot eer). Het gebouw zelf is van grijzen steen opgetrokken, zwaar en somber, slechts twee verdiepingen hoog, en geflankeerd door de eigenaardige vierkante torens, die karakteristieke kenmerken zijn van de woningen der spaansche edellieden. Prachtige wapenschilden, waarboven heraldische helmfiguren zijn aangebracht, sieren de hoeken dezer torreons. Het schild der Velasco's wordt gedragen door een leeuw; dat der Mendoza's door een griffioen. De muren, waarin eertijds slechts enkele smalle vensteropeningen waren uitgespaard, zijn in de vorige eeuw bedorven door leelijke moderne vensters, met nog leelijker balkons. Gelukkig is het bovenste gedeelte van het gebouw ongeschonden gebleven, en ons oog kan zich verlustigen in de beschouwing der schoone bekronende balustrade, bloemvormen, afgewisseld door St. Andreaskruizen, ter herinnering aan de verovering van de vesting Baeza op de Mooren, door een Velasco, op den feestdag, aan dien heilige gewijd. De bekroning der torens, op welker top zich galerijen bevinden, wordt gevormd door een afwisselende rij heraldische leeuwen en lanspunten; het werk van een arabisch bouwmeester, Mohamed van Segovia. Wie het gebouw binnentreedt, doet wel, zich voor te bereiden op teleurstelling, die het gezicht der leege patio's en geplunderde zalen niet nalaten zal in hem te wekken. Het paleis was een beter lot waardig. Van den beginne vertoefden binnen zijne muren de vorstelijke gasten, die de familie der Velasco's met hunne bezoeken vereerden. De Katholieke koningen ontvingen hier gezantschappen, en vierden er feest ter gelegenheid der huwelijksvoltrekking tusschen hun eenigen zoon, Don Juan, met Margaretha van Oostenrijk, dochter van Keizer Maximiliaan. Hier bracht Christoffel Columbus, teruggekeerd van zijn tweeden tocht, zijn koning hulde, zooals na zijn eerste reis te Barcelona was geschied, en overschreed dezen drempel onder de toejuichingen der menigte, omgeven door Indianen, welke de kostbaarste geschenken uit den vreemde droegen, om onder de hovelingen te worden uitgedeeld. Alleen het goud, dat hij medebracht, was bestemd voor de Koningin, die beval, dat het gebruikt zou worden voor de versiering van het altaar in de Cartuja de Miraflores.

Ook Karel V heeft tweemaal binnen de muren van het paleis van het Koord vertoefd. De eerste maal in 1527, vergezeld van keizerin Isabella, in de dagen toen het geluk hem nog scheen toe te lachen; de tweede maal in 1555, toen hij reeds afstand had gedaan van den troon, en zich teleurgesteld en zwaarmoedig naar het klooster St. Just begaf. Naast deze sombere herinnering spreekt de kroniek van een liefelijke verschijning, die het paleis eenmaal verhelderde door haar bekoorlijkheid. Het was een zekere Dona Juana, die door haar geboorte behoorde tot het koninklijk huis van Aragon. Toen namelijk Ferdinand de Katholieke nog een jongeling was, werd hij door zijn Vader naar Aragon gezonden, om troepen te werven, tot demping van den opstand der Cataloniërs. Op een stormachtigen avond vond hij een schuilplaats in het huis eener weduwe, die een beeldschoone dochter had, welke in de geschiedenis vermaard werd onder den naam van la Minyona de mitja mit, (la mignonne de minuit) ter herinnering aan het uur, waarop zij, als page verkleed, met haar vorstelijken minnaar het huis harer moeder verliet. Uit deze vereeniging werd een dochtertje geboren, waarvoor Ferdinand steeds groote genegenheid koesterde, en dat een uitmuntende opvoeding genoot. Een geheele kring van dichters, geleerden en wijsgeeren wist zij om zich te verzamelen, en aan haar droeg Don Pedro Fernando de Villegas zijn Dante-vertaling op, die te Burgos is gedrukt, in 1515. Zij bleef steeds de getrouwe vriendin van hare ongelukkige halfzuster, de krankzinnige koningin Johanna, de moeder van Karel V, en hare tegenwoordigheid was als een zonnestraal in het schoone, maar sombere paleis van het Koord. Aan de drie gebroeders Colonia, die uit Keulen geboortig waren, en voor de hertogin van Velasco reeds de Kapel der Reiniging, de Casa de la Vega en het paleis van het Koord hadden gebouwd, werd door Koningin Isabella de voltooiing opgedragen van de Cartuja de Miraflores, die eenige mijlen van Burgos was gelegen, en bestemd was, om als rustplaats te dienen van de asch harer ouders, Koning Juan en Koningin Isabella, en van haar broeder Alonso. Zij vervulde daardoor een lang gekoesterden wensch haars vaders. Deze toch had in 1441 het paleis Miraflores geschonken aan de Karthuizer Broederschap, op voorwaarde dat hij binnen de muren van hun kerkgebouw zou worden begraven. Het klooster werd echter in 1442 door brand verwoest, en eerst in 1488 was de herbouw, die steeds vertraagd was geworden, zoover gevorderd, dat de jonge koningin de opdracht van haar vader kon vervullen en na de voltooiing van het kerkgebouw de graftomben harer ouders kon doen oprichten. Ook het altaar en de koorstoelen dateeren uit dat tijdperk. Na een prachtige wandeling langs den oever van den Arlanzon, onder de schaduw van boomen, die hier in het begin der vorige eeuw waren geplant, voerde onze weg omhoog, met het uitzicht over een breede, vruchtbare vallei, die zich aan onze linkerhand uitstrekte, terwijl rechts de steenachtige bodem slechts eenig schraal struikgewas vertoonde.

