Part 6
Ondanks hun armoede en een zekeren weerzin dien zij inboezemen, staan de Zigeuners bij de weinig ontwikkelde menschen een beetje in aanzien en zij zijn daar zeer trotsch op. Zij gevoelen zich de meerderen in verstand en verachten innig het volk dat hun gastvrijheid verleent.--De Vreemdelingen zijn zoo dom, zeide mij een Zigeunerin uit de Vogezen, dat er heelemaal geen verdienste in steekt hen beet te nemen. Onlangs werd ik op straat door een boerin aangeroepen. Ik treed haar woning binnen. Haar kachel rookte en zij vroeg mij een bezwering om die te doen trekken. Ik begin met mij eerst een goed stuk spek te laten geven. Daarna prevel ik eenige woorden in _rommani_. Je bent dom, zeide ik, je bent dom geboren, dom zul je sterven.... Toen ik dicht bij de deur was, zeide ik in goed Duitsch tot haar: Het onfeilbaar middel om te voorkomen dat je kachel rookt, is die niet aan te maken. En ik zette het op een loopen.
De geschiedenis der Zigeuners is nog een vraagstuk. Men weet wel is waar dat hun eerste, zeer weinig talrijke benden zich in het oosten van Europa vertoonden tegen het begin van de vijftiende eeuw; maar men kan niet zeggen waar ze vandaan komen, of waarom zij naar Europa kwamen, en, wat merkwaardiger is, men weet niet hoe zij zich in korten tijd zoo verbazend vermenigvuldigd hebben in verschillende, ver van elkander verwijderde staten. De Zigeuners zelf hebben geen tradities bewaard over hun oorsprong en zoo de meesten onder elkaar van Egypte spreken als van hun primitief vaderland, dan is het omdat zij een zeer lang geleden over hun verspreid verhaal hebben aanvaard.
De meeste orientalisten die de taal der Zigeuners hebben bestudeerd, houden het er voor dat zij uit Indië afkomstig zijn. Inderdaad schijnen een groot aantal stammen en vele grammaticale vormen van het _rommani_ te worden teruggevonden in talen, afgeleid van het Sanskriet. Men begrijpt dat de Zigeuners op hun lange zwerftochten vele vreemde woorden hebben overgenomen. In alle dialecten van het _rommani_ vindt men een aantal Grieksche woorden: bijv.: _cocal_, been, van [Grieks: kokkalon]; _petalli_, hoefijzer van [Grieks: petalon]; _cafi_, spijker, van [Grieks: karphi], etc. Thans hebben de Zigeuners bijna evenveel verschillende dialecten als er benden van hun ras gescheiden van elkander bestaan. Overal spreken zij de taal van het land dat zij bewonen gemakkelijker dan hun eigen, waarvan zij zich slechts bedienen om zich in het bijzijn van vreemdelingen vrij met elkaar te kunnen onderhouden. Vergelijkt men het dialect der Zigeuners in Duitschland met dat van de Spaansche Zigeuners, sedert eeuwen niet met elkaar in verbinding, dan vindt men een zeer groot aantal gemeenschappelijke woorden; maar de oorspronkelijke taal is overal, hoewel in verschillende mate, aanmerkelijk gewijzigd door de aanraking met meer ontwikkelde talen, waarvan deze nomaden gedwongen waren zich te bedienen. Het Duitsch aan den eenen kant, het Spaansch aan den andere, hebben het wezen van het _rommani_ zoodanig veranderd, dat het voor een Zigeuner van het Zwarte Woud onmogelijk zou zijn een gesprek te voeren met een van zijn broeders in Andalusië, hoewel zij slechts eenige zinnen behoeven te wisselen om te begrijpen, dat beiden een dialect spreken afgeleid van dezelfde taal. Sommige zeer veel gebruikte woorden zijn, geloof ik, aan alle dialecten gemeen; zoo beteekent in alle woordenboeken die ik heb kunnen vinden: _pani_ water, _manro_ brood, _mâs_ vleesch, _lon_ zout.
