Bravo, Bob! De padvinder uit Canada
Part 3
"Laten we dan eens gaan onderzoeken wie het wèl is geweest," hernam Bob. "Als het inbrekers zijn, dan moeten we de menschen waarschuwen, maar als we loos alarm maken, dan slaan we een mal figuur. Als--" Hij brak den zin af en wierp me een eigenaardig nieuwsgierigen blik toe. "Maar het is beter dat we die oude menschen met rust laten," zei hij; "we kunnen er wel zelf op uittrekken. Misschien heb je je alles maar verbeeld."
Intusschen had hij met ongelooflijke vlugheid eenige kleedingstukken aangeschoten.
"Doe ook wat aan," zei hij, "dan trekken we er samen op af. Zeg, Martin, je staat te beven als een riet. Heb je wat gezien?" voegde hij er bij, terwijl hij de stem liet dalen.
"Neen," bracht ik stamelend uit; "maar het was er."
We gingen samen naar mijn kamer, waar Bob om zich heen keek, terwijl ik me haastig aankleedde. Tot nu toe hadden we geen andere verlichting gehad dan de bleeke stralen van de maan; een schok voer door me heen toen een hoek van de kamer plotseling hel werd beschenen; op hetzelfde oogenblik kwam ik echter tot de ontdekking dat Bob een electrische zaklantaren te voorschijn had gehaald en op den knop drukte.
Hij lachte toen ik een gesmoorden kreet slaakte. "Schrok je?" vroeg hij. "Je bent heelemaal van streek; anders zou dit dingetje je niet zoo hebben doen ontstellen. Ik heb er kort geleden een nieuwe batterij in gedaan; daarom geeft ze nu een prachtig licht. Ben je klaar?"
Ik antwoordde van ja en op onze pantoffels begaven we ons geruischloos op weg.
"Hoe minder lawaai we maken, des te beter," zei Bob fluisterend. "Nu de Horners niet wakker zijn geworden toen jij straks bij mij kwam binnen stormen, nu behoeven we wel niet bang te zijn dat ze zullen komen aanzetten, maar we moeten toch voorzichtig zijn; het is veel beter dat we het met z'n beiden klaar spelen."
Toen we ons echter in de donkere gang bevonden en langzaam en geruischloos verder liepen, toen zonk de moed me in de schoenen, al was de dappere Bob in mijn nabijheid.
"Zeg," begon ik, "geloof je heusch dat we--"
"Dat we wat?"
"Dat we er op uit moeten trekken?" bracht ik stamelend uit.
"Weet je zeker dat iemand in je kamer is geweest?"
"Ja."
"Laten we dan te weten komen wie het was. Misschien was het de oude Horner of zijn vrouw."
"Neen, geen sprake van."
"Willen we aan hun deur gaan kloppen om het hun te vragen?" stelde Bob lachend voor.
Toen hij dit zei hadden we juist aan het einde van de gang een rond, uitstekend raam bereikt met een breede vensterbank. Het maanlicht, dat hoe langer hoe bleeker werd, daar voorbijdrijvende wolken de stralen voortdurend onderschepten, gleed naar binnen door de glazen ruiten en bescheen een plek op den houten vloer die deed denken aan de een of andere landkaart met vage, onbestemde grenzen.
We waren die verlichte plek nu voorbij; als vanzelf hadden we ons naar dat venster begeven en keken naar buiten.
"Een vreemde nacht," zei Bob fluisterend.
"Ja," antwoordde ik; "en komt het huisje ook niet vreemd voor? Het verwondert me niets dat de menschen zeggen--" Ik sprak den zin niet uit.
Doordat het raam naar voren uitstak konden we den donkeren voorgevel in zijn geheel overzien, en terwijl ik die laatste woorden zei, had mijn blik in die richting getuurd.
"Wat is er?" vroeg Bob fluisterend.
"Ik zag licht."
"Waar?"
