Bravo, Bob! De padvinder uit Canada
Part 5
"W-weet n-niet," mompelde Burns die in een diep neerslachtige stemming naast me liep; "die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k altijd p-pech."
Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij buiten al zijn "pech" zou laten.
"Het is al verschrikkelijk laat," zei ik; "zouden we een standje krijgen?"
"N-niet den eersten avond," antwoordde Burns, "maar hoe eerder we er zijn, d-des t-te beter."
We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.
Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden verdeeld: "leuke jongens" en "ellendelingen".
"Wat is die Kitsjin er voor een?" vroeg ik.
"D-die is heel l-leuk," antwoordde Burns zonder een oogenblik te aarzelen; "die J-Jim J-Juniper ook," voegde hij erbij, "de jongen dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen n-niet veel v-van ze z-zien."
"Nee, natuurlijk niet," antwoordde ik, hoewel die mededeeling me geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in de bres zou kunnen springen.
"W-wij z-zitten l-lager," hernam Burns. "Er is een ellendeling op school; d-die heet Dester."
"O ja?" zei ik.
"L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem," ried Burns aan.
"Nee," antwoordde ik eenigszins weifelend.
"Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet," hernam hij; "ik-k heb z-zoo'n hekel aan-n d-dien v-vent."
"O ja?" zei ik wederom.
"Hij zal je z-zeker als feg [3] te pakken z-zien te krijgen."
"Is dat zoo'n nare kerel?" vroeg ik zacht.
"Nou, of ie," antwoordde Burns; "en D-Dester is k-koek en ei met hem."
We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch gezicht deed open.
"Jullie bent laat," zei hij bij wijze van begroeting.
"De anderen z-zijn er zeker al allemaal," fluisterde Burns. "Ga mee, dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?"
Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage konden we onzen weg vervolgen.
"Zullen we een standje krijgen?" fluisterde ik, toen we nergens een jongen gewaar werden.
"'k Denk het n-niet," antwoordde Burns. "Het k-kan zijn dat Wilson k-kwaad is."
Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.
Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de "leuke jongens" of tot de "ellendelingen" zou behooren.
Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.
Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. "Zoo, een nieuweling?" zei hij op een toon alsof hij dit feit als een persoonlijke beleediging beschouwde.
"Ja," zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig mogelijk kwijt te raken.
"Zoo," hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd aankeek dat ik driftig werd.
Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied voor mijn persoon.
"Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen met een mep te krijgen," zei hij.
Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn gezicht gegeven.
Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.
Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.
"Heb je genoeg gehad?" riep ik met een stem die mijzelf zonderling in de ooren klonk.
Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.
Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken, zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.
"Zoo'n klein lief lammetje," hoorde ik plotseling naast me zeggen; ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden, want zijn gezicht straalde van pleizier.
Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde en zei: "Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed, vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester, maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch, hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden."
Dester--want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid--was weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van zijn neus veegde.
"Dester heeft voorloopig genoeg gehad," zei Juniper op vaderlijken toon, terwijl hij zich naar mij keerde. "De vent schijnt zich dit keer te hebben vergist."
"Hij is begonnen," antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te beletten--dit was me onmogelijk.
"Dan is het in orde," zei Juniper lachend. "Als nieuweling zou het ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden had aangevangen."
"Het spijt me," zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.
"Ik zou er maar geen spijt van hebben," merkte Juniper wijsgeerig op. "Wat zeg jij Burns?" vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.
"N-nee," antwoordde Burns met nadruk; "ik v-vond het zoo l-leuk."
"Dester heeft er flink van langs gehad, niet?"
"N-nou--of ie!"
"Mijn lief, mak lammetje," hernam Jim die nu weer het woord tot mij richtte; "ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je boksen geleerd?"
"Van Bob Kitsjin," antwoordde ik; "ken je hem?"
"Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken," riep Juniper die met een theatraal gebaar de armen ophief. "Dat zou ik denken!"