De telwoorden zijn bijna overal dezelfden. Het Duitsche dialect lijktmij veel zuiverder dan het Spaansche, want het heeft een aantalprimitieve grammaticale vormen behouden, terwijl de Gitanas die van het Castiliaansch hebben aangenomen. Er zijn intusschen enkele uitzonderingen die getuigen van de vroegere overeenkomst der talen.--De verledene tijden van het Duitsche dialect worden gevormd door _ium_ te voegen bij de gebiedende wijs, die altijd de stam van het werkwoord is. In het Spaansche _rommani_ worden alle werkwoorden vervoegd als de Castiliaansche werkwoorden van de eerste vervoeging. Van de infinitief _jamar_, eten, zou men geregeld moeten maken _jamé_, ik heb gegeten; van _lillar_, nemen, _lillé_, ik heb genomen. Intusschen zeggen sommige oude Zigeuners bij uitzondering: _jayon_, _lillon_. Ik ken geen andere werkwoorden die dezen antieken vorm hebben behouden.
Nu ik aldus pronk met mijn povere kennis van het _rommani_ moet ik enkele woorden van het Fransche argot noemen die onze dieven aan de Zigeuners hebben ontleend. _Les Mystères de Paris_[55] hebben aan de fatsoenlijke menschen geleerd dat _chourin_ mes beteekent. Dat is zuiver _rommani_; _tchouri_ is een van die woorden, die allen dialecten gemeen zijn. Meneer Vidocq noemt een paard _grès_; ook dat is een Zigeunerwoord _gras_, _gre_, _graste_, _gris_. Dan is er nog het woord _romamichel_ dat in Parijsch argot Zigeuner beteekent; het is de verbastering van _rommané tchavé_, Zigeuner jongens. Maar een woordafleiding waarop ik trotsch ben, is die van _frimousse_, gelaat, gezicht, woord dat alle studenten gebruiken of in mijn tijd gebruikten. Vooraf zij opgemerkt dat Oudin, in zijn merkwaardig woordenboek, in 1640 _firlimouse_ schreef. Nu beteekent _firla_, _fila_ in het _rommani_ gelaat, _mui_ wil hetzelfde zeggen: het is precies het Latijnsche _os_. De combinatie _firlamui_ is onmiddellijk begrepen door een Zigeuner-purist en ik houd die voor overeenkomstig met den geest van zijn taal.
Dit is, dunkt mij, meer dan genoeg, om den lezers van _Carmen_ een gunstige meening te geven van mijn studies in het _rommani_. Ik besluit met een spreekwoord dat hier van pas is: _En retudi panda nasti abela macha_: Tusschen gesloten lippen, kan een vlieg niet glippen.
VERKLARINGEN
[1] blz. 5 _Palladas_: Epigram-dichter, die te Alexandrië leefde in de 4e eeuw na Christus. Het epigram komt voor in de _Anthologie Palatina_, een bekende codex. Feitelijk staat er in den Griekschen tekst »bitter als gal«. (N. v. d. v.)
[2] blz. 7 _Espingole_, schrijft Mérimée: dat is een kort dik geweer met wijd uitloopenden mond. (N. v. d. v.)
[3] blz. 8 De Andalusiërs halen bij de s den adem op en verwisselen die in de uitspraak met de zachte ~c~ en de ~z~, die de Spanjaarden uitspreken als de Engelsche ~th~. Alleen reeds aan het woord _Senor_ kan men den Andalusiër herkennen.
[4] blz. 13 _Zorzico_: Baskische danswijs in 5/8 maat (N. v. d. v.)
[5] _De bevoorrechte provincies_ die bijzondere _fueros_ genieten, d.w.z. Alava, Biscaye, Guipuzcoa, en een deel van Navarra. Baskisch is de landtaal.
