Part 2
--Beloof mij, don José, als belooning voor den dienst dien ik u bewezen heb, niemand te verdenken en niet op wraak te zinnen. Ziehier sigaren voor onderweg; goede reis! En ik reikte hem de hand.
Hij drukte die zonder te antwoorden, nam wapen en knapzak en na in een taaltje dat ik niet kon verstaan eenige woorden tot de oude vrouw te hebben gesproken, liep hij naar de schuur. Eenige oogenblikken later hoorde ik hem buiten galoppeeren.
Wat mij aangaat, ik ging weer op mijn bank liggen, maar ik sliep niet weer in. Ik vroeg mijzelf af, of ik wel had gedaan met een dief, misschien wel een moordenaar van de galg te redden, en alleen omdat ik ham en rijst »à la valencienne« met hem had gegeten. Had ik niet mijn gids verraden die voor de wet opkwam, had ik hem niet blootgesteld aan de wraak van een booswicht? Maar de plichten der gastvrijheid!.... Vooroordeel van een wilde, zeide ik tot mezelf; ik zal de verantwoording dragen voor alle misdrijven die de bandiet zal begaan.... Maar is 't wel een vooroordeel, dat instinct van het geweten, dat met alle redeneering spot? Misschien was de moeilijke toestand waarin ik mij bevond wel een, waaruit ik me niet zonder wroeging kon redden. Nog verkeerde ik in de grootste onzekerheid aangaande het rechtmatige van hetgeen ik had gedaan, toen ik een half dozijn ruiters zag verschijnen met Antonio, die zich voorzichtig op den achtergrond hield. Ik ging hun tegemoet en verwittigde hen, dat de bandiet al meer dan twee uur op de vlucht was gegaan. De oude vrouw antwoordde op de vragen van den brigadier, dat zij Navarro kende, maar dat zij, alleen wonend, nooit haar leven had durven wagen door hem aan te geven. Zij voegde er bij, dat, als hij bij haar kwam, het zijn gewoonte was midden in den nacht te vertrekken. Wat mij betreft, ik moest eenige mijlen verder mijn pas laten zien en een verklaring teekenen voor een schout, waarna men mij toestond mijn archaeologische nasporingen voort te zetten. Antonio bleef mokken tegen me; hij verdacht mij hem te hebben belet de tweehonderd dukaten op te strijken. We gingen intusschen te Cordova in goede verstandhouding van elkaar; daar gaf ik hem een fooi zoo groot als de staat mijner financiën het maar toeliet.
.. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
II.
Ik bracht eenige dagen te Cordova door. Men had mij gewezen op een manuscript in de bibliotheek der Dominikaners, waarin ik belangwekkende inlichtingen zou vinden over het oude Munda. Zeer heusch ontvangen door de goede paters, bracht ik de dagen in hun klooster door en 's avonds wandelde ik door de stad. Tegen zonsondergang zijn er te Cordova tal van leegloopers op de kade langs den rechteroever der Guadalquivir. Daar ademt men de geuren in, opstijgend uit een looierij, die de oude faam van de streek voor leerbereiding ophoudt; daarentegen geniet men er een schouwspel, dat stellig niet zonder waarde is. Eenige minuten vóór het _angelus_ komt een groot aantal vrouwen bijeen aan den oever der rivier onder aan de kade, die vrij hoog is. Geen man zou het wagen zich bij haar te voegen. Zoodra het _angelus_ klinkt, wordt het geacht avond te zijn. Bij den laatsten klokslag ontkleeden zich al die vrouwen en gaan zij te water. Dan is 't een geschreeuw, een gelach, een helsch lawaai. Boven, van de kade kijken de mannen naar de badenden, zetten groote oogen op en zien niet veel. Intusschen brengen die blanke, onbestemde vormen, afstekend tegen het donkerblauw van den stroom, de poëtische gemoederen aan het werken, en met een beetje verbeelding is het niet moeilijk zich Diana en haar nimfen badend voor te stellen, zonder dat men het lot van Acteon behoeft te duchten. Men heeft mij verteld, dat eenige ondeugende rakkers op zekeren dag overeenkwamen den klokkeluider van de Kathedraal om te koopen, zoodat hij het _angelus_ twintig minuten vóor den wettigen tijd liet slaan. Hoewel het nog klaar dag was aarzelden de nimfen van de Guadalquivir niet, en meer vertrouwende op het _angelus_ dan op de zon, maakten zij in alle gerustheid haar bad-toilet dat altijd hoogst eenvoudig is. Ik was daar niet bij. In mijn tijd was de klokkenluider onomkoopbaar, de schemering weinig licht en een kat alleen zou de oudste koopvrouw in sinaasappels hebben kunnen onderscheiden van de mooiste grisette van Cordova.
