Carmen

Part 3

Chapter 34,262 wordsPublic domain

Twee of drie uur later dacht ik er nog aan, toen een portier hijgend kwam aanloopen, met een ontsteld gelaat. Hij zeide dat er een vrouw vermoord was in de groote sigaren-zaal en dat de wacht er heen moest. De wachtmeester gelastte mij met twee man er heen te gaan. Ik neem mijn mannen en ga naar de zaal. Stel u voor meneer, ik vond daar vooreerst zoowat driehonderd vrouwen in haar hemd, allen schreeuwend, brullend, met drukke gebaren een lawaai makend dat men 't niet zou hebben hooren donderen. Aan den kant lag een vrouw achterover, met bloed bedekt: op het gelaat was een × met twee messteken geteekend. Tegenover de gewonde, die door de besten van de bende werd bijgestaan, zie ik Carmen, die door vijf of zes kameraden werd vastgehouden. De gewonde vrouw riep: Een priester, een priester, ik sterf! Carmen zeide niets; zij perste de lippen op elkaar en rolde met de oogen als een kameleon.

--Wat is er gebeurd? vroeg ik. Ik had groote moeite dat te weten te komen, want al de vrouwen spraken tegelijk tot mij.

Naar het schijnt had de gewonde vrouw gepocht dat zij genoeg geld bij zich had om een ezel te koopen op de markt te Triana.--Zoo, zeide Carmen, die niet op haar mondje gevallen was, heb je dan niet genoeg aan een bezem?--De andere, over het verwijt geraakt, misschien wel omdat zij wist dat het bij haar niet pluis was op dat punt, antwoordde dat zij geen verstand had van bezems, daar zij niet de eer had zigeunerin of pleegkind van Satan te zijn, maar dat mademoiselle Carmencita weldra kennis zou maken met haar ezel, als meneer de corregidor haar op de wandeling zou meenemen, met twee lakeien achter zich om de vliegen van haar af te jagen.--Nu, zeide Carmen, ik zal drinkbakjes voor de vliegen op je gezicht maken en ik zal er een dambord op schilderen[17].--Daarop, flap! begint ze met het mes waarmee zij de punten der sigaren afsneed, haar St. Andries-kruisen op het gezicht te teekenen.

Het geval was duidelijk: ik nam Carmen bij den arm:--Zusje, zeide ik beleefd, u moet me volgen.--Zij wierp mij een blik toe alsof ze mij herkende, maar zeide op gelaten toon:--Vooruit maar. Waar is mijn mantille?--Zij deed die over het hoofd zoodat slechts een van haar groote oogen te zien kwam en volgde mijn beide mannen, gedwee als een lam. Toen wij in het wachthuis kwamen, zeide de wachtmeester dat het een ernstig geval was en dat zij naar de gevangenis moest. Weer was ik het, die haar moest geleiden. Ik plaatste haar tusschen twee dragonders en liep achter haar zooals een brigadier bij zulk een gelegenheid doen moet. Wij begaven ons naar de stad. In den beginne bewaarde de zigeunerin het zwijgen, maar in de Slangenstraat--u kent haar, zij verdient haar naam wel door de kronkelingen die zij maakt--begon zij haar mantille op haar schouders te laten vallen, om mij haar verleidelijk gezichtje te laten zien en, zich zooveel mogelijk tot mij keerend, zeide zij:

--Waar voert u me heen, meneer de officier?

--Naar de gevangenis, arm kind, antwoordde ik zoo zacht ik kon, zooals een goed soldaat tot een gevangene moet spreken, vooral tot een vrouw.

--Helaas, wat zal er van mij worden! Heb medelijden met mij, meneer de officier. U is zoo jong, zoo lief!.... Toen, zachter: Laat mij ontsnappen, zeide zij, ik zal u een stuk van de _bar lachi_ geven, dat u door alle vrouwen zal doen beminnen.

