Part 1
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | De eindnoten zijn in het origineel weergegeven als *). | | In dit e-boek zijn deze genummerd. [cijfer]. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | | als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | | dit e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +------------------------------------------------------------+
CARMEN
[Decoratieve illustratie]
WERELD-BIBLIOTHEEK Onder leiding van L. Simons.
BOEKEN ZIJN DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
UITGEGEVEN DOOR: DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
[Decoratieve illustratie]
PROSPER MÉRIMÉE
CARMEN
VERTALING VAN Dr. J. DE JONG
1917
_De plaatsen met een [cijfer] aangegeven vindt ~de lezer~ achterin het werk verklaard._
GEDRUKT TER DRUKKERIJ »DE DEGEL«, AMSTERDAM.
Elke vrouw is als gal; ze heeft twee goede tijden De eene in het bruidsvertrek, de andere in het graf. PALLADAS.[1]
I.
Ik had altijd vermoed, dat de geografen niet weten wat zij zeggen wanneer zij het slagveld van Munda een plaats aanwijzen in het land der Bastuli-Poeni, bij het moderne Monda, ongeveer twee mijl ten noorden van Marbella. Naar mijn eigen conjecturen op den tekst van den anoniemen schrijver van _Bellum Hispaniense_, en sommige inlichtingen opgedaan in de voortreffelijke bibliotheek van den hertog van Ossuna, meende ik in den omtrek van Montilla de gedenkwaardige plaats te moeten zoeken, waar Caesar, voor de laatste maal, alles op éen kaart zette tegen de aanhangers van de republiek. Toen ik mij in het begin van den herfst van 1830 in Andalusië bevond, maakte ik een vrij lange excursie om den twijfel die nog bij mij bestond op te helderen. Een verhandeling, eerlang door mij uit te geven, zal, naar ik hoop, geen onzekerheid meer laten bij alle archaeologen die te goeder trouw zijn. In afwachting dat daardoor het aardrijkskundig probleem zal worden opgelost dat geheel geleerd Euroop' in spanning houdt, wil ik u een korte geschiedenis vertellen: zij staat geheel buiten de interessante quaestie van de ligging van Munda.
Ik had te Cordova een gids en twee paarden gehuurd en was er op uit getrokken met Caesar's _Commentaren_ en een paar hemden als eenige bagage. Op zekeren dag dwalend in het hoogere gedeelte van de vlakte van Cachena, uitgeput van vermoeidheid, versmachtend van den dorst, geblakerd door een looden zon, verwenschte ik hartgrondig Caesar en de zonen van Pompejus, toen ik, vrij ver van het pad dat ik volgde, een kleine groene plek gewaar werd, hier en daar met biezen en riet. Dat wees op de nabijheid van een beek. Inderdaad, toen ik naderbij kwam, zag ik dat hetgeen een grasveldje leek, een stuk moerasland was, waarin een beek uitliep, die, naar het scheen, kwam uit een engte tusschen twee hooge rotsen van de Sierra de Cabra. Ik maakte hieruit de gevolgtrekking, dat ik een beetje verderop frisscher water zou vinden, minder bloedzuigers en kikkers, en misschien een beetje schaduw te midden der rotsen. Aan den ingang der engte begon mijn paard te hinniken en een ander paard, voor mij onzichtbaar, beantwoordde dat aanstonds. Ik had nauwelijks honderd schreden gedaan, of de engte verbreedde zich eensklaps en ik zag een soort van natuurlijk circus, volkomen beschaduwd door de hoogte der omringende steile hellingen. Onmogelijk een plek te vinden die den reiziger een aangenamer pleisterplaats beloofde. Aan den voet van loodrechte rotsen snelde de beek bruisend voort en stortte zich in 'n kleinen vijver met sneeuwwit zand op den bodem. Vijf of zes mooie groene eiken, steeds tegen den wind beschut en door het water verfrischt, rezen aan de oevers op en wierpen er hun dichte schaduw over; en zacht, glanzend gras beloofde een beter bed, dan men in eenige herberg op tien mijlen in den omtrek had kunnen vinden.
