Part 5
Wat heb je gedaan? zeide de Dancaïre.--Hoor eens, zeide ik, we konden niet samen leven. Ik heb Carmen lief en ik wil de eenige zijn. Bovendien, Garcia was een schurk en ik herinner mij wat hij met den armen Remendado deed. Wij zijn nu nog maar met ons tweeën, maar we zijn goeje kerels. Komaan, wil je mij tot vriend, op leven en dood?--De Dancaïre reikte mij de hand. Het was een man van vijftig jaar.--Die verdoemde verliefdheid! riep hij. Als je hem hadt gevraagd jou Carmen af te staan, zou hij je haar voor een piaster hebben verkocht. Nu zijn we slechts met ons beiden; wat zullen we morgen beginnen?--Laat mij maar alleen begaan, antwoordde ik. Nu kan de heele wereld me niet meer schelen.
Wij begroeven Garcia en gingen twee honderd pas verder kampeeren. Den volgenden dag gingen Carmen en haar Engelschman voorbij, met twee ezeldrijvers en een bediende. Ik zei tot den Dancaïre: Ik neem den Engelschman voor mijn rekening, jaag de anderen schrik aan, zij zijn niet gewapend. De Engelschman was moedig; als Carmen geen duw aan zijn arm had gegeven zou hij mij hebben gedood. Om kort te gaan, ik kreeg Carmen dien dag terug en ik haastte mij haar te zeggen dat zij weduwe was. Toen zij vernam hoe dat in zijn werk was gegaan, zeide zij tot mij:--Je zult ten eeuwigen dage een _lillipendi_ zijn! Garcia had je moeten dooden. Je pareeren op zijn Navarreesch is allemaal onzin en hij heeft handiger kerels dan jou om zeep gebracht. Maar zijn tijd was gekomen. De jouwe komt ook.--En de jouwe, antwoordde ik, als je niet een echte _romi_ voor me bent!--Nu goed, zeide zij, ik heb meer dan eens uit het koffiedik gelezen, dat we tegelijk zouden sterven. Ba! het ga zoo het wil! En zij liet haar castagnetten rinkelen, wat ze altijd deed als zij een onaangename gedachte wilde verjagen.
* * * * *
Men laat zich gaan als men van zich zelf spreekt. Al die bijzonderheden vervelen u zeker, maar ik ben gauw klaar. Het leven dat wij leidden duurde vrij lang. De Dancaïre en ik hadden ons eenige makkers toegevoegd, betrouwbaarder dan de vroegere, en wij leefden van smokkelen; soms ook, ik moet het wel bekennen, hielden wij reizigers op den grooten weg aan, maar alleen in het uiterste geval en als we niet anders konden. Bovendien, wij mishandelden de reizigers niet en bepaalden ons er toe hen hun geld af te nemen. Gedurende eenige maanden was ik tevreden over Carmen; zij bleef ons van dienst voor onze operaties door ons te waarschuwen wanneer er een goede slag viel te slaan. Zij hield zich op te Malaga, te Cordova, of te Grenada; maar zoodra ik maar kikte, liet zij alles in den steek en kwam zij mij opzoeken in een eenzame herberg, of zelfs in het bivak. Eenmaal slechts, dat was te Malaga, maakte ze mij een beetje ongerust. Ik wist dat zij het oog had geslagen op een heel rijk koopman, met wien zij vermoedelijk van plan was het grapje van Gibraltar opnieuw te beginnen. Ondanks alles wat de Dancaïre zeide om mij tegen te houden, vertrok ik en op klaarlichten dag kwam ik te Malaga. Ik zocht Carmen en nam haar dadelijk mee. Het kwam tot een heftige woordenwisseling tusschen ons.