De _bar lachi_, meneer, is de zeilsteen, waarmee men, volgens de zigeuners, allerlei hekserijen doet, wanneer men zich er van weet te bedienen. Laat een vrouw een glas witten wijn drinken waarin een beetje van zulk een steen is geraspt en zij biedt niet langer tegenstand. Ik antwoordde zoo ernstig ik kon:

--Wij zijn niet hier om malle praatjes te verkoopen; je moet naar de gevangenis, dat is het parool en daaraan valt niets te veranderen.

Wij Baskiërs hebben een accent, dat ons gemakkelijk door de Spanjaarden doet herkennen: daarentegen is er niet een, die al was het maar _baï, jaona_[18] kan leeren uitspreken. Het kostte dus Carmen niet veel moeite te raden dat ik uit de Provincies kwam. U moet weten, meneer, dat de zigeuners, die van geen enkel land zijn en altijd reizen, alle talen spreken, en de meesten gevoelen zich thuis in Portugal, in Frankrijk, in de Provincies, in Catalonië, overal; zelfs met de Mooren en Engelschen kunnen zij zich verstaanbaar maken. Carmen kende vrij goed Baskisch.

--_Laguna ene bihotsarena_, kameraad van mijn hart, zeide zij opeens, zijt ge van het land?

Onze taal is zoo mooi, meneer, dat als we die in den vreemde hooren, wij er van opspringen....

»Ik zou een biechtvader uit de Provincies willen hebben«, liet de bandiet er zachter op volgen.

--Ik ben van Elizondo, antwoordde ik haar in het Baskisch, zeer bewogen omdat ik haar mijn taal hoorde spreken.

--Ik ben van Etchalar, zeide ze.--Dat is vier uur van ons vandaan.--Ik werd door zigeuners naar Sevilla meegenomen. Ik werkte daar in de fabriek om genoeg te verdienen ten einde naar Navarra terug te keeren, tot mijn arme moeder wier eenige steun ik ben, en die een kleine _barratcea_[19] heeft, met twintig appelboomen om cider van te maken. O, was ik maar thuis, voor den witten berg! Men heeft mij gehoond, omdat ik niet van dit land ben van schobbejakken, van kooplui in verrotte sinaasappels; en die wijven hebben zich allen tegen me verklaard, omdat ik heb gezegd, dat al hun _jacques_[20] van Sevilla, met hun messen geen vrees zouden aanjagen aan een van onze jongens met zijn platte blauwe muts en zijn _maquila_. Kameraad, mijn vriend, zul je niets doen voor een landsje?

Zij loog, meneer, zij heeft altijd gelogen. Ik weet niet of die vrouw ooit in haar leven een waar woord heeft gesproken; maar als zij sprak geloofde ik haar: het was mij te machtig. Zij radbraakte het Baskisch en ik hield haar voor een Navarreesche; alleen haar oogen al en haar mond en haar gelaatskleur bewezen dat zij een zigeunerin was. Ik was gek, ik lette op niets meer. Ik dacht dat als Spanjaarden het in hun hoofd hadden gekregen kwaad te spreken van mijn land, ik hun ook het gezicht zou hebben gehavend, precies zooals zij zooeven met haar kameraad had gedaan. Om kort te gaan, ik was als een dronken man; ik begon dwaze dingen te zeggen, ik was rijp om ze te doen.

--Als ik je een duw gaf en als je viel, landsman, hernam ze in het Baskisch, dan zouden die twee Castilliaansche lotelingen mij niet tegenhouden....

