Part 1
Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
+--------------------------------------------------------------------+ | | | Opmerkingen van de bewerker: | | | | Tekst die in het origineel schuingedrukt is wordt hier | | weergegeven tussen _ en _ als in _tekst_. | | | | Het oorspronkelijke taalgebruik is zoveel mogelijk behouden, | | inclusief variaties in spelling, gebruik van koppeltekens e.d. | | Slechts enkele overduidelijke zetfouten zijn gecorrigeerd: | | enkele ontbrekende leestekens ingevoegd, | | 'kracher' gecorrigeerd in 'krachtiger', | | 'ongelden' in 'opgelden', | | 'roep de boekhouder' in 'roept de boekhouder', | | 'der regtspleging' in 'de regtspleging', | | 'vond' in 'vondst'. | | | | Een deel van het origineel was zeer slecht leesbaar of ontbrak. | | Hier is geprobeerd de ontbrekende tekst zo goed mogelijk aan te | | vullen. | | | | Waar in de tekst sprake is van 'zekere Brennan' wordt | | waarschijnlijk Samuel Brannan (1819-1889) bedoeld. | +--------------------------------------------------------------------+
CALIFORNIE.
Hoe veel ook reeds over dit fabelachtige land geschreven is, blijft de weetlust dienaangaande echter nog steeds onbevredigd, en wij meenen onzen lezers dus geene ondienst te doen, met hun het zeer boeijende verhaal mede te deelen van eenen geloofwaardigen ooggetuige, de heer P. Dillon, consul van Frankrijk op de Sandwichs eilanden, die in de laatste dagen van September en de eerste van October 1849, die wonderstreek bezocht:
Ik werd met het fregat _la Poursuivante_ van de Sandwich eilanden naar San Francisco overgebragt. Het trof mij, dat naar mate wij het doel onzer reis meer naderden, de twijfelingen ten aanzien van Californië toenamen. Zoo was men te Valparaiso wel zeker van het bestaan der goudmijnen; maar men meende vrij algemeen dat het land ongezond was, dat er regering noch wetten bestonden, en dat men vrij onbeduidende resultaten schier altijd met zijn leven betaalde. Op Otaheite, dat slechts veertig dagen zeilens van Californië verwijderd is, heerschte dezelfde twijfel, wantrouwen en nieuwsgierigheid. Ieder was op zijne hoede als er een schip van het el Dorado kwam; ieder was gretig naar nieuwe bijzonderheden, en toch kon niemand zich een juist denkbeeld van den staat van zaken vormen.
De ingang der haven van San Francisco gelijkt veel op dien van Brest; hij is zoo naauw, dat de forten die men op beide zijden wil oprigten, hem volkomen bestrijken en hun vuur kruisen; de haven is bovendien diep genoeg om de grootste schepen te kunnen bevatten. Wanneer men aan den ingang komt, dan ontrolt zich voor het oog niet eene haven, ook niet een meer, maar eene geheele Middellandsche zee in het klein. San Francisco's haven zou met gemak alle vlooten der wereld kunnen bevatten, en men mag zich met regt verwonderen, dat een zoo heerlijk punt, zoo lang ongebruikt is gebleven.
In de baai op eenigen afstand van den ingang, ligt een eilandje dat de schoonste gelegenheid voor de oprigting eener batterij aanbiedt, en dus dit reeds zoo sterke punt nog krachtiger maakt.
Herba Buena, anders gezegd San Francisco, ligt, wanneer men de baai binnen stevent, aan de regterhand, een weinig voorbij het oude Spaansche fort; het is eene stad die thans 50,000 zielen telt, en binnen eenige jaren de beheerscheres der Stille of Zuidzee belooft te zullen worden. Mast-bosschen, die, zich al verder en verder uitstrekkende--zoodat zij eindelijk met den horizont ineen smelten--herinneren aan Havre en Marseille. Ik vond 340 groote koopvaardijschepen bij de stad geankerd, behalve nog een aanzienlijk getal schoeners en brikken. Alle, zonder uitzondering, hadden hunne equipagiën verloren, en van vele waren zelfs de kapiteins gedeserteerd. Eene enkele Amerikaansche korvet, van welke de vlag van den commodore Jones woei, bewaakte al die rijkdommen.