Op zekeren avond, op een uur dat men niets meer ziet, rookte ik geleund tegen de borstwering van de kade, toen een vrouw, de trap die naar de rivier leidt opkomend, dicht bij mij kwam zitten. Zij had een grooten ruiker jasmijnen in het haar, waarvan de bloembladen 's avonds een bedwelmenden geur verspreiden. Zij was eenvoudig, ja bijna armoedig gekleed, heelemaal in het zwart, zooals de meeste grisettes des avonds. De fatsoenlijke vrouwen dragen alleen 's morgens zwart, 's avonds kleeden zij zich _à la francesa_. Toen zij bij mij kwam, liet mijn baadster de mantille die haar hoofd bedekte op haar schouders glijden en _à l'obscure clarté qui tombe des étoiles_,[6] zag ik, dat zij klein was, jong, welgemaakt en dat zij zeer groote oogen had. Ik wierp dadelijk mijn sigaar weg. Zij begreep deze echt Fransche beleefdheid en haastte zich mij te zeggen, dat zij veel hield van den reuk van tabak en dat zij zelfs rookte, wanneer zij heel zachte _papelitos_ kon vinden. Bij geluk had ik die in mijn koker en ik haastte mij haar die aan te bieden. Zij verwaardigde zich er een te nemen en stak die met een stuk brandend touw aan, dat een kind ons voor een stuiver bracht. Terwijl onze rookwolken zich vermengden, praatten wij zóo lang, de schoone baadster en ik, dat wij nagenoeg alleen bleven op de kade. Ik meende niet opdringerig te zijn met haar aan te bieden ijs te gaan gebruiken in de _neveria_[7]. Na een lichte aarzeling nam zij aan; maar alvorens een besluit te nemen, wenschte zij te weten hoe laat het was. Ik liet mijn horloge slaan en dat scheen haar zeer te verbazen.
--Wat vindt men niet al uit bij u, heeren vreemdelingen! Van welk land is u, meneer? U is zeker een Engelschman?[8]
--Franschman en uw onderdanige dienaar. En u mademoiselle of madame, u is zeker van Cordova?
--Neen.
--U is toch een Andalusische. Aan uw zachte spraak zou ik dat zoo zeggen.
--Indien u zoo goed let op het accent, moet u wel raden wat ik ben.
--U is, denk ik, van het land van Jezus, op twee pas van het paradijs.
(Ik had deze overdrachtelijke uitdrukking, waarmede Andalusië bedoeld is, geleerd van mijn vriend Francisco Sevilla, een welbekend picador.)
--Kom, kom! Het paradijs.... de menschen hier zeggen, dat het voor ons niet bestaat.
--Maar dan zoudt u een Moorsche zijn, of.... ik bleef steken, niet durvend zeggen jodin.
--Kom, kom, u ziet wel dat ik een zigeunerin ben; zal ik u _la baji_[9] zeggen? Heeft u wel eens hooren spreken van la Carmencita? Die ben ik.
Ik was destijds zulk een onverlaat, dat is vijftien jaar geleden, dat ik niet van schrik terugdeinsde omdat een tooveres naast mij zat.--Komaan! zeide ik bij mezelf: verleden week soupeerde ik met een struikroover, laat ons nu ijs gaan gebruiken met een dienares van den duivel. Op reis moet men alles zien. Ik had nog een andere beweegreden om deze kennismaking voort te zetten. Toen ik van de hoogeschool kwam, ik beken het tot mijn schande, had ik eenigen tijd zoek gemaakt met de studie der geheime wetenschappen en ik had zelfs meermalen beproefd den geest der duisternis op te roepen. Sedert lang genezen van den lust in dergelijke nasporingen, was er bij mij niettemin een zekere nieuwsgierigheidsattractie overgebleven voor alle bijgeloof, en ik maakte er mij een feest van te weten te komen hoever de tooverkunst het gebracht had onder de zigeuners.
Al pratend waren wij de _neveria_ binnengegaan en we zetten ons aan een kleine tafel, verlicht door een kandelaar, die in een glazen ballon stak. Ik had toen al den tijd mijn _gitana_ op te nemen, terwijl eenige brave menschen zich, onder het gebruiken van hun ijs, verbaasden, mij in zulk goed gezelschap te zien.
