Part 4
--Ga heen, zeide ze haastig tot mij in het Baskisch.--Ik bleef verstomd staan, met woede in het hart.--Wat doe je hier? zeide de luitenant tot mij. Ruk in, vooruit!--Ik kon geen stap doen, ik was als verlamd. De officier, ziende dat ik niet heen ging en zelfs mijn politiemuts niet had afgenomen, werd boos, pakte mij bij den kraag en schudde mij ruw heen en weer. Ik weet niet wat ik tot hem zeide. Hij trok zijn degen en ik mijn sabel. De oude pakte mij bij den arm en de luitenant gaf me een slag op het voorhoofd, waarvan ik nu nog het litteeken draag. Ik week terug en wierp Dorothea met een stomp van den elleboog omver; en toen de luitenant mij achterna zette hield ik hem de punt van mijn sabel voor, zoodat hij er in bleef steken. Carmen draaide daarop de lamp uit en heette in haar taal Dorothea er van door te gaan. Ik zelf vluchtte op straat en begon te rennen zonder te weten waarheen. Toen ik tot bezinning kwam, bleek het dat Carmen mij niet had verlaten.--Uilskuiken, kanarie! zeide zij, je doet niks dan stommiteiten. Ik heb je wel gezegd dat ik je ongeluk zou aanbrengen. Komaan, er is een middel voor alles wanneer men een Vlaamsche van Rome[37] tot vriendin heeft. Begin met dezen doek om je hoofd te doen en gooi je koppel weg. Wacht mij daar in de laan, ik ben over twee minuten terug.--Zij verdween en bracht mij weldra een gestreepten mantel, dien zij ik weet niet waar vandaan had gehaald. Zij deed mij mijn uniform uittrekken en den mantel over mijn hemd slaan. Aldus toegetakeld, met den zakdoek waarmede zij mijn hoofdwond had verbonden, had ik wel iets van een boer uit Valencia, zooals men die te Sevilla aantreft, die hun _chufas_[38]--orgeade komen verkoopen. Toen bracht ze mij in een huis vrij wel als dat van Dorothea achter in een steegje. Zij en een andere zigeunerin waschten mij, verbonden mij beter dan een chirurgijn-majoor het had kunnen doen, gaven mij ik weet niet wat te drinken, waarna zij mij op een matras legden, en ik sliep in.
Waarschijnlijk hadden die vrouwen in den drank slaapwekkende kruiden gemengd, haar alleen bekend, want ik werd den volgenden dag eerst heel laat wakker. Ik had zware hoofdpijn en een beetje koorts. Eerst na een poosje keerde bij mij de herinnering weer aan de vreeselijke scène, waaraan ik den dag te voren had deelgenomen. Na mijn wond te hebben verbonden, wisselden Carmen en haar vriendin, beiden neergehurkt bij mijn matras, eenige woorden in _chipe calli_, vermoedelijk een medische consultatie. Toen verzekerden beiden mij dat ik weldra beter zou zijn, maar dat ik zoo gauw mogelijk Sevilla moest verlaten; want als men mij pakte, dan werd ik onmiddellijk doodgeschoten.--Mijn jongen, zeide Carmen, je moet iets beginnen; nu de koning je geen rijst en stokvisch[39] meer geeft, moet je er aan denken je kost te verdienen. Je bent te dom om te spelen _à pastesas_[40]; maar je bent vlug en sterk: als je moed hebt, ga dan naar de kust en word smokkelaar. Heb ik je niet beloofd dat ik je zou laten ophangen? Dat is beter dan te worden doodgeschoten. Bovendien, als je het goed aanlegt, zul je als een vorst leven, zoo lang de _minons_[41] en de kustwachters je niet bij den kraag pakken.