"Halverweg den muur," antwoordde ik, terwijl ik de richting met den vinger aanduidde. "Heb jij het niet gezien?"
Zelfs in het schemerlicht zag ik dat Bob van kleur verschoot.
"Och kom," zei hij heel zacht; "je hebt je zeker vergist; het is natuurlijk de maan geweest."
"Nee. Waarom keek je zelf dan niet goed uit je oogen?"
"Ik zag juist naar een anderen kant."
We bleven nu turen op den voorgevel van het gebouw.
"Misschien komt het niet meer terug," zei Bob fluisterend. "Was het op de eerste verdieping?"
"Ja; blijf maar goed kijken."
Een wolk trok langs de maan en het werd nu heel donker. We bleven geruimen tijd wachten, naar het ons toescheen; misschien waren echter slechts enkele minuten verstreken toen we een oogenblik een lichtstraal gewaar werden achter een van de gesloten vensters. We kregen een gevoel alsof iemand die dood is gewaand plotseling eenig teeken van leven geeft; dezelfde gewaarwording welt op als we het bewustzijn bij een drenkeling zien terugkeeren; beiden waren we diep onder den indruk.
Ik hoorde Bob zwaar adem halen, toen ik krampachtig zijn arm greep.
"Heb je het nu gezien?" vroeg ik fluisterend.
"Ja."
"Wat is het?"
"Het is iemand die met een licht in de hand langs het raam loopt. Is er daar een gang?"
"Nee, zoover ik me kan herinneren zijn het kamers die in elkaar loopen."
"Kunnen we daarheen?" fluisterde hij.
"Misschien; ik denk dat de deur die toegang geeft op slot zit."
"Laten we het probeeren. Toe ga mee."
"Willen we maar niet liever teruggaan?"
Hij had zich intusschen al weer op weg begeven, en ik volgde hem op den voet, want voor geen geld zou ik daar alleen zijn achtergebleven. Ik hoopte echter vurig dat we den toegang tot het onbewoonde gedeelte van het gebouw zóó versperd zouden vinden alsof het een vesting was geweest of een gevangenis.
HOOFDSTUK VI.
ONZE TOCHT.
Toen we geruischloos verder liepen kwamen we weldra aan het einde van de gang, of beter gezegd, aan een groote stevige deur van donker hout, die in de gang was aangebracht.
"Zoo, we kunnen niet verder," mompelde Bob, die het schijnsel van zijn lantaren op de deur liet vallen.
"Dat dacht ik wel," zei ik fluisterend; een pak was me van het hart gevallen; "je ziet dat ze op slot zit."
Bob had de hand reeds op den deurknop dien hij omdraaide. Hij duwde en duwde, maar tevergeefs.
"Dat dacht ik wel," zei ik; "laten we maar terug gaan."
Bob stak zijn lamp in den zak, en zonder een woord te zeggen begaf hij zich naar het raam links van de deur.
"Ik geloof niet dat er knippen op zitten," mompelde hij. "We zullen het eens probeeren." Dit zeggend greep hij het handvat en schoof het raam op--een zwaar, log venster, dat een oogenblik weerstand bood. Toen weerklonk even een gekraak als van opgedroogde verf die uit elkaar werd gerukt en daarna vloog het raam omhoog.
Op dit oogenblik kwam de maan achter een wolk te voorschijn; met een kouden luchtstroom drong het licht naar binnen.
Bob had het hoofd al naar buiten gestoken om poolshoogte te nemen.
"Weet je hoe we het 'm kunnen leveren?" vroeg hij fluisterend, toen hij zijn hoofd weer terug had getrokken.
"Hoe we wàt kunnen leveren," zei ik, terwijl ik me nu ook over het vensterkozijn heenboog.
"Kijk daar 's naar beneden."
Ik dacht dat hij iets in den tuin meende, maar ik kon niets zien dan struiken die heen en weer bewogen in den wind, en donkere grasperken die door kiezelpaden waren gescheiden.
"Ik zie niets bijzonders," zei ik.
