Bravo, Bob! De padvinder uit Canada
Part 14
We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas dat daarin was aangebracht om de gang eenigszins te verlichten, daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.
Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van den aanval was aangebroken.
"Toe nou, maak voort," zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.
Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het maar beter om overhaast te werk te gaan.
Ik klopte hard en nijdig op de deur.
In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer niet hadden gehoord.
Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.
Ik gaf zoo'n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten hooren.
Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en de deur op een kier geopend.
"Wat is er?" vroeg Bob op strengen toon.
"Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen," zei ik.
Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang stond samengeschoold.
"Jullie kunt niet binnen komen," antwoordde hij heel beslist.
"Dat kunnen we wel," antwoordde ik; "we willen niet dat jullie Kien zult slaan."
Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slag dicht te gooien: voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.
Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.
Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de deur begon te beuken en te hameren.
"Open!" gilde ik. "Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan, versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!"
Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was Stenford. "Houd nou op, kerel," zei hij. "Je kunt er immers niets aan doen."
"Ja, g-ga m-mee," zei Burns. "Maak n-niet zoo'n k-kabaal."
Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.
"Laat me los," schreeuwde ik. "Jullie bent lafaards en ellendelingen, allemaal!"
"Onraad!" werd in de gang geroepen.
"Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan," zei Stenford. "Je kan niets tegen ze uitvoeren!"
"Dat denk je maar," riep ik uit, terwijl ik me losrukte. "Dan zal ik wel alleen de deur inslaan."
Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden en neergeploft.
Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.
Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met al mijn kracht te doen aankomen kon ik juist achter het matglas den vorm van een hoofd gewaar worden--het was het hoofd van Bob.
Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai op den grond kletterden en rinkelden.
Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield en over zijn gansche lichaam trilde.
"Groote hemel," riep Stenford uit; "hij heeft het in z'n oogen gekregen!"
HOOFDSTUK XXV.
HET LEGAAT VAN BRUNTON.
Ik kan me niet goed meer herinneren hoe de rest van dien dag verliep. Wel weet ik dat onmiddellijk een eind kwam aan het "oproer" en dat we heel stil op onze plaatsen gingen zitten in de klas toen het rustuur was verstreken, en dat Kien zich weer bij ons had gevoegd zonder dat hij zijn straf had ondergaan, en dat iedereen me aankeek alsof ik een vreemd wild dier was.
Na schooltijd hoorden we van Kien dat Bob Kitsjin naar het hospitaal was gebracht en dat om den dokter was gezonden.
"Heb je van Norman op je gezicht gehad?" vroeg een van de jongens.
"Nee," antwoordde Kien op bitsen toon. "Maar dat heeft met het ongeluk niets te maken. Hij zei dat ik kon gaan en toen greep hij Kitsjin bij den arm en bracht hem weg naar het hospitaal."
"Wat zei Norman tegen hem?" vroeg Stenford.
"Precies weet ik het niet, maar ik geloof zoo iets van: ""Heb je het in je oogen gekregen, arme kerel?"" want Kitsjin hield er den heelen tijd zijn hand voor."
"En wat zei Kitsjin?"
"Hij mompelde iets maar hij kon ternauwernood spreken. Met gebogen rug liep hij weg met Norman, heelemaal als een oude blinde man."
"Zei hij--heelemaal niets?" bracht ik met moeite uit, want ik kon bijna geen klank uitbrengen. "Hij--zei hij iets van mij?"
Kien wierp me een oplettenden blik toe. "Hij zei iets toen ze de kamer uitgingen, maar hij sprak zoo zacht dat ik hem haast niet kon verstaan."
"Was het iets over mij?" vroeg ik gejaagd.
"O was jij het die de ruit insmeet?" zei Kien. "Ik wist niet dat jij het was. Ik dacht dat jullie met een heelen troep waren."
Eerst kon ik niet antwoorden daar een brok me in de keel schoot. Toen ik dit had weggeslikt, zei ik: "Nee, ik deed het alleen."
"Dan begrijp ik het," zei Kien; "want ik meende dat ik Kitsjin hoorde zeggen: ""Laten ze niet te weten komen wie het heeft gedaan."""
Ik kon een snik niet weerhouden en keerde me om. Dus op dat oogenblik had Bob zelfs nog aan me gedacht!
"Trek het je niet zoo aan, kerel," zei Stenford die zijn arm door den mijne stak. "Het was een ongeluk."