--Weet je wel, zeide zij, dat sedert je voor goed mijn _rom_ bent, ik veel minder van je houd dan toen je mijn _minchorrò_ waart? Ik wil niet lastig gevallen en vooral niet gecommandeerd worden. Wat ik wil is vrij zijn en doen wat mij bevalt. Pas op dat je mij niet tot het uiterste drijft. Als je me gaat vervelen, zal ik een of anderen goejen kerel vinden die met jou doet zooals jij deedt met den Eenoog.--De Dancaïre herstelde den vrede tusschen ons; maar we hadden elkaar dingen gezegd, die we niet konden verkroppen, en we waren niet met elkaar zooals te voren. Kort daarna hadden we een ongeluk. Soldaten overvielen ons, de Dancaïre werd gedood met twee der kameraden, twee andere werden gevat. Ik werd zwaar gewond en zonder mijn goed ros zou ik in handen der soldaten zijn gebleven. Uitgeput van vermoeidheid, met een kogel in het lijf, ging ik me in een bosch verstoppen met den eenigen metgezel die mij nog was overgebleven. Toen ik van het paard stapte viel ik flauw en ik meende in de struiken te zullen crepeeren, als een haas die een schot in den buik heeft. Mijn metgezel bracht mij naar een ons bekende spelonk en ging toen Carmen halen. Zij was te Grenada en kwam dadelijk toesnellen. Vijftien dagen lang week zij geen oogenblik van mijn zijde. Zij deed geen oog dicht en verzorgde mij met een handigheid en met voorkomendheden, zooals geen vrouw die ooit had voor den meest geliefden man. Zoodra ik op mijn beenen kon staan, bracht ze mij zoo heimelijk mogelijk naar Grenada. Heidinnen vinden overal veilige schuilplaatsen en ik bracht meer dan zes weken door in een huis vlak bij dat van den corrigedor, die naar mij zocht. Meer dan eens, als ik van achter een luik keek, zag ik hem voorbijgaan. Eindelijk was ik hersteld; maar op mijn ziekbed had ik heel wat overpeinsd en ik was van plan van leven te veranderen. Ik stelde Carmen voor Spanje te verlaten en te trachten op fatsoenlijke wijze in de Nieuwe Wereld aan den kost te komen. Zij stak den draak met mij.--Wij zijn niet geboren om kool te planten, zeide zij, ons lot is te leven op kosten van de _payllos_. Ik heb juist een zaakje afgesproken met Nathan ben Joseph van Gibraltar. Hij heeft katoentjes, die slechts op jou wachten, om ze verder te zenden. Hij weet dat je in leven bent en rekent op je. Wat zouden onze correspondenten van Gibraltar zeggen, als jij je woord niet hieldt?--Ik liet mij meesleepen en hervatte mijn leelijk bedrijf.
Terwijl ik mij te Grenada schuil hield, waren er stierengevechten en Carmen ging er heen. Toen ze terug kwam had zij het druk over een zeer handig picador, Lucas genaamd. Zij wist hoe zijn paard heette en hoeveel zijn geborduurd buis hem kostte.
Ik sloeg daar geen acht op. Eenige dagen daarna zeide mij Juanito, de kameraad die nog bij mij was gebleven, dat hij Carmen met Lucas had gezien bij een koopman van den Zacatin. Dat begon mij te verontrusten. Ik vroeg Carmen hoe en waarom zij met den picador kennis had gemaakt.--Het is een kerel, zeide zij mij, met wie wat te beginnen valt. Een rivier die geraas maakt heeft water of keien[49]. Hij heeft 1200 realen gewonnen bij de gevechten. Een van beiden: of we moeten dat geld hebben, of, daar hij een goed ruiter is en een moedige kerel, zou men hem bij onzen troep kunnen inlijven. Die en die zijn dood, je moet hen vervangen. Neem hem bij je.
--Ik wil noch zijn geld, noch hem zelf, antwoordde ik, en ik verbied je met hem te spreken.--Pas op, zeide zij, als men mij verbiedt iets te doen, is het ras geschied!