In de verte zagen wij hooge muren, de omheining der tuinen en akkers, die door de Karthuizer monniken werden bebouwd. Langzamerhand werd de helling steiler, en weldra zagen wij tegen den blauwen hemel grijze torens afsteken, die aan de muren van het paleis van het Koord herinnerden, welke uit dezelfde steensoort zijn opgetrokken. Het kostte ons geen geringe moeite, ons toegang tot het heiligdom te verschaffen. Eerst scheen alles goed te gaan; wij ontdekten in een blinden muur een deurtje, dat slechts met een klink gesloten was, en toegang gaf tot een binnenpleintje, waar op een half verflenst bloemperk een niet zeer fraai standbeeld prijkte van den Heiligen Bruno. Verder konden wij niet; een ijzeren hek scheidde het plein in twee helften, en achter dat hek was alles doodstil. Op ons herhaald bellen, hoorden wij eindelijk heel in de verte deuren slaan, en na veel gerammel en geknars van grendels verscheen achter het hek de reuzengestalte van den portier, in de witte pij en den zwarten mantels der Karthuizers. Na lang overleg bleek het, dat wij ons bezoek aan de kerk juist zoo moesten zien in te richten, dat het geen stoornis veroorzaakte in de geregelde godsdienstoefening, noch in de godsdienstige overpeinzingen der broeders, terwijl het evenmin mocht samenvallen met het etensuurtje van den gids, die ons geleiden zou.

Wij wachtten dus lang en geduldig op den drempel der gesloten deur, om dat geduld dan ook ten slotte ruimschoots beloond te zien. Het hooge schip der kerk maakt een majestueuzen indruk, en is veel lichter, dan het inwendige van de meeste Spaansche kerkgebouwen. De grijze steen der muren is helaas gewit; maar ons oog verlustigt zich weldra in de schoonheid der heerlijke gothische koorstoelen, van donkerbruin notenhout, zóó uiterst fijn bewerkt, dat geen brons of ander metaal in zuiverheid van lijn met dit snijwerk zou kunnen wedijveren. De preekstoel is een waar pronkjuweel. Men zou bijna bang zijn, dien door een mensch te zien beklimmen, zoo licht en luchtig schijnt het gestoelte van bouw, en toch wordt reeds vijf eeuwen lang van dezen kansel gepredikt. Al dit wonderbare houtsnijwerk werd vervaardigd door Martin Sanchez en hier geplaatst in 1489, sinds welk jaartal er niet het geringste aan is beschadigd. Aan den voet van het altaar bevindt zich de door leeuwen gedragen koninklijke graftombe, die den vorm vertoont van een achtpuntige ster. Rondom het voetstuk, en onder de bekronende lijst wemelt het van fraai geboetseerde beeldjes, heiligen, apostelen en allegorische voorstellingen, terwijl een geheele flora van marmer woekert in de nissen en tusschen de slanke zuiltjes met hun verrukkelijke kapiteelen. Op het bovenvlak rusten de twee liggende beelden, door een tusschenruimte gescheiden. De mantel die des konings gestalte geheel omhult, is prachtig van teekening, versierd met gekroonde medaillons, waarop in bas-relief de leeuwen en kasteelen van het Koninklijk huis zijn aangebracht. De koningin, wier gelaat een weinig terzijde gewend is, heeft een gebedenboek en een rozenkrans in de hand. De hals is bloot, op het geborduurde hemd, dat haar borst bedekt, rust een halsketen, en zij draagt kostbare ringen aan de gehandschoende hand. De verbazende rijkdom der kleedij, die met de grootste nauwkeurigheid, tot in de geringste détails van borduursel en kleinoodiën, is weergegeven, maakt het schouwspel curieus en belangwekkend, doch doet overigens afbreuk aan den ernst en de waardigheid, welke het karakter moesten zijn van de graftombe dezer groote vorsten.