Niet aan mij kwam de eer toe zulk een mooie plek te hebben ontdekt. Toen ik daar kwam, lag er reeds een man te rusten en vermoedelijk sliep hij. Gewekt door het gehinnik, was hij opgestaan en zijn paard genaderd, dat van den slaap van zijn meester gebruik had gemaakt om zich te goed te doen aan het gras in de nabijheid. Het was een jonge man, van middelbare lengte maar die er stevig uitzag, met een somberen, trotschen blik. Zijn gelaatskleur was misschien mooi geweest, maar door de zon donkerder geworden dan zijn haren. In de eene hand hield hij den halster van zijn paard, in de andere 'n koperen karabijn[2]. Ik wil wel bekennen, dat dit vuurwapen en het woest voorkomen van hem die het droeg mij aanvankelijk een beetje deden ontstellen; maar ik geloofde niet meer aan roovers, omdat ik er altijd van had hooren spreken en er nooit een ontmoet had. Bovendien had ik zoovele eerzame pachters zich tot de tanden zien wapenen om naar de markt te gaan, dat het zien van een vuurwapen mij geen recht gaf aan het fatsoen van den onbekende te twijfelen. Bovendien, zeide ik bij me zelf, wat zou hij hebben aan mijn hemden en mijn Elzevier-uitgave der _Commentaren_? Ik knikte dus den man met het vuurwapen gemeenzaam toe en vroeg hem glimlachend of ik hem in zijn slaap had gestoord. Zonder te antwoorden nam hij mij van top tot teen op; toen, als scheen hij voldaan met zijn onderzoek, bekeek hij even aandachtig mijn gids, die naderbij kwam. Ik zag dezen verbleeken en staan blijven, blijkbaar was hij verschrikt. Een ongewenschte ontmoeting, dacht ik. Voorzichtigheid echter ried mij aanstonds geen ongerustheid te toonen. Ik steeg van mijn paard, gelastte den gids af te tuigen en, aan den rand van den vijver knielend, dompelde ik hoofd en handen daarin; toen dronk ik een fiksche teug, plat op mijn buik liggend evenals de slechte soldaten van Gideon.
Maar inmiddels hield ik mijn gids en den onbekende in het oog. Eerstgenoemde kwam zeer schoorvoetend nader, de ander scheen niets kwaads in den zin tegen ons te hebben, want hij had zijn paard weer vrij gelaten en het vuurwapen, dat hij eerst horizontaal had gehouden, was nu naar den grond gericht.
Daar ik niet meende mij te moeten ergeren over de weinige attentie mij betoond, ging ik op het gras liggen en ik vroeg op ongedwongen toon den man met het geweer of hij niet een tondeldoos bij zich had. Tegelijkertijd bracht ik mijn sigarenkoker te voorschijn. Nog altijd zonder te spreken, tastte de onbekende in zijn zak, nam zijn tondeldoos en haastte zich vuur voor mij te maken. Blijkbaar werd hij toeschietelijker, want hij ging tegenover mij zitten, zonder evenwel zijn wapen weg te leggen. Toen mijn sigaar was aangestoken, koos ik de beste van de mij nog overblijvende sigaren en vroeg hem of hij rookte.
--Ja, mijnheer, antwoordde hij. Dat waren de eerste woorden die hij deed hooren en ik merkte op, dat hij de s niet op zijn andalusisch uitsprak[3], waaruit ik opmaakte, dat hij een reiziger was evenals ik, maar minder archaeoloog.
--Deze zal u zeker wel bevallen, zeide ik, hem een echte regalia van Havana aanbiedend.
Hij maakte een lichte buiging met het hoofd, stak zijn sigaar aan de mijne aan, bedankte mij andermaal met een knik, en begon toen te rooken, blijkbaar met groot genot.
--Ha! riep hij, terwijl hij de eerste rookwolk langzaam door mond en neus liet glijden, wat is het lang geleden, dat ik rookte!