Wij traden zonder moeijelijkheid aan wal, op een hoofd, dat men beneden het oude fort heeft aangelegd. Hier zijn geene commiesen om ieders zak te doorzoeken of met den peilstok in de hand kisten en koffers na te gaan. Al die formaliteiten zijn den Amerikanen geheel onbekend. Voor hen heeft de tijd even goed waarde als de goederen, en al wat hun zonder blijkbare noodzakelijkheid er een deel van ontneemt, beschouwen zij als eene inbreuk op hunne regten als vrije menschen. In de oogen van den Amerikaan bestaat de ware vrijheid niet in het straffeloos verkondigen van buitensporige philosophiën aan een naar genot hakend auditorium, maar in de bevoegdheid om zich zonder belemmering bezig te mogen houden, met dat geen waarvoor men neiging gevoelt.
Te San Francisco, waar men voor anderhalf jaar nog slechts eenige lompe hutten vond, pralen thans eene beurs, een schouwburg, kerken voor alle Christelijke gezindheden en vele huizen die er zeer goed uitzien. Sommigen zijn van steen, maar de meesten van hout. De gevels zijn gewit of geschilderd, de straten goed regt en het geheel maakt een goeden indruk. Aan twee kanten der stad strekken zich langs het strand, zoo ver het oog reiken kan, rijen tenten uit; eene stad van nieuwe soort vormende, waaraan eene zekere originaliteit niet ontbreekt. Alvorens den togt naar de mijnen te aanvaarden, vertoeven daar de landverhuizers uit beide werelddeelen eenigen tijd. Daar woont de voormalige minister van justitie van koning Kamehameha (van de Sandwichs-eilanden), thans de geduchtste roover van Californië. Daar zijn moordenaars, oudermoordenaars, struikroovers, zeeschuimers en andere bandieten vereenigd, die de arm der geregtigheid nog niet bereikt heeft. Dáár is ruime stof voorhanden voor blij- en treurspel, maar voornamelijk voor het laatste. Ongeloofelijke ontvlugtingen en avonturen, doller dan eenig romancier ooit durfde uitvinden, wachten daar hunnen toekomstigen geschiedschrijver.
San Francisco gelijkt op een reusachtigen bijenkorf, door deszelfs onophoudelijk gegons. Ik beklaag den philosooph, den denker, die in de straten dier stad mogt geraken, want met iederen stap loopt hij gevaar te midden zijner overpeinzingen verpletterd te worden, want men roept hier niet _pas op!_ Stevige knapen van forschen ligchaamsbouw, met suikerbroodvormige hoeden op, zweepen en drijven hun gespan zonder het minste acht te slaan op de voetgangers. Aan beide zijden der straat ziet men talrijke lieden met haastige schreden voortstappen; hetzij naar het tolhuis, een lomp gebouw in het midden der stad, of naar de beurs, die tusschen twee speelhuizen ligt, en voor hetwelk steeds groepen gretige speculanten te vinden zijn.
Alle volkeren der wereld zijn ruim vertegenwoordigd onder den handelstand te San Francisco; maar, gelijk te verwachten was, hebben de Amerikanen er de bovenhand. De Amerikaansche wetten veroorloven iedereen, dat vak bij de hand te nemen, waarin hij het meeste smaak heeft. Dientengevolge is iedereen makelaar, consignataris, bankier, geldwisselaar, vendumeester,--velen vereenigen zelfs al die vakken. Het is mij onbekend of de reeder of koopman te Havre die goederen in consignatie naar San Francisco zendt, goede zaken doet; maar zeker is het, dat de consignataris er geen geld bij toelegt. De nota van zijne verschillende winsten, onder de benamingen van courtage, verschil in den wisselkoers, pakhuishuur, enz. zou zijne Europesche confraters doen watertanden. Zonder overdrijving mag men die gezamenlijke opgelden wel op 50 pCt. van de bruto-opbrengst schatten. Uit billijkheid moet men echter ook erkennen, dat de consignataris te San Francisco zware lasten te dragen heeft. Behalve de duurte van het leven in een land, waar een ei 5 francs en een aardappel 3 francs kost, varieeren de huren tusschen 150,000 en 300,000 francs 's jaars. Er zijn vele huizen, die hunnen eigenaren tot zelfs 800,000 francs per jaar opbrengen.