Het was op deze verlokkende manier, dat deze duivelsche meid mij de nieuwe loopbaan afschilderde die zij mij toedacht, de eenige trouwens die mij overbleef, nu ik tot de doodstraf was vervallen. Zal ik u de waarheid zeggen, meneer? 't Kostte haar niet veel moeite mij daartoe te doen besluiten. Het kwam mij voor dat ik mij inniger met haar verbond door dit leven van avonturen en rebellie. Voortaan achtte ik mij zeker van haar liefde. Ik had dikwijls hooren spreken van sommige smokkelaars die door Andalusië trokken, een goed paard berijdend, de karabijn in de vuist, hun maîtres achter zich. Ik zag mij zelf reeds aldus met de aardige zigeunerin over bergen en dalen draven. Toen ik haar daarvan sprak, hield zij zich de zijden vast van het lachen, en zeide zij, dat er niets gaat boven een nacht in het bivak als elke _rom_ zich met zijn _romi_ afzondert onder zijn kleine tent, gevormd door drie hoepels met een deken er over.
--Als ik ooit in het gebergte ben, zeide ik tot haar, dan zal ik zeker van je zijn! Daar is geen luitenant om je aan mij te betwisten.
--Ha, ha, je bent jaloersch, antwoordde zij. Des te erger voor je. Hoe kun je zoo dom zijn? Merk je niet dat ik van je houd, daar ik je nooit om geld vroeg?
Als zij zoo sprak had ik lust haar te worgen.
Om het kort te maken, meneer: Carmen bezorgde mij een burgerpak, waarin ik Sevilla verliet zonder te worden herkend. Ik ging naar Jerez met een brief van Pastia voor een koopman in anisette, bij wien smokkelaars bijeenkwamen. Men stelde mij aan die lieden voor, wier hoofd, bijgenaamd de Dancaïre, mij in zijn troep opnam. Wij vertrokken naar Gaucin en ik vond er Carmen weer, die mij daar rendez-vous had gegeven. Bij tochten diende zij onzen troep tot spion en nooit vond men er een betere. Zij kwam terug van Gibraltar en zij had reeds met een koopvaardijkapitein het laden op zijn schip afgesproken van Engelsche waren, die wij aan de kust in ontvangst zouden nemen. Wij gingen ze bij Estepona opwachten en verborgen er een deel van in het gebergte; met de rest beladen begaven we ons naar Ronda. Carmen was ons daarheen vóór gegaan. Zij was het ook, die ons het oogenblik aangaf, waarop we in de stad zouden komen. Deze eerste reis en nog een paar andere reizen waren prettig. Het smokkelaarsleven beviel mij beter dan het soldatenleven; ik gaf Carmen geschenken, ik had geld en een maîtres; ik had geen wroeging, want, zooals de zigeuners zeggen: schurft met plezier jeukt niet[42]. We werden overal goed ontvangen; mijn makkers behandelden mij goed, ja zij betoonden mij ontzag. De reden was dat ik een man had gedood en onder hen waren er die zulk een bedrijf niet op hun geweten hadden. Maar wat mij in mijn nieuw leven nog meer waard was is, dat ik Carmen dikwijls zag. Zij betoonde mij meer vriendschap dan ooit; in tegenwoordigheid der anderen echter liet zij niet merken dat zij mijn maîtres was: ja, ze had mij onder allerlei eeden laten zweren dat ik niets van haar zou vertellen. Ik was zoo zwak tegenover deze vrouw, dat ik aan al haar luimen gehoorzaamde. Het was bovendien voor het eerst dat zij zich aan mij toonde met de ingetogenheid van een fatsoenlijke vrouw en ik was onnoozel genoeg om te gelooven dat zij zich werkelijk gebeterd had.
Onze troep, die uit acht tot tien man bestond, kwam slechts in de beslissende oogenblikken bijeen en gewoonlijk waren we bij groepjes van twee of drie over de steden en dorpen verspreid. Ieder van ons gaf voor een beroep te hebben: de een was ketellapper, de ander paardenkooper; ik was kramer, maar ik vertoonde mij niet in groote plaatsen, met het oog op dat kwade zaakje te Sevilla. Op zekeren dag, of liever, avond, was ons rendez-vous beneden Véger. De Dancaïre en ik waren er vóor de anderen. Hij scheen zeer vroolijk. Wij krijgen een kameraad er bij, zeide hij. Carmen heeft een van haar knapste streken uitgehaald. Zij heeft haar _rom_ doen ontsnappen, die in den _presidio_ te Tarifa was.--Ik begon reeds de taal der Zigeuners te verstaan, die bijna al de anderen spraken, en het woord _rom_ deed mij ontstellen.--Hoe zoo! haar man, is zij dan getrouwd? vroeg ik den kapitein.