"Jij bent ook geen slimmerd," antwoordde hij lachend. "Je ziet toch wel die lijn van steenen die hier uitsteekt--vlak bij, bedoel ik."
"Ja; dat noemen ze een kroonlijst, niet?"
"Best mogelijk. Het komt er weinig op aan hoe ze het noemen; maar zoo'n dingetje hadden we juist noodig."
"Je wilt daar toch niet langs loopen?"
"Jawel, dat wil ik wel."
"Als je uitglijdt en valt zou je leelijk te pas komen."
"Maar ik denk er niet aan om te vallen. Je kan heel gemakkelijk uit het raam erop stappen--kijk zoo."
In een oogwenk was hij over den drempel geklauterd en op de kroonlijst beland; zijn hoofd en schouders waren gelijk met het open raam, zoodat het leek alsof hij op een ladder stond.
"Pas toch op," zei ik; "misschien kan dat ding je niet houden."
"Of het! Het gaat best; ik zal er langs loopen met mijn rug plat tegen den muur, omdat dit de eenige manier is om het er goed af te brengen. Dan ben ik in een wip bij het volgende raam dat je van hier kunt zien."
"En wat dan? Toe, Bob, laat het maar."
"Van buiten kan ik dat raam dan gemakkelijk opschuiven."
"Behalve als de knippen er van binnen opzitten," merkte ik op.
"Ja natuurlijk; dan kan ik niets beginnen, maar als dat niet het geval is, dan schuif ik het beestje netjes de hoogte in, en dan ben ik in het andere gedeelte van het huis beland, al zit die zware houten deur ook honderdmaal op slot."
"Toe, Bob, doe het niet," zei ik smeekend. "Laten we weer naar bed gaan. Het spijt me dat ik je heb geroepen. Ik wed dat je zal vallen of dat die steenen richel zal afbrokkelen als je het raam naar boven wilt schuiven."
"Maak je maar niet bezorgd," antwoordde hij heel bedaard; "als ik eenmaal iets ben begonnen, geef ik het niet graag op."
Hij had zich al omgedraaid en stond nu met den rug naar den muur. De steenen richel was zoo smal dat zijn teenen over den rand heenkwamen. Langzaam en voorzichtig schoof hij langs den muur. Ik bleef hem nakijken door het open raam; elke beweging van Bob volgde ik met de grootste spanning. Hij drong zich zoo dicht en krachtig tegen de steenen aan dat ik zijn jas er langs hoorde schrapen, toen hij kaarsrecht en stokstijf al verder en verder schoof en de afstand tusschen ons steeds grooter werd.
Halverwege de beide ramen liep een dikke regenwaterpijp van het dak naar beneden. Een paar centimeters stak die uit buiten den muur; in de smalle richel was een gat aangebracht om ze door te laten. Dit was natuurlijk het moeilijkste punt om overheen te komen en toen Bob hier was beland en bleef stilstaan, toen dacht ik dat hij de onmogelijkheid ging inzien om over de pijp te stappen en den tocht te vervolgen.
"Bob, het kan niet, het is gekkewerk," riep ik hem toe, zonder dat ik de stem echter durfde uitzetten. "Kom toch terug."
Het was duidelijk dat hij nog meer dan ikzelf besefte hoe hachelijk dit oogenblik was, want hij gaf geen antwoord en keek zelfs niet mijn kant uit. Ik dacht niet anders dan dat hij door die vooruitstekende punt weg zou worden geduwd en zijn evenwicht verliezen, zoodat hij naar beneden zou moeten springen om geen leelijken val te doen. De hoogte waarop hij zich bevond was echter van dien aard dat hij toch heel leelijk moest te pas komen, en op zijn minst verwachtte ik dat hij zijn enkel zou breken. Ik zei tegen mezelf dat hij misschien weken zou moeten liggen: het was zelfs best mogelijk dat hij zijn heele leven kreupel zou blijven en daarvan zou ik dan de schuld dragen. Ik zag dat hij nu de pijp vastgreep met de rechterhand waarna hij zich bliksemsnel omdraaide zoodat hij een oogenblik het gezicht naar den muur had gekeerd en toen had zijn linkerhand de pijp vast, waarop hij evenals straks langzaam en voorzichtig verder schoof langs den muur. Nog eenmaal draaide hij zich zoo snel om toen hij het raam had bereikt zonder dat hij--zoover als ik kon zien--iets had om zich aan beet te grijpen; toen draaide hij voor de eerste maal het hoofd om in mijn richting en liet wederom dat eigenaardige fluitje hooren.