"Dat was het niet," antwoordde ik op bitteren toon.
"Jawel," hield hij vol. "Je hadt je driftig gemaakt en je gooide de ruit in, omdat je nu eenmaal met alle geweld wou binnen komen. Je kon toch niet weten dat Kitsjin vlak achter de deur stond."
"Dat wist ik wel," zei ik. "Ik wist dat ie daar stond."
"Maar je wou hem toch niet op die manier aanvallen," zei Stenford die me nu eenmaal moed en troost wilde inspreken. "Wie kon nu denken dat hij stukken glas in zijn oogen zou krijgen?"
Als antwoord stiet ik een kreunend geluid uit, want ik besefte maar al te goed dat ik in mijn razende drift hem had kunnen dooden.
"Het is n-nu eenmaal gebeurd," zei Burns op somberen toon.
Ja, het was nu eenmaal gebeurd; niets ter wereld kon mijn daad ongedaan maken. Ik zou alles en alles hebben willen geven en opofferen als ik het verleden maar had kunnen uitwisschen.
's Avonds trok ik naar de kamer van Norman die met Juniper een ernstig gesprek scheen te voeren.
In plaats dat hij me, zooals anders, vriendelijk aanzag wierp hij me een koelen blik toe.
"Wat is er?" vroeg hij op ijskouden toon.
"Moet ik ook iets voor je doen," bracht ik stamelend uit.
"Nee," antwoordde hij kortaf.
Nog bleef ik dralen.
"Wat is er?" vroeg hij voor de tweede maal.
Ik moest even slikken en kon toen een paar klanken uitbrengen. "Hoe-hoe is het met hem?" vroeg ik.
"Over wien spreek je," zij Norman, ofschoon hij natuurlijk wel begreep wien ik bedoelde.
"Over Kitsjin," zei ik bijna fluisterend; "ik mag niet naar hem toe."
"Dat is te begrijpen," antwoordde Norman koel. "Zoo'n kleine duivel als jij bent, zullen ze wel uit zijn nabijheid houden."
"Maar jij hebt 'm gezien," hernam ik. "Toe, zeg me hoe het met hem gaat."
"Luister 's," zei Norman, die nu opstond en plotseling bleek werd van drift. Nooit had ik gedacht dat hij zoo woest en hartstochtelijk kon uitvallen. Zijn stem klonk zoo anders dan gewoonlijk, dat zelfs Juniper hem verbaasd aankeek. "Kwade rekel, die je bent, weet je wat je hebt gedaan? Je hebt hem blind gemaakt! Hij is misschien levenslang blind! Hoor je wat ik zeg? Je bent niet waard zijn schoenen te poetsen, en zoo'n kleine aap heeft den besten vent die op aarde bestaat blind gemaakt." Hij zweeg plotseling en liet zich op een stoel neervallen, terwijl hij zijn oogen met de handen bedekte.
Ik wierp een smeekenden blik naar Juniper. "Is er niets aan te doen?" mompelde ik.
Norman schonk geen aandacht meer aan mij, maar Juniper antwoordde op vriendelijken toon, waarvoor ik hem mijn leven lang dankbaar ben gebleven:
"De dokter is bij hem geweest," zei hij.
"En kan die niets doen?" vroeg ik radeloos. "Kan die hem niet genezen?"
"Een operatie is het eenige dat kan worden beproefd," antwoordde Juniper.
"En wanneer...." begon ik.
"O, de dokter doet het niet zelf," zei Juniper; "hij zegt dat ie daartoe geen kans zou zien. Een specialiteit komt er bij. Ze hebben getelegrafeerd naar Robertson in Londen. Dat schijnt de beste. Als die het niet kan, dan is hij reddeloos verloren."
"En wanneer komt hij?" vroeg ik.
"Hij heeft bericht gezonden dat hij den nachttrein neemt; morgenochtend komt hij hier aan."
"Weet Bob dit allemaal?"
"Ja."
"En weet hij ook dat--dat--"
"Ja; hij heeft den dokter uitgehoord; die wou hem niet precies alles zeggen en draaide er wat om heen; de dokter zei dat hij hoop had dat alles zou terecht komen en dat Robertson de grootste specialiteit was van heel Engeland en zoowat meer, maar het is een feit dat hij den toestand heel donker inziet."