[6] blz. 21 _à l'obscure_, etc.: Mérimée cursieveert. Het citaat is uit ~Le Cid~: cette obscure.... etc., acte IV, sc. 3 (N. v. d. v.)
[7] blz. 22 _Neveria_: Koffiehuis voorzien van een ijskelder, of liever een bergplaats van sneeuw. In Spanje is er bijna geen dorp of het heeft een _neveria_.
[8] _U is zeker een Engelschman_: In Spanje gaat ieder reiziger, die geen stalen van katoen of zijde bij zich heeft, voor een Engelschman door, _Inglesito_. Zoo is het ook in het Oosten. Te Chalcis had ik de eer te worden aangemeld als een _Milordos Frantzesos_.
[9] blz. 22 _la baji zeggen_: Waarzeggen.
[10] blz. 27 _Corregidor_: Commissaris van politie. (N. v. d. v.)
[11] _piécette_: zilveren munt in Spanje en Mexico gebruikt, ter waarde van een franc ongeveer. (N. v. d. v.)
[12] blz. 28 In 1830 genoot de adel nog van dat voorrecht. Thans, onder het constitutioneel stelsel, hebben de niet-adellijken het recht op worging verkregen.
[13] _petit pendement_, enz.: Mérimée cursieveert. Het citaat is uit Molière's _Monsieur de Pourceaugnac_, acte III, sc. 3. Dit citaat is hier wel wat vreemd, omdat hij even te voren juist had gezegd dat don José, als hidalgo, niet zou worden opgehangen, maar geworgd. (N. v. d. v.)
[14] blz. 31 _Maquilas_: Met ijzer beslagen stokken van de Baskiërs.
[15] blz. 32 _Vier-en-twintig_: Magistraat belast met de politie en de gemeente-administratie.
[16] _blauwe jurken_, enz.: De gewone kleedij van de boerinnen van Navarra en de Baskische provincies.
[17] blz. 34 _drinkbakjes voor de vliegen_, enz.: _Pintar un javeque_: een driemaster beschilderen. De meeste Spaansche driemasters hebben den kant beschilderd met roode en witte ruiten.
[18] blz. 36 _baï, jaona_: Ja, mijnheer.
[19] _barratcea_: Omheinde ruimte, tuin.
[20] blz. 37 _jacques_: Dapperen, pochhanzen.
[21] _Ik stond dadelijk_, enz.: De geheele Spaansche ruiterij is met lansen bewapend.
[22] blz. 39 _Alcala-brood_: Alcalà de los Panaderos, een vlek twee mijlen van Sevilla, waar men heerlijke broodjes bakt. Men beweert dat het water van Alcalà ze zoo lekker maakt en ze worden elken dag bij massa naar Sevilla gebracht.
[23] blz. 41 _Agur laguna_: Dag, kameraad.
[24] _zag ik door het hek_, etc.: De meeste huizen van Sevilla hebben een binnenplaats door overdekte galerijen omgeven. Men vertoeft daar des zomers. Deze binnenplaats is bedekt met een zeil, dat bij dag wordt nat gehouden en 's avonds weggenomen. De straatdeur is bijna altijd open, en de gang, die naar de plaats leidt, _zaguan_, is gesloten door een zeer sierlijk bewerkt ijzeren hek.
[25] blz. 42 _Morgen is weer een dag_: _Manana serà otro dia._--Spaansch spreekwoord.
[26] _Een hond die_, etc.: Chuquel sos pirela, Cocal terela: Hond die loopt, vindt een been.--Zigeuner spreekwoord.
[27] _yemas_: Gesuikerde dooiers.
[28] _turons_: Een soort van noga.
[29] blz. 43 _Koning don Pedro_, dien wij den _Wreede_ noemen en dien Koningin Isabella la Catolica nooit anders noemde dan de _Handhaver van het Recht_, hield er van 's avonds door de straten van Sevilla te wandelen, avonturen zoekend als de Kalief Haroun-al-Raschid.