Ik betwijfel sterk of mademoiselle Carmen van zuiver ras was; zij was althans oneindig mooier dan alle vrouwen van haar natie, die ik ooit heb ontmoet. Opdat een vrouw schoon zij, zeggen de Spanjaarden, moet zij dertig _als_ in zich vereenigen, of, zoo men wil, moet men haar kunnen beschrijven door tien bijvoegelijke naamwoorden voor telkens drie deelen van haar persoon. Bijv. drie dingen aan haar moeten zwart zijn: oogen, wenkbrauwen, oogharen; drie fijn: vingers, lippen, haren, enz. Zie Brantôme over de rest. Mijn zigeunerin kon niet bogen op zooveel volmaaktheden. Haar huid, wel is waar volkomen glad, was bijkans koperkleurig. Haar oogen waren schuin, maar mooi en groot; de lippen een beetje dik, maar wel besneden, lieten tanden zien witter dan gepelde amandelen; de haren, een beetje grof misschien, waren zwart met blauwen weerschijn als de vleugels van een raaf, lang en glanzig. Om u niet met een al te uitvoerige beschrijving te vermoeien, zal ik, om kort te gaan, zeggen, dat bij haar tegenover elk gebrek een eigenschap stond, die misschien door het contrast te sterker uitkwam. Het was een vreemde en woeste schoonheid, een gelaat dat aanvankelijk verwondering wekte, maar dat men niet kon vergeten. De oogen vooral hadden een uitdrukking, tegelijk wulpsch en schuw, zooals ik die sedert dien in geen menschelijken blik gevonden heb. Zigeuneroog, wolvenoog: dat is een Spaansch gezegde, dat van scherp opmerken getuigt. Indien ge geen tijd hebt naar den Plantentuin te gaan om den blik van een wolf te bestudeeren, zie dan naar uw kat als hij op een musch loert.
Het zou natuurlijk belachelijk zijn geweest mij in een koffiehuis te laten waarzeggen. Ik vroeg dan ook de mooie tooveres verlof haar naar huis te vergezellen; zij stemde gereedelijk toe, maar wilde nogeens weten, hoe laat het was, en zij vroeg mij nog eens mijn horloge te laten slaan.
Is het heusch van goud? zeide zij, het met bijzondere aandacht bekijkend.
Toen wij weer op weg gingen, was het stikdonkere nacht; de meeste winkels waren gesloten en de straten bijna verlaten. Wij gingen over de brug van de Guadalquivir en aan het eind van de buitenwijk hielden wij stil voor een huis, dat er alles behalve als een paleis uitzag. Een kind deed de deur open. De zigeunerin sprak het eenige woorden toe in een mij onbekende taal, waarvan ik later wist, dat het de _rommani_ of _chipe calli_, de taal der _gitanos_ was. Onmiddellijk daarop verdween het kind en we bleven achter in een vrij ruime kamer, waarin zich een kleine tafel, twee stoeltjes zonder leuning en een koffer bevonden. Laat ik niet vergeten een waterkruik, een hoop sinaasappels en een bos uien.
Zoodra we alleen waren, haalde de zigeunerin uit den koffer kaarten, die al veel schenen te zijn gebruikt, een magneet, een uitgedroogd kameleon en eenige andere voorwerpen, die ze voor haar kunst noodig had. Toen heette zij mij in mijn linkerhand het teeken van het kruis te maken met een geldstuk en de tooverplechtigheden namen een aanvang. Onnoodig u haar voorspellingen mede te deelen, en wat haar manier van werken aangaat, het was duidelijk dat zij niet ten halve tooveres was.
Jammer genoeg werden we gestoord. Eensklaps werd de deur driftig opengedaan en een man, tot aan de oogen in een bruinen mantel gewikkeld, trad de kamer binnen en sprak de zigeunerin weinig vriendelijk toe. Ik hoorde niet wat hij zeide, maar de toon van zijn stem verried, dat hij erg uit zijn humeur was. Bij zijn aanblik toonde de gitana noch verbazing noch toorn; zij liep hem tegemoet en sprak met buitengewone radheid eenige volzinnen tot hem in dezelfde taal, waarvan zij zich reeds in mijn tegenwoordigheid had bediend. Het eenige woord dat ik begreep, was het vaak herhaalde _payllo_.