Gelukkig vertrok de picador naar Malaga, en ik maakte mij op om de katoentjes van den jood binnen te smokkelen. Die tocht gaf mij veel werk, aan Carmen ook en ik vergat Lucas; misschien vergat zij hem ook, ten minste voor het oogenblik. Omstreeks dien tijd, meneer, was het dat ik u ontmoette, eerst bij Montilla, later te Cordova. Ik zal u niet van ons laatste onderhoud spreken. U weet er misschien meer van dan ik. Carmen stal uw horloge; zij wilde ook uw geld, en vooral den ring daar aan uw vinger, volgens haar een tooverring, dien zij volstrekt wilde hebben. Wij hadden een hevigen twist en ik sloeg haar. Zij verbleekte en schreide. Dat was de eerste keer dat ik haar zag schreien en het deed me geweldig aan. Ik vroeg haar vergiffenis, maar zij bleef den geheelen dag mokken en toen ik weer naar Montilla vertrok, wilde zij mij niet omhelzen.--Ik was zeer verdrietig. Drie dagen later kwam ze mij opzoeken, met een lachend gezicht en vroolijk als een vink. Alles was vergeten en we leken verliefden van eergisteren. Toen wij van elkaar gingen, zeide zij:--Er is een feest te Cordova; ik zal het bijwonen en te weten komen wie er met geld vandaan gaan en dan zal ik je waarschuwen.--Ik liet haar vertrekken. Toen ik alleen was dacht ik over dat feest en over de veranderde stemming van Carmen. Zij heeft zich zeker reeds gewroken, zeide ik tot mij zelf, daar zij het eerst is bijgedraaid.--Van een boer hoor ik dat er stieren zijn te Cordova. Mijn bloed gaat koken, als een krankzinnige vertrek ik snel naar het plein. Men wijst mij Lucas en op de bank tegen het hek herkende ik Carmen. Ik behoefde haar slechts een oogenblik te zien om zeker te zijn van mijn zaak. Bij het eerste gevecht deed Lucas galant zooals ik had verwacht. Hij rukte de cocarde[50] van den stier en bracht die aan Carmen, die ze onmiddellijk in haar haren stak. De stier belastte zich met mijn wraak. Lucas werd met zijn paard omvergeworpen, het paard op hem en de stier ging over beiden heen.
Mijn blik zocht Carmen, maar ze was er niet meer. Het was mij niet mogelijk mijn plaats te verlaten en ik moest het eind der stierengevechten afwachten. Toen ging ik naar het u bekende huis en hield mij daar stil den ganschen avond en een deel van den nacht. Tegen twee uur in den morgen kwam Carmen terug; zij was een beetje verbaasd mij te zien.--Kom met mij mee, zeide ik tot haar.--Nu goed! zeide zij, laat ons gaan!--Ik ging mijn paard halen, zette haar er op achter mij en we reden de rest van den nacht zonder een woord te spreken. Toen het dag was hielden wij stil bij een afgelegen herberg, vrij dicht bij een klein kluizenaarsverblijf. Daar zeide ik tot Carmen:
--Luister, ik wil alles vergeten, ik zal je niets verwijten, maar zweer mij een ding en dat is, dat je mij naar Amerika zult volgen en je daar rustig houden.
--Neen, sprak zij mokkend, ik wil niet naar Amerika. Het bevalt me hier goed.
--Omdat Lucas in de buurt is; maar bedenk wel, als hij beter wordt, dan zal hij het toch niet lang meer maken. Trouwens, waarom zou ik het op hem verhalen? Ik heb er genoeg van al je minnaars te dooden; jou zal ik dooden.
Zij keek mij met haar woesten blik strak aan en zeide:
--Ik heb altijd wel gedacht dat je mij zoudt dooden. Toen ik je voor het eerst zag, had ik pas een priester ontmoet bij de deur van mijn woning. En toen we dezen nacht Cordova verlieten, zag je toen niets? Een haas stak den weg over tusschen de voeten van je paard. Het staat geschreven.