Ik slaakte een zucht van verlichting. Als hij zich blijkbaar zoo op zijn gemak gevoelde, dan behoefde ik me toch niet zoo angstig en bezorgd te maken.
"Knap gedaan," mompelde ik. "Maar je bent er nog niet in," voegde ik er bij mezelf aan toe.
Ik zag hoe hij met beide handen pogingen deed om het raam op te schuiven; het gelukte, want ik hoorde het venster omhoog gaan en op hetzelfde oogenblik scheen hij door de opening naar binnen te vallen; ik kon zijn beenen nog even zien spartelen en toen was hij verdwenen.
Een sekonde later stak zijn hoofd naar buiten. "Kom nou," riep hij zoo zacht mogelijk; "nu het raam open is, is er niets geen kunst aan."
Ik schudde ontkennend het hoofd maar toen vond ik mezelf zoo flauw en laf dat ik het toch in elk geval wilde probeeren. Ik klom over de vensterbank; maar toen ik een blik naar beneden wierp gaf ik het onmiddellijk op, en in een wip was ik weer terug.
"Wacht maar," zei Bob lachend.
Even later hoorde ik het slot van de gangdeur omdraaien; dit gebeurde zoo gauw dat Bob wel had moeten draven; de deur ging open en in de schemering zag ik mijn nieuwen vriend voor me staan.
"De sleutel stak erin," zei hij grinnekend. "Maar het slot draaide zoo gemakkelijk om dat die deur meer wordt gebruikt dan je zou denken."
Bob was zeker bang dat ik op het laatste oogenblik zou terugkrabbelen, want hij stak een hand uit om me door de deur te trekken die hij weer zacht achter ons sloot; daar stonden we nu in den onbewoonden vleugel van het groote huis, niet bij machte om menschelijke hulp te halen als we die noodig zouden hebben, en misschien waren we op het punt de een of andere vreeselijke ontdekking te doen.
We bevonden ons in een lang, smal vertrek, een soort van galerij die ik me nog flauw herinnerde uit mijn kinderjaren. Voor de ramen hingen geen gordijnen; het maanlicht dat naar binnen viel wierp zonderlinge schaduwen op den vloer en op de muren. Ik wist dat hier mannen stonden in hun harnas en dat die er zoo griezelig levend uitzagen, en de groote portretten aan de muren keken ons aan met zulke starende oogen als ze door de stralen van de maan werden beschenen dat het precies was alsof levende menschen in die lijsten zaten en naar ons tuurden.
"We moeten het raam dicht doen," zei Bob fluisterend. "Ik kan nu niet zeggen dat ik het hier in m'n eentje dol-leuk zou vinden. 't Is goed dat we met z'n beiden zijn. Het ruikt hier nog al muf en benauwd."
"Pas op, de vloer is zoo glad," zei ik, toen Bob uitgleed en zich aan mij vast greep om niet te vallen.
"Hè, daar is een ijsveld nog niets bij," antwoordde hij, "en wat maakt alles een lawaai!"
Hoe we het geluid van onze voetstappen ook smoorden, onze schreden maakten een hol geluid dat tot achter in de zaal weerklonk.