"Nou, of ie," zei Burns wederom.
"Is Kitsjin een vriend van je?" vroeg Jim.
"Ja, ik ken hem nog al goed," antwoordde ik bescheiden.
"Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent, jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?"
"Ellinghem," zei ik.
"Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken; hij snapt maar niet waar je toch uithangt."
"Ik ging met Burns mee om--" begon ik, doch dit heerschap greep plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.
"Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten indraaien," riep Jim lachend. "Onze dichter Burns is een gevaarlijk sujet. Maar zeg 's, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen makken vriend af te leiden van het pad der deugd?"
"Het w-was bij vergissing," bracht Burns met moeite uit.
"Dat spreekt," hernam de ander. "Jij vergist je maar eens. Ga nou maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen."
"Zeg 's, J-Jim," zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me weg trok.
"Wat moet je van me, Burns?" vroeg Jim.
"Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton--"
"Daar kan je van op aan."
"Dan z-zal ie--"
"Ja, dat zal ie zeker."
"D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen."
"Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo'n vaart niet loopen."
"M-misschien niet, m-maar toch ..." antwoordde Burns aarzelend, waarop hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak--een eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde--en zoo liepen we samen de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.
"Binnen!" riep een bekende stem.
We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven een spiritus-licht.
HOOFDSTUK XI.
WIJ MAKEN KENNIS MET STENFORD, KIEN EN COMPAGNIE.
"Mag ik dit heerschap onder Uw Edele's aandacht brengen," zei Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de kermis; "de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor je het weet!"
Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: "Zoo, Martin, waar heb jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden, maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?"
"Dat mag je wèl vragen," zei Jim die het woord nam voordat ik een klank had kunnen uitbrengen. "Werp een blik op dit jonge mensch dat zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier is binnen gekomen."
"Heeft ie wat te eten gehad?" vroeg Bob. "Want ik ben juist bezig om--"
"Eten!" riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke houding aannam; "deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op leven en dood gestreden."
"Och jij met je praatjes," zei Bob lachend. "Wat kan je toch ratelen, Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo'n kletsmajoor als jij bent heb ik nog nooit van m'n leven gezien!"
"Vraag het hem maar zelf!" riep Juniper die een sierlijk handgebaar maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob stond te kijken; "vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren."
"Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen," hernam Bob lachend. "Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik zal je te eten geven en je dorst lesschen."
"Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen," begon ik. "Een jongen gaf me een slag, en--en toen sloeg ik terug."
"Toen sloeg ik terug!" riep Jim Juniper. "Nou, of ie. Ik zeg je, Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie Dester tegen..."
"O, heb je het met Dester aan den stok gehad?" vroeg Bob die nu blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.
"Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur, maar dan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor, hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van het heele tooneel."
"Je bent er wel gauw bij geweest, Martin," zei Bob op ernstigen toon, hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.
"Het spijt me dat het is gebeurd," zei ik.
"Het spijt mij geen zier," zei Juniper. "Hoera voor onzen oorlogsheld; Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!--Vaarwel kampioen!--Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik weer tot je orders." Hij liet zich van de tafel glijden en verdween, na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.
"Typische vent, maar een beste kerel," zei Bob. "Soms weet je niet of hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten, je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel nu maar op."
"Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns--" begon ik.
"Pas op voor dien vent," zei Bob die de thee nu inschonk. "De kerel is niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen, hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door."
Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns had uitgevoerd, tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling een kreet van verbazing uit.
"Wat is er?" vroeg ik.
"Niets, het leek me alleen zoo toevallig," antwoordde hij. "Vertel maar door."
"Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en jou ook."
Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.
"Wie is die man?" vroeg ik, "en hoe kan hij iets van ons weten? Hij woont hier pas en als Burns niet..."
"Och, die uil van een Burns," riep Bob kwaad.