Bij God, ik vergat het parool en al de rest en zei de tot haar:

--Welnu, vriendin, landsje, probeer het en Onze Lieve Vrouwe van den Berg zij met u!--Op dat oogenblik gingen wij een van die nauwe stegen voorbij, zooals er zoovele zijn te Sevilla. Opeens keert Carmen zich om en geeft me een stomp voor de borst. Ik liet mij omgooien, met opzet achterover. Met een sprong was zij over mij heen en begon te loopen wat ze maar kon, hals over kop!.... Men zegt Baskische beenen: de hare waren bijzonder, even vlug als welgevormd. Ik stond dadelijk weer op, maar hield mijn lans[21] dwars, zoodat die de steeg versperde, en de dragonders aanvankelijk werden opgehouden, toen zij haar wilden achterna zetten. Toen begon ik zelf te loopen en de mannen achter mij aan; maar er was geen sprake van haar in te halen, met onze sporen, onze sabels en onze lansen! In minder tijd dan ik behoef om 't u te vertellen, was de gevangene verdwenen. Trouwens, al de wijven uit de buurt hielpen haar bij haar vlucht, lachten ons uit en wezen ons den verkeerden weg. Na verscheiden malen heen en weer te hebben gemarcheerd, moesten we naar het wachthuis terugkeeren zonder een bewijs van den gouverneur van de gevangenis.

Om straf te ontgaan, zeiden mijn mannen dat Carmen in het Baskisch met mij gesproken had en men vond het niet natuurlijk, om de waarheid te zeggen, dat een stomp van een zoo klein persoontje zoo gemakkelijk een sterken kerel als ik had neergeveld. Dat alles leek verdacht, of liever al te duidelijk. Bij het van de wacht trekken, werd ik gedegradeerd en voor een maand naar de gevangenis gezonden. Dat was mijn eerste straf sedert ik in dienst was. Weg de wachtmeester-strepen waarop ik al had gerekend!

Mijn eerste dagen als gevangene verliepen heel treurig. Toen ik soldaat werd, had ik mij voorgesteld het op zijn minst tot officier te brengen. Longa, Mina, mijn landgenooten, zijn wel kapitein-generaal; Chapalangarra, die een zwarte is evenals Mina, en evenals hij in uw land gevlucht, Chapalangarra was kolonel, en ik heb herhaaldelijk gekaatst met zijn broeder, een armen drommel net als ik. Nu zeide ik bij me zelf: Al de tijd dat je zonder straf hebt gediend, is verloren tijd. Je bent nu slecht aangeschreven; om weer in een goed blaadje te komen bij je chefs, zul je tien maal harder moeten werken dan toen je als loteling bent gekomen! En waarvoor heb ik straf opgeloopen?

Voor een kwaje meid, een zigeunerin, die den draak met mij heeft gestoken, en die nu in een of andere wijk van de stad aan het stelen is. Toch kon ik niet nalaten aan haar te denken. U zult het niet gelooven, meneer: haar zijden kousen met gaten, die ik duidelijk zag toen zij op den loop ging, waren mij steeds voor oogen. Door de tralies der gevangenis keek ik op straat en onder al de vrouwen die voorbijgingen zag ik er geen die bij haar haalde. En dan, ondanks mij zelf, rook ik de bloem, die zij mij had toegeworpen, en die, gedroogd, nog altijd haar lekkeren geur behield.... Als er tooveressen zijn, dan was die meid er zeker een!

Op zekeren dag kwam de cipier mij een Alcala-brood[22] brengen.--Ziedaar, zeide hij, dat zendt je je nicht. Ik nam het brood zeer verbaasd aan, want ik had geen nicht te Sevilla. Het is misschien een vergissing, dacht ik, het brood bekijkend; maar het zag er zoo smakelijk uit, het rook zoo lekker, dat ik, zonder mij te bekommeren over de herkomst of over zijn bestemming, besloot het op te eten. Toen ik het wilde aansnijden stiet mijn mes op iets hards. Ik keek en vond een kleine Engelsche vijl, die men in het deeg had laten glijden voordat het brood was gebakken. Verder was er in het brood een goudstuk van twee piasters. Er viel niet aan te twijfelen: het was een geschenk van Carmen. Voor menschen van haar ras is vrijheid alles en zij zouden een stad in brand steken om een dag korter in de gevangenis te zijn. Bovendien had de meid het goed overlegd en met zulk een brood kon men de cipiers uitlachen. In een uur zaagde men met de kleine vijl de dikste tralie door en met het goudstuk kon ik bij den eersten uitdrager de beste mijn kapotjas ruilen voor een burgerjas. U begrijpt wel dat iemand, die menigmaal in onze rotsen jonge arenden uit hun nesten had gehaald, er niet veel in zag uit een raam nog geen dertig voet hoog op straat te komen; maar ik wilde niet ontsnappen. Ik had nog mijn eergevoel als soldaat en deserteeren leek mij een groote misdaad. Toch was ik getroffen door dit bewijs dat zij aan mij dacht. Als men in de gevangenis zit, vindt men het prettig te denken dat daar buiten een vriend is die belang in je stelt. Met het goudstuk was ik een beetje verlegen; ik had het wel willen teruggeven; maar waar kon ik mijn schuldeischer vinden? Dat leek mij niet gemakkelijk.