Ik kon mijn snikken niet meer inhouden.
"Luister 's," zei Juniper; "ik begrijp dat je het je aantrekt; in jouw geval zou ik dat ook doen. Maar zou je hem heel graag zien?"
"Ja, ja, niets liever dan dat!" riep ik in mijn wanhoop.
"Ik zal mijn best doen," zei Juniper, "als het lukt dan zal ik je laten halen om negen uur b.v., voor we naar bed gaan."
"O Juniper, ik ben je zoo dankbaar," riep ik uit.
"Maar ruk dan nu uit," hernam Jim. "Ik beloof je dat ik mijn best zal doen."
Toen we ons huiswerk zaten te maken, boog Stenford zich naar me toe en fluisterde: "Heb je het nieuws gehoord?"
"Van die specialiteit uit Londen die er bij komt, bedoel je?"
"Nee, nee," zei hij; "die heeft er niets mee te maken."
Alles wat niet op Bob betrekking had liet me onverschillig, zoodat ik ongeduldig met het hoofd schudde.
"Het is iets van Brunton," hernam Stenford.
"Wat?" vroeg ik onverschillig.
"Die is weg."
"Weg?"
"Ja, weggejaagd, Kolman heeft hem op staanden voet weggestuurd. Gisterenavond heeft de chef hem zelf gesnapt en toen heeft ie eindelijk alles opgebiecht. Zijn vader is vandaag hier geweest om nog een goed woord te doen, maar de chef denkt er niet aan om hem terug te nemen."
"Blij dat ie weg is," zei ik uit den grond van mijn hart. "Als het maar eerder was gebeurd, dan zou misschien..."
"Hij scheen een massa geld van allerlei lui te hebben geleend," hernam Stenford; "de oude Brunton zei dat hij het allemaal zou terug betalen, maar Kolman bleef op zijn stuk staan; hij schijnt het jonge mensch al sinds lang niet te hebben vertrouwd."
"Hoe weet je dat allemaal?" vroeg Kien verwonderd.
"Mijn knappe kop weet alles," zei Stenford die met de hand tegen het voorhoofd sloeg. "Maar vindt je het niet gek, Ellinghem, dat Kitsjin hem het meest geld heeft geleend of gegeven. Het lijkt me een raadsel dat Kitsjin zich heeft ingelaten met een vent als Brunton!"
Ik dacht aan het geheim dat Bob voor mij wilde verborgen houden en dat als gif in mijn ziel scheen te hebben gewerkt, tot het dien dag tot een uitbarsting was gekomen,
"Het is ook zoo gek dat een van de jongens hem iets over Kitsjin heeft hooren zeggen, toen ie bezig was zijn boeltje te pakken," hernam Stenford.
"En wat dan?" vroeg ik gejaagd.
"Praat niet zoo hard," zei Stenford; "Kijkers komt er aan. ""Als iemand hier op school een malle vent is, dan is het Kitsjin,"" schijnt hij te hebben gezegd en toen heeft hij er lachend aan toegevoegd: "Maar voor ik weg ga zal ik hem nog een poets bakken.""
"Wat bedoelde hij daarmee?"
"Weet niet, maar houd nou je mond."
Ik zat met mijn Latijnsche woordenboek voor me, want ik was bezig aan een vertaling van Virgilius; toen Kijkers langs kwam begon ik hierin met grooten ijver te bladeren, en ontdekte een couvert dat tusschen de bladeren was gelegd. Het was een tamelijk groote langwerpige enveloppe; op het adres stond "Martin Ellinghem" en dit was kennelijk geschreven door den jongen die op staanden voet van St. Martin was weggejaagd.
Mijn gedachten werden zoo geheel in beslag genomen door het ongeluk van Bob, dat het mij bijna onverschillig liet om den inhoud te leeren kennen. Ik schoof den brief onder mijn boek en toen Kijkers langs me was geloopen scheurde ik het couvert open. In een oogwenk was mijn belangstelling opgewekt.
In mijn hand hield ik een bundel papieren die er allemaal even zakelijk uitzagen. De stukken die door Finsberie en Koster werden verzonden waren op dezelfde manier geadresseerd en opgesteld.
Eén ding viel me terstond op. Ofschoon ik maar weinig papieren onder de oogen had gekregen die mijn persoontje betroffen, had ik toch wel opgemerkt dat ze altijd door een klerk die zijn krachten ten beste gaf aan cliënten van Finsberie en Koster waren geschreven.