Hoe belangrijk ook de door de mijnen van Californië verkregen resultaten mogen zijn, en hoe talrijk de hulpbronnen van San Francisco als handelscentrum wezen mogen, kan zulk een staat van zaken toch niet lang voortduren.
Wat voor dezen oogenblik eene kunstmatige en buitensporige waarde aan de gebouwen te San Francisco bijzet, is het groot aantal der speelhuizen die men er heeft opgerigt. Zoodra er een huis te huur komt, maken de spelers er zich tot elken prijs van meester en de bank installeert er zich met den geheelen boedel van roulettes. Er bestaan thans meer dan 100 dusdanige inrigtingen, iederen avond opgevuld met Chinesche, Mulatsche, Maleische en Sandwichsche landloopers, kortom avonturiers uit alle landen en allen bandieten van de eerste soort. Alle volken van den aardbol hebben een deel van hun schuim in dat riool uitgestort.
Niets is zonderlinger dan het schouwspel, dat die speelhuizen alle avonden na 8 uur vertoonen. Voor de deur belemmert eene dik opeengepakte menigte den toegang; van binnen dringen de spelers tot aan de _monte_-tafel door en raken dikwijls handgemeen. Op andere plaatsen worden dusdanige twisten met den vuist of den voet beslecht; maar in Californie wordt eene beleediging of zelfs een ligte stoot oogenblikkelijk gevolgd door een dolkstoot of een pistoolschot. "Stil daar!" roept de boekhouder wanneer een pistool in de zaal gelost wordt, "verwenschte schurken, wat maakt gij een leven!" "Ik zal u doorboren als een zeef; als ik het niet doe, haal mij de duivel!" wordt weder van een anderen kant geroepen: zoo luiden de korte maar krachtige uitroepen die men aan verschillende zijden hoort. Is de speler, die doorgaans regtstreeks van de mijnen komt, tot aan de tafel doorgedrongen, dan maakt hij zijn lederen geldriem los, drinkt op het eene eind en laat eenige goudklompjes op het groene kleed rollen. De _head manager_ (president) strekt de hand uit, weegt de stukken op een naast hem staand schaaltje en betaalt de waarde uit in onsen van 85 francs elk. Men gaat aan het spelen; diezelfde hand haalt een ons weg; tweede spel, zelfde gevolg. Na 15 of 20 minuten moet de speler op nieuw den geldriem los maken. Zelden verwijdert zich een speler zonder dat de bank hem in éénen nacht van de vrucht van maanden lange ontberingen beroofd heeft.
Ik had gedineerd bij een der gelukkigste speculanten van San Francisco. Het was een Amerikaan, een oud bankroetier uit de Vereenigde Staten, die zes maanden te voren in Californië was gekomen en thans reeds bezitter was van een fortuin, die op een millioen francs geschat werd. Onder de gasten bevonden zich onderscheidene officieren van de Amerikaansche armée en vloot. Het diner had ten gevolge van de vele toasten en redevoeringen tot laat in den avond geduurd. Bij het vertrek bood een der officieren aan, mij ten geleider door de stad te strekken. Ik nam het aan en kort daarop traden wij een der drukst bezochte speelhuizen binnen. Toen wij niet zonder moeite tot bij de groene tafel doorgedrongen waren, haalde ik een vijffrancsstuk uit den zak en wierp het als een wanhopige op tafel. Een nog jong man, met een zwaren baard en van een arristocratisch en ernstig uitzigt, nam het presidium waar. Hij hield een oogenblik met het behandelen der roulette op; en na mij aangestaard te hebben, nam hij mijn zilverstuk, en het mij onder een beleefden glimlach toereikende, zeide hij in zeer goed Fransch tegen mij: "Ik zie wel, dat mijnheer een vreemdeling is en zich aan onze gebruiken nog niet gewend heeft. Wij spelen hier om geene vijffrancsstukken, maar om gouden onsen. Zou mijnheer zijn vijffrancsstuk wel willen terugnemen?" Ik was getroffen door de manieren van zulk een beminnelijken president en wachtte op eene gunstige gelegenheid om met hem in gesprek te treden; hij was daartoe ook wel geneigd. "Gij wildet gaarne weten," zeide hij, "of onze bank goede zaken doet; ik zal eens openhartig met u zijn: zij gaan vrij goed, met uitzondering van dezen avond die verfoeijelijk geweest is. Zoo met een moeten wij sluiten en ik twijfel er aan of dan al onze winsten sedert 8 ure, wel 20,000 piasters bedragen. Gelukkiglijk zijn wij op vorige avonden beter geslaagd; anders zouden wij wel te beklagen zijn, want niet meer dan 20,000 piasters op éénen avond winnen, is voor eene bank hier te lande, zoo goed als in een bosch te zijn afgezet." Vervolgens verhaalde hij mij, dat hij tot aan Junij 1848 eene groote rol in de clubs te Parijs gespeeld had, maar toen achtte hij het raadzaam van tooneel te veranderen.