In Spanje legt het geven en aannemen van een sigaar een band van gastvrijheid, zooals in het Oosten het deelen van brood en zout. De onbekende bleek spraakzamer dan ik had gehoopt. Voor het overige scheen hij, hoewel hij zeide te wonen in het district Montilla, de streek vrij slecht te kennen. Hij kende den naam niet van het bekoorlijke dal waarin wij ons bevonden; hij kon geen naam noemen van een der dorpen in den omtrek, en toen ik hem ten slotte vroeg of hij niet in de buurt verwoeste muren, groote gebogen dakpannen, gebeeldhouwde steenen had gezien, bekende hij nooit op zulke dingen te hebben gelet. Daarentegen toonde hij zich ervaren op het stuk van paarden. Hij critiseerde het mijne, wat niet moeilijk was, en vertelde toen de afstamming van het zijne, dat uit de beroemde stoeterij van Cordova kwam: inderdaad een nobel beest, zoo onvermoeid, volgens het zeggen van zijn meester, dat hij eens dertig mijlen op één dag had afgelegd, in galop of in sterken draf. Midden in zijn verhaal bleef de onbekende plotseling steken, als verbaasd en geërgerd dat hij zich had verpraat.
--Ziet u, ik had veel haast te Cordova te komen, hernam hij een beetje verlegen. Ik moest de rechters voor een proces bewerken.... Onder het spreken keek hij naar mijn gids Antonio, die de oogen neersloeg.
De schaduw en de beek deden mij zoo aangenaam aan, dat ik mij herinnerde, dat mijn vrienden van Montilla in den knapzak van mijn gids eenige sneden voortreffelijke ham hadden meegegeven. Ik liet die brengen en noodigde den vreemdeling mee te doen aan het haastig aangelegde maal. Zoo hij sinds lang niet had gerookt, het leek wel, alsof hij in minstens acht en veertig uren niets had gebruikt. Hij at haastig als een uitgehongerde wolf. Ik dacht, dat de voorzienigheid den armen drommel had willen helpen door mij op zijn weg te brengen. Mijn gids intusschen at weinig, dronk nog minder en praatte heelemaal niet, hoewel hij zich van het begin van onze reis af had doen kennen als een babbelkous van den eersten rang. De aanwezigheid van den gast scheen hem te drukken en een zeker wantrouwen scheidde hen van elkander, zonder dat ik met stelligheid de reden kon gissen.
Reeds was het laatste van het brood en de ham verdwenen; wij hadden elk een tweede sigaar gerookt; ik gelastte den gids onze paarden te zadelen en ik wilde van mijn nieuwen kennis afscheid nemen, toen hij mij vroeg waar ik dacht den nacht door te brengen.
Nog vóor ik een teeken van mijn gids had opgemerkt, had ik geantwoord, dat ik naar de herberg del Cuervo ging.
--Een slecht verblijf voor iemand als u, meneer..... Ik ga er heen en als u het mij veroorlooft zullen wij samen gaan.
--Zeer gaarne, zeide ik te paard stijgend. Mijn gids, die den stijgbeugel vast hield, gaf mij opnieuw een teeken met de oogen. Ik antwoordde met een schouderophalen, als om hem te verzekeren, dat ik volkomen gerust was en wij begaven ons op weg.
Antonio's geheimzinnige teekenen, zijn ongerustheid, sommige woorden die den onbekende waren ontvallen, zijn rit van dertig mijlen vooral en de weinig aannemelijke verklaring die hij daarvan had gegeven, hadden mijn meening omtrent mijn reisgenoot reeds gevestigd. Ik twijfelde er niet aan, dat ik te doen had met een smokkelaar, misschien wel een dief; wat kon 't mij schelen? Ik kende het Spaansche karakter genoeg om er volkomen zeker van te zijn, dat ik niets te vreezen had van een man, die met mij had gerookt en gegeten. Zijn tegenwoordigheid was zelfs een stellige bescherming tegen iedere slechte ontmoeting. Bovendien vond ik het heel prettig te weten wat een roover is. Men ziet dien niet dagelijks en er is een zekere bekoring in de nabijheid te zijn van een gevaarlijk wezen, vooral als men merkt dat hij zacht en getemd is.
Ik hoopte mijn onbekende gaandeweg tot vertrouwelijke mededeelingen te brengen, en, ondanks de knipoogen van mijn gids, bracht ik het gesprek op struikroovers. Er was destijds in Andalusië een berucht bandiet José-Maria, van wiens bedrijven iedereen den mond vol had.--Als ik eens José-Maria naast mij had? zeide ik bij mezelf.... Ik vertelde de verhalen die ik van dezen held kende, trouwens alle tot zijn lof, en gaf luide mijn bewondering te kennen voor zijn dapperheid en edelmoedigheid.
