Chapter 10
De arbeidsverdeeling tusschen de mannen en vrouwen is lang niet dezelfde bij de verschillende stammen. Over het algemeen kan men zeggen, dat de vrouwen het leeuwendeel van het werk doen, in sommige dorpen zelfs al het werk. Voor den Europeesch beschaafden mensch lijkt het vreemd, vrouwen te zien huizen bouwen en den zwaren kleibak en groote steenen aan en afdragen, terwijl de mannen lui een pijpje liggen te rooken; of een oude vrouw aan den zwaren weefstoel, bezig een bonte deken te weven en den man met een breikous in de hand naast haar. Maar er waren ook stammen, waarvan de mannen bedrijvig op het land werkten, of waar de man de wever is en waar de vrouwen 't lichter werk verrichten. Doch bij welken stam men ook komt, overal zal men de vrouwen het ijverigst aan den arbeid vinden. Pottenbakken en beschilderen, mandenmaken, broodbakken, zelfs het bouwen der woningen is overal het werk der vrouwen; met de kinderen om zich heen en soms een kleintje op den rug, ziet men ze overal opgeruimd aan het werk. Een moedertje droeg op den rug haar 5 dagen oud kindje, waarvan zij het geheele gezichtje steenrood geverfd had, alsof het niet genoeg was, dat het schaapje de rood-koperkleur van zijne ouders vertoonde. Gelukkig voor de Indianenmoeders bestaan er onder hen nog geen verbodsbepalingen die het gezonde werken aan vrouwen verbieden en kunnen zij nog ongehinderd hare krachten ontwikkelen.
Over het algemeen genomen zijn de Indianen--ik heb hierbij alleen het oog op de in pueblo's wonende--een goedhartig, vredelievend volk, dat niets liever wenscht dan door het Amerikaansch gouvernement en door de verschillende kooplieden en de geestelijkheid van diverse kerkgenootschappen in vrede gelaten te worden. Door die drie invloeden moeten zij verchristelijkt en beschaafd worden, maar dat kost hun de rust en have en goed. Aan alle kanten worden zij geplukt en in hunne bewegingen gekortwiekt. Dat er nu en dan een stam in opstand komt en den boven hen gestelden Amerikaanschen agent vermoordt of tracht te vermoorden, is niet te verwonderen, maar dit kost den armen drommels dan meestal het leven of 't geheele dorp wordt verwoest en de bevolking naar een verder afgelegen en nog onvruchtbaarder stuk grond verdreven. Door al deze en nog vele andere invloeden van buiten, gaat de Indiaansche bevolking in Amerika met rassche schreden in aantal achteruit en het zal niet lang meer duren of zij zullen geheel uitgestorven zijn.
Het deed mij goed toen ik bij mijn bezoek aan een Indianenschool in Zuid-Californië met lof over de verhouding van de eerste Hollandsche kolonisten en de Indianen hoorde gewagen. Het was aan het Sherman-Instituut in Riverside, waar ik met een der onderwijzeressen, zelve tot de Indianen behoorende, na afloop der les een zeer interessant onderhoud had. Zij behoorde tot de Iroquois-Indianen, den stam, die oorspronkelijk het oostelijk deel van Amerika bevolkte en waarmede de eerste Nederlanders die in Amerika kwamen om er handel te drijven of om er zich neder te zetten, in aanraking kwamen. Het was in hun overlevering bekend, zoo vertelde zij mij, dat de Hollanders hen altijd humaan behandeld hadden en eerlijken handel met hen dreven. Sommige Hollanders huwden zelfs Indianenmeisjes en behandelden haar op voet van gelijkheid. Zij deelde mij mede, dat zij een boek geschreven had, 't geen dezen winter gepubliceerd wordt, waarin zij de geschiedenis van haar stam beschrijft, voorzoover haar die uit familiestukken en uit overlevering bekend is en waarin ook de ontmoeting met de eerste Hollanders en de onderlinge verhouding beschreven wordt. Zij is de dochter van het opperhoofd van haar stam en van vader en moeder's kant beide, hebben hare voorouders steeds tot de Indianenvorsten behoord. Zij en hare beide broeders waren in New-York school gegaan en alle drie bekleeden zij een goede positie in Gouvernementsdienst. Velen der Iroquois-Indianen hebben zich, volgens haar, in de gewone Amerikaansche bevolking opgelost, doordat zij er geen bezwaar in zagen met iemand buiten hun stam te huwen.
DR. ALETTA H. JACOBS.
AANTEEKENINGEN
[1] Tot de bekendheid met en de waardeering van onze wijze van inpolderen heeft in Amerika niet weinig bijgedragen een artikel van de New-Yorksche "Review of Reviews" van Augustus l.l., door den ijverigen consul der Vereenigde Staten te Amsterdam: mr. Frank D. Hill: "How the Dutch have taken Holland".
[2] Van het Spaansche woord cañon = bergkloof.
[3] Dit artikel verscheen in het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht van 15 Nov. 1904.
[4] Een dwaze vrouw, die op openbare vergaderingen spreekt.