"Pantoffels zijn een prachtige uitvinding, maar op kousen gaat het toch beter," hernam Bob lachend; "en dan zijn de dingetjes die jij zoo vriendelijk was me te leenen een beetje klein voor mij. Ik zal ze maar uittrekken," voegde hij er bij, terwijl hij ze uitschopte. "Nu kan ik even geruischloos sluipen als de geest in Hamlet."
Hij scheen zich alweer op zijn doode gemak te voelen, terwijl ik die gedrukte stemming en dat gevoel van angst maar niet van me kon afzetten. In een cirkel stond hij om me heen te draaien, en zwaaide met de armen en trok gekke gezichten, terwijl ik naar hem stond te kijken en wenschte dat ik de dingen even luchtig en gemakkelijk kon opnemen als hij.
Eindelijk kwam hij op me af alsof hij me wilde uitnoodigen om een wedstrijd in het boksen te beginnen; even raakte hij mijn schouder aan en zei: "Vooruit, Martin! We moeten nu op verkenning uit!"
Nauwelijks had hij dit gezegd of een geluid drong tot ons door dat mij onmiddellijk den tocht deed staken--we hadden den doffen slag vernomen van een zware deur die dreunend dichtviel en die zelfs den houten vloer scheen te doen trillen van de zaal waar wij ons bevonden.
HOOFDSTUK VII.
WAT HEEFT BOB GEZIEN?
Dit geluid had weerklonken in den onbewoonden vleugel van het gebouw; onmiddellijk was ik achteruit gedeinsd.
"Heb je er genoeg van?" vroeg Bob zacht, terwijl hij me een eigenaardigen blik toewierp.
"Ja, ik durf niet verder," bracht ik stamelend uit. "Als--als we eens iets vreeselijks zagen."
"Vindt je dan goed dat ik er maar alleen op uittrek? Het is jouw huis, zie je."
"Je mag gerust van mijn part. Maar ik wou het liefst dat je mee terug ging."
Al dien tijd luisterde ik in de grootste spanning of we niet wederom een verdacht geluid zouden vernemen.
"Geesten zijn het dus niet," zei Bob. We stonden nu op eenigen afstand van elkaar, want toen ik van schrik achteruit was gesprongen had hij geen voet verzet. "Een geest zou niet zoo'n kabaal maken. Spoken doen alles even stil."
Hij veronderstelde dus blijkbaar dat er dieven in huis waren; ik kon dan ook niet nalaten om een schichtigen blik om me heen te werpen.
"Zeg 's, ga jij maar naar bed," hernam hij; "dan wil je wel mijn pantoffels meenemen, of beter gezegd jouw pantoffels--ik trek er liever op uit zonder die dingetjes."
Met een vaart liet hij ze glijden over den vloer in mijn richting.
"Ik zal hier op je blijven wachten," zei ik, terwijl ik hem nakeek toen hij door de zaal liep en in de verte verdween. Hij maakte nu zelf den indruk van een spookverschijning zooals hij daar geruischloos voortschreed nu eens in het donker, dan weer beschenen door het maanlicht dat door de ramen naar binnen viel.
Een oogenblik zag ik het schijnsel flikkeren van zijn electrische zaklantaren, waaruit ik opmaakte dat hij het einde van de zaal had bereikt; ik begreep dat hij nu de deur opende, want hooren kon ik dit niet; een oogenblik later was hij verdwenen: ik was alleen.
Ik had gezegd dat ik hier op hem zou blijven wachten, doch ik gevoelde onmiddellijk dat me dit niet mogelijk zou zijn. Dat gezegde van die spookverschijningen die zwijgend rondwaren, had me nog meer van streek gemaakt, zoodat ik er naar snakte om weer veilig in mijn bed te liggen. Wat had ik een berouw dat ik er uit was gestapt!
Ik vond het laf en gemeen van mezelf om hem in den steek te laten, maar al was Bob mijn gast en wat voor lot hem ook boven het hoofd hing, ik rende als een haas terug naar mijn kamer en stak de kaars aan--wat was ik dankbaar toen ik weer licht zag--en zoo bleef ik opzitten in bed om de terugkomst van den avonturier af te wachten.