--Carmencita, vroeg ik, heb je me niet meer lief?
Zij antwoordde niet. Zij zat met gekruiste beenen op een mat en maakte met een vinger teekens in den grond.
--Laat ons een ander leven leiden, zeide ik op smeekenden toon. Laat ons ergens gaan wonen waar wij nimmer gescheiden zullen zijn. Je weet, niet ver van hier onder een eik liggen honderd twintig goudstukken van ons begraven.... En er staat nog geld van ons bij den jood Nathan ben Joseph.
Zij begon te glimlachen en zeide:
--Eerst ik, dan jij. Ik weet wel dat het zoo zal gebeuren.
--Bedenk je goed, hernam ik; mijn geduld en mijn moed zijn ten einde; schik je er in of ik ga mijn gang.
Ik verliet haar en ging in de buurt van den kluizenaar wandelen. Ik vond hem in gebed geknield. Ik wachtte tot dat hij klaar was; ik had wel willen bidden, maar ik kon niet. Toen hij opstond, ging ik tot hem.--Vader, zeide ik, wilt u bidden voor iemand die in groot gevaar verkeert?
--Ik bid voor alle bedrukten, zeide hij.
--Kunt u een mis lezen voor een ziel, die misschien voor haar Schepper zal verschijnen?
--Ja, antwoordde hij mij strak aanziende. En daar er iets vreemds was in mijn blik wilde hij mij uithooren.
--Ik meen u vroeger gezien te hebben, zeide hij.
Ik legde een piaster op zijn bank.--Wanneer leest u de mis? vroeg ik.
--Over een half uur. De zoon van den herbergier van daar ginds zal mij bijstaan. Zeg mij, jonge man, hebt ge niets op het geweten dat u kwelt, wilt ge naar de raadgevingen van een Christen luisteren?
Ik voelde dat de tranen in aantocht waren; ik zeide dat ik zou terugkomen en liep weg. Ik ging op het gras liggen, tot dat ik de klok hoorde. Toen kwam ik nader, maar bleef buiten de kapel. Toen de mis gelezen was, keerde ik naar de herberg terug. Ik hoopte bijna dat Carmen zou zijn ontvlucht, zij had mijn paard kunnen nemen en er mee van door gaan.... maar zij was er nog. Zij wilde niet dat men kon zeggen dat ik haar vrees had aangejaagd. Terwijl ik weg was, had zij den zoom van haar rok losgemaakt om het lood er uit te halen. Zij stond nu voor een tafel en keek in een kom vol water naar het lood, dat zij er in gegooid had en had laten smelten. Zij ging zoo op in haar tooverkunst dat zij eerst mijn terugkomst niet gewaar werd. Nu eens nam zij 'n stuk lood dat zij met een treurig gezicht naar alle kanten keerde, dan weer zong zij een van die tooverliedjes, waarin Maria Padilla, de maîtres van don Pedro, wordt ingeroepen; zij was, zegt men, de _Bari Crallisa_, of de groote koningin der zigeuners[51].
--Carmen, zeide ik, wil je meegaan?
Zij stond op, wierp haar houten nap weg en deed haar mantille over het hoofd ten teeken dat zij bereid was te vertrekken. Men bracht mij mijn paard, zij steeg achter mij op en wij reden weg.
--Je wilt me dus wel volgen, Carmen lief? zeide ik na een poosje.
--Ik volg je in den dood, ja wel, maar ik zal niet meer met je leven.
Wij waren in een eenzame bergengte. Ik liet mijn paard stil houden.--Is het hier? zeide zij en met een sprong was zij van 't paard.--Zij deed haar mantille af, wierp die aan haar voeten en bleef onbeweeglijk, een vuist op de heup, mij strak aanziende.
--Je wilt me dooden, dat zie ik wel, zeide zij; het staat geschreven, maar je zult me niet doen zwichten.