Maar nu herkende ik diezelfde hand; op wat manier had Brunton die stukken te pakken kunnen krijgen en waarom liet hij me dat pak toekomen voor zijn vertrek? Ik begreep heel goed dat hij me geen dienst had willen bewijzen en dat hij me evenmin een cadeautje als herinnering zou achterlaten.
"Misschien heeft hij deze stukken in handen gekregen die aan mij waren geadresseerd," zei ik tegen mezelf. Maar toen ik ze nauwkeuriger beschouwde zag ik dat ze niet onlangs waren geschreven; de inkt was heelemaal opgedroogd en de datum--ja in dien tijd was ik nog heel klein, het was het jaar waarin al die ellende ons trof en waarin mijn vader verdween en stierf.
Op den eersten brief waren een paar kolommen geplakt uit een oude courant waarvan het papier geel was geworden. Het opschrift luidde:
""VREESELIJK ONGELUK TE MALLORIE. NOODLOTTIG SCHOT.""
Met de grootste belangstelling begon ik te lezen. Eindelijk zou ik dus precies te weten komen wat er toen op de jacht was gebeurd en waarvan de Horners me maar een enkel woord hadden verteld. Dat die courant de waarheid behelsde, bleek uit het feit dat ze door het kantoor was bewaard geworden en gevoegd bij de stukken die de Ellinghem-zaak betroffen.
De courant gaf eerst allerlei nauwkeurige bijzonderheden over het landgoed en de omgeving en toen werd verteld dat de eigenaar, de heer Martin Ellinghem, op de jacht was gegaan met een van de jachtopzieners en zijn gast, een heer uit Canada, een zekeren heer Kitsjin uit Toronto.
Een schok voer door me heen toen ik dit las. "Wat is er?" fluisterde Stenford, die me waarschijnlijk had zitten begluren en me daardoor had zien ontstellen.
"Niets bijzonders," mompelde ik, terwijl ik al weer verder las.
In het verslag stond vermeld dat 's morgens druk en met succes was gejaagd, waarna het gezelschap terugkeerde langs den Welfield-weg die aan weerskanten met boomen is beplant en die een opstap heeft aan het begin en aan het einde. Bij dien laatsten opstap gebeurde het ongeluk.
De heer Kitsjin was al aan den anderen kant van het hek waar hij op zijn gastheer stond te wachten, toen een haas het pad overstak, waarop hij zich omkeerde en het geweer ophief. Op dit oogenblik klom de heer Ellinghem over het hek waarbij de trekker van het geweer op de een of andere manier bleef haken en overging. De heer Kitsjin kreeg de volle lading in den rug. Hij stortte neer en ofschoon onmiddellijk hulp werd verleend, was hij na eenige minuten dood gebloed. Een onderzoek werd ingesteld. Enz.
Hierop kwam de inhoud neer van het uitvoerige artikel. Dit was de eerste maal van mijn leven dat ik om zoo te zeggen in aanraking kwam met het drama dat in mijn kindsheid was voorgevallen, en nu eerst besefte ik hoe zorgvuldig de feiten voor mij waren verborgen gehouden.
De naam Kitsjin had me echter het meest getroffen. Ik begon nu alles bij mezelf na te gaan en dacht aan mijn eerste ontmoeting met Bob. Ik herinnerde me hoe vreemd hij had opgekeken toen ik hem mijn naam had genoemd en ik zag weder Horner flauw vallen toen we uit het rijtuig stapten. Het leek me nu ook zoo zonderling dat Bob dien tocht naar Mallorie had ondernomen. Zou hij dat hebben gedaan uit een gevoel van pijnlijke nieuwsgierigheid om de plek te zien waar zijn vader bij ongeluk door mijn vader was doodgeschoten?
Het kostte mij moeite om mijn kalmte te bewaren. Bij de andere brieven vond ik nog eenige uitknipsels van couranten, die van hetzelfde blad afkomstig waren. Hiervan luidde het opschrift:
"ONDERZOEK INGESTELD NAAR HET JACHT-ONGELUK TE MALLORIE. ZONDERLINGE ONTDEKKING."