De hartstogt van het spel is in Californië niet door de Amerikanen ingevoerd; want ten allen tijde hebben de bewoners van die landstreek er zich met groote drift aan overgeven. In Mexico is dit nog tegenwoordig het geval. _Monte_ is het meest geliefkoosde spel, maar roulette telt er ook hare vrienden.
De bevolking van San Francisco groeit dagelijks aan door de landverhuizers, die over zee uit alle deelen der wereld komen. De Sandwichs-eilanden, Otaheite, Nieuw Zeeland en Sidney hebben alle in meerdere of mindere mate daardoor hunne blanke bevolking verloren. Al die ongelijksoortige bestanddeelen zijn tot ééne groote massa werklieden zamengesmolten. Voor het oogenblik zijn zij afwezig, maar zij zullen allen bij het naderen van den winter in de stad eene schuilplaats komen zoeken. Als bevolking vindt men er thans eigenlijk slechts kooplieden, scheepsgezagvoerders en diegenen, die, in de mijnen wat overgegaard hebbende, dit te San Francisco in spel en overdaad komen verkwisten. De bevolking bestaat bijna uitsluitend uit mannen en de weinige eerlijke vrouwen, die hunne mannen herwaarts gevolgd hebben, durven zich schier niet op straat vertoonen. Evenwel neemt men reeds eene aanmerkelijke verbetering te dien aanzien waar; sedert de Amerikanen de overhand te San Francisco gekregen hebben, kan niemand meer straffeloos eene vrouw beleedigen. Nergens worden, gelijk bekend is, de vrouwen meer geëerbiedigd dan in de Vereenigde Staten. Overigens is hier een handel in vollen bloei, dien men in Europa ongetwijfeld verfoeijelijk zou noemen; er gaat namelijk geene week voorbij, zonder dat eenig Chiliaansch of Amerikaansch vaartuig, door dezen of genen speculant bevracht, eene geheele lading vrouwen aan de markt brengt. Men heeft mij verzekerd, dat deze handel tegenwoordig de meeste en zekerste winsten afwerpt.