Na de plechtigheid der degradatie, meende ik dat ik niets meer zou behoeven te lijden; er bleef mij nog een vernedering te slikken: dat was toen ik de gevangenis verliet en men mij gelastte als gewoon soldaat op schildwacht te staan. U kunt u niet voorstellen wat iemand die gevoel heeft bij een dergelijke gelegenheid ondervindt. Ik geloof dat ik net zoo lief was doodgeschoten. Men loopt dan ten minste alleen voor zijn peloton uit; men voelt zich iets te zijn, de menschen kijken naar je.

Ik werd op schildwacht gezet bij den kolonel. Het was een rijke jonge man, goedhartig, die van vermaak hield. Al de jonge officieren, vele burgers kwamen bij hem aan huis, ook vrouwen, actrices naar men zeide. Wat mij aangaat, het was mij alsof de geheele stad zich bij zijn deur rendez-vous had gegeven om mij aan te kijken. Daar kwam het rijtuig van den kolonel, met zijn kamerdienaar op den bok. Wie zie ik er uit stappen?.... de gitanilla. Zij was ditmaal versierd als een reliquieënkastje, opgeschikt, opgedrild met goud en linten. Een japon met loovers, blauwe schoenen ook met loovers, overal bloemen en galons. In de hand hield zij een tamboerijn. Zij had nog twee zigeunerinnen bij zich, een jonge en een oude. Er gaat altijd een oude mede. Verder een oude zigeuner met een gitaar om te spelen en hen te laten dansen. U weet dat men dikwijls zigeunerinnen in gezelschappen laat komen, om ze de _romalis_, dat is hun dans, te laten dansen, en dikwijls nog heel wat anders.

Carmen herkende mij en wij wisselden een blik. Op dat oogenblik had ik, geloof ik, wel honderd voet onder den grond willen zijn.--_Agur laguna_[23], zeide zij. Je staat op wacht als een loteling, meneer de officier! En voordat ik een woord had kunnen vinden was zij het huis in.

Het geheele gezelschap was in den _patio_ en ondanks het gedrang zag ik door het hek[24] bijna alles wat er gebeurde. Ik hoorde de castagnetten, de tamboerijn, het gelach en de bravo's; soms zag ik haar hoofd als ze met haar tamboerijn sprong. Ook hoorde ik dat de officieren dingen tot haar zeiden, waarvan ik een kleur kreeg. Wat zij antwoordde weet ik niet. Van dien dag af, geloof ik, begon ik haar werkelijk te beminnen; want drie of viermaal kwam het bij mij op den _patio_ binnen te stappen en al die mooie meneeren, die haar lievigheden zeiden, met mijn sabel toe te takelen. Mijn marteling duurde ruim een uur; toen gingen de zigeuners heen en het rijtuig bracht hen weg. In het voorbijgaan keek Carmen mij aan zooals zij dat doen kan, en zeide heel zachtjes tot mij:

--Kameraad, als men van goeje gebakken visch houdt, gaat men die te Triana eten, bij Lillas Pastia. Licht als een geitje sprong zij in het rijtuig, de koetsier legde de zweep op de muilezels en de heele vroolijke bende ging ik weet niet waar heen.