Ik gevoelde me nog altijd angstig en gejaagd; nog steeds vernam ik dat dreunend geluid dat me zoo hevig had doen ontstellen; en dan was ik heilig en zeker overtuigd dat--iets--in mijn kamer was gekomen toen ik lag te slapen.
De eene minuut verstreek na de andere. Wat duurde het lang eer hij terugkwam! Wat was die Bob een eigenaardige jongen! Het leek wel of we elkaar al jaren kenden en dienzelfden dag hadden we pas kennis gemaakt. Nee, den vorigen dag.
Bim, bam, liet de stalklok hooren. Kwam hij dan nooit terug?
Plotseling werd mijn deur met zulk een vaart open gegooid dat een schok door me heenvoer. Bob liep regelrecht naar me toe; onmiddellijk werd ik gewaar dat hij het een of ander had gezien.
"O, ben je er al?" zei hij op een toon die me heel zonderling in de ooren klonk.
"Ja," antwoordde ik met een kleur van schaamte.
"Nou, ik ben ook weer veilig beland," hernam hij. Hij deed of hij moest geeuwen en slaap had gekregen; toen keerde hij zich om en wilde heengaan.
"Bob," riep ik hem na, "--je--je hebt toch niet--" begon ik.
"Nee, niets van beteekenis, hoor," antwoordde hij met een poging om te glimlachen.
Ik brandde van verlangen om te weten te komen wat er was gebeurd, maar om zijn mond was zulk een besliste trek verschenen dat ik niet verder durfde vragen en zonder meer een woord te zeggen, begaf hij zich naar zijn kamer.
HOOFDSTUK VIII.
IK GA NAAR SCHOOL.
Drie weken later zat ik werkelijk in den trein die me naar St. Martin zou brengen. Na mijn komst op Mallorie en dezen dag was zooveel gebeurd dat ik me soms verwonderd afvroeg of ik heusch dezelfde Martin was die toen in zulk een gedrukte, neerslachtige stemming te Ootlie was uitgestapt.
Bob Kitsjin had de zaak van het begin af aan flink aangepakt; we leken wel advocaat en cliënt. De brief aan Finsberie & Koster was met gunstigen uitslag bekroond; de heer Finsberie behoorde toevallig tot de aandeelhouders van de school--eigenlijk begreep ik niet goed wat dit wilde zeggen--en aan hem was het te danken dat ik onmiddellijk als leerling werd aangenomen.
"Maar nu moeten we geducht aan het werk om je klaar te krijgen," zei Bob, toen we het goede nieuws hadden gehoord. Op Mallorie was hij maar één nacht gebleven, doch hij had niet gerust voor hij me had overgehaald om een tijd lang mijn intrek te nemen op de hoeve waar hij zijn vacantie doorbracht; een repetitor die zijn leerlingen voor een examen africht zou met geen grooter ijver zich van zijn plicht hebben kunnen kwijten dan Bob, toen hij me klaar maakte voor St. Martin. Niet wat het leeren betreft, want ik was niet achter bij jongens van mijn leeftijd, maar Bob had gelijk dat het treurig was gesteld met mijn "algemeene kennis" waar het schoolzaken betrof. Hij onderwees me in de beginselen van het voetbalspel; uren lang stond hij tegen me te bowlen, hoewel het nog eenige maanden zou duren voor wederom cricket zou worden gespeeld; hij waarschuwde me voor al de voetangels en klemmen die een nieuweling worden gelegd, gevaren die mij zeer zeker boven het hoofd zouden hangen, omdat ik nog nooit school had gegaan. Hij leerde me zwemmen, een kunst waarin ik het nimmer tot eenige hoogte heb gebracht, en onderwees me in alle mogelijke lichaamsoefeningen. Hij was er vóór alles op uit om mijn spierkracht te ontwikkelen en mijn borstkas te verbreeden. Hij inspecteerde mijn kleeding en nam mijn zaakjes zóó ter harte, dat ik mijn tekortkomingen als schooljongen volkomen besefte, toen de vacantie voorbij was en het groote oogenblik was aangebroken om de reis naar St. Martin te ondernemen.
