Bravo, Bob! De padvinder uit Canada

Part 15

Chapter 154,187 wordsPublic domain

"Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd zijn gehavend?" vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.

"O Bob," riep ik uit, "het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch beter maken?"

"Dat is nog de vraag," antwoordde hij heel kalm.

Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste hartstochtelijke woorden.

"Het is nu eenmaal gebeurd, kerel," zei hij. "Het trof alleen maar zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in stukken vloog."

"Bob, ik weet alles," riep ik uit. "Ik heb al die dingen in de couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!"

Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.

"Houd maar op," zei hij op heel rustigen toon. "Het is een schandaal dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?"

Ik stelde hem op de hoogte.

"Zoo," mompelde hij; "echt iets voor Brunton."

"En als ik nu bedenk dat ik het was die--"

"Kom, begin niet weer opnieuw," viel hij me in de rede op moeden toon.

Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd om te gaan.

Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog, vroeg ik fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.

"Kom jongen," zei hij, "we zijn te oude vrienden om op die manier met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna was verdronken."

Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij wederom greep en drukte.

"Kom Ellinghem, we moeten gaan," zei Juniper; "we zijn toch al veel te lang gebleven."

"Toe blijf nog wat," zei Bob op matten toon; "het is toch al zoo akelig om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in nare gedachten."

Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg versperde.

Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.

"Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is," zei Juniper op deelnemenden toon.

"Het is afschuwelijk," zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.

"Is de pijn zoo erg?"

"Erg genoeg om flauw te vallen."

"Houd moed, kerel," zei Juniper hartelijk. "Denk eraan dat je een Canadees bent."

"Waarom zou ik er den moed inhouden?" vroeg Bob.

"Ben je er dan zoo zeker van?"

"Ja, zoo goed als zeker."

"Wat zei de dokter?"

"Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos staat; ze denken dat dit slecht voor je is. Maar ik kan je wel vertellen dat hij het zwaar inziet."

Een stilte volgde.

"Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap operateur."

"Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem vergen, Jim."

"Misschien is het niet onmogelijk."

"Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen--hij dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar blinde menschen...." zijn stem haperde even--"blinde menschen hebben zoo'n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk zeggen: "De kans is heel gering."

"Heeft ie dat gezegd?" vroeg Jim.

"Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen doen dan denken," ging Bob voort, "nu ben ik alles bij mezelf nagegaan wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen."

"Hoor 's, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten," zei Jim.

"Nee, nee," riep Bob bijna heftig uit. "Ik ben nu zoo lang alleen geweest; het doet me goed."

"Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren," zei Juniper.

"Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik zal nooit meer kunnen voetballen."

"Toe, spreek zoo niet," vroeg Jim op smeekenden toon.

"Weet je wat ik had willen worden?" vroeg Bob. "Ik was van plan om heel veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik wou zièn," herhaalde hij op bitteren toon.

"En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen doen voor mijn land," ging hij voort. "Canada kan het mooiste, rijkste land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd--en oogen in zijn hoofd," herhaalde hij nog eens, "die zou zoo'n massa kunnen doen, als hij de handen aan het werk slaat."

"Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen," merkte Jim aarzelend op.

"Wat kan een blinde man uitvoeren," hernam hij op een bitteren toon. "Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het achterschip bij den slag van Trafalgar--maar als zijn oogen hem waren uitgeschoten," voegde hij er bij met haperende stem, "wat zou hij dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan."

"Toe, spreek zoo niet," zei Jim wederom.

"Het is de waarheid," hernam Bob heel beslist. "Een blinde geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en gewasschen--o God, het is zoo vreeselijk," riep hij plotseling uit.

"Je windt je te veel op," zei Juniper. "Het is heusch beter dat ik weg ga."

"Nee, het doet me goed," hernam Bob; "ik heb zooveel uren alleen gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten."

"Maar de zuster zal dadelijk komen."

"Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde onze verhalen met de grootste belangstelling aan. En nu had hij op een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden."

"Die man was zeker heel oud," viel Juniper in.

"Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me," hernam Bob; "en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen...."

"Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden," zei Juniper hartelijk.

"Och, geloof je dat?" zei Bob. "De menschen hebben het te druk om zich veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer."

Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. "Jongeheer Juniper, het is hoog tijd om te gaan."

"Goeden nacht," bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem bijna onmogelijk.

"Mijn moeder zei altijd 's avonds: God zegen je, mijn jongen," hernam Bob met zwakke stem. "In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een moeder verlangen."

Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.

Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.

"Als mijn moeder maar hier was," zei Jim, wien de tranen over de wangen stroomden.

"O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld," riep ik uit.

HOOFDSTUK XXVII.

DE SPECIALITEIT.

Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen--hiervan was ik bijna zeker--en telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het gebeurde ongedaan zou kunnen maken.

Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer te binnen: Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als ik hem maar had gedood.

Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.

In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette ik het op een loopen naar het station. Hoe laat zou die beroemde specialiteit uit Londen aankomen?

Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd verwacht.

Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand lichter begon te worden.

Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten begon te klingelen.

"Hij komt er aan!" zei een van de kruiers die uit alle macht een bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het perron bevond.

Ik hoorde nu het geratel van wielen en een oogenblik later verscheen Dr. Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen, maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen, dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in die duistere ziekenzaal geen arme Bob was die op de uitspraak van het vonnis lag te wachten.

"Hij komt er aan!" zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde om de bocht van den weg.

Mijn hart begon onrustig te kloppen.

In den trein zaten maar enkele menschen--slechts één passagier eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het portier om te draaien, terwijl Dr. Lloyd met eenigszins verhoogde kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in positie ging staan.

De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.

Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht; hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas; over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen over het lot van Bob!

Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr. Lloyd die zichzelf waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.

Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden Dr. Lloyd. "Hoe laat kan ik terug?" vroeg hij aan den chef. "Wanneer gaat de volgende trein?"

De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen, waarna Dr. Lloyd wederom eerbiedig het woord nam en den grooten man al buigend aansprak als mijnheer en niet als "Dr." Robertson.

"Ja, het is koud," zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.

"U wilt zeker eerst ontbijten?" vroeg Dr. Lloyd.

Dr. Lloyd wilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.

"Ja, graag," antwoordde de heer Robertson, "maar het is de vraag of ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?"

"Mijn rijtuig staat buiten," antwoordde Dr. Lloyd.

"Is het een ernstig geval?" vroeg de heer Robertson.

"Buitengewoon ernstig," klonk het antwoord.

Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter hen aan met een vast besluit.

"Zoo buitengewoon ernstig," herhaalde Robertson.

Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop Dr. Lloyd met groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving het woord "glas" op, zoodat ik begreep dat Dr. Lloyd hem op de hoogte bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te toonen, al zei hij niet veel meer dan ""hm"" en ""zoo.""

Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het rijtuig--ditmaal was het de landauer--die hier stond te wachten. Het was nu of nooit.

Dr. Lloyd rende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik vlak voor Dr. Robertson staan.

"Wat is er?" vroeg hij.

De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht, maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want ik gevoelde dat hij te weinig belang stelde in het geval. Hij kon spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen, als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande, dan zou hij 's middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou Bob misschien levenslang blind blijven.

Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het had gedaan en dat--als hij blind bleef--dat ik hem dan levenslang ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel en ik geen klank meer kon uitbrengen.

Dr. Lloyd had eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten, doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.

"Wie is die jongen?" vroeg hij aan Dr. Lloyd.

"Ik heb het gedaan," bracht ik snikkend uit.

"Zoo!" zei Dr. Robertson, "je schijnt nog al driftig uitgevallen. Volgens Dokter--hoe heet u ook weer--o ja, volgens Dr. Lloyd is het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop nog niet op, dat een operatie mogelijk is."

"En als die wel mogelijk is; als--"

"U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten, dokter."

Toen ze weg reden begreep ik dat Dr. Lloyd verontschuldigingen aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.

"W-waar b-ben je geweest?" vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam aanzetten voor het ontbijt; "Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet was bij het ochtend-g-gebed."

"O Burns, ik heb den man gezien," riep ik uit. "Het kan den vent geen zier schelen. Hij heeft geen hart in z'n lijf; hij denkt er alleen maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen steek om Bob--of om mij."

Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het "zielig" was.

Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen, zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.

"K-Kolman is hem tegemoet gegaan," fluisterde Burns, toen we op onze plaatsen gingen zitten.

Ik stelde me het onderhoud voor: Dr. Lloyd druk en beweeglijk; de chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn trein te halen.

Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.

Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er kans op redding bestond of niet.

Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint, daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.

Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...

Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: "Mijnheer Kolman wil je spreken, Ellinghem."

Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.

Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.

Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk werd: "Binnen" geroepen!

Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan, koeler en onverschilliger dan ooit.

Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.

"Mijnheer Kolman heeft me laten roepen," zei ik eindelijk; "maar--"

"Hij deed dit op mijn verzoek," viel Dr. Robertson in, terwijl een schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. "Het is in orde, jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt; ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren."

Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken, doch ik kon geen woord uitbrengen.

"Die vriend van je is een beste, dappere vent," hernam Dr. Robertson die me onafgebroken bleef aanzien; "het zou zonde en jammer zijn geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo'n vriend mag je trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?" voegde hij er bij toen de chef binnen kwam.

"Ja, het rijtuig staat voor," antwoordde de heer Kolman.

"Dan zullen we maar instappen," hernam hij op een toon die wederom even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zei hij: "Ik zal je maar niet herinneren aan de belooning die je me hebt beloofd."

HOOFDSTUK XXVIII.

GERED.

Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de richting van Mallorie.

"Precies als twee jaar geleden," zei Bob na een lange stilte.

"Ik kan het bijna niet gelooven," antwoordde ik.

"Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met dat roode haar," hernam Bob.

"Juist, mijnheer," viel Tetsjer in; "zoo'n kranig stukje heb ik nooit van m'n leven meer gezien."

"En ik kreeg zoo'n gekke gewaarwording toen je je naam noemde," ging Bob voort; "dat herinner ik me best."

"En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie van naam kende," zei ik.

"Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele boel zou uitkomen."

"Ik wist toen van niets," zei ik.

"Dat leek me onbegrijpelijk," hernam Bob, "want ik wist alles en was alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen."

"Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet--"

"Och laat die veronderstelling maar rusten," merkte Bob wijsgeerig op.

Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.

Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende vraag aan Tetsjer te stellen.

"Hoe maken de Horners het?" vroeg ik toen we het huis in het gezicht kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu goed maken.

"O, die zijn dik en gezond," antwoordde Tetsjer; "van de Horners kom je anders niet veel te weten," voegde hij erbij.

"Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?" fluisterde Bob me toe. "Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk."

"Ja, ik heb het geschreven," antwoordde ik. "Maar begrijp jij waarom hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet."

"Nee, dat is zoo," gaf Bob toe. "Maar ik kan de reden toch wel vermoeden."

"Waarom?" vroeg ik verwonderd.

"Begrijp je dat niet?"

"Nee, ik snap niet dat..."

"Ik lijk precies op hem," viel Bob me in de rede; "dat zegt iedereen ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijn vader, en daarom viel de man flauw van den schrik toen hij me zag."