--Ja, antwoordde hij, met Garcia, die één oog heeft: een zigeuner even uitgeslapen als zij. De arme kerel was in de galeien. Carmen heeft den chirurg van den _presidio_ zoo weten in te palmen, dat zij de vrijheid van haar _rom_ heeft bewerkt. O, die meid is haar gewicht aan goud waard. Al twee jaar deed ze haar best hem te doen ontsnappen: niets gelukte, totdat er een andere majoor kwam. Met dezen schijnt zij het spoedig eens te zijn geworden.--U begrijpt hoeveel genoegen mij deze tijding deed. Ik zag weldra Garcia met het eene oog; het was zeker wel het leelijkste monster dat onder de zigeuners was opgegroeid: zwart van huid en zwart van ziel, was hij de grootste schurk dien ik in mijn leven heb ontmoet. Carmen kwam met hem en toen zij hem in mijn bijzijn haar _rom_ noemde, hadt u de blikken moeten zien die ze mij toewierp en de gezichten die zij trok als Garcia het hoofd omkeerde. Ik was verontwaardigd en sprak den ganschen avond geen woord tot haar. Den volgenden morgen hadden wij onze pakken gemaakt en wij waren reeds op weg, toen we merkten dat een dozijn ruiters ons achterna zetten. De pochende Andalusiërs, die altijd den mond vol hebben van moord en doodslag, trokken dadelijk erbarmelijke gezichten. Allen zochten een goed heenkomen. De Dancaïre, Garcia, een mooie jongen uit Ecija, die de Remendado heette, en Carmen verloren hun bezinning niet. De overigen hadden hun muilezels achtergelaten en in de ravijnen de wijk genomen, waar de paarden hen niet konden volgen. Wij konden onze beesten niet bij ons houden en haastten ons het beste van onzen buit los te maken en op onze schouders te laden en toen trachtten we over de rotsen heen te vluchten langs de steilste hellingen. Wij wierpen onze pakken voor ons uit en volgden die zoo goed mogelijk, op de hielen glijdend. Inmiddels schoot de vijand op ons; het was voor het eerst dat ik kogels hoorde fluiten en het liet me vrij koud. Als er een vrouw bij is, steekt er geen verdienste in met den dood te spotten. Wij ontkwamen, met uitzondering van den armen Remendado, die een schot kreeg in de lendenen. Ik wierp mijn pak neer en trachtte hem te grijpen.--Ezel! riep Garcia mij toe, wat hebben we met een kreng van doen. Maak hem af en verlies de katoenen kousen niet.--Gooi hem neer! riep Carmen mij toe.--Door vermoeidheid moest ik hem een oogenblik neerleggen, beschut door een rots. Garcia kwam nader en schoot hem met zijn karabijn door het hoofd.--Die hem nu zou herkennen is knap, zeide hij, het gezicht ziende dat door twaalf kogels was verbrijzeld.--Ziedaar, meneer, het mooie leven dat ik heb geleid. 's Avonds bevonden wij ons in een kreupelbosch, uitgeput door vermoeienis, met niets te eten en door het verlies van onze muilezels geruïneerd. Wat deed die duivelsche Garcia? Hij haalde een pak kaarten uit zijn zak en begon met den Dancaïre te spelen bij 't schijnsel van een vuur dat zij aanstaken. Inmiddels had ik mij op den grond uitgestrekt en ik keek naar de sterren, denkend aan den Remendado en ik zeide tot mij zelf, dat ik wel zoo lief in zijn plaats had willen zijn. Carmen hurkte naast mij neer en van tijd tot tijd liet zij al neuriënd haar castagnetten rinkelen. Toen dichter bij komend, quasi om mij iets in het oor te zeggen, omhelsde zij mij twee of driemaal, bijna tegen mijn wil.--Je bent een duivelskind, zeide ik.--Ja, antwoordde zij.