Toen Napoleon de Cartuja bezocht, (men vertoonde nog voor eenige jaren den boom, waaraan zijn paard werd vastgebonden) beval hij, na het mausoleum te hebben bezichtigd, dat dit meesterstuk van spaansche kunst naar Frankrijk zou worden overgebracht. Men wist echter uitstel te verkrijgen, door bezwaren te opperen aangaande de moeilijkheid van het vervoer, en gelukkig werd het gevaar door den verderen loop der gebeurtenissen afgewend.

Aan de linkerzijde van het gebouw, onder een rijkversierden gothischen boog, bevindt zich in een nis het beeld van Don Alonso, in biddende houding, dat nog schooner is dan de beeltenis zijner ouders. Welk een treurig lot trof dezen prins, die, als aanvoerder van de rebellen, welke zich tegen zijn ouderen broeder Enrique IV hadden verzet, te Avila tot Koning van Castilië werd uitgeroepen, en reeds op zestienjarigen leeftijd bezweek, zonder dat de oorzaak van zijn dood bekend was. Ook hier zijn alle bijzonderheden der kleeding uiterst getrouw weergegeven. Het grafteeken herinnert in zijn groote lijnen aan het monument van Juan de Padilla, in het museum van Burgos. Het altaar zelf, dat het jaartal 1490 draagt, is prachtig van kleur en lijn, en uitstekend bewaard. De twee groote meesters uit het laatst der 15de eeuw, Diego de la Cruz en Gril de Syloe hebben het ontworpen. Het is een grootsche conceptie, een groepeering van alle onderdeelen om een kring van engelen, die het bloed van Christus opvangen. Ondanks zijn hoogen ouderdom schijnt het ternauwernood door den tand des tijds geschonden. Al was het niet gemakkelijk geweest, in de Cartuja door te dringen, eenmaal onder de hoede van den jongen geleider, die mij tot gids strekte, smaakte ik dan ook onvermengd genot. Nadat ik langen tijd de graftomben, het altaar, en de koorstoelen had bewonderd, trad ik nog eene afzonderlijke kapel binnen, waar voor het altaar een beeld stond, dat een monnik voorstelde in een witte pij, in zielsverrukking starend naar het kruis, dat hij in de opgeheven rechterhand houdt. Het was het beeld van den heiligen Bruno door Pereira, een der schoonste beschilderde beelden van geheel Spanje, door onzen grooten beeldhouwer Falguière voor een meesterstuk verklaard. Terwijl ik nog in de beschouwing van dit kunstwerk verzonken was, luidde een klok, die blijkbaar den middagdienst aankondigde; want de jonge monnik sloot de deuren der zijkapellen en verschikte iets op de tafel bij het altaar. Ik nam dien stillen wenk ter harte en maakte aanstalten om te vertrekken. Toen ik mijn gids in het Spaansch bedankte, zeide hij: "Ik vraag u om verschooning; ik heb Frankrijk nog maar sedert kort verlaten en ken het Castiliaansch nog niet." Ik gevoelde een opwelling van medelijden en zeide: "Ik hoop dat gij ons geliefd vaderland nog eens moogt weerzien." Hij boog, maar zijn gezicht stond droevig.