Ik wist, dat de zigeuners aldus ieder man noemen, die vreemd is aan hun ras. Onderstellend dat het mij gold, verwachtte ik een lastige uiteenzetting, reeds had ik de hand gelegd op den voet van een der stoeltjes en ik overlegde met mijzelf om het juiste oogenblik te raden, waarop ik het naar het hoofd van den indringer zou moeten werpen. Deze duwde de zigeunerin ruw van zich weg en kwam op mij af; toen week hij een pas terug en zeide:
--O, meneer, is u het!
Ik keek hem aan en herkende mijn vriend don José. Op dat oogenblik speet het mij een beetje, dat ik hem niet had laten ophangen.
--Wat, zijt gij het, ouwe jongen! riep ik uit, zoo ongedwongen mogelijk lachend; ge hebt mademoiselle gestoord juist toen zij mij uiterst interessante dingen voorspelde.
--Altijd dezelfde! Daar zal 'n eind aan komen, mompelde hij, terwijl hij haar woest aankeek.
Intusschen bleef de zigeunerin hem in haar taal toespreken. Zij werd gaandeweg heftiger. Haar oogen werden met bloed beloopen en dreigend, haar gezicht vertrok, zij stampvoette. Het scheen mij toe, dat zij er sterk op aandrong, dat hij iets zou doen, waar hij tegen opzag. Wat het was, ik meende het maar al te goed te begrijpen terwijl ik haar kleine hand vlug heen en weer zag gaan onder haar kin. Ik was geneigd te gelooven, dat er sprake was van het afsnijden van een keel en ik had een vaag vermoeden, dat die keel de mijne was.
Op dien vloed van welsprekendheid antwoordde Don José slechts met twee of drie woorden, zeer kortaf. De zigeunerin wierp hem daarop een blik toe van diepe minachting; toen ging zij op haar hurken zitten in een hoek van het vertrek, zij nam een sinaasappel, dien ze schilde en begon te eten.
Don José nam mij bij den arm, deed de deur open en bracht mij op straat. Wij liepen in het diepste zwijgen een paar honderd schreden, toen stak hij de hand uit en zeide:
--Nu altijd maar rechtuit, dan komt u aan de brug.
Onmiddellijk daarop keerde hij mij den rug toe en verwijderde zich snel. Een beetje uit het veld geslagen en tamelijk knorrig kwam ik in mijn herberg terug. Het ergste was, dat ik bij het ontkleeden merkte, dat mijn horloge zoek was.
Verschillende overwegingen weerhielden mij er van het den volgenden dag te gaan opeischen, of mijnheer den corregidor[10] te verzoeken het te doen opsporen. Ik voltooide mijn werk over het manuscript der Dominikaners en vertrok naar Sevilla.
Na verscheiden maanden in Andalusië te hebben rondgedoold, wilde ik naar Madrid terugkeeren en ik moest de reis maken over Cordova. Ik was niet van plan daar lang te blijven, want ik had het land gekregen aan die mooie stad en de baadsters van de Guadalquivir. Maar ik moest, om eenige vrienden te bezoeken en eenige boodschappen te doen, mij minstens drie of vier dagen in de oude hoofdstad der mohammedaansche vorsten ophouden.
Zoodra ik mij weer vertoonde in het klooster van de Dominikaners, ontving een der paters, die mij steeds groote belangstelling had betoond, mij met open armen en hij riep:
--Geloofd zij de naam des Heeren! Wees welkom, waarde vriend. Wij waanden u allen dood, en ik voor mij heb heel wat _paters_ en _aves_ voor uw zieleheil opgezegd--wat ik niet betreur. Dus u is niet vermoord, want wij weten dat u bestolen is.
--Hoe zoo? vroeg ik hem een beetje verbaasd.
--Och, u weet wel, dat mooie repetitie-horloge dat u in de bibliotheek liet slaan als we u zeiden dat het tijd was naar het koor te gaan. Welnu, het is weergevonden, men zal het u teruggeven.
--Dat wil zeggen, viel ik hem een beetje verlegen in de rede, ik had het verloren....
--De rekel is achter slot, en daar men wist, dat hij de man er naar was een geweer te lossen op een christenmensch om hem een piécette[11] af te nemen, waren we doodsbang, dat hij u had gedood. Ik zal met u naar den corregidor gaan en we zullen zorgen dat u uw mooi horloge terug krijgt. Zeg nu nog, als ge weer in uw land zijt, dat de justitie in Spanje haar ambt niet verstaat!
--Ik beken, zeide ik, dat ik liever mijn horloge kwijt zou zijn, dan voor het gerecht te getuigen om een armen drommel te doen ophangen, vooral omdat.... omdat....