U begrijpt wel dat zoodra ik van de wacht trok, ik naar Triana ging; maar eerst liet ik mij scheren en ik schuierde me als voor een parade-dag. Zij was bij Lillas Pastia, een ouden handelaar in gebakken visch, een zigeuner zwart als een Moor, bij wien vele burgers gebakken visch kwamen eten, vooral, geloof ik, sedert Carmen daar haar tenten had opgeslagen.

--Lillas, zeide zij, zoodra ze mij zag, ik voer vandaag niets meer uit. Morgen is weer een dag[25]. Komaan kameraad, laat ons gaan wandelen.

Zij hield haar mantille voor haar gezicht en we waren op straat, zonder dat ik wist waar ik heenging.

--Mademoiselle, zeide ik, ik geloof dat ik u moet bedanken voor een cadeau, dat u mij zondt toen ik in de gevangenis was. Het brood at ik; de vijl zal mij dienen om er mijn lans aan te scherpen en bewaar ik als een aandenken aan u; maar ziehier het geld.

--Kijk! hij heeft het geld bewaard, zeide zij, in lachen uitbarstend. Nu, dat treft, want ik ben heelemaal niet bij kas; maar wat doet het er toe? Een hond die zwerft, van honger niet sterft[26]. Komaan, we zullen alles opmaken. Jij trakteert.

Wij waren weer op weg gegaan naar Sevilla. Aan den ingang van de Slangenstraat kocht zij een dozijn sinaasappels die zij mij in mijn zakdoek liet bergen. Een beetje verder kocht zij brood, worst, een flesch manzanilla; ten slotte ging zij bij een banketbakker binnen. Daar wierp zij op de toonbank het goudstuk, dat ik haar had teruggegeven, nog een dat zij op zak had, met wat zilvergeld; toen vroeg ze mij al wat ik bij me had. Ik had slechts een piécette en eenige cuartos, die ik haar gaf, heel verlegen omdat ik niet meer had. Ik dacht dat zij den heelen winkel wilde leegkoopen. Zij nam al wat maar mooi en duur was, _yemas_[27], _turons_[28], geconfijte vruchten, voor zoover het geld reikte. Dat alles moest ik in papieren zakken dragen.

U kent misschien de Candilejo-straat, waar een borstbeeld is van koning Don Pedro, den Handhaver van het Recht[29]. Het had mij tot heilzaam nadenken moeten stemmen. Wij hielden in die straat stil voor een oud huis. Zij ging de gang binnen en klopte bij de benedenverdieping aan. Een zigeunerin, een waar satanswijf, deed de deur open. Carmen sprak haar eenige woorden in _rommani_ toe. Eerst mopperde zij. Om haar te bedaren gaf Carmen haar twee sinaasappels en een handvol bonbons, en liet zij haar van den wijn proeven. Toen sloeg zij de vrouw haar mantel om en bracht haar naar de deur, die zij met den houten grendel sloot. Zoodra wij alleen waren, begon zij als een dwaze te dansen en te lachen, terwijl zij zong:--Jij bent mijn _rom_, ik ben je _romi_![30].--Ik stond midden in de kamer, beladen met al wat zij had ingeslagen, niet wetend waar het te bergen. Zij smeet alles op den grond en vloog mij om den hals, zeggend:--Ik betaal mijn schulden, ik betaal mijn schulden! dat is de wet der _Calés_![31]--Och, meneer, die dag! die dag!.... als ik er aan denk, vergeet ik dien van morgen.

De bandiet zweeg een oogenblik; toen hervatte hij, na zijn sigaar weer te hebben aangestoken, zijn verhaal.