Op zekeren avond kreeg hij twist, in een afgelegen straat, met een man die een serenade gaf. Het kwam tot een gevecht en de Koning doodde den verliefden ridder. Op het gekletter der degens keek een oude vrouw uit het raam en belichtte het tooneel met een lampje (_candilejo_), dat zij in de hand hield. Nu moet men weten, dat Koning don Pedro, hoewel vlug en sterk, een zonderling gebrek in zijn bouw had. Als hij liep kraakten zijn knieschijven sterk. De oude vrouw herkende hem gemakkelijk aan dat gekraak. Den volgenden morgen kwam de dienstdoende »Vier-en-Twintig« bij den Koning rapport uitbrengen: »Sire, er is in den afgeloopen nacht in die en die straat geduelleerd. Een der vechtenden is gedood.--Hebt ge den moordenaar gevonden?--Ja, Sire.--Waarom is hij niet al gestraft?--Sire, ik wacht uw bevelen.--Pas de wet toe.«--Nu had de Koning kort te voren een besluit uitgevaardigd, inhoudend dat iedere duellist zou worden onthoofd en dat zijn hoofd zou te kijk blijven op de plaats van het gevecht. De »Vier-en-Twintig« redde zich uit de moeilijkheid als man van geest. Hij liet het hoofd van een standbeeld des Konings afzagen en plaatste dat in een nis, midden in de straat die het tooneel was geweest van het duel. De Koning en de Sevillanen vonden dat best. De straat werd genoemd naar het lampje van de oude--de eenige getuige van het avontuur.
Aldus de volkstraditie. Zuniga vertelt de geschiedenis een beetje anders (zie _Annalen van Sevilla_, deel II, blz. 136). Hoe dit zij, er bestaat te Sevilla nog een straat van de Candilejo en in die straat een steenen buste, die men zegt de beeltenis van don Pedro te zijn. Jammer maar dat die buste modern is. De oude was zeer vergaan in de XVIIe eeuw en het toenmalige gemeentebestuur liet die vervangen door die welke men er thans ziet.
[30] blz. 43 _Rom_, echtgenoot; _romi_, echtgenoote.
[31] _Calo_, vrouwelijk _calli_, meervoud _cales_. Woordelijk: _zwart_--naam die de zigeuners elkaar in hun taal geven.
[32] blz. 44 _Je bent een echte kanarie_, etc.: De Spaansche dragonders zijn in het geel gekleed.
[33] _Ik ben in wol etc._: Me dicas vriardâ de jorpoy, bus ne sino braco.--Zigeuner spreekwoord.
[34] _majari_: De heilige--de heilige Maagd.
[35] _een weduwe met houten beenen etc._: De galg, die weduwe is van den laatsten gehangene.
[36] blz. 45 _Laloro_: Het roode land.
[37] blz. 48 _een Vlaamsche van Rome etc._: _Flamenca de Roma_, in de dieventaal zigeunerin. _Roma_ beteekent hier niet de eeuwige stad, maar het volk der _Romi_, of der _gehuwde lieden_, zooals de zigeuners zich noemen. Waarschijnlijk kwamen de eersten die men in Spanje zag uit de Nederlanden, van daar hun naam _Vlamingen_.
[38] _chufas_: Knolvormige wortel, waarvan men een vrij lekkeren drank maakt.
[39] blz. 49 _rijst en stokvisch_: Het gewone voedsel van de Spaansche soldaten.
[40] _Ustilar à pastesas_: handig stelen, zonder geweld wegnemen (zakkenrollen).
[41] _minons_: Soort van vrijkorps.
[42] blz. 50 _Schurft_ etc.: _Sarapia sat pesquital ne punzava_.
[43] blz. 54 _O, de lillipendi_, etc.: De ezels die mij voor een dame houden!
[44] blz. 55 _Kreeften_: Naam dien het volk in Spanje aan de Engelschen geeft, om de kleur van hun uniform.