Zoo men de afzonderlijke deelen wilde gaan onderzoeken, waaruit de handeldrijvende bevolking van San Francisco bestaat, dan zou men er al zeer zonderlinge vinden. Alle gefailleerde kooplieden van New-York, alle door de justitie vervolgde bankroetiers, alle plannenmakers en fortuinzoekers zijn als een vogelzwerm op dit land van belofte nedergevallen. "Kijk hem eens aan," zeide mijn geleider, die zelf een Amerikaan was, "dat is een onzer grootste geesten. Als chef van een der grootste huizen van Baltimore durfde hij het stoute plan vormen, om al het versche vleesch der Unie te monopoliseren, ten einde het later te verkoopen tegen den prijs, dien hij zou gelieven vast te stellen. Reeds had hij de kudden in drie vierde gedeelte der staten opgekocht, toen een andere Amerikaan, ook een schrandere bol, in tegenovergestelden geest begon te speculeren. De strijd tusschen deze twee reuzen was langdurig en vreeselijk. Het volk bij ons, dat hoogst gevoelig is voor alles wat den stempel van grootheid draagt, sloeg hen langen tijd met de grootste belangstelling gade. Ongelukkig was het totale verderf der kampvechters, het einde dezer worsteling. Evenwel," zoo ging mijn cicerone voort, "hebben beiden zich sedert weder van dien slag hersteld. Hij, dien gij dáár ziet, kwam zes maanden geleden zonder een penning hier aan; thans heeft hij een fortuin van 500,000 francs. Zijn oude tegenstander is er nog beter bij gevaren. Thans maken zij zich gereed, om op dit nieuwe terrein, een laatst en schrikkelijk gevecht te leveren. Ook die lange kerel, die ons in het Fransch groette, is een onzer heldere koppen. Voor eenige jaren was hij bankier te New-York en was voornemens ééne unieke en kolossale bank op te rigten op de puinhoopen van alle andere soortgelijke inrigtingen. Zijn streven, dat door eene buitengemeene bekwaamheid en doorzetting gekenmerkt werd, zou met den besten uitslag bekroond zijn geworden, toen de president der Vereenigde Staten eene wet liet aannemen, die de oprigting der nieuwe bank belette. Het publiek aarzelde aan welken dezer beide groote mannen het zijnen bijval zou schenken; maar de president, generaal Jackson, zonder er zich veel om te bekommeren, zat den bankier op de hielen, die, om zich te onttrekken aan deze vervolging en aan die der plotseling tegen hem opgestane crediteuren, geen anderen uitweg zag dan het hazenpad te kiezen; waarop hij zich onder ons kwam vestigen."
Terwijl mijn gids mij aldus bekend maakte met de heldendaden zijner landgenooten, werden wij aangesproken door een persoon met een rood gelaat en van eene athletische gestalte. Hij was van top tot teen gewapend en droeg een ontzagchelijk groot jagtmes in een geel lederen gordel. Nadat deze zonderlinge verschijning verdwenen was, zeide mijn gids: "Dat is kolonel X... van den Missisippi. Hij is overland van Texas gekomen en heeft Mexico over deszelfs geheele breedte doorreisd. Hem is een zonderling avontuur overkomen, dat veel sensatie heeft gemaakt, zelfs hier, waar wij ten aanzien van het wonderbare reeds alle scholen doorloopen hebben. Hoor maar eens. Des kolonels corps, zamengesteld uit stevige landlieden uit de westelijke staten, was voortgerukt tot de sterke Mexicaansche stad Durango van 35,000 zielen en vond daar de geheele bevolking in volslagen wanhoop. Den vorigen dag waren 500 Indianen van den stam der Apachen, die op de oevers van den Colorado woont, verschenen, en hadden de stad met plundering bedreigd, zoo men hun niet op staanden voet 50 vrouwen en even veel jonge meisjes in handen leverde. De ontaarde afstammelingen van Cortez spitsbroeders, sidderen tegenwoordig reeds op de enkele gedachte van een Apache Indiaan; zoo bewilligden de inwoners van Durango dan ook, na een flaauwen zweem van aarzeling, in den eisch, en de Indianen namen, behalve de hun overgeleverde vrouwen, ook op hunnen terugtogt naar den Colorado alle kudden mede, die zij onder weg tegen kwamen. Kolonel X... kennis gekregen hebbende van dit voorval, bood aan, voor de som van 4000 piasters de stroopers te vervolgen en de vrouwen terug te brengen. De stad nam dit aanbod vol blijdschap aan en onderteekende terstond een contract voor die som. De kolonel vertrok met zijne partijgangers en bereikte op den derden dag de Indianen, die weder bij hunnen stam gekomen waren. Het gevecht had plaats te paard en met buksen. De krijgslist der Indianen is, zich, terwijl zij hun paard in galop brengen en deszelfs manen grijpen, aan eene zijde neder te buigen en uit te strekken, zoodanigerwijze dat een hunner voetzoolen het eenige mikpunt voor hunnen vervolger is, terwijl juist dat been hun dient om hun evenwigt in die moeijelijke stelling te bewaren door hetzelve sterk tegen de zijde van het paard te drukken; in weerwil dat zij ook thans weder deze list te baat namen, leden zij toch eene volslagen nederlaag. De kogels van den kolonel--dank zij den onfeilbaren blik, die den Amerikaanschen jager onderscheidt en die maakt dat geen voorwerp, hoe klein ook, zijn zeker schot ontkomen kan--vlogen met onovertreffelijke juistheid en tot onbeschrijfelijken schrik der Indianen, in den blooten voet.
