Bravo, Bob! De padvinder uit Canada
Part 9
Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer en langs de eerste ladder; in het donker leken de klokken nog reusachtiger dan straks.
"Heb je het luik dicht gekregen?" vroeg Stenford.
"Ja; een lastig karweitje."
"Jammer," zei hij.
Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.
We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren; de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.
HOOFDSTUK XVII.
HET KLOKKETOUW.
"Vooruit dan," riep Stenford, die zichzelf als koorleider had opgeworpen; "als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt."
"Maar wat moeten we uitgillen?" vroeg Burns.
"Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien beter.--Klaar?"
Zesmaal schreeuwden we "hal-lo" en wachtten wat er zou gebeuren; wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.
"De wind waait den verkeerden kant uit," zei ik; "het geluid gaat juist van het dorp af."
Toch gaven we het niet op. Ons "Hal-lo" weerklonk op alle mogelijke hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij konden geen levend wezen gewaar worden.
"Ze h-hooren ons n-niet," zei Burns.
"Die lui zijn zeker allemaal doof," zei Stenford, die ongeduldig met zijn voet stond te stampen; "en als ze ons hooren, dan denken ze misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier."
Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die opmerking maar voor me.
"Hanen kraaien niet 's n-nachts," zei Burns.
"Och, zeur niet, kerel! 't Is best mogelijk dat ze ons dan houden voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt."
"Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord," zei ik toen we een tijd lang hadden gezwegen. "Als we maar wat licht konden maken," voegde ik er bij.
"Die lui zijn zeker even blind als doof," mompelde Stenford; "maar hoe zou je licht kunnen maken?"
"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Had ik maar de electrische lamp van Bob," dacht ik bij mezelf.
"Het geeft geen steek of we hier al blijven staan," zei Stenford. "Toe, ga mee."
Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren deed dreunen.
"'k Ga niet meer op het dak," zei Stenford, toen hij en Burns zich wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. "Ik dacht dat we er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak dicht viel. Voor m'n heele leven heb ik genoeg van zware luiken."
"Wat zullen we nu doen?" vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren beland.
"Vraag dat aan je grootje," zei Stenford. "We zullen hier vannacht wel moeten blijven."
De klok begon wederom te slaan. "Zouden we d-dat ding niet kunnen laten stilhouden?" vroeg Burns.
"Waarom?" vroeg Stenford. "Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?"
"Nee, zoo'n uil b-ben ik n-niet," antwoordde Burns; "m-maar d-dat zouden z-ze toch in het dorp m-merken?"
"Geen denken aan!" zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het verstand van dorpbewoners. "Die lui weten misschien niet eens welke maand van het jaar we op het oogenblik hebben."
Plotseling kwam ik op een inval.
"Ik weet wat," riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een oogenblik werd opgevroolijkt.
"We kunnen de klok luiden," zei ik.
"Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen."
"Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig en wel thuis zitten."
"Hm," bromde Stenford; "we zouden het kunnen probeeren, maar als de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor ons uit."
"Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?" vroeg Burns.
"Het zou Kolman misschien ter oore komen," zei Stenford die ernstig het hoofd schudde, "en dan zouden we er geducht van langs krijgen."
"Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan," zei Burns.
"Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?"
We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen; toen bleven we stil staan.
"Kunnen jullie klokken luiden?" vroeg Stenford.
"Nee," antwoordde ik. "Je hebt toch alleen maar aan het touw te trekken, niet?"
"Heel g-gemakkelijk w-werk," verklaarde Burns.
"Jawel, maar ik heb wel 's hooren zeggen dat als je niet heel voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in de vaart en dan wordt je schedel tegen de zoldering gekraakt."
"Dat zal nog wel gaan," zei ik. "Toe vooruit; laten we de touwen met ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk."
We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.
"L-lastig k-karweitje," verklaarde Burns die met zijn heele gewicht aan het touw hing.
"Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn," zei Stenford kwaad.
We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons hoofd vernamen.
"Weet je wat we konden doen?" zei Stenford. "Burns, luister, ik kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen klokkeluiders ook."
Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. "Scheid uit met trekken; ik weet wat," riep ik.
"Ik verzeker je dat dit de manier is," wierp Stenford tegen.
"Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden."
"Wat dan?"
"Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?"
"Op gym dikwijls genoeg gedaan," antwoordde Stenford.
"En jij, Burns?" vroeg ik.
"Ik kan het tamelijk goed," antwoordde Burns nederig.
"Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik wil het graag probeeren."
"Wat wou je dan?" zei Stenford.
"Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende verdiepingen."
"Dat kunnen we zeker."
"Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw er door."
"Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?" vroeg Stenford.