Na eenige uren rust, ging zij naar Gaucin en den volgenden morgen kwam een kleine geitenherder ons brood brengen. Wij bleven daar den ganschen dag en 's avonds kwamen wij dichter bij Gaucin. Wij wachtten berichten van Carmen. Er kwam niets.
Toen het weer dag was, zagen wij een ezeldrijver die een goed gekleede vrouw met een parasol geleidde, en een meisje, dat haar bediende scheen te zijn. Garcia zeide tot ons:--Daar zendt St. Nikolaas ons twee muilezels en twee vrouwen; ik had liever vier muilezels; maar het doet er niet toe; ik neem ze voor mijn rekening!--Hij nam zijn karabijn en daalde het pad af, zich in de struiken verbergend. De Dancaïre en ik volgden hem op korten afstand. Toen wij dicht genoeg waren genaderd, vertoonden wij ons en riepen den ezeldrijver »halt« toe. Toen de vrouw ons zag, schrikte zij niet--ons toilet alleen was genoeg om van te schrikken--maar schaterde zij het uit.--O, de _lillipendi_ die mij voor een _erani_ houden![43]--Het was Carmen, maar zoo goed verkleed, dat, als zij een andere taal had gesproken, ik haar niet zou hebben herkend. Zij sprong van haar muilezel en praatte een poosje zachtjes met den Dancaïre en Garcia; toen zeide ze tot mij: Kanarie, we zien elkaar nog vóor dat je opgehangen wordt. Ik ga naar Gibraltar voor zaken van Egypte. Je zult weldra van me hooren.--Wij gingen van elkaar nadat zij ons een plaats had aangewezen, waar wij voor eenige dagen een schuilplaats zouden kunnen vinden. Die meid was de voorzienigheid van onzen troep. Wij kregen weldra een beetje geld, dat zij ons toezond en een bericht dat ons nog meer waard was, namelijk dat op die en die dag twee Engelsche milords langs die en die weg van Gibraltar naar Grenada zouden gaan. Dat was genoeg voor goede verstaanders. Zij hadden overvloed van guinjes bij zich. Garcia wilde hen dooden, maar de Dancaïre en ik verzetten ons er tegen. Wij namen alleen hun geld en hun horloges, en verder hun hemden, waaraan wij dringend behoefte hadden.
Men wordt slecht meneer, zonder er bij te denken. Een mooie meid brengt ons het hoofd op hol, men vecht om haar, er gebeurt een ongeluk, men moet in het gebergte leven, en van smokkelaar wordt men dief vóor men het weet. Wij achtten het voor ons niet pluis in de omstreken van Gibraltar na de ontmoeting met de milords, en drongen dieper in het gebergte van Ronda.--U heeft mij van José-Maria gesproken: welnu daar heb ik kennis met hem gemaakt. Hij nam zijn maîtres mee op zijn tochten. Het was een mooie meid, fatsoenlijk, zedig, met goede manieren, nooit een ruw woord en een toewijding!.... Hij daarentegen maakte haar heel ongelukkig. Hij liep altijd de meisjes achterna, behandelde haar slecht en soms deed hij alsof hij jaloersch was. Eens gaf hij haar een steek met een mes. Welnu, hij was haar er nog te liever om. De vrouwen zijn zoo, de Andalusische vooral. Deze was trotsch op het litteeken dat zij op den arm had en liet dat zien, alsof het 't mooiste op de wereld was. En José-Maria was bovendien een heel slecht kameraad!.... Op een tocht dien we maakten, wist hij het zoo aan te leggen dat al de winst aan hem bleef, aan ons de slagen en de moeilijkheden.
