Bravo, Bob! De padvinder uit Canada

Part 7

Chapter 74,196 wordsPublic domain

Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting; zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet, want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob ook niet telkens komen lastig vallen.

Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien Dester stond te praten en zei: "D-dat is B-Brunton," zoodat mijn laatste zweem van twijfel was verdwenen.

"En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn geweest?" vroeg ik.

"Ja," zei Burns. "Hij is een ellendeling," voegde hij er met overtuiging bij.

Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: "Hij is een prefekt, Ellinghem; hij zit in de zesde."

"Ja," antwoordde ik. "Maar wat zou dat?"

"Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen 'm kunt doen als hij je slaat."

"Dat weet ik ook wel," hernam ik; "de jongen is zoo groot, en hij ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met hem zal gaan vechten."

"Nee, dat snap ik," zei Stenford met een hoonlach. "Dat bedoelde ik niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet houden--dit wordt ten minste voorondersteld--en dit kan hij altijd als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven."

"Ja," zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.

"Wie heeft je als feg genomen?" vroeg hij.

"Norman," antwoordde ik.

"Prachtig; dan mag je van geluk spreken."

"Ik ben nog niet bij hem geweest," zei ik. "Bob--Kitsjin, bedoel ik--heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman."

"Hij en Norman zijn dikke vrienden," hernam Stenford, "en Juniper is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan Burns. Die is de feg van Juniper."

Burns knikte bevestigend met het hoofd.

Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de zweem van een glimlach was verschenen.

"Zoo, hoe heb jij het gehad?" riep Stenford hem vroolijk toe. "Heb je er geducht van langs gekregen van Kolman?"

"Nee," antwoordde Kien; "'t is toch een beste vent."

"Heb je geen straf gekregen?" vroeg ik.

"Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en die ontploffing," hernam Kien. "De man is zelf zoo dol op natuurkunde, en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die luchtpomp 's zien."

"Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad," zei Stenford.

"Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven," hernam Kien, "en als dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische apparaten beloofd.--Vooruit, Ellinghem, ga nu mee."

"Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat we wegkomen."

Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naam hoorde roepen; ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.

"Ellinghem, kom hier!"

Ik bleef besluiteloos staan.

"Het is het best dat je naar hem toegaat," fluisterde Kien.

"Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?" schreeuwde Brunton. "Hier, zeg ik!"

Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek me aan met een loerenden blik.

"Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier hebt gezet?" snauwde hij me toe.

"Hij begon," zei ik.

"Zoo'n leugenaar!--Jij hebt 'm niet geslagen, is het wel Dester?"

"Alleen nadat hij was begonnen," antwoordde Dester, zonder een oogenblik te aarzelen.

"Dat dacht ik wel," hernam Brunton; "en jij was het ook die gisteravond door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar ik zal je wel leeren. Ga mee!"

Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de gymnastiekzaal die open stond.

"Geef me een van die dingen, Dester," zei hij.

In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep er een en reikte dien over.

Brunton gaf me een stomp en zei: "Je blijft doodstil staan; begrepen?"

Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en viel kletterend op den grond.

Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. "Je scheidt uit," zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een jongen aan het andere einde van de zaal, en zeker had hij hiermede opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.

Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide was gekomen.

HOOFDSTUK XIV.

DE STUDEERKAMER VAN NORMAN.

"Nou, sla je er niet op?" vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.

Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.

"Kom vanmiddag na de thee in mijn kamer, Martin," zei Bob zoo kalm of er niets was gebeurd.--"Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord," hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had staan schermen. "Willen we voortgaan?" En een oogenblik later had hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.

Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. "Kleine aap die je bent!" snauwde hij Dester toe. "Waarom heb je me niet gezegd dat hij Kitsjin kent?"

"Die was goed, hoor," zei Stenford die met me bij de deur was blijven staan. "Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met elkaar gehad. 't Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?"

"Neen," antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.

"Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is," hernam Stenford. "De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van op aan, en Dester ook," voegde hij er lachend bij. "De arme rekel heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen."

"B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen," viel Burns in; "en hij z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen."

"Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt," merkte Stenford lachend op.

"Je zal het z-zien," hield Burns vol.

Later zou blijken dat hij gelijk had.

"Kom, laten we nu over wat anders praten," hernam Stenford. "Zeg, Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?"

"Heel graag," antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep wat hij bedoelde.

"En je luchtpomp?" vroeg Kien bezorgd.

"Och jij met je luchtpompen," riep Stenford. "Jij zou maar het liefst den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.--Jij moet ook meegaan, hoor Kien!"

"En ik heb zoo'n hoop strafwerk van Kolman," wierp Kien tegen op somberen toon.

"Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met de luchtpomp bezig is," merkte Stenford spottend op.

"Och, je leutert," zei Kien. "Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of andere manie."

"'k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud," zei Stenford lachend.--"Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een hoop lui mee van onze klas."

"Best," antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.

"Ik zal je naar Norman brengen," zei Bob, toen ik 's avonds in zijn kamer kwam. "Maar vertel eerst 's wat je met Brunton hebt gehad?"

Ik legde hem uit wat er was gebeurd.

"Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te vertellen," zei Bob heel kalm.

"Dat weet ik wel," antwoordde ik; "maar ik wil niet met allerlei kleinigheden je komen lastig vallen."

"Dat is flink van je," zei Bob; "maar Brunton wist zeker niet dat je een vriend van me was."

Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk een voorname rol speelde.

"Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben gehouden," ging Bob voort.

"Waarom?" vroeg ik.

"Och, de vent is wat bang voor me," hernam Bob; "waarom, dat doet er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb beloofd het niet te doen."

"Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal betaald zetten," zei ik.

"Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst," hernam Bob op luchtigen toon. "Dat doen we niet in Canada," voegde hij er bij, terwijl hij de borst vooruit zette. "Maar ga nou mee naar Norman."

Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik de kamer binnenging van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de jongens.

Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen; hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.

"Kom binnen, Bob," zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.

"Weest welkom, heeren!" riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.

"Houd je nu eindelijk eens bedaard--" begon Bob.

"Maar ik ben de bedaardheid in persoon," wierp Jim tegen. "Is het niet, Dick?"

Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij antwoordde doodleuk: "Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan één stuk door zit te ratelen."

"Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd," riep Juniper. "Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een proef afleggen van zijn kookkunst."

Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die weldra begonnen te spatten en te sissen.

"Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad," merkte Juniper op. "Dat heeft Brys me verteld."

"Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad," antwoordde Bob. "Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens."

Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar een andere wending wilde geven aan het gesprek, want ik stond de saucijsjes al te prikken en te keeren.

"Hij doet het prachtig," zei Juniper; "laat hem maar zijn gang gaan, Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen."

"Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen," mompelde Bob. "Hij had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan."

"Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog."

"Ja, hij liet me met rust," antwoordde Bob kortaf.

"Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij."

"Ja, dat is zoo," zei Bob.

"Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?"

"Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton," riep Bob ongeduldig; "hij is zooveel drukte niet waard."

Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. "Hebben jullie het zoo druk over Brunton?" vroeg hij. "Binnenkort zal er herrie komen met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen."

"Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?" riep Jim met het gebaar van een volleerd acteur.

"Dat doet er voorloopig niet toe," antwoordde Norman; "ik geloof dat hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in mijn bijzijn moesten verhandeld worden."

"Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam zijn," viel Bob in.

"Dat is onmogelijk," antwoordde Norman. "Als het eenmaal zoo ver is, dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat."

"Zijn leven?" riep Juniper ontsteld uit.

"Je snapt best wat ik meen," hernam Norman; "zijn leven hier op school, bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt."

"Laat de vent maar met rust," mompelde Bob; "raak hem maar niet met een stok aan, of...."

"Of met een schermdegen," viel Jim lachend in.

Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort kwam om aan alle aanvragen te voldoen.

Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor om mijn onwetendheid te laten blijken.

Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford kwam aanloopen.

"Vooruit, zijn jullie klaar?" vroeg hij. "Hoe eerder we er vandoor gaan, des te beter."

"Wat m-moeten we d-doen?" zei Burns, die zijn onkunde liet blijken, waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.

"Wel, we gaan verkennen!" riep Stenford.--"Dat heb ik je gezegd, is het niet, Ellinghem?"

Ik knikte ernstig van ja.

"Hoe g-gaat dat," hernam Burns.

"Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest--en dan moet hij naar Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen."

"En w-wat d-doen w-wij?" vroeg Burns.

"We geven hem een kwartier voorsprong," antwoordde Stenford; "dat is een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal; en dan trekken wij er in drie troepjes van vier op uit, want er gaan zoowat twaalf jongens mee--en dan moeten we--"

"Hem t-te p-pakken zien te krijgen?" viel Burns in.

"Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten dat hij die kaarten op de bus doet."

"Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren," zei ik, want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden te brengen.

"Jawel, maar hij moet langs het lage pad naar Humbie en wij gaan regelrecht erheen over den heuvel," antwoordde Stenford.

"Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet," zei Burns grinnekend.

"Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan," hernam Stenford. "De anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen."

"Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?" stelde Burns voor.

"Nee, dat kan niet," antwoordde Stenford heel beslist. "Ik heb de verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer."

"Wat heb je om je hals hangen?" vroeg ik.