--O, wees zonder zorg, hij komt niet meer los en men kan hem niet tweemaal ophangen. Als ik zeg ophangen, dan druk ik me verkeerd uit. Die dief van u is een hidalgo; hij zal dus overmorgen worden geworgd[12], zonder genade. U ziet dat een diefstal meer of minder voor hem geen verschil zal maken. Gave God, dat hij alleen gestolen had! maar hij heeft verscheidene moorden gepleegd, de een al vreeselijker dan de andere.
--Hoe heet hij?
--Hij is in het land bekend onder den naam José Navarro; maar hij heeft nog een anderen Baskischen naam, dien u of ik nooit zou kunnen uitspreken. Kijk, het is een man dien het de moeite waard is te zien en u, die gaarne het bijzondere van het land leert kennen, moet niet verzuimen te weten te komen hoe de schurken in Spanje uit deze wereld gaan. Hij is in de bidkapel en pater Martinez zal u er heen brengen.
De Dominikaner drong er zoo op aan, dat ik de toebereidselen zou zien tot de _petit pendement pien choli_[13], dat ik moest toegeven. Ik ging den gevangene bezoeken, voorzien van een pakje sigaren, dat hem, naar ik hoopte, mijn onbescheidenheid zou doen vergeven.
Men bracht mij bij don José, op het oogenblik dat hij zijn maal gebruikte. Hij knikte mij vrij koel met het hoofd toe en bedankte mij beleefd voor het geschenk dat ik hem bracht. Na de sigaren van het pakje, dat ik hem in handen had gegeven, te hebben geteld, nam hij er eenige uit en gaf mij de overige terug, zeggend dat hij niet meer noodig had.
Ik vroeg hem of ik met behulp van een beetje geld, of door den invloed van mijn vrienden, niet eenige verzachting in zijn lot zou kunnen bewerken. Eerst haalde hij de schouders op, droevig glimlachend; toen, zich bezinnend, verzocht hij mij een mis te laten lezen voor het heil van zijn ziel.
--Zoudt u, voegde hij er bedeesd bij, er nog een willen laten lezen voor iemand die u kwaad heeft gedaan?
--Welzeker, mijn waarde, zeide ik; maar voor zoover ik weet heeft niemand mij in dit land kwaad gedaan.
Hij nam mijn hand en drukte die met een ernstig gezicht. Na een oogenblik stilte, hernam hij:
--Zou ik nog een dienst van u mogen vragen?... Wanneer u naar uw land terugkeert, zult u misschien over Navarra gaan: u zult tenminste gaan over Vittoria, dat er niet heel ver van af is.
--Ja, zeide ik, ik zal zeker over Vittoria gaan, maar het is niet onmogelijk dat ik een omweg maak om Pampeluna te zien, en om uwentwil zou ik dien omweg gaarne maken.
--Welnu, als u naar Pampeluna gaat, zult u daar veel zien dat u zal interesseeren.... Het is een mooie stad.... Ik zal u deze medaille geven (hij liet mij een kleine medaille zien die hij om den hals droeg), u zult die in papier wikkelen.... hij zweeg een oogenblik om zijn aandoening meester te worden.... en u zult die ter hand stellen, of doen ter hand stellen aan een vrouwtje wier adres ik u zal geven.--U zult zeggen, dat ik gestorven ben, maar niet hoe.
Ik beloofde zijn boodschap te doen. Ik zag hem den volgenden morgen weer en bracht een deel van den dag bij hem door. Het is uit zijn mond dat ik de volgende treurige avonturen vernam.
III.