--José-Maria is maar een schavuit, zeide de vreemdeling koeltjes.
--Laat hij zichzelf recht wedervaren, of is het overmaat van bescheidenheid van zijn kant? vroeg ik mijzelf af; want door mijn metgezel goed op te nemen, was ik er toe gekomen op hem het signalement van José-Maria toe te passen, dat ik had gelezen op aanplakbiljetten aan de poorten van menige stad in Andalusië.--Ja, zeker, hij is het... Blond haar, blauwe oogen, groote mond, mooie tanden, kleine handen; een fijn hemd, een fluweel wambuis met zilveren knoopen, witleeren slobkousen, een bruin paard.... Er viel niet meer aan te twijfelen. Maar laat ons zijn incognito eerbiedigen.
Wij kwamen in de herberg aan. Zij was zooals hij die mij had beschreven, d. w. z. een van de armoedigste die ik nog had aangetroffen. Een groot vertrek diende tot keuken, tot eetzaal en tot slaapkamer. Op een platten steen brandde een vuur midden in de kamer en de rook ging door een gat, in het dak aangebracht; of liever hij bleef hangen, een wolk vormend eenige voeten boven den grond. Langs de muren zag men vijf of zes oude dekken van muilezels op den grond liggen: dat waren de bedden voor de reizigers. Op twintig pas van het huis of liever van het eenige vertrek dat ik zooeven beschreef, stond een soort schuur, die tot stal diende. In dit bekoorlijk verblijf waren geen andere menschelijke wezens, althans voor het oogenblik, dan een oude vrouw en een klein meisje van tien tot twaalf jaar, beiden roetkleurig en in afschuwelijke lompen gekleed.--Ziedaar alles wat over is, zeide ik tot mezelf, van de bevolking van het oude Munda Boetica! O, Caesar! O, Sextus Pompejus! hoe verbaasd zoudt ge zijn als gij weer op de wereld kwaamt!
Toen de oude vrouw mijn metgezel zag, liet zij zich een uitroep van verbazing ontvallen.
--Ha, senor don José! riep zij uit.
Don José fronste het voorhoofd en hief met een gebaar van gezag de hand op, wat de oude onmiddellijk tot zwijgen bracht. Ik keerde mij tot mijn gids en bracht hem met een onmerkbaar teeken aan het verstand, dat hij mij niets behoefde te vertellen over den man, met wien ik den nacht zou doorbrengen. Het avondeten was beter dan ik had verwacht. Op een kleine tafel, een voet hoog, zette men ons een ouden haan voor, met rijst en veel specerijen gestoofd, vervolgens Spaansche peper met olie toebereid, en ten slotte een gekruide sla: _gaspacho_. Drie aldus gekruide gerechten noodzaakten ons vaak te grijpen naar een leeren zak met Montilla-wijn, die heerlijk bleek te zijn. Na te hebben gegeten, een mandoline ziende, die aan den muur hing--men vindt in Spanje overal mandolines--vroeg ik het kleine meisje, dat ons bediende, of zij er op kon spelen.
--Neen, antwoordde zij; maar don José speelt er zoo mooi op!
--Wees zoo goed, zeide ik tot hem, mij iets voor te zingen; ik ben verzot op uw nationale muziek.
--Ik kan niets weigeren aan een zoo beleefd heer, die mij zulke heerlijke sigaren geeft, riep don José goedgeluimd uit; hij liet zich de mandoline brengen en begon te zingen, zich zelf begeleidend. Zijn stem was grof maar toch aangenaam, wat hij zong melancholiek en vreemd; wat den tekst aangaat, ik begreep er geen woord van.
--Als ik mij niet vergis, zeide ik hem, is het geen Spaansche wijs, die u daar gezongen hebt. Ze lijkt op de _zorzicos_,[4] die ik heb gehoord in de _Provincies_[5], en de tekst moet Baskisch zijn.
