Bravo, Bob! De padvinder uit Canada

Part 13

Chapter 134,231 wordsPublic domain

"De vader van Brunton die hier is?"

"Ja; die is zeker net zoo'n lievertje als z'n zoon. Hij zei tegen Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen."

"Heeft Kien bekend?"

"Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd."

"En wat zal er nu gebeuren?" vroeg ik.

"O, Brunton--onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet wordt aangetast."

"Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te wedden," riep ik uit op minachtenden toon. "En wat zullen de andere prefekten doen?"

"O ze zullen Kien bij zich laten komen," antwoordde Stenford die de schouders ophaalde; "ze zullen hem een standje geven en een pak ransel en Kolman zal er niets van hooren."

"En alleen omdat zoo'n vent als Brunton hem aanklaagt!" riep ik verontwaardigd uit. "Dat zullen ze niet doen!"

"Wie zal het ze beletten?" vroeg Stenford.

"Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat hij het zal doen als ik het hem vraag."

"Bemoei je er niet mee," zei Stenford. "Kitsjin moet met de andere prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw praatjes. Dat snap je toch?"

"Nee, dat snap ik niet," antwoordde ik heel beslist; "je zal zien dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het hem vraag."

HOOFDSTUK XXIII.

IK GA NAAR BOB.

Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden, dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.

Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.

Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden de woorden van zijn lippen.

"'k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren," zei hij kortaf.

"Ik vind het een schandaal," riep ik uit.

"Och kom," zei Kien; "ik ben erin geloopen; anders niet. Het is mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet zijn gesnapt."

"Waarom was je ook zoo stom!" zei Stenford.

"Dat is nu eenmaal gebeurd," hernam Kien; "en dit zijn de gevolgen. Wat kan zoo'n pak ransel me schelen!"

"Dat is het hem niet," riep ik verontwaardigd uit; "we zijn alleen zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg."

"Ja m-maar--" begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.

"Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat anders," ging ik voort. "Die moeten natuurlijk mee toezicht houden en zoo wat meer. Maar dat jongens..."

"Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden; ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf."

"Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten," riep ik driftig.

Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.

"Ik weet er wat op," zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze een andere meening waren toegedaan.

"Wat dan?" vroeg Kien tamelijk onverschillig.

"Ik zal zorgen dat het niet gebeurt."

Kien begon spottend te lachen.

"Wou jij het beletten?" vroeg Stenford ongeloovig.

"Ja," verklaarde ik heel beslist. "Je hebt me gezegd dat ze eerst allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht."

"D-dat zal ie n-niet," wierp Burns tegen.

"En ik zeg van wel," hield ik vol. "Ik zal wel zorgen dat het niet gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien."

Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel te lezen. "'k Wou dat je de zaak maar met rust liet," zei hij; "je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit."

"Nee, dat doe ik niet," riep ik driftig uit. "Ik ben niet van plan om lijdelijk aan te zien dat zoo'n vent als Brunton--"

"Luister 's," zei Stenford, "als je wezenlijk van plan bent iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen ze Kien laten halen."

"Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan," zei ik; "ik weet zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.--Ik wil niet dat ze je zullen straffen," voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.

Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.

Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg, maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed afbracht. Niet alleen dat hij me dikwijls met mijn werk had geholpen, maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we samen waren bevriend.

Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.

Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon, als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt en dat hij er niets meer van zou hooren.

Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken, hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware hoofdpijn opgestaan.

Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben gestoord.

"Bob, ik kom je wat vragen," riep ik toen ik zijn kamer kwam binnenstormen.

Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. "Je hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen," zei hij kortaf. "Kan je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig."

"Nee, het kan geen uitstel lijden," verklaarde ik heel beslist, daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.

"Vertel dan maar op," zei hij op vermoeiden toon. "Wat is er aan de hand?"

"Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt," zei ik gejaagd; "ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen."

Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. "Dat het niet met Kien gebeurt?" herhaalde hij.

"Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk," ging ik voort; "Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven."

"O ja, dat is waar ook," zei hij. "Ik was het vergeten. Norman heeft het me verteld. Maar die zaak is beslist."

"Dat is niet zoo," riep ik kwaad. "Hij zal niet worden geslagen. 't Is gewoon een schandaal."

"Wat weet jij er eigenlijk van?" vroeg hij rustig en bedaard.

Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich had toegedragen.

"Zoo, dus jij was er ook bij?" vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen, zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. "Je haalt nog al 's wat uit, Martin!"

"Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen," zei ik.

"Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten," zei Bob. "Dat is mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien gesnapt werd;--het spijt me voor den jongen--hij gaf zijn naam op en de prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren."

"Dus je zorgt dat hij niet wordt gestraft?" vroeg ik, alsof de zaak reeds was beklonken.

"Dat kan ik niet doen," verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het hoofd ontkennend schudde.

"Je moet het doen," riep ik uit.

"Het is onmogelijk," antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam, alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.

"Het is een schandaal," viel ik driftig uit; "als hij door een van de leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een van de jongens is verraden..."

"Hoor 's," zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; "als een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen."

"Heel graag," zei ik kwaad, "want van zulke gemeene dingen snap ik niets."

Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar de wangen steeg.

"De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde," zei hij; "daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen."

"Maar in dit geval..." begon ik.

"Laat me uitspreken," zei hij heel kalm. "In dit geval is een vader van een van de jongens het te weten gekomen."

"Ja, de oude Brunton," mompelde ik.

"Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de stad overlast hebben van de jongens."

"De jongens halen toch allerlei streken uit," wierp ik tegen. "Die Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd."

"Dat weet ik wel," zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. "In het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?"

"Ik was er ook bij en nog twee anderen," mompelde ik.

"Noem alsjeblieft niet hun namen," zei Bob haastig. "Van de rest weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen."

"Dus Kien krijgt een pak ransel?" vroeg ik op uitdagenden toon.

"Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen."

"Dat is niet de vraag," hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. "Ik begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in elk geval wel."

Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.

"Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet," zei ik bij mezelf.

"Ja," ging ik ook voort; "zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet geheim