Wij bleven den ganschen dag samen, eten, drinken, en de rest. Na bonbons te hebben gegeten als een kind van zes jaren, stopte zij handen vol in de waterkruik van de oude vrouw.--Dat is sorbet voor haar, zeide zij. Zij wierp de _yemas_ stuk tegen den muur.--Opdat de vliegen ons met rust laten, zeide zij... Er is geen grap of dwaasheid die ze niet uithaalde. Ik zei, dat ik haar wilde zien dansen; maar hoe aan castagnetten te komen? Ze nam aanstonds het eenige bord van de oude, brak dat in stukken en ging de _romalis_ dansen, terwijl zij de stukken aardewerk even handig deed klappen alsof zij castagnetten had gehad van ebbenhout of ivoor. Ik verzeker u dat men zich met die meid niet verveelde. De avond viel en ik hoorde de tamboers den taptoe slaan.

--Ik moet naar de wacht voor het appèl, zeide ik.

--Naar de wacht? zeide zij op minachtenden toon; ben je dan een slaaf, die aan een touwtje loopt. Je bent een echte kanarie naar uniform en aard[32]. Ga, je bent een flauwerd.--Ik bleef, mij bij voorbaat schikkend in de kamer van arrest. Den volgenden morgen was zij het die het eerst sprak van scheiden.--Luister Joseito, zeide zij; heb ik mijn schuld aan je afgedaan? Volgens onze wet was ik je niets schuldig aangezien je een _payllo_ bent; maar je bent een mooie jongen en je beviel me. Wij zijn kiet. Goejen dag.

Ik vroeg haar wanneer ik haar weer zou zien.

--Als je minder onnoozel zult zijn, antwoordde zij lachend. Toen, op ernstiger toon: Weet je wel jongske, dat ik geloof dat ik een beetje van je houd? Maar dat kan niet duren. Hond en wolf gaan niet lang goed samen. Misschien, als je de wet van Egypte aannam, zou ik je _romi_ willen worden. Maar dat is malligheid, dat gaat niet. Ba! mijn jongen, geloof me, je komt er goed af. Je hebt den duivel ontmoet, ja, den duivel; hij is niet altijd zwart en hij heeft je den nek niet omgedraaid. Ik ben in wol gekleed, maar geen schaap[33]. Ga een kaars aansteken voor je _majari_[34]; ze heeft die wel verdiend. Nu, nogmaals vaarwel. Denk niet meer aan Carmencita, of ze zou je een weduwe met houten beenen tot vrouw bezorgen[35].

Dit zeggende trok zij den grendel van de deur weg en eenmaal op straat, wikkelde zij zich in haar mantille en liet mij haar hielen zien.

Wat zij had gezegd was juist. Het zou verstandiger van me zijn geweest niet meer aan haar te denken; maar sedert dien dag in de Candilejo-straat kon ik aan niets anders denken. Ik was den ganschen dag op de been in de hoop haar te ontmoeten. Ik vroeg de oude vrouw en den koopman in gebakken visch naar haar. Beiden antwoordden, dat zij naar Laloro[36] was gegaan--zoo noemen zij Portugal.--Waarschijnlijk deden ze dat op last van Carmen, maar weldra kwam ik te weten, dat zij logen. Eenige weken na den dag in de Candilejo-straat, kreeg ik de wacht bij een van de poorten van de stad. Op geringen afstand van die poort, was in den wal een bres ontstaan; bij dag werkte men er aan en 's nachts werd daar een wacht gezet om de smokkelaars te weren. Bij dag zag ik Lillas Pastia heen en weer loopen om het wachthuis en met eenige van mijn kameraden praten; allen kenden hem en nog beter zijn visch en zijn beignets. Hij kwam bij me en vroeg of ik berichten had van Carmen.

--Neen, zeide ik.

--Nu, dan zul je die krijgen, kameraad.

Hij vergiste zich niet. Des nachts kreeg ik de wacht bij de bres. Zoodra de brigadier was heengegaan, zag ik een vrouw op mij afkomen. Mijn hart zeide mij dat het Carmen was. Toch riep ik: Uit den weg, hier mag niemand door!