"In welke provincie hebt gij gewoond, eerwaarde vader?" vroeg ik. "In Narbonne," antwoordde hij; "maar ik ben in Toulouse geboren." Bij die laatste woorden glimlachte hij. Ik begreep het nu, wij waren afkomstig uit dezelfde streek. Doch ik kon hem niets meer vragen. Hij boog eerbiedig, en de zware deur viel achter mij toe. Ik had hier dus een stadgenoot ontmoet, misschien wel iemand, wiens familie mij bekend was. Wie weet of ik hem niet als klein kind reeds had gezien. Mijn hart kromp ineen, toen ik mij voorstelde, hoe hij hier nu voor altoos zou zijn opgesloten, en toch scheen hij niet ongelukkig. Gedurende de twee uren, dat ik in de kerk vertoefde, was hij in gebed verzonken geweest. Ik keerde weer terug tot het rumoer en de onrust der wereld, terwijl een lichtstraal van boven zijn ziel verhelderde en hem de aardsche ellende vergeten deed. Het is eigenaardig, om op te merken, dat de nauwe betrekking tusschen Italië en Spanje, welke landen in het laatst der 15de eeuw veelvuldig met elkander in aanraking kwamen, slechts weinig invloed uitoefende op de spaansche bouwkunst, en dat de beroemdste kunstenaars, wars van den vernieuwenden invloed der renaissance, langen tijd nog de fransch-germaansche tradities getrouw bleven, en den laat-gothischen bouwstijl in eere hielden, nadat deze in Europa reeds voor andere vormen had plaats gemaakt. Slechts in hun woonhuizen, scholen en hospitalen vertoonen zich sporen van andere invloeden. In het laatst der 15de eeuw ontstonden, behalve de hier reeds door ons genoemde bouwwerken, te Toledo San Juan de los Reyes, te Segovia het klooster van Parral; bij Avila dat van St. Thomas; verder de beurs te Valencia, en eindelijk, in Valladolid alleen, de kerk en het klooster van St. Paul, gebouwd op kosten van kardinaal Torquemada, en de scholen van St. Gregorius en Santa Cruz, al welke gebouwen welsprekende getuigen zijn van de ongeëvenaarde schoonheid der spaansche Gothiek.

Dat juist Valladolid (bijgenaamd l'emporio de las bellas artes) de verzamelplaats van zoovele monumenten van uitnemende kunstwaarde werd, behoeft ons niet te bevreemden. De stad was niet enkel de hoofdstad van Castilië; onder het glorierijk bewind der katholieke koningen werd zij de voornaamste stad van geheel Spanje. En toch, als men thans van uit het dal van den Pisuergo de stad nadert, langs een modernen wandelweg, met een fraai plantsoen, maakt zij op het eerste gezicht volstrekt niet den indruk, een oude stad te zijn. De straten zijn goed onderhouden, behoorlijk geplaveid en electrisch verlicht; slechts kooplieden, die op straat hun watermeloenen hebben uitgestald en ze te koop bieden, herinneren ons, dat wij hier in Spanje zijn. Eerst als men op het plein van la Fuente Dorada is aangekomen, dat zich aansluit bij de Ochavo, een onregelmatig kruispunt van wegen, waarop de Plateria-straat uitkomt, voelt men, dat Valladolid een eerwaardige stad is, en naast het al te blinkend marmer der bouwwerken van gisteren, ook den ruwen steen van zijn antieke gedenkteekenen kan vertoonen.

Rondom het plein van la Fuente Dorada werpt een zware bogengalerij een verkwikkende schaduw, en de winkels daaronder, die het plein van alle zijden omringen, doen goede zaken. Onder de grijze oude bogen komen zich des Zondags de boeren uit de omstreken verdringen; de meesten gekleed in de eigenaardige oude volksdracht, de nauwsluitende broek, die aan de knieën de witte of blauwe grofwollen kousen laat zien, en het aardige korte wambuis. Vroeg in den morgen hebben zij hun waren reeds verkocht, en doen nu inkoopen, eer ze weer naar hun dorp terugkeeren.

Wanneer in de muren eener stad, als een spiegel, de tafereelen konden weerkaatst worden, welke zich op die plek hebben afgespeeld, welk eene reeks van schrijnende contrasten zouden deze vormen! Op datzelfde Ochavo, waar de menigte zich thans zoo onschuldig vermaakte, stond eertijds het schavot, waarop de Connétable Alvaro de Luna het leven liet, de gevierde gunsteling van Koning Juan II, wiens lotgevallen vier eeuwen na zijn dood nog bij het volk in levendige herinnering zijn gebleven.