--Ik bid je, zeide ik, wees verstandig. Luister naar me, het verleden is geheel vergeten. Toch weet je dat jij mij in het verderf hebt gestort; om jou ben ik een dief en een moordenaar geworden. Carmen, Carmen lief, laat ik jou redden en mij met jou!
--José, antwoordde zij, je verlangt het onmogelijke. Ik houd niet meer van je; jij hebt me nog lief en daarom wil je mij dooden. Ik zou je nog wel iets op de mouw kunnen spelden, maar ik wil mij de moeite niet geven. Tusschen ons is alles afgedaan. Als mijn _rom_ heb je het recht je _romi_ te dooden, maar Carmen zal altijd vrij zijn. Zij is _calli_ geboren, zij zal _calli_ sterven.
--Je hebt dus Lucas lief? vroeg ik.
--Ja, ik heb hem bemind evenals jou, een poosje, minder dan jou misschien. Nu heb ik niets meer lief en ik haat mezelf, omdat ik van jou gehouden heb.
Ik wierp mij aan haar voeten, ik nam haar handen en bevochtigde die met tranen. Ik herinnerde haar aan al de gelukkige tijden die wij samen hadden doorgebracht. Ik bood haar aan roover te blijven om haar te behagen. Alles meneer, bood ik haar aan, als ze mij nog maar wilde liefhebben!
--Je nog liefhebben, zeide zij, dat is onmogelijk. Met je leven wil ik niet.--Woede maakte zich van mij meester. Ik trok mijn mes. Ik wilde dat zij bang werd en mij om genade smeekte, maar die vrouw was een demon.
--Voor de laatste maal, riep ik, wil je bij me blijven?
--Neen, neen, neen! zeide zij stampvoetend, en zij rukte van haar vinger een ring dien ik haar had gegeven en wierp dien in de struiken.
Ik stak haar tweemaal met het mes van den Eenoog, dat ik had meegenomen, daar het mijne was gebroken. Bij den tweeden stoot viel ze, zonder een kreet. Ik zie nog haar groote zwarte oogen mij strak aanzien, toen betrekken en zich sluiten. Meer dan een uur bleef ik als verwezen bij het lijk. Toen herinnerde ik mij dat Carmen vaak had gezegd, dat zij gaarne in een bosch zou willen begraven zijn. Ik maakte een kuil met mijn mes en legde haar er in. Ik zocht lang naar haar ring en vond hem ten slotte. Ik legde hem in den kuil naast haar, met een klein kruis. Misschien deed ik verkeerd. Vervolgens steeg ik te paard, galoppeerde naar Cordova en gaf mij bij de eerste hoofdwacht aan. Ik zeide dat ik Carmen had gedood, maar wilde niet zeggen waar haar lijk was. De kluizenaar was een heilig man. Hij heeft voor haar gebeden! Hij heeft een mis voor haar ziel gelezen.... Arme meid! De _Calé_ zijn de schuldigen, omdat zij haar aldus groot brachten.
IV.
Spanje is een van de landen waarin zich nog in grooten getale die nomaden ophouden, die over geheel Europa verspreid zijn, en bekend onder de namen _Bohémiens_, _Gitanos_, _Gypsies_, _Zigeuner_, enz. De meeste hunner wonen, of liever leiden een zwervend leven in de zuidelijke en oostelijke provincies, in Andalusië, Estramadura (in het koninkrijk Murcia); velen zijn er in Catalonië. Deze laatsten komen vaak naar Frankrijk. Men ontmoet hen op al onze kermissen in het Zuiden. Gewoonlijk schacheren de mannen in paarden, dokteren zij het vee en scheren zij de muilezels, zij krammen ook pannen en koperwerk, om niet te spreken van smokkelen en andere ongeoorloofde praktijken. De vrouwen zijn waarzegsters, bedelen en verkoopen allerlei onschadelijke (of schadelijke) geneesmiddelen.