--Ja, antwoordde don José somber. Hij legde de mandoline neer en met de armen over elkaar, begon hij naar het uitdoovend vuur te kijken, met een wonderlijke uitdrukking van treurigheid op het gelaat, dat, beschenen door een lamp op de kleine tafel gezet, nobel en woest tegelijk, mij deed denken aan den Satan van Milton. Misschien dacht mijn metgezel evenals deze aan het verblijf, dat hij had verlaten, aan de ballingschap het gevolg van een misstap. Ik trachtte het gesprek weer aan den gang te brengen, maar verdiept als hij was in zijn treurige gedachten, antwoordde hij niet. De oude had zich reeds ter ruste begeven in een hoek van het vertrek, afgeschoten door een deken met gaten, die over een touw gespannen was. Het kleine meisje was haar gevolgd in deze voor de schoone sekse bestemde wijkplaats. Mijn gids stond nu op en verzocht mij hem naar den stal te volgen; maar dit hoorend, vroeg don José als iemand die wakker is geschrikt, hem norsch waar hij heen ging.
--Naar den stal, antwoordde de gids.
--Waartoe? De paarden hebben voeder. Slaap hier, meneer zal dat wel goed vinden.
--Ik vrees dat het paard van meneer ziek is; ik zou wel willen dat meneer het zag; misschien weet hij, wat er aan gedaan moet worden.
Blijkbaar wilde Antonio mij onder vier oogen spreken; maar ik had niet veel lust bij don José argwaan te wekken, en zooals de zaken tusschen ons stonden leek het mij het verstandigst het grootst vertrouwen te toonen. Ik zeide dan ook tot Antonio, dat ik heelemaal geen verstand had van paarden en dat ik lust had te slapen. Don José volgde hem naar den stal, waaruit hij weldra alleen terug kwam. Hij zeide mij, dat het paard niets mankeerde, maar dat mijn gids het zulk een kostbaar beest vond, dat hij het met zijn buis wreef om het aan het zweeten te krijgen, en dat hij den nacht met deze aangename bezigheid dacht door te brengen. Ik had mij inmiddels uitgestrekt op de muilezeldekken, na mij met zorg in mijn mantel te hebben gewikkeld om er niet mee in aanraking te komen. Nadat hij mij verschooning had gevraagd voor de vrijheid die hij nam, naast mij te gaan rusten, legde don José zich voor de deur neer; te voren had hij de lont vernieuwd op zijn geweer, dat hij onder den knapzak stak, die hem tot oorkussen diende. Vijf minuten nadat wij elkander goeden nacht hadden gewenscht, waren wij beiden in diepe rust.
Ik meende vermoeid genoeg te zijn om in zulk een verblijf te kunnen slapen; maar na een uur werd ik door zeer onaangename jeukingen uit mijn eersten slaap gewekt. Zoodra ik begreep waarmee ik te doen had, stond ik op, overtuigd dat het beter was het overige van den nacht onder den blooten hemel door te brengen dan onder dit ongastvrij dak. Op mijn teenen loopend, bereikte ik de deur, stapte over de rustplaats van don José, die den slaap des rechtvaardigen sliep, en ik slaagde er in uit het huis te komen, zonder dat hij wakker werd. Bij de deur was een groote houten bank; ik strekte mij daarop uit en richtte mij zoo goed het ging in om den nacht verder door te brengen. Ik was op het punt voor den tweeden keer de oogen te sluiten, toen ik voor mij meende te zien voorbijgaan de schaduw van een man en die van een paard, die beiden liepen zonder het minste gedruisch te maken. Ik ging rechtop zitten en meende Antonio te herkennen. Verbaasd hem op zulk een uur buiten den stal te zien, stond ik op en ging hem tegemoet. Hij was stil blijven staan, daar hij mij aanstonds had opgemerkt.
--Waar is hij? vroeg mij Antonio met zachte stem.
--In de herberg; hij slaapt; hij is niet bang voor luizen. Waarom neem je dit paard mee?
Ik merkte toen, dat om geen gedruisch te maken bij het verlaten van de schuur, Antonio de pooten van het paard zorgvuldig met stukken van een oud dek had omwikkeld.