Maar laat ik tot mijn verhaal terugkeeren. Wij hoorden niets meer van Carmen. De Dancaïre zeide:--Een van ons moet naar Gibraltar gaan, om wat van haar te weten te komen; zij heeft zeker iets op touw gezet. Ik zou wel gaan, maar ik ben te Gibraltar te veel bekend.--De eenoogige zeide:--Ook mij kent men er; ik heb er zooveel grappen met de Kreeften uitgehaald.[44] En daar ik slechts één oog heb, ben ik moeilijk te vermommen.--Ik moet er dus heen? zeide ik daarop, verrukt alleen bij de gedachte Carmen weer te zien; zeg, wat moet ik doen?--De anderen zeiden:--Doe je best je in te schepen te Saint-Roc of daarlangs te gaan, zooals je dat het liefst is, en als je te Gibraltar bent, vraag dan aan de haven naar een koopvrouw in chocolade, Rollona geheeten; als je haar hebt gevonden, zul je van haar te weten komen wat er aan de hand is.--Wij kwamen overeen alle drie naar het gebergte van Gaucin te gaan; ik zou daar de twee anderen achterlaten en mij naar Gibraltar begeven als koopman in vruchten. Te Ronda had een man, die op onze hand was, mij een pas bezorgd; te Gaucin gaf men mij een ezel; ik belaadde dien met sinaasappelen en meloenen en ging op weg. Toen ik te Gibraltar aankwam, bleek mij dat men daar Rollona wel kende, maar zij was gestorven of gegaan naar _finibus terrae_[45] en haar verdwijnen verklaarde, naar het mij voorkwam, dat wij de gelegenheid met Carmen in betrekking te blijven hadden verloren. Ik zette mijn ezel op stal en ging met mijn sinaasappelen door de stad, quasi om ze te verkoopen, maar in werkelijkheid om te zien of ik niet een of anderen bekende zou ontmoeten. Er is daar heel wat gespuis uit alle landen der wereld en het is er de toren van Babel, want men kan geen tien stappen in een straat doen zonder evenveel talen te hooren spreken.
Ik zag heel wat lui van Egypte, maar durfde hen niet te vertrouwen; wij bekeken elkaar, wij merkten wel dat we schavuiten waren, maar het kwam er op aan te weten of wij tot dezelfde bende behoorden. Na twee dagen vergeefs zoeken had ik niets vernomen omtrent Rollona of Carmen, en ik dacht er over tot mijn kameraden terug te keeren na eenige inkoopen te hebben gedaan, toen ik, bij zonsondergang door een straat wandelend, een vrouwenstem hoorde die mij uit een raam toeriep:--Koopman! Ik kijk op en zie op een balkon Carmen, steunend op haar elleboog, naast een officier in het rood, met gouden epauletten, krullend haar en het voorkomen van een rijken milord. Wat haar aangaat, zij was schitterend gekleed, een sjaal over de schouders, een gouden kam in het haar, heelemaal in zijde en, altijd dezelfde, lachte de dame dat zij zich de zijden vasthield. De Engelschman, het Spaansch radbrakend, riep mij toe dat ik boven zou komen, dat madame sinaasappels wilde hebben; en Carmen zeide tot mij in het Baskisch:--Kom boven en verbaas je over niets.--Niets inderdaad behoorde mij van haar te verbazen. Ik weet niet of ik meer vreugde dan verdriet had dat ik haar terugvond. Aan de deur was een groote gepoederde Engelsche lakei, die mij bracht naar een prachtigen salon. Carmen zeide dadelijk tot mij in het Baskisch:--Je kent geen woord Spaansch, je kent me niet.--Toen, zich keerend tot den Engelschman:--Ik zei het u wel; ik herkende hem dadelijk voor een Baskiër; u zult hooren wat een rare taal. Wat ziet hij er dom uit, niet waar? Men zou zeggen een kat gesnapt in een etenskast.--En jij, zei ik in mijn taal, je ziet er uit als een onbeschaamde prij en ik heb wel lust je voor de oogen van je minnaar het gelaat te teekenen.--Mijn minnaar! zeide zij, kijk, kijk, heb je dat alleen bedacht? En je bent jaloersch op dien ezel? Je bent nog onnoozeler dan vóór onze avonden in de Candilejo-straat. Begrijp je niet, dwaas die je bent, dat ik op dit oogenblik zaken doe van Egypte, en nog wel op de schitterendste manier. Dit huis behoort mij, de guinjes van den Kreeft zullen mij behooren; ik doe met hem wat ik wil; ik zal hem brengen waar hij nooit vandaan komt.