"Een verrekijker," zei Stenford op heel gewichtigen toon. "Het is er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z'n strafwerk maken.--Heb je je kompas bij je, Burns?"

"Ja," antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te voorschijn haalde.

"Het lijkt wel een braadpan," merkte Stenford op. "Maar dat ding kan wel te pas komen."

"Heeft een van jullie een kaart?" vroeg ik.

"Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?" zei Stenford op minachtenden toon.

"Ken je de streek dan zoo goed?" zei ik.

"Ja, op m'n duimpje," antwoordde Stenford op luchtigen toon; "maar met zoo'n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen."

Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen meer maken.

We trokken er met z'n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong hadden gelaten--de jongen was al een kwartier geleden vertrokken--toen scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost, midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.

HOOFDSTUK XV.

DE PADVINDERS AAN 'T WERK.

"Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt," merkte ik op.

"M-maar hij is zoo'n s-slimme v-vent," zei Burns.

"Ja," zei Stenford; "hij kan door greppels kruipen en zich op de onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten."

"Hoe moeten we nu gaan?" vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.

"Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden," beval Stenford.

"Ja, maar welke richting, bedoel ik?" zei ik, terwijl ik een blik wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had een gevoel of we ons op zee bevonden.

"Welke richting?" herhaalde Stenford. "Ik geloof dat we dien kant uit moeten."

Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. "Laten we zeggen west, noordwest eigenlijk.--Burns, je kompas!"

Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan; de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.

"Zoo'n akelig ding!" zei Stenford; "houd 't dan stil. Nee, schud het eerst 's flink, Burns."

Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.

"Wat wiebelt dat ding!" mompelde Stenford toen de naald al maar bleef dansen en zwaaien. "Maar kijk 's, dat is onze richting; 't is zoo klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!"

We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem en begon te hijgen van belang.

"Dat 's hard werk!" riep ik toen we drie of vier velden waren overgestoken.

Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over zijn lippen.

"We hebben nog niets in de gaten gekregen," zei Stenford toen we even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over te klimmen.

Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.

"Nu naderen we," zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van den omtrek hadden bereikt; "hier kunnen we misschien het een of ander zien."

"L-laten w-we eens r-rustig uitkijken," bracht Burns met moeite uit, die nu stond te hijgen als een stoommachine.

De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter een van deze hadden opgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.

"Zie je Sjarp?" vroeg ik aan Stenford.

"Nee," antwoordde hij. "Kijk zelf maar."

Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend landschap met dijken en schapen.

"We zijn niet hoog genoeg," zei Stenford. "We moeten in de diepte kunnen kijken."

"Wat denk je van dien boom daar?" vroeg ik, terwijl ik wees naar een hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.

"'t Zal me benieuwen of ik erin kan," zei Stenford, "maar we kunnen het probeeren."

We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.

"'t Is gek dat we geen van de andere jongens zien," merkte ik op.

"Ja," zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn haalde. "Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist."

Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.

"Zie je wat?" riepen we tegelijk.

"Sjarp of een van de anderen zie ik niet," riep hij terug; "het is niet zoo'n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders."

"Wat dan?" vroegen we.

"Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet zien."

"Wat zou dat?" riepen we.

"Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek als een kaart voor ons uitgespreid--dan zien we alles en iedereen."

"Prachtig," riep Burns. "T-toe, kom dan beneden."

"Ik kom al," zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.

We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende tegen den hemel.

"Hoe heet het daar?" vroeg ik, want plotseling was een gedachte me ingevallen.

"Weet niet," antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde, "en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet, is het niet?"

Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen dat we gewaar werden en draafden verder.

Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel wat moeilijkheden voor.

"Recht op den toren af," riep Stenford een paar maal, alsof dit het wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit, want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden hem nu weldra ingehaald. "We moeten niet komen aandraven," zei hij.

"Nee," antwoordde ik hijgend en blazend; "dat trekt maar de aandacht."

De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuvel die zich links van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof werd ze van het dorp gescheiden.

"Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen, dan zou dit misschien beter zijn," merkte Stenford op. "Dan zal niemand ons zien."

"Die m-man komt eraan," zei Burns plotseling, die een schichtigen blik om zich heen had geworpen.

Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde dezelfde richting als wij.

"Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan," verklaarde Burns.

"Wat zou dat dan nog?" vroeg Stenford. "Maar des te meer reden om geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!"

We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.

"De m-man v-volgt ons niet," riep Burns hijgend, toen we een veld waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.

"Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken," zei Stenford. "Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!"

We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen ons en het dorp bevond.

"Ja, wat een hoogte," zei ik. "Maar hoe zullen we erin komen?"

"M-misschien z-zit de deur op s-slot," zei Burns.