Dezelfde bijzonderheden werden wederom herhaald, doch het een en ander werd er nu bijgevoegd. De jachtopziener was gehoord als getuige en een oude man die aan een struik had staan snoeien was ook als getuige gehoord en deze beiden verklaarden eenparig dat niets van een haas op het pad was te zien geweest en dat de heer Kitsjin zijn geweer niet had opgelicht en dat hij juist van het hek afstapte toen hij onverwacht de volle lading in den rug kreeg uit het geweer van den heer Ellinghem. Enz.
Toen de heer Ellinghem als getuige werd voorgeroepen, bleek dat deze niet was verschenen. Hij moest zich in alle stilte uit de voeten hebben gemaakt; het ongeluk schijnt zijn verstand als te hebben verbijsterd, want hij heeft heel vreemd en zonderling gehandeld en men vreest dat hij de hand aan zichzelf heeft geslagen.
Uit een Londensche courant was ook een stuk uitgeknipt en opgeplakt. Dit luidde:
"Langzamerhand is eenig licht opgegaan in de duistere Mallorie-zaak, die de gemoederen in den laatsten tijd zoo hevig in beweging heeft gebracht. Het schijnt dat de heer Kitsjin, de heer uit Canada die op zulk een geheimzinnige wijze om het leven kwam, naar Engeland was getrokken omdat hij recht meende te hebben op het Mallorie-landgoed. Hij heeft kennis gemaakt met den tegenwoordigen eigenaar den heer Ellinghem en had alle hoop dat de zaak door een minnelijke schikking in het reine zou worden gebracht. Zijn rechten dagteekenden van ongeveer honderd vijftig jaar geleden. De kansen stonden blijkbaar gunstig voor den heer Kitsjin en dit feit, gevoegd bij zijn onverwachten dood en onmiddellijke verdwijning van den heer Ellinghem--dit alles werpt een eigenaardig licht op de zaak. Tot nu toe is taal noch teeken van den heer Ellinghem vernomen. Thans wordt zijn dood voorondersteld zoodat wettelijke vertegenwoordigers zijn benoemd om het landgoed te beheeren voor het eenig overgebleven lid van de familie, een nog zeer jeugdigen knaap.
""Het is nog niet bekend of de vertegenwoordigers van de Kitsjin-affaire de zaak zullen voortzetten; gedurende de minderjarigheid van den zoon die nog in Canada vertoeft, is dit niet waarschijnlijk. De heer Kitsjin was een welgesteld grondeigenaar.""
Er waren nog eenige andere couranten bijgevoegd, doch deze behelsden weinig bijzonderheden. Ik stak het heele pak in mijn zak en tuurde toen weer op mijn boek, zonder een woord te kunnen lezen, want de letters dansten voor mijn oogen.
HOOFDSTUK XXVI.
IN DE ZIEKENZAAL.
Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld, deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.
Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij werd uitbetaald.
En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!
En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed te doen gelden.
En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar Mallorie was getrokken om eens poolshoogte te nemen en te zien of hij het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.
En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan een broer voor hem was geweest.
En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd, doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te danken--dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.
Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.
"Ga mee," fluisterde hij. "Het is nu de beste tijd."
Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.
"Als iemand me snapte zou ik op m'n gezicht krijgen," zei Jim, "maar niemand hoeft het te weten te komen."
"Ik ben je zoo dankbaar," zei ik, toen we de deur naderden en langzamer begonnen te loopen.
"Stil, praat niet zoo hard," zei Jim. "Hij heeft een echte verpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel bij hem."
"Zou die..." begon ik.
"O jawel," antwoordde Jim op luchtigen toon. "Moeder Geebel kan ik altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!"
Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.
In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht te temperen; ook stond een scherm om den haard.
De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.
"Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken, hoor," zei ze fluisterend. "Die zuster is er eentje met wie niet valt te spotten."
Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig kloppend hart.
Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: "Is daar iemand?"
"Ik ben het," zei Juniper op rustigen toon.
"Goede kerel," zei Bob; "jammer dat ik je niet kan zien," voegde hij er bij met een poging om te schertsen.
"Ik heb iemand meegebracht," zei Jim.
"Wie?"
"Vooruit nou, Ellinghem," fluisterde Jim die me naar voren duwde, waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.
"Wie is het?" vroeg Bob voor de tweede maal.
"O Bob! Ik ben het,--Martin," zei ik, terwijl ik een paar stappen naar voren deed.
Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank uit te brengen.