De physieke kenmerken der Zigeuners zijn gemakkelijker te onderscheiden dan te beschrijven en wanneer men er éen heeft gezien zou men onder duizend een individu van dat ras herkennen. Het gelaat, de uitdrukking vooral scheidt hen van de volken die hetzelfde land bewonen. Van daar de naam _Calé_, de zwarten, waarmede zij zichzelf dikwijls aanduiden[52]. Hun merkbaar schuine, groote, zeer donkere oogen zijn beschaduwd door lange en dikke oogharen. Hun blik laat zich alleen vergelijken met die van een wild dier. Men leest er tegelijkertijd stoutheid en beschroomdheid in en wat dat aangaat verraden hun oogen vrijwel het karakter van het volk, slim, stoutmoedig, maar _bang uit den aard der zaak voor slagen_, evenals Panurge[53]. De mannen zijn over het algemeen flink uit de kluiten gegroeid, slank en vlug; ik geloof niet dat ik er ooit een heb gezien die zwaarlijvig was. In Duitschland zijn de vrouwen vaak heel schoon, onder de Gitanas van Spanje is schoonheid uiterst zeldzaam. Als zij heel jong zijn kunnen zij doorgaan voor aardige leelijkerds; maar als ze eenmaal moeder zijn, worden zij afzichtelijk. Beide seksen zijn ongelooflijk vuil en wie de haren van een Zigeuner-matrone niet heeft gezien, kan zich moeilijk een denkbeeld daarvan maken, zelfs als hij zich die nog zoo ruw, smerig en stoffig voorstelt. In sommige groote steden van Andalusië besteden jonge meisjes, die er wat aardiger uitzien dan de anderen, meer zorg aan hun uiterlijk. Zij laten zich voor geld in dansen zien, die veel lijken op die welke bij ons op de publieke bals van het carnaval verboden worden. De Engelsche zendeling Borrow, schrijver van twee zeer interessante boeken over de Spaansche Zigeuners, die hij had ondernomen te bekeeren op kosten van het Bijbelgenootschap, verzekert dat het nooit voorkomt dat een Gitana zich geeft aan een man die vreemd is aan haar ras. Het komt mij voor dat er veel overdrijving is in den lof dien hij haar toezwaait om haar kuischheid. In de eerste plaats verkeeren de meesten in het geval van de leelijkerds van Ovidius: _casta quam nemo rogavit_[54]. Wat de mooie onder haar aangaat, zij zijn zooals alle Spaansche vrouwen, lastig in de keus van haar minnaars. Men moet haar behagen, verdienen. De heer Borrow voert als staaltje van haar deugd een feit aan, dat voor de zijne pleit, vooral voor zijn naïeveteit. Een onzedelijke kennis van hem, zoo vertelt hij, bood een mooie Gitana te vergeefs eenige onsen goud aan. Een Andalusiër, wien ik deze anecdote overbracht, beweerde dat de man meer succes zou hebben gehad wanneer hij eenige piasters had laten zien en dat aan een Zigeunerin goudstukken aanbieden een even slecht middel van overreding was als een paar millioen beloven aan een meid uit een herberg.--Hoe dit zij, het staat vast dat de Gitanas voor haar mannen een buitengewone toewijding aan den dag leggen. Er is geen gevaar of ellende die zij niet trotseeren om hen in hun nood bij te staan. Een der namen, die de Zigeuners zich geven, _romé_ (echtgenooten), getuigt, dunkt mij, van den eerbied van het ras voor den gehuwden staat. In het algemeen kan men zeggen dat hun hoofddeugd vaderlandsliefde is, indien men aldus noemen kan hun trouw in de betrekkingen met individuen van dezelfde afkomst, hun bereidvaardigheid elkander te helpen, de onverbreekbare geheimhouding die zij elkander bewaren in compromitteerende zaken. Trouwens men merkt iets dergelijks op bij alle geheimzinnige vereenigingen die buiten de wet staan.