--Spreek zachter, zeide Antonio, in 's hemelsnaam. U weet niet wie die man is. Het is José Navarro, de bekendste bandiet van Andalusië. Den heelen dag gaf ik u teekens, die u niet wilde begrijpen.
--Bandiet of niet, wat doet het er toe? antwoordde ik. Hij heeft ons niet bestolen en ik wil wedden dat hij daaraan niet denkt.
--Dat kan wel; maar er zijn tweehonderd dukaten uitgeloofd voor hem die den man aangeeft. Ik weet dat er een wachtpost is anderhalve mijl van hier, en vóor het dag is, zal ik eenige flinke kerels meebrengen. Ik zou zijn paard wel hebben genomen, maar dat is zoo lastig, dat alleen Navarro het naderen kan.
--De duivel hale je! zeide ik. Wat voor kwaad heeft die arme kerel je gedaan, om hem aan te geven? En dan, ben je wel zeker, dat hij de roover is, van wien je spreekt?
--Volkomen zeker; straks was hij mij in den stal gevolgd en toen zei hij: »Je schijnt mij te kennen; als je dien goejen heer zegt wie ik ben, jaag ik je een kogel door het hoofd.« Blijft u bij hem, meneer; u heeft niets te vreezen. Zoolang hij weet dat u er is, zal hij geen wantrouwen koesteren.
Al sprekend waren wij al zoo ver van de herberg gekomen, dat men de hoefslagen van het paard niet had kunnen hooren. Antonio had in een oogwenk de pooten uit de vodden losgewikkeld; hij maakte zich gereed op te stijgen. Ik trachtte hem tegen te houden met verzoeken en bedreigingen.
--Ik ben een arme drommel, meneer, zeide hij; tweehonderd dukaten zijn niet te versmaden, vooral wanneer het geldt het land van zulk gespuis te bevrijden. Maar wees op uw hoede; als Navarro wakker wordt zal hij naar zijn wapen grijpen en pas dan op! Ik ben te ver gegaan om terug te keeren, u moet maar zien wat u doet.
De rekel was in het zadel, hij gaf zijn paard de sporen en weldra had ik hem in de duisternis uit het oog verloren.
Ik was zeer boos op mijn gids en tamelijk bezorgd. Na een oogenblik te hebben nagedacht, nam ik een besluit en ging terug naar de herberg. Don José sliep nog, zeker aldus bekomend van de vermoeienissen en nachtwaken van verscheidene gevaarvolle etmalen. Ik was genoodzaakt hem met kracht te schudden om hem wakker te krijgen. Nooit zal ik zijn woesten blik vergeten en de beweging die hij maakte om naar zijn wapen te grijpen, dat ik, bij wijze van voorzorg, op eenigen afstand van zijn rustplaats had gelegd.
--Meneer, zeide ik, ik vraag u verschooning, dat ik u wakker maakte; maar ik heb u een dwaze vraag te doen: Zoudt u het heel prettig vinden als een half dozijn lansiers hier kwamen?
Hij sprong op en vroeg met een geweldige stem:
--Wie heeft u dat gezegd?
--Het doet er weinig toe van wien de waarschuwing komt, als ze maar goed is.
--Uw gids heeft mij verraden. Ik zal het hem betaald zetten. Waar is hij?
--Dat weet ik niet.... Ik denk in den stal.... maar iemand heeft mij gezegd....
--Wie heeft u gezegd?.... Het kan niet de oude vrouw zijn....
--Iemand dien ik niet ken.... Maar genoeg gepraat: heeft u al dan niet redenen om de soldaten liever niet af te wachten? Zoo ja, verlies dan geen tijd; zoo neen, dan goeden nacht en neem het mij niet kwalijk u in uw slaap te hebben gestoord.
--O, die gids van u, die gids van u! Ik had hem al dadelijk niet vertrouwd.... maar.... ik zal hem wel krijgen!.... Vaarwel, meneer, God vergelde u den dienst dien u mij bewijst. Ik ben niet zoo slecht als waarvoor u me houdt.... ja, er is nog iets in mij dat het medelijden van een fatsoenlijk man verdient..... Vaarwel, meneer,.... het spijt me maar, dat ik het u niet kan vergelden.