Het lot scheen hem een gelukkigen levensloop te hebben voorbeschikt, en zijn geschiedenis is romantisch als een verdicht verhaal, tot zijn tragisch einde haar plotseling afbreekt. Van zeer nederige afkomst, misschien een bastaard van het geslacht de Luna, bezat de Connétable toch blijkbaar juist die eigenschappen, welke een vorst als Don Juan konden boeien. De gunsteling was begaafd, energiek, bestand tegen vermoeienissen en gehard in den krijg; de heerscher lui, lichtzinnig en genotzuchtig. Het sprak dus vanzelf, dat het de taak van den hoveling werd, zijn meester al de lasten en verplichtingen, aan het koningschap verbonden, te besparen, en ze op zijn eigen schouders te nemen. Het aantal zijner benijders steeg echter met zijn steeds toenemende macht; temeer daar hij, ofschoon jegens zijn vrienden edelmoedig en mild, toch die macht misbruikte om zichzelf ten koste van het algemeen belang te bevoordeelen. De oorzaak van zijn val wordt gezocht in het feit, dat hij, toen Don Juan na den dood zijner gemalin een tweede huwelijk wilde sluiten, in 's konings naam, doch zonder dezen zelfs van te voren te waarschuwen, Isabella van Portugal voor den vorst ten huwelijk vroeg, terwijl de koning zelf voornemens was geweest om de hand te vragen van Radegonde van Frankrijk. Hij kwam echter de belofte na, door zijn gunsteling gedaan; doch waarschijnlijk tegen zijn zin. Onmiddellijk na zijn huwelijk toch bleek het, dat de Koningin de verklaarde vijandin van den Connétable was geworden en geen rust had, eer zij haar echtgenoot had onttrokken aan een overheerschenden invloed, dien zij noodlottig achtte. Zij vond steun bij de overige edelen, en wist het zoover te brengen, dat de voormalige gunsteling des Konings van hoogverraad werd beschuldigd, en met algemeene stemmen werd ter dood veroordeeld. Het vonnis werd zoo snel mogelijk voltrokken, daar men anders vreesde dat de Koning, bij zijn weifelachtig karakter, licht van voornemen veranderen kon. En inderdaad, nauwelijks was het hoofd van den ongelukkigen man na de terechtstelling op de punt van een lans op het schavot geplaatst, of reeds kwam een bevel des Konings om het vonnis te herroepen.

Tot op het laatste oogenblik nog verwachtte Alvaro genade, daar hij aan de genegenheid, die de vorst voor hem koesterde, niet twijfelen kon. Don Juan werd gekweld door hevig berouw, en volgde een jaar later den vriend in het graf, dien hij zoo trouweloos had behandeld.

Het lijk van den Connétable, dat eerst op het kerkhof der ter dood gebrachte misdadigers begraven was, rust thans in de Kathedraal van Toledo, onder de gewelven der prachtige kapel, die Alvaro nog in de dagen zijner macht had doen oprichten. Koningin Isabella was grootmoedig genoeg, zijn dochter te vergunnen, het lijk haars vaders daarheen te laten overbrengen.

Niet alleen het Ochavo-plein, waar het schavot stond, doch ook de Plaza Mayor heeft tooneelen van verschrikking aanschouwd. Daar werd den 7den October 1559 het eerste beruchte autodafé gehouden, dat eerst in de maand Mei zou hebben plaats gehad, doch tot het najaar was uitgesteld op bevel van Philips II, die zich destijds in de Nederlanden bevond, en het schouwspel niet wilde missen. De bevolking stroomde toe, als gold het een volksfeest. De Koning was vergezeld van zijn zoon, zijn zuster, meerdere bisschoppen, de gezant van Frankrijk, en vele hovelingen en edelvrouwen. De Koning zag zoo strak en somber, dat volgens de uitdrukking van een geschiedschrijver uit die dagen, "het scheen alsof zijn blik de zonnestralen deed verbleeken." Dertien beschuldigden ondergingen den marteldood, doch een groot aantal anderen redde hun leven, door zich op het laatste oogenblik te bekeeren. "De Spanjaarden, die niet worden verbrand, zijn zóó gehecht aan de Inquisitie, dat het jammer zou zijn, hen ervan te berooven," zegt Montaigne.

Thans ontmoeten elkaar op de Plaza Mayor vroolijke jongelieden, die haar als pantoffelparade hebben uitverkoren; vooral wanneer de militaire muziek er haar luchtige wijsjes speelt. Het is een gelegenheid om elkaar te ontmoeten, zooals de Calle de la Sierpe in Sevilla. Aan de linkerzijde van het plein verrijst een groot, wit gebouw, waarvan de steigers nog niet zijn weggenomen. Het is het nieuwe Ayuntamiento, waarop reeds de donker purperen vlag van Castilië wappert.

Het is volstrekt niet vreemd, dat Valladolid het treurige voorrecht genoot, getuige te zijn van dat eerste autodafé; want eerst in 1563, nadat het Escuriaal voltooid was, bracht Philips II den zetel van het bestuur over naar Madrid, en verliet de stad, waar hij geboren was. Veel echter getuigt er nog van de belangrijke rol, die zij in de geschiedenis van het koningschap vervulde.