--En ik, als je voortgaat op die wijze zaken van Egypte te doen, zal wel zorgen, dat je niet weer begint, zeide ik.
--Zoo! Welzeker! Ben je mijn _rom_, dat je mij beveelt? De Eenoog vindt het goed, wat heb jij er mee te maken? Je moest al heel tevreden zijn dat jij de eenige bent die zeggen kan dat hij mijn _minchorrò_[46] is.
--Wat zegt hij? vroeg de Engelschman.
--Hij zegt dat hij dorst heeft en dat hij wel wat zou willen drinken, antwoordde Carmen. En ze liet zich op een canapé vallen, schaterend om haar vertaling.
Meneer, als die meid lachte, was het niet mogelijk een verstandig woord te spreken. Iedereen moest mee lachen. Die groote Engelschman begon ook te lachen, als een dwaas die hij was, en gelastte dat men mij wat te drinken zou geven.
Terwijl ik dronk, zeide zij:--Zie je die ring, die hij aan de vinger draagt? Als je wilt zal ik je hem geven.
Ik antwoordde:--Ik zou een vinger geven om je milord in het gebergte tegenover mij te hebben, elk met een _maquila_ in de vuist.
--Wat wil dat zeggen, _maquila_? vroeg de Engelschman.
--_Maquila_, zeide Carmen steeds lachend, wil zeggen sinaasappel. Is dat niet een gek woord voor sinaasappel? Hij zegt dat hij u er van wilde laten proeven.
--Zoo? zeide de Engelschman. Nu, laat hem dan morgen weer _maquilas_ brengen.--Terwijl wij praatten kwam de lakei zeggen dat het maal gereed was. Toen stond de Engelschman op, gaf mij een piaster en bood Carmen den arm, alsof zij niet alleen kon loopen. Steeds lachend zeide Carmen tot mij:--Ik kan je niet ten eten noodigen, mijn jongen; maar kom morgen hier met sinaasappels zoodra je trommelen hoort voor de parade. Je zult een beter gemeubelde kamer vinden dan die van de Candilejo-straat en je zult zien of ik nog altijd je kleine Carmen ben. En dan zullen we over de zaken van Egypte spreken.--Ik antwoordde niets en toen ik op straat was riep de Engelschman me na: Breng morgen _maquilas_! en ik hoorde Carmen schateren.
Ik ging, niet wetend wat ik zou doen, ik deed geen oog dicht en was 's morgens zoo woedend op de trouwelooze, dat ik besloten was Gibraltar te verlaten, zonder haar weer te zien; maar bij 't eerste tromgeroffel ontzonk mij alle moed: ik nam mijn mat met sinaasappels en snelde naar Carmen. Haar jaloezie was half open en ik zag haar groote zwarte oogen naar mij gluren. De gepoederde lakei bracht mij dadelijk naar binnen; Carmen gaf hem een boodschap en zoodra wij alleen waren, schoot zij in een van haar krokodillen-lachbuien en vloog mij om den hals. Ik had haar nooit zoo mooi gezien. Getooid als een madonna, geparfumeerd.... meubels met zijde, geborduurde gordijnen.... en ik zag er uit als de roover die ik was.--_Minchorrò!_ zeide Carmen, ik heb lust hier alles kort en klein te slaan, het huis in brand te steken en het gebergte in te vluchten.--En zij liefkoosde mij.... en lachte dan weer!.... en zij danste en verscheurde haar volants: nooit maakte een aap meer sprongen, grimassen en gekheden. Toen zij weer ernstig was geworden, zeide zij:--Luister, het is over Egypte. Ik wil dat hij mij naar Ronda zal brengen waar ik 'n zuster heb die non is.... (Hier schaterde zij 't weer uit). Wij zullen ergens langs gaan, dat zal ik je laten weten. Je overvalt hem en schudt hem naakt uit. Het beste zou zijn hem dood te slaan; maar, aldus liet zij er op volgen met een duivelschen glimlach dien zij op zekere oogenblikken had--en niemand had dan lust het haar na te doen--weet je wat je doen moest? Laat den Eenoog vóórgaan. Blijf een beetje achter; de Kreeft is dapper en handig; hij heeft goeje pistolen.... Begrijp je?.... Zij onderbrak zichzelf weer met een schaterlach die mij deed rillen.