Eenige maanden geleden bezocht ik een Zigeunerbende in de Vogezen. In de tent van een oude vrouw, de oudste van haar stam, was een Zigeuner, die niet tot haar familie behoorde, door een doodelijke ziekte aangetast. Deze man had een hospitaal, waar hij goed werd verzorgd, verlaten, om te midden van zijn landgenooten te sterven. Reeds dertien weken was hij bedlegerig en hij werd veel beter behandeld dan de zonen en schoonzonen van hetzelfde gezin. Hij had een goed bed van stroo en mos met vrij zindelijke lakens, terwijl de overigen, ten getale van elf, sliepen op planken van drie voet lengte. Dit wat betreft hun gastvrijheid. Dezelfde oude, die zoo goed was voor haar gast, zeide mij in tegenwoordigheid van den zieke: _Singo, singo, homte hi mulo_: weldra, weldra, moet hij sterven. Trouwens, die menschen hebben zulk een ellendig leven, dat de dood niets schrikwekkends voor hen heeft.
Een merkwaardige karaktertrek van de Zigeuners is hun onverschilligheid in godsdienstige zaken. Niet dat zij vrijdenkers of sceptisch zijn. Nooit hebben zij zich voor godloochenaars uitgegeven. Integendeel: zij hebben den godsdienst van het land dat zij bewonen, maar met de verandering van land nemen zij ook een anderen godsdienst aan. Ook de bijgeloovigheden die bij ruwe volken in de plaats komen van godsdienstige gevoelens zijn hun vreemd. Hoe zouden ook menschen bijgeloovig kunnen zijn, die meestal leven van de lichtgeloovigheid van anderen. Toch heb ik bij de Spaansche Zigeuners een eigenaardigen afschuw opgemerkt voor de aanraking van een lijk. Weinigen zouden voor geld een doode naar het kerkhof willen brengen.
Ik zeide dat de meeste Zigeunerinnen aan waarzeggen doen. Zij doen dat zeer goed. Maar winstgevend is voor hen vooral de verkoop van toovermiddelen en minnedranken. Niet alleen bewaren zij pooten van padden om onbestendige harten vast te houden, of poeder van zeilsteen om bij onverschilligen liefde te wekken; zij doen, zoo noodig, machtige bezweringen om den duivel te dwingen haar hulp te verleenen. Verleden jaar vertelde een Spaansche dame mij de volgende geschiedenis. Zij ging op zekeren dag door de Alcala-straat, zeer treurig en in gedachten. Een Zigeunerin, op het voetpad neergehurkt, riep haar toe: Schoone dame, uw minnaar heeft u bedrogen.--Het was de waarheid.--Zal ik hem weer tot u doen terugkeeren? Men begrijpt met welke vreugde het voorstel werd aangenomen en welk vertrouwen iemand moest inboezemen, die aldus met éen oogopslag hartsgeheimen raadde. Daar het onmogelijk zou zijn geweest bezweringen te doen in de drukste straat van Madrid, werd er voor den volgenden dag een afspraak gemaakt.--Niets is gemakkelijker dan den ontrouwe weer aan uw voeten te brengen, zeide de gitana. Heeft u bij geval een zakdoek, een sjerp, een mantille, die hij u gaf?--De dame gaf haar een zijden halsdoekje.--Naai nu met roode zijde een piaster in een hoek van het doekje. In een anderen hoek een halven piaster; hier een piécette, daar een stuk van twee realen. Nu in het midden een goudstuk; het bestzou zijn een dubloen.--De dubloen en de rest worden in het doekje genaaid.--Geef mij nu het doekje, ik zal het klokslag van middernacht naar het Campo Santo brengen. Gaat u met mij mee, als u mooi wilt zien heksen. Ik beloof u dat u al morgen den ontrouwe zult weerzien.--De Zigeunerin ging alleen naar het Campo Santo, want de dame was te bang voor heksen om haar te vergezellen. Ik laat het aan u over te raden of de arme verlaten minnares haar halsdoekje en haar ontrouwe heeft teruggezien.