[45] blz. 56 naar _finibus terrae_: Naar de galeien, of wel naar alle duivels.
[46] blz. 58 _Minchorrò_: »Mijn minnaar«, of liever »op wien ik verliefd ben«.
[47] blz. 60 _en in sommige opzichten_, etc.: _Navarro fino_.
[48] _Je bent als de dwerg_, etc.: Or esorjié de or narsichislé, sin chismar lachinguel--zigeuner spreekwoord. Het heldenfeit van een dwerg is ver te spuwen.
[49] blz. 65 _Een rivier_, etc.: _Len sos sonsi abela, Pani o reblendani terela._--Zigeuner spreekwoord.
[50] blz. 66 _de cocarde_: _La divisa_, een strik van linten, waarvan de kleur de weiden aanwijst waar de stieren vandaan komen. Die strik is met een haak vastgemaakt aan de huid van den stier en het is het toppunt van galanterie die van het levende dier af te rukken, om hem aan een vrouw aan te bieden.
[51] blz. 69 Men heeft Maria Padilla beschuldigd koning don Pedro te hebben behekst. Volgens een volkstraditie had zij aan koningin Blanche van Bourbon een gouden gordel geschonken, die de blikken van den koning voortdurend tot zich trok en hem een levende slang leek. Vandaar de afkeer dien hij de ongelukkige vorstin steeds betoonde.
[52] blz. 71 _Calé_: Het is mij toegeschenen dat de Duitsche Zigeuners, hoewel zij het woord _Calé_ heel goed begrijpen, niet gaarne aldus worden genoemd. Onder elkander noemen zij zich _Romané tchavé_.
[53] _Panurge_: Bij Mérimée is _naturellement les coups_ gecursieveerd. Panurge is een hoofdpersoon van Rabelais' Pantarguel. (N. v. d. v.)
[54] _Casta quam nemo rogavit_: Kuisch is zij die door niemand begeerd werd. (N. v. d. v.)
[55] blz. 78 _Les Mystères de Paris_: Indertijd beroemde roman van Eugène Sue. (N. v. d. v.)
+---------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: op de nabijhetd van een beek. | | C: op de nabijheid van een beek. | | B: dit ik niet van schrik | | C: dat ik niet van schrik | | B: vragen?... Wanner u naar uw | | C: vragen?... Wanneer u naar uw | | B: verklaard. omdat ik heb gezegd, | | C: verklaard, omdat ik heb gezegd, | | B: betaal mijn schulden!, dat is de | | C: betaal mijn schulden! dat is de | | B: niet waar van daan had gehaald. | | C: niet waar vandaan had gehaald. | | B: ik tot haar. dan zal ik zeker | | C: ik tot haar, dan zal ik zeker | | B: ik was kramer. maar ik vertoonde | | C: ik was kramer, maar ik vertoonde | | B: scheen zeer vroolijk Wij krijgen | | C: scheen zeer vroolijk. Wij krijgen | | B: er dus heen?, zeide ik | | C: er dus heen? zeide ik | | B: zijde en, altijd dezelfde. lachte | | C: zijde en, altijd dezelfde, lachte | | B: me bent!--Nu goed. zeide zij, | | C: me bent!--Nu goed, zeide zij, | | B: zeide zij. laat ons gaan!--Ik | | C: zeide zij, laat ons gaan!--Ik | | B: Zeg mij, jonge man. hebt ge niets | | C: Zeg mij, jonge man, hebt ge niets | | B: quam nemo rogavit_[54] Wat | | C: quam nemo rogavit_[54]. Wat | | B: voor haar gast. zeide | | C: voor haar gast, zeide | | B: een sjerp. een mantille, die hij | | C: een sjerp, een mantille, die hij | | B: à pastesas_, handig stelen, | | C: à pastesas_: handig stelen, | | | +---------------------------------------------+