Bravo, Bob! De padvinder uit Canada
Part 16
Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.
Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.
"Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten," zei hij. "Het zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven."
Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan, lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik had aangericht.
Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat, dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.
Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar werd en die rechte steenen muren--alles even donker, naargeestig en geheimzinnig.
"Zeg," fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; "dat voorvaderlijk slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het een bijzonder vroolijken indruk maakt."
"Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er even naar en somber uit," antwoordde ik.
"Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt," fluisterde de oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. "In het dorp zijn ze het daar allemaal over eens."
Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.
Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren; de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het gerommel van den donder in de verte.
Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger zouden lijden.
"Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden," zei Bob lachend; "alles is zoo precies eender."
"Ja, ik heb ook zoo'n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede maal zal gebeuren," zei ik.
"Deze pastei is ten minste even goed en lekker," hernam Bob, terwijl hij zich ervan bediende.
"Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken," merkte ik op.
"Wat bedoel je?" vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.
"Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk," antwoordde ik. "Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak zou doen."
"Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten," zei Bob, die even huiverde.
We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht; het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een opgewekte stemming te brengen.
"Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken," zei Bob, toen de avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte vertrek binnen gingen. "Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik."
Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.
"Laten we naar bed gaan," zei Bob eindelijk met een geeuw. "Die menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben geslapen, dan is het morgen misschien over."
"Wat is dan over?" vroeg ik met een poging om te schertsen.
"Och, de heele boel is hier beroerd," antwoordde Bob openhartig; "morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op."
Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Na de Horners en elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.
Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand en toen begon ik te droomen.
Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten hoorde slaken.
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen stormen.
"Martin, sta op," riep hij opgewonden. "Er is brand; de klok wordt geluid."
Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de sterren nog aan den hemel stonden.
"Waar is het?" vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.
"Daar!" riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.
Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammen zich een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit het dak.
Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in mijn hoofd.
Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die plotseling zijn mond hield.
"Heb jullie een brandweer in het dorp," vroeg hij.
"Ja," antwoordde hij.
"Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!"
"Ja," zei de man die het op een loopen zette.
"Hei!" riep Bob hem na. "Is er hier een telegraafkantoor?"
"Jawel," antwoordde de man, "maar dat is nu zeker gesloten."
"Dan maak je ze maar wakker," zei Bob; "telegrafeer onmiddellijk om een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je het begrepen?"
"Ja," zei de man.
"Loop er dan heen zoo gauw als je kunt," beval Bob. "Tetsjer, houd nu maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen we die halen!"
"Om den hoek van den stal," antwoordde Tetsjer die met tegenzin het touw los liet.
"Vooruit, ga mee," zei Bob; "en jij ook," voegde hij er bij tegen den anderen arbeider. "En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan het werk!"
We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.
De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren haken.
"Jullie moet er samen onder gaan staan," zei Bob. "Juist zoo, dan gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!"
Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich ook bij den stoet gevoegd en renden mede.
Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog, zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.
We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het dak naar beneden.
"Vooruit, aan het werk," riep Bob, toen de ladderdragers onthutst bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. "Vooruit, geen sekonde hebben we te verliezen!"
Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.
Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna de vlammen zich zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.
Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. "Mijn arme meneer," riep hij telkens en telkens uit; "red mijn armen meneer!"
Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.
Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door het vuur was aangetast.
"Hier, bij dit raam," riep Bob. "Nee, het volgende. Het is hier al te laat," voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken sprong en de vlammen naar buiten sloegen.
Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.
Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen om een woordje in het midden te brengen.
"Bob," zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste verdieping: "Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat niemand in dit gedeelte woont."
"Kijk daar eens," zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster wees.
Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.
"O Bob, wie is dat?" riep ik uit.
De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij jammerend uit; "Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!"
Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen bleven echter vruchteloos.
"Hij kan het niet doen!" riep Bob. "Het gaat niet open. Waarom slaat hij de ruiten dan niet in?"
Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien, zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.
Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.
"Sla het hout kapot!" riep Bob. "Sla het in! Vlug! Stap op de vensterbank en dan op de ladder!"
De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.
"Hij kan het niet," riep Bob. "Hij heeft er geen kracht genoeg voor, of de schrik heeft hem verlamd!"
Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de ladder. Toen bedacht hij zich even.
"Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?" zei hij. "Want het is best mogelijk dat hij niet bij dat venster kan komen; anders zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd de ladder stevig vast!"
Ik greep zijn arm. "Bob," riep ik, "je mag je leven niet wagen! De brandweer komt zoo dadelijk aanrukken."
"Weet je wie het is?" vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde om de ladder op te klimmen.
"Neen."
"Je vader."
Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand was hij de ladder opgevlogen.
In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.
"De kamer staat al in brand!" riep Tetsjer. "Het is hoog tijd."
De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.
"Hij heeft 'm op de vensterbank," riep Tetsjer uit. "Bravo! Het is hem gelukt!"
"Groote genade!" schreeuwde de arbeider. "De vlammen slaan naar buiten! Ze zijn er allebei om koud!"
"Een is al op de ladder!" riep Tetsjer. "Nu zijn ze er allebei op! Houd goed vast, zeg ik je!"
"De top van de ladder staat al in brand!" riep de arbeider.
"Ze komen eraan," schreeuwde Tetsjer. "Groote hemel, wat gaat dat langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!"
"Ze zijn er, ze zijn er!" riep de landbouwer opgewonden uit.
Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van verlichting over in onze uitgestrekte armen.
Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: "Als ik niet zoo sterk was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen."
De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door: "Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!"
"De kamer staat in lichte laaie!" riep Tetsjer. "Het scheelde geen haar. Uit den weg, jullie! De ladder hoeft geen dienst meer te doen. Dat hebben we 'm kranig geleverd!"
"Ja, we hebben het er goed afgebracht," viel de arbeider in.
Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.
HOOFDSTUK XXIX.
SLOT.
"Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè," zei Bob; "het toeval speelt zoo'n groote rol in het leven!"
Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.
"Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft gestaan?" vroeg ik.
"Nee, ik doelde op onze kennismaking," antwoordde Bob. "Als je bedenkt dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje," zei hij, terwijl hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.
"Ja, maar hoe zoo?"
"Och," hernam Bob, "ik kwam toen hierheen om het huis en de streek eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel openlijk tegen je spreken, is het niet?"
"Ja, toe ga voort."
"Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het het best om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam."
Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.
"Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.
"'s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen--liep ik je vader tegen het lijf."
"Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd," zei ik.
"Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den schrik; dat wil ik je gerust bekennen, maar teruggaan wilde ik niet. Ik zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten."
Bob zweeg even en hernam toen:
"Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven maar beweren dat hij met opzet mijn vader had doodgeschoten, omdat die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!
"Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met zijn boeken."
"Wat een vreeselijk leven!" riep ik uit.
"Hij geraakte eraan gewend," hernam Bob, "en de Horners ook; zoo verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest, toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter dat je bleef denken dat hij dood was."
Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.
"Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden," hernam Bob; "en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik hem zeker nooit zou vergeven," hernam Bob wiens stem even haperde; "en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand drukte, en toen vroeg hij of ik een oogje op jou wilde houden. Voor jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij; na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden."
"Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden," zei ik.
"Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde," antwoordde Bob, "omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan, waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog van niets weten," riep Bob plotseling heftig uit.
"Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?" vroeg ik.
"Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen immers of jij me kende?"
"Ja."
"Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.
"De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin wonen--zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn--de papieren en stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde hij ze zeker jou als een erfenis nalaten."
"Waarom zou hij dat hebben gedaan?" vroeg ik.
"Dat deed hij alleen om mij te plagen," antwoordde Bob, "want ik had een soort koop met hem gesloten; toen hij nu werd weggejaagd en me dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.
"Ik had je dol graag alles verteld," hernam Bob, "maar ik had je vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen."
"Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan," zei ik op ernstigen toon, daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.
"Ja," zei Bob; "gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten."
De klok begon te slaan.
"Elf uur," riep ik uit. "De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader mochten gaan."
"Best," zei Bob, die langzaam overeind rees. "Zeg, Martin, ik ben nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister 's jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste woord over deze zaak."
"Wat dan?" vroeg ik.
"Ik ben vast besloten op dit punt," hernam Bob op heel beslisten toon; "al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed, dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen," voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouder klopte. "Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik je den boel cadeau."
"O Bob..." begon ik.
"Geen woord meer erover!" riep Bob. "Anders geef ik je op je gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?"