Bravo, Bob! De padvinder uit Canada

Part 6

Chapter 64,151 wordsPublic domain

"Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?" zei Stenford.

"Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester," antwoordde ik.

"Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken je Jim?"

Ik knikte van ja.

"Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman."

Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijn bezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.

Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. "Dat is Kien maar," zei hij; "de vent is dol op proeven. 't Liefst zou ie den heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog 's in de lucht."

Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook naar den wetenschappelijken onderzoeker.

Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde; tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en een spirituslamp die helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig hield. "Maak je koolgas?" vroeg ik fluisterend.

Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. "Ja, heb jij het wel 's gedaan?"

Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het vuur te zetten, de steel steekt dan uit tusschen de staven, maar de wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.

"Wat voor soort leem gebruik jij altijd," zei Kien, alsof ik bijna dagelijks koolgas vervaardigde.

"Wat ik maar kan krijgen," antwoordde ik op een toon van diepen ernst, dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden specialiteit.

"Stourbridge is verreweg de beste," zei hij "maar toch ontsnapt nog te veel gas."

Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.

"Het leem barst," merkte hij op.

"Ja, dat is zoo," gaf ik toe.

"Nu ook weer," hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den lessenaar wegdook. "Kijk maar!"

Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk van brandende spiritus drong tot me door.

"De leem was te nat," zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; "het moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen, of anders kan je het wel laten."

Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.

"Ben je--ben je? niet bang om brand te maken?" vroeg ik.

"O nee," antwoordde hij heel bedaard; "in het laboratorium is het natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk, het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden."

"Ben je niet bang voor... voor..."

"Voor Kijkers?--Nee, want die ruikt niets," voegde hij er lachend bij. "Anders..."

Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken, al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.

"'k Had de spiritus klaar," zei Kien, "en de pijp ook; toen Kijkers er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk goedje, hè?"

De spiritus-lamp brandde flink; het gas begon zich een uitweg te banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek verrukt naar de vlam die ontstond.

"Prachtig; dol," riep hij. "Zie je wel dat er een massa gas in die kool zit?"

Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe voetbal-seizoen betroffen.

Plotseling werd "Sst", "sst" geroepen, waarop een algemeen geschuifel van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en correct in de bank.

Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen, waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.

"Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken," fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.

Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard, maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen waarvoor hij zich wilde opgeven.

Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.

"In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!" zei hij. Snuf, snuf. "Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja bepaald, het is een sterke brandlucht."

HOOFDSTUK XII.

MIJN VERDER OPTREDEN ALS NIEUWELING.

Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.

Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.

"Hé, ruikt u iets?" vroeg hij. "Het is me nog niet opgevallen."

"Er brandt wat," hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een politie-hond.

Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.

"Ongetwijfeld," verklaarde de heer Wilson.

"Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt," zei de heer Broes. "Als er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn, of het is ergens anders."

De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een oogenblik met den rug naar de klas stond.

Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik het deksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt; de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht tegen aanloopen.

Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die zat met zijn neus in zijn boek.

De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?

In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de vlammen uit.

Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. "Nee, daar is het niet," zei hij. "Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt."

De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door den heer Broes.

Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.

"'t Is hier, dunkt me," zei de heer Wilson, die bij den lessenaar van Kien bleef stil staan.

"Kijk eens, hoe zonderling," merkte de heer Broes op, die zich voorover boog; "een zwarte vloeistof druipt op den grond--Kien!"

De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde de heele omgeving als bij een aardbeving.

De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door het lokaal.

Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en zei: "Het was--ik--ik deed een proef."

De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: "Ongehoord om ontplofbare stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!"

De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was getuimeld. "Kijk," riep hij, "je hebt al iemand een ongeluk bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?"

"Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer," antwoordde ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.

"Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer," zei Kien heel ernstig; "er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door electriciteit aan te steken."

"Alleen maar brandbare stof!" hernam de heer Broes op strengen toon. "'t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?" vroeg hij, terwijl hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.

"Neen, er zit niets meer in," verklaarde Kien.

"Ik zie stukken van een pijp," zei de heer Wilson, die den lessenaar nu wederom oplichtte; "een--een pijp van leem met rood lak; in drie stukken gebroken. Heb je gerookt?" vroeg hij op minachtenden toon.