Ik ben geboren te Elizondo, in het dal van Baztan, zoo vertelde hij. Ik heet don José Lizarrabengoa en u kent Spanje genoeg, meneer, om uit mijn naam dadelijk op te maken dat ik Baskiër ben en oud-christen. Zoo ik mij _don_ noem, ik heb het recht daartoe en als ik te Elizondo was, zou ik u mijn stamboom op perkament laten zien. Men wilde dat ik priester zou worden en liet mij studeeren, maar ik maakte weinig vorderingen. Ik hield te veel van het kaatsspel; dat was mijn verderf. Wij Navarreezen vergeten alles wanneer wij aan het kaatsen zijn. Eens, toen ik gewonnen had, zocht een jongen uit Alava twist met mij; wij vochten met onze _maquilas_[14] en ook nu won ik het, maar dat noodzaakte mij de streek te verlaten. Ik ontmoette dragonders en nam dienst in het regiment van Almanza, bij de ruiterij. De mannen uit onze bergen leeren vlug het militair beroep. Ik werd spoedig brigadier en men beloofde mij tot wachtmeester te bevorderen, toen ik tot mijn ongeluk de wacht kreeg bij de tabaksfabriek te Sevilla. Indien u te Sevilla is geweest, heeft u zeker 't groote gebouw daar gezien, buiten de wallen, bij de Guadalquivir. Ik verbeeld me nog de poort er van te zien en het wachthuis er naast. Als zij dienst hebben spelen de Spanjaarden kaart, of zij slapen; ik, als echte Navarrees, trachtte altijd mij bezig te houden. Ik maakte een ketting van koperdraad, om er mijn ruimnaald aan vast te maken. Opeens zeggen de kameraden: Daar slaat de klok, de meisjes gaan weer aan het werk. U moet weten, meneer, dat er wel vier- à vijf-honderd vrouwen in de fabriek werken. Zij rollen de sigaren in een groote zaal waar geen mannen binnenkomen zonder een vergunning van den _Vier-en-Twintig_[15], omdat zij het zich gemakkelijk maken, de jongere vooral, als het warm is. Als de werksters na het middagmaal naar de fabriek terugkeeren, komen tal van jongelieden om haar te zien voorbijgaan en mooie praatjes met haar te maken. Er zijn niet vele van die juffers die een mantille van taf afslaan en de liefhebbers bij dit hengelen behoeven zich slechts te bukken om te vangen. Terwijl de anderen keken, bleef ik op mijn bank, bij de poort. Ik was nog jong toen; ik dacht altijd aan mijn geboorteplaats en ik meende, dat er geen mooie meisjes waren zonder blauwe jurken en vlechten die over de schouders hingen[16]. Trouwens ik was bang voor de Andalusische meisjes; ik was nog niet op mijn gemak met haar: ze maakten altijd grappen, spraken nooit een verstandig woord. Ik keek dus op mijn ketting, toen ik eenige burgers hoorde zeggen: Daar is de kleine gitana! Ik keek op en zag haar. Het was een Vrijdag en ik zal het nooit vergeten. Ik zag die Carmen, die u kent en bij wie ik u voor eenige maanden ontmoette.
Zij droeg een heel korten, rooden rok, waaruit wit zijden kousen met meer dan een gat erin te voorschijn kwamen, en kleine schoentjes van rood marokijn, vastgemaakt met vuurkleurige linten. Zij had haar mantille losgemaakt om haar schouders te laten zien en een grooten ruiker acacia-bloemen, die uit haar hemd stak. Zij had nog een bloem in den hoek van den mond en liep heupwiegend als een veulen uit de stoeterij van Cordova. In mijn land zouden de menschen het teeken des kruises hebben gemaakt als ze een vrouw zóó gekleed zagen. Te Sevilla richtte ieder een of ander losse aardigheid tot haar over haar voorkomen; zij had voor ieder een antwoord, met de oogen half dicht, de hand op de heup, onbeschaamd als een echte zigeunerin. Eerst beviel ze mij niet en ik hervatte mijn werk; maar zij, naar den aard van vrouwen en katten, die niet komen als men ze roept en komen als men ze niet roept, bleef voor mij staan en sprak mij toe:
--Kameraad, zeide zij op de Andalusische manier, wil je me je ketting geven om er de sleutels van mijn geldkist aan te hangen?
--Ik moet mijn ruimnaald er aan vastmaken, antwoordde ik.
--Je ruimnaald! riep ze lachend. Wel, wel, maakt meneer kant, dat hij naalden noodig heeft!
Iedereen die er bij stond begon te lachen; en ik voelde dat ik een kleur kreeg en bleef met den mond vol tanden zitten.
--Kom, mijn hart, hernam zij, maak mij zeven el zwarte kant voor een mantille, schat die je bent!--En de bloem nemend die in haar mond stak, wierp ze mij die met een beweging van den duim toe, vlak tusschen de oogen. Het was alsof ik door een kogel werd getroffen, meneer.... Ik wist niet waar mij te bergen en bleef roerloos als een paal. Toen zij de fabriek was binnengegaan, zag ik de bloem die tusschen mijn voeten was gevallen; ik weet niet wat mij bezielde, maar ik raapte ze op zonder dat mijn kameraden het merkten en borg ze voorzichtig in mijn buis. Eerste dwaasheid!