--Doe nou niet zoo boos, zeide zij, zich bekend makend.

--Wat ben jij het, Carmen!

--Ja, kameraad. Laten we weinig, maar op den man af praten. Wil je een douro verdienen? Er zullen menschen komen die pakken dragen: laat hen begaan.

--Neen, antwoordde ik. Ik moet hen tegenhouden; dat is het parool.

--Het parool, het parool! In de Candilejo-straat dacht je daar niet aan.

--O! antwoordde ik, door de herinnering alleen geheel van streek, dat was wel de moeite waard er het parool voor te vergeten, maar ik wil geen geld hebben van smokkelaars.

--Goed; als je geen geld wilt, zullen we dan nog eens gaan eten bij de oude Dorothea?

--Neen, zei ik, half stikkend van het geweld dat ik me aandeed. Ik kan niet.

--Heel goed. Als je zoo onhandelbaar bent dan weet ik wel tot wien ik me wenden zal. Ik zal je officier voorstellen bij Dorothea te komen. Hij ziet er goedig uit en hij zal een schildwacht zetten, die alleen maar zien zal wat hij moet zien. Dag, kanarie. Wat zal ik lachen als het parool is je op te hangen!

Ik was zwak genoeg haar terug te roepen en beloofde de heele zigeunerbende te laten doorgaan als het moest, mits ik de eenige belooning kreeg die ik wenschte. Zij zwoer me daarop den volgenden dag woord te houden, en ging haar vrienden verwittigen die in de buurt wachtten. Het waren er vijf, waaronder Pastia, allen zwaar beladen met Engelsche koopwaar. Carmen hield de wacht. Zij moest met haar castagnetten waarschuwen zoodra zij de patrouille zag komen. Maar dat was niet noodig: de smokkelaars waren in een oogwenk klaar.

Den volgenden dag ging ik naar de Candilejo-straat. Carmen liet op zich wachten en toen zij kwam was zij vrij slecht gemutst.--Ik houd niet van menschen die zich laten bidden, zeide zij. Den eersten keer heb je me een veel grooter dienst bewezen, zonder te weten of je er iets bij winnen zou. Gisteren heb je met mij gemarchandeerd. Ik weet niet waarom ik gekomen ben, want ik houd niet meer van je. Daar, ga heen, hier is een douro voor je moeite.--Het scheelde niet veel of ik had haar het geldstuk naar het hoofd gesmeten en ik moest mij zelf geducht geweld aandoen om haar niet te slaan. Na een uur samen te hebben getwist, ging ik woedend heen. Ik dwaalde eenigen tijd door de stad heen en weer, als een gek; ten slotte trad ik een kerk binnen, ging in den donkersten hoek staan en stortte heete tranen. Opeens hoor ik een stem:--Dragondertranen! daar wil ik een minnedrank van maken.--Ik sla de oogen op; Carmen stond voor me.--Nu, kameraad, zeide zij, ben je nog boos? Ik moet toch ondanks alles wel van je houden, want sedert je weg ging, voel ik me zoo raar. Kom, nu ben ik het die vraagt of je mee wilt naar de Candilejo-straat.

Wij sloten dus vrede, maar het humeur van Carmen was als het weer bij ons. Nooit is in onze bergen een onweer zoo nabij dan wanneer de zon het helderst schijnt. Zij had mij beloofd nog eens met mij samen te komen bij Dorothea en zij kwam niet. En Dorothea zeide wederom dat zij naar Laloro was gegaan voor zaken van Egypte.

Door de ondervinding wetend waaraan mij hieromtrent te houden, zocht ik Carmen overal waar ik dacht dat zij zijn kon, en twintigmaal per dag ging ik door de Candilejo-straat. Op een avond was ik bij Dorothea, die ik bijna gedwee had gemaakt door haar nu en dan op een glaasje anisette te trakteeren, toen Carmen binnen kwam, gevolgd door een jongen man, luitenant bij ons regiment.