"'t Is ten minste te hopen van niet," antwoordde ik.
"O, ik b-begrijp het!" riep Burns verrukt uit. "W-we g-gaan door het r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!"
"Juist," zei ik, "en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te zijn gesnapt."
Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk toegeven.
"Een zonderling plan," merkte hij op.
"Maar het is best te doen," antwoordde ik. "Toe ga mee."
"Maar zou het touw lang genoeg zijn?" vroeg hij.
"Natuurlijk," zei ik; "die touwen reiken hier toch bijna tot den vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt--we behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond terecht te komen. 't Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den toren loopt de grond zelfs een beetje op."
"J-ja, d-dat is zoo," viel Burns bij. "Toe, Stenford, ga mee."
"Maar op die touwen zit zoo'n dikke laag stof dat ze niet door de gaten van den vloer heen kunnen," wierp Stenford tegen.
"Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is," antwoordde ik. "Dat zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we die los maken, dan reikt het zeker tot den grond."
"Toe, St-Sten ga mee," drong Burns aan. "We zullen p-probeeren of het g-gaat."
"Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?" vroeg Stenford. "Geloof je, dat zoo'n touw ons zou kunnen houden?"
"We zullen zien of ze stevig genoeg zitten," zei ik. "Dit touw is dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist de kant van het raam dat we door moeten."
Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen, waarmede hij spoedig gereed was.
"Zie je wel; het sleept zelfs op den grond," zei ik; "zit er geen knoop of knoest meer in, Burns?"
"Nee, je k-kan het ophalen," verklaarde Burns.
Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan, begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.
We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we met ons drieën binnen.
"Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten glijden?" vroeg hij.
"Dat is nog al glad," antwoordde ik. "Hier is toch geen raam om het naar buiten te krijgen."
"Ja, dat is zoo," mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen muur aangebracht en konden niet worden geopend.
In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt aan het rad van een van de grootste klokken.
"Trek maar op." zei ik; "dan zien we gauw genoeg of we het goede touw hebben te pakken."
Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een put werd gehaald.
Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen en lag het als een kabel aan onze voeten.
"Ja, het is het goede," verklaarde Stenford. "Zou het stevig genoeg zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!"
"Ik durf het er op wagen," zei ik. "Het heeft toch die zware klok in beweging moeten brengen."
"Ik w-waag het er op," zei Burns.
"Bravo, Robert Burns!" riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekte aard weer boven kwam. "Zou jij het eerst durven gaan?"
"Zeker," verklaarde Burns heel beslist.
"Nee, Stenford, jij moet eerst gaan," zei ik. "Jij bent handiger. Houd jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker."
"Best," antwoordde Stenford. "Geloof je dat het door de zwaarte recht zal afhangen?"
"Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden," antwoordde ik; "laten we dat luik weg halen."
In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien, terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw te volgen dat langzaam daalde.
"Die vooruitstekende rand is een leelijk ding," zei Stenford; "dat is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet blijft haken."
Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw, dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening zeker wel tot den grond moest reiken.
"Dat zullen we ten minste maar hopen," zei Stenford. "We zullen het gauw genoeg ondervinden."
"Het touw leek me verschrikkelijk lang," zei ik; "misschien sleept het wel op den grond."
Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.
"Hoe voelt het?" vroeg Stenford.
"Stevig als een muur," antwoordde ik. "Geen verwikken of verwegen aan."
"H'm," zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. "Het lijkt me een heele reis."
Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen dan straks. "Het touw zwaait wel erg," merkte hij op.
"Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien," antwoordde ik. Ik had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden geopperd.
"Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak hield," zei Stenford. "Dus--ik moet het eerst gaan?"
Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.
"Niet naar beneden kijken," riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd wilde omdraaien. "Blijf maar naar boven zien en houd je handen goed vast!"
Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout was ruw en scherp.
"Nou, ik ga er vandoor," zei Stenford met een eigenaardigen klank in zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.
HOOFDSTUK XVIII.
WAT IK VERNAM.
Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.
"Als een st-steen d-die naar beneden rolt!" riep Burns uit.
Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw weer slap hangen.
"Ben je beneden?" riep ik.
"Ja," antwoordde hij, "maar laat Burns niet komen voordat ik het zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen."
Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den sleutel ergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.
"Het is te gewaagd, Burns," zei ik. "Ga niet."
Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.
Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet van Stenford.
"Vooruit maar!" riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden rand zou aanbonsen, maar neen--hij ging er langs en even later voelde ik wederom het touw slap hangen.
"Wacht nog even!" riep Stenford opnieuw. "Ja, zoo; kom maar!"
Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen; eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.