Na dien bewusten nacht dien we samen op Mallorie hadden doorgebracht, had Bob nooit een woord gerept van het zonderlinge avontuur dat hem toen was overkomen, en ik had er hem niet naar durven vragen. Het echtpaar Horner hadden we er buiten gelaten, maar ik gevoelde dat de Horners het een opluchting vonden toen Bob den volgenden morgen afscheid nam en vertrok. Eerst heel veel later heb ik vernomen wat Bob in dien onbewoonden vleugel van het gebouw had gezien en gedaan. Toen ik Mallorie verliet was het geheim niet opgelost, en ik was blij dat ik het sombere oord zoo spoedig weer kon verlaten. Telkens en telkens nam ik me voor om Bob over dit punt te ondervragen, maar zoodra ik dit onderwerp voorzichtig aanroerde verscheen wederom die eigenaardige besliste trek om zijn mond en gaf hij haastig een andere wending aan het gesprek, zoodat ik het eindelijk maar opgaf. Geen oogenblik kwam het in me op om zelf een onderzoekingstocht te ondernemen; ik gevoelde me toch al niet op mijn gemak in dit huis dat zoo iets geheimzinnigs en griezeligs had.
Het was een lange tocht; eerst had Tetsjer me in een wagentje gebracht naar het station; na heel wat overstappen zou ik tegen den avond komen aanboemelen op de plaats waar ik moest wezen; toen het nu avond werd had ik al gemerkt dat ik me in een heel andere streek bevond; de menschen om me heen spraken met een eigenaardigen tongval; het landschap zag er ook zoo onbekend uit; zelfs de locomotieven die ons voorbij snorden deden een snerpend gefluit hooren dat me vreemd in de ooren klonk; ik begon me dan ook eenzaam te gevoelen.
Langzamerhand werd mijn stemming hoe langer hoe gedrukter. Ik begon er nu verschrikkelijk tegen op te zien om mijn intrede te doen op een groote school, waar die massa's jongens misschien vijandig waren gezind jegens een nieuweling. Wat zou ik graag Bob Kitsjin bij me hebben gehad om me moed in te spreken en op te beuren, maar die kwam regelrecht uit Londen; ik kon alleen hopen en wenschen dat hij tegelijk met mij op St. Martin zou aankomen.
Tot mijn verbazing had ik nog geen andere jongens in den trein ontmoet; toen ik echter voor den laatsten keer was overgestapt belandde ik in een coupé waarin twee St.-Martinjongens zaten; de een was klein en dik en had rood haar; telkens wierp hij een schichtigen blik om zich heen. De ander was lang en mager en had een eigenaardig maar geen onvriendelijk gezicht.
Ik begreep dat de jongen die zoo schuw rondkeek, op het punt was geweest om dien langen jongen het een of ander in vertrouwen mede te deelen, want hij zat onrustig heen en weer te schuiven en stotterde van belang. Ik had echter maar een paar woorden kunnen opvangen, want toen ik binnen kwam was het gesprek onmiddellijk gestaakt.
"Hoor 's, Burns, vertel me dat later maar eens," zei de lange jongen die blij was, naar het me voorkwam, dat hij er een eind aan kon maken. "Tijd genoeg, kerel."
"N-n-nee," wierp de jongen met rood haar tegen, maar de ander had het hoofd al uit het portierraam gestoken om een jongen te begroeten die op het perron heen en weer liep. "Zeg ik moet even Brys spreken," zei hij, terwijl hij het hoofd terug trok. "Ik wou hem vragen of hij captain wil worden van het tweede elftal. Ik zal een eindje meerijden in zijn coupé; dan kom ik straks weer terug. Hola, Brys, wacht even!"