--Neen, zeide ik tot haar: ik haat Garcia, maar hij is mijn kameraad. Eens misschien zal ik je van hem verlossen, maar wij zullen samen afrekenen naar de wijze van mijn land. Ik ben slechts bij toeval Egyptenaar en in sommige opzichten zal ik altijd een echte Navarrees blijven, zooals het spreekwoord zegt[47].
Zij antwoordde:--Je bent een ezel, een domkop, een echte _payllo_. Je bent als de dwerg die zich voor groot houdt als hij ver heeft kunnen spuwen[48]. Je hebt me niet lief, ga heen.
Als zij me zeide: Ga heen, dan kon ik niet heengaan. Ik beloofde te zullen vertrekken, tot mijn kameraden terug te keeren en den Engelschman op te wachten; van haar kant beloofde ze mij zich ziek te houden tot op het oogenblik dat zij van Gibraltar naar Ronda vertrok. Ik bleef nog twee dagen te Gibraltar. Vermomd waagde zij het mij in mijn herberg te bezoeken. Ik vertrok; ook ik had mijn plan bedacht. Ik keerde terug naar ons rendez-vous, de plek kennend die de Engelschman en Carmen moesten voorbijgaan en het uur waarop. Ik vond den Dancaïre en Garcia die mij wachtten. Wij brachten den nacht door in een bosch bij een vuur van denneappels, dat heerlijk brandde. Ik stelde Garcia voor kaart te spelen. Hij nam dat aan. Bij de tweede partij zeide ik dat hij valsch speelde; hij begon te lachen. Ik smeet hem de kaarten in het gezicht. Hij wilde zijn karabijn nemen; ik zette er den voet op en zeide tot hem:--Men zegt dat je het mes hanteert als de beste vechter van Malaga; wil je het eens met mij probeeren?--De Dancaïre wilde ons scheiden. Ik had Garcia een paar vuistslagen gegeven, toorn had hem dapper gemaakt, hij had zijn mes getrokken, ik het mijne. Wij zeiden beiden tot den Dancaïre, dat hij ons ruim baan zou maken en vrij spel laten. Hij zag dat hij ons niet kon tegenhouden en verwijderde zich. Garcia was reeds gekromd als een kat, die gereed staat zich op een muis te werpen. Hij hield den hoed in de linkerhand om te pareeren, het mes naar voren. Dat is de Andalusische manier zich te dekken. Ik zette mij op de Navarreesche wijze in postuur, recht tegenover hem, den linkerarm omhoog, het linkerbeen vooruit, het mes langs de rechterdij. Ik voelde mij sterker dan een reus. Hij wierp zich pijlsnel op mij; ik draaide op den linkervoet om en hij vond niets meer tegenover zich; maar ik raakte hem aan den hals en het mes drong zoo diep door dat mijn hand tot onder zijn kin kwam. Ik keerde het lemmer krachtig om zoodat het brak. Het was uit. Het lemmer werd uit de wond geworpen door een gulp bloed, dik als een arm. Hij viel op zijn neus stijf als een paal.