"Neen, meneer," antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,

"De pijp is gebruikt," hernam de heer Wilson. "Deze kop is hard en zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is dat voor een ding? H'm!" Hij stiet een kreet uit en liet het vallen, "'t Is nog gloeiend heet!"

"Dat is de stop, meneer," zei Kien.

"De stop?" vroeg de heer Wilson.

"Ik heb koolgas gemaakt," hernam Kien. "In dien kop zit steenkool."

De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.

"Maar de boel drijft van de inkt," viel de heer Broes in; "of is het een andere vloeistof," voegde hij er bij.

"Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch afgescheiden," zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.

Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.

"Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het verbrandings-proces," hernam Kien met zachte stem.

"En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke gevaarlijke spelletjes te spelen," verklaarde de heer Broes op strengen toon.

De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had opgeloopen; de heer Broes begaf zich naar het andere einde van het lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort "ammonia-geest" geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.

"Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat," zei hij, "want dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan; ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout."

Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee te doen.

"Heusch?" vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. "Ik denk dat ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk."

Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.

Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede had gedaan op St. Martin.

Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: "Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen."

"Moet ik nù naar den chef?" vroeg ik verbaasd.

"Ja, en 't is je geraden om hem niet te laten wachten."

"Maar waarom?" zei ik.

"Dat zal je gauw genoeg gewaar worden."

"Heeft hij je gestuurd om mij te halen?"

"Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?"

In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.

"Is het om die geschiedenis met Kien?" zei ik.

"Weet ik het," antwoordde hij. "'t Is best mogelijk. Maar als je langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht."

Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf mij had genoemd als medeplichtige.

"Ga je nou haast?" vroeg de jongen, "of zal ik aan Kolman gaan zeggen dat je ervoor bedankt om te komen?"

"Nee, ik zal wel gaan," antwoordde ik bedrukt, "maar vanhier weet ik niet den weg naar de studeerkamer."

"O, die zal ik je wel wijzen," zei de jongen gedienstig. "Gauw, ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft."

Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit gedeelte was ik nog niet geweest.

"Dit is korter," zei de jongen die me even over den schouder aankeek.

Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven voor een deur stil staan.

"Zeg," fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink hield; "langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af, en dan sta je voor de deur van Kolman."

"Ga je niet mee?" vroeg ik.

"Dank je stichtelijk," mompelde hij. "Ik trek alleen naar Kolman als hij me laat roepen."

"Dus tweemaal links om?" vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.

"Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen."

De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.

"Ga er maar vandoor," zei de jongen; "je vindt het vanzelf."

"Wacht nog even," riep ik, toen ik een blik in de duisternis had geworpen; "hoe kom ik terug?"

"Langs denzelfden weg," antwoordde hij kortaf. "Alsjeblieft, vooruit!"

Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.

Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik den eersten keer links was afgeslagen.

Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op, die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.

Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er was wel een pad rechts.

Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af, maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken, windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.

Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te brengen! De chef had me niet laten roepen.

HOOFDSTUK XIII.

IK MAAK KENNIS MET BRUNTON.

Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten een handlanger was geweest van Dester.

Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin gelokt!

Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken naar het een of andere schijnsel.

Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik een lichtstraal gewaar worden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.

Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn of in de bergen.

Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens eindigen!

Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende van het hoofdgebouw.

Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt--hoe lang scheen dit niet geleden!

Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de botsing tegen den muur terecht kwam.

"Uil, die je bent! Waarom maak je zoo'n kabaal?" vroeg hij nijdig, zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.

Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de een of andere overtreding.

"Allo, wat voer je hier uit?" vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag greep en me heen en weer schudde.

Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien het gauwst weer loslaten.

"Ik wou naar mijn kamer gaan," zei ik.

"Houd je koest, uil die je bent," beet hij me toe. "Vooruit, ga dan maar naar je kamer."

Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me omkeerde om door te loopen.

"Wat zou dat voor een vent zijn," vroeg ik me af, toen ik eindelijk verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.

Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan Stenford.

"O, dat is natuurlijk Brunton geweest," zei hij. "Een nare vent. Zorg maar dat je uit zijn buurt blijft."