"Weet je hoe ie heet?"
"Ja: Brunton."
"Is het de vader van den jongen die hier op school is?"
"Ja."
"Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?"
"Ja."
"Dan zal Brunton er wel alles van hooren."
"'k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen," zei Bob. "Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen."
"Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?" vroeg ik.
"Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het een of ander verteld," antwoordde Bob op luchtigen toon. "Wil je nog wat thee?"
Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak bleef nadenken.
"Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen--je komt in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken dat je er met Burns op uit was getrokken."
Ik knikte bij wijze van instemming.
"In school zullen we niet veel van elkaar zien," hernam Bob; "maar hier kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde, dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor je is."
We bespraken nog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H'm, zoodat ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.
Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den "chef", een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem genoegen te doen.
"Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?" vroeg hij, toen het onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.
"Ja, mijnheer," antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijn vriendschap met Bob.
Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen beenen moeten staan.
Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er me zelf doorheen moest zien te slaan.
Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht nog sporen droeg van het tweegevecht.
Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.
"Zeg 's, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?" fluisterde de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.
Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.
"'t Is raak geweest, hoor," hernam hij lachend, terwijl hij eerst op zijn neus wees en toen op zijn oog.
De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en stond op het verste gedeelte van het podium, en dit oogenblik nam ik waar om eveneens fluisterend te antwoorden: "Och--och--het was geen gevecht eigenlijk."
Uit "Tom Brown's schooldagen" wist ik wat onder een gevecht moest worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.
"Niet?" hernam hij. "Hoe lang heeft het geduurd?"
"Een minuut misschien," antwoordde ik bescheiden. "Maar we mogen niet praten, is 't wel?"
"Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van," antwoordde de jongen heel kalm. "Maar je hebt 'm geducht op z'n kop gegeven. Burns zegt dat het bloed uit z'n neus stroomde."
"O, dus je weet het van Burns?"
"Ja; je heet Ellinghem, niet?"
Ik knikte van ja.
"Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?"
"Wat wist ik toen niet?"
"Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt altijd zijn partij op."
"Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette," zei ik; "hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug."
"Dat dacht ik wel," hernam Stenford, "want als je het hadt geweten, dan zou je hem wel met rust hebben gelaten."
"Waarom?" vroeg ik eenigszins onthutst.
"Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen," antwoordde Stenford heel bedaard. "Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft verteld. Toch ben ik blij dat de kerel 's op zijn kop heeft gehad."
"Wat is die Brunton er voor een?" vroeg ik, om te weten te komen of Stenford hem eender beoordeelde als Burns.
"Een ellendeling," antwoordde Stenford kortaf. "Maar houd je mond: hij komt eraan."
De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse, waarop onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door vragen was bestormd.
"Zeg, hoe heet je?"
"Hoe?--Ellinghem?"
"Kan je boksen?"
"Ben je een Piet met voetbal?"
"Houd je van blokken?"
"Hoeveel rondes hadt je met Dester?"
"Smeet je 'm op den grond?"
"Is het waar wat Burns vertelt?"
"Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen."
Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen, hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als "zoo'n onbeschaamde rekel"--"hij moest zelf een pak slaag hebben" enz. Ik begreep maar al te goed op wien dit allemaal doelde.
Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het rumoer uit. "Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester hem nou m-maar een r-rammeling g-geven."
"Vooruit, Dester," riepen verscheiden jongens: "Kijkers is naar Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z'n gezicht!"
Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer Dester werkelijk te believen, doch op de gezichten van de meeste jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als secondanten, dokter en weet ik al wat meer.
"Vooruit, Dester!"--"Dester, hoe laf!"--"Toe, geef 'm dan op z'n kop, Dester!"--"Sla 'm ook een blauw oog,"--al dergelijke kreten klonken dooreen.
Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen mij boven het hoofd te hangen.
Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter, zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet met mij aan den stok te krijgen.