Na 7 of 8 dagen afwezig te zijn geweest, rukte de kolonel Durango weder binnen; hij had drie zijner manschappen verloren, maar bragt de vrouwen en meisjes weder mede. Maar, wel verre van hem hunne erkentelijkheid te betoonen, weigerden de inwoners van Durango nu, hem de overeengekomen som te betalen en gelastten hem, en zijnen volgelingen, de stad te ruimen. Op die onbeschaamde boodschap liet de dappere kolonel antwoorden, dat hij niet vertrekken zou, alvorens hem de 4000 piasters zouden uitbetaald zijn en dat hij, wanneer zulks niet binnen 24 uren geschied was, zich met zijn 27 manschappen van de stad zou meester maken. Dat antwoord werkte krachtig. De alcade van Durango kwam den volgenden morgen met de 4000 piasters in klinkende specie, waarna de kolonel, volgens zijne eigene uitdrukking, het stof van zijne schoenen schudde en bedaardelijk op andere avonturen uitging.
Het meest staat men te San Francisco verbaasd over de zeldzaamheid van den diefstal, in weêrwil van de vele verlokselen van dien aard, die er voor de gewetenlooze bevolking aldaar bestaan. Op de binnenplaatsen, voor de deuren, in de straten, op de pleinen, kortom overal, stoot men tegen stapels goederen uit alle streken der wereld, die hier nedergeworpen zijn en zonder eenigerlei bescherming of toezigt schijnen te zijn; en toch komen de schelmen en gaauwdieven van beroep, waarvan de stad vol is, nooit op de gedachte om er aan te raken. De reden daarvan is dat Californië, even als vele andere min beschaafde landen, zijn eigen en algemeen erkend wetboek van zedelijkheid heeft. Zoo mag men zich wel de uitspanning van een dolkstoot of een pistoolschot tot wraakneming of in een twist veroorlooven; maar aan een andermans goed te raken is het monsterachtigste van alle vergrijpen; geschiedt dit al een enkele maal, dan vliegt oogenblikkelijk een twintigtal kogels uit de omliggende tenten en huizen naar den dief. Kooplieden, mijnwerkers, schippers, allen verlaten terstond hun werk om hem te vervolgen, want ieder heeft belang bij het beletten van den diefstal; en echter zijn er noch soldaten, noch gendarmen om in het bijzonder voor de openbare veiligheid te waken. Zulk een staat van zaken zal bij den eersten aanblik verbazing, ja schier verontwaardiging wekken; men kan maar niet begrijpen dat een gouvernement zoo in zijn voornaamsten pligt te kort schiet, van aan een land, dat zich onder zijne hoede geplaatst heeft, zelfs niet eene officieele en regtstreeksche bescherming te verleenen; maar vele zaken die den Europeaan verwonderlijk voorkomen, zijn voor den Amerikaan zeer eenvoudig en duidelijk. De maatschappij is, naar zijn oordeel, niets dan eene verzameling van schrandere en vrije personen, waarvan ieder, door eene natuurlijke aandrift, naar zijne eigelijke plaats streeft. Nu zou, zijns inziens, de tusschenkomst van het burgerlijk gezag buiten de uiterste noodzakelijkheid, dat streven slechts belemmeren en in verwarring brengen; en is het beter zich zelven met het te keer gaan van zekere maatschappelijke wanordelijkheden te belasten, dan die zorg aan den staat over te laten en zich zelven aldus in eene soort van voortdurende voogdijschap te plaatsen.