"Je hebt het er goed afgebracht," zei Stenford. "Eerst is het een beetje een raar gevoel, hè?"
"Mijn handen doen zoo zeer," antwoordde ik. "Ze bloeden," riep ik uit, toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.
"Dat is met Burns en mij ook het geval," zei Stenford. "Dat was nog 's wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste."
"Ja, w-we zijn b-beneden," beaamde Burns.
"Maar we zijn nog niet thuis," merkte ik op.
Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.
"Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden," zei Stenford. "Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde en bengelde als--ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik rammel van den honger."
"En we weten niet den weg naar huis," zei ik.
"En d-dien k-kunnen we n-niet vragen," viel Burns in.
"Ik w-weet wat," zei Stenford met een geeuw. "We zullen naar de zee trekken."
"W-wou je niet t-terug?" vroeg Burns op een toon van angstige verbazing.
"Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet, Ellinghem?"
"Kom, zeur nou niet langer," antwoordde ik; "laten we liever 's beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen."
"We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?"
"We zullen niet voor middernacht thuis komen," merkte ik op met een zucht.
"Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter," antwoordde Stenford. "Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander je zelf nog in een struik, kerel."
We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen daarna langs den muur en kwamen in een laan terecht en toen op een straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.
Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over zonder een woord tegen elkaar te zeggen.
We bleven nu stilstaan.
"We moeten niet tegelijk naar binnen," ried Stenford aan. "Het kan zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen."
"Dat kan je begrijpen," zei Burns. "Ga jij maar voorop, dan kom ik achter je aan."
"Net als straks!" zei ik. "Dan ben ik nummer drie."
"Praat me niet meer van dat touw," zei Stenford; "mijn handen doen nog zoo'n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns; nou ik ga!" In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.
"Ga jij nu," zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.
Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.
Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het raam nu open stond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur 's avonds kwam eigenlijk niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken luider. "Zeker een paar van de groote jongens," zei ik bij mezelf, want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen op dit ongewone uur.
De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer, maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende, en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze kwamen aanzetten.
Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij me zeker hebben gesnapt.
"En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?" zei Bob, die nu met Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.
Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan Brunton!
"En wat dan?" zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam klonk.
"Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen," zei Bob; uit zijn toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op die manier met dien ellendeling moest praten.
"Dat doet er niet toe," zei Brunton.
"Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen," hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.
"Waarom zou ik dat doen?" vroeg Brunton.
"Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad," hernam Bob. "Hij vermoedt nu nog niets."
"Weet je dat zeker?" vroeg Brunton.
"Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan kan je je woorden niet herroepen."
"Nee, dat begrijp ik," zei Brunton. "Zoo'n uil ben ik ook niet."
"Dat weet ik," hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te meer daar hij zoo'n hekel had aan dien akeligen jongen.
Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest onderdrukken. "Heb je nog wat te zeggen?" vroeg hij.
Ik hoorde Bob even kuchen. "Luister 's, Brunton," zei hij toen; "ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest...."
"Nee, dat is zoo," beaamde Brunton met een hoonlach.
"Als we voortaan hierin eens verandering brachten," hernam Bob; "het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd, maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen niemand ooit over zal reppen."
Brunton mompelde wat.
"Dus het is een koop dien we sluiten?" hield Bob aan. "Ik heb nu met je willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort."
"Dat blijkt," zei Brunton.
"Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen."
"Ik pas voor zoo'n belofte," riep Brunton nijdig. "Ik dank je stichtelijk voor zoo'n ruil."
"Heel goed," zei Bob met een zucht, "als je het op die manier opneemt, dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd."
"Dat heb je niet," snauwde Brunton hem toe.
Wederom een stilte.
"Wou je soms zeggen," hernam Bob op aarzelenden toon, "dat ik je zou kunnen afkoopen met geld?"
"Natuurlijk, dat spreekt," zei Brunton die een onaangenamen lach uitstiet.
"Heb je geldgebrek?"
"Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!"
"Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?"
Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan toen ik hem zoo'n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.
"Jawel, geef op," antwoordde Brunton nijdig.
"Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft," hernam Bob.
"Twaalf gulden?" vroeg Brunton.
"Ja."
"Maak er vijftien van."
"Zooveel kan ik niet missen," antwoordde Bob; "me dunkt dat twaalf gulden mooi genoeg is!"
"Nou, vooruit dan," zei Brunton.
"Dus de koop is gesloten?"
"Ja," snauwde Brunton.
"Ga mee naar mijn kamer," zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen langzamerhand vervaagde.
HOOFDSTUK XIX.
ZWEMMEN EN DUIKEN.
Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.
Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was, en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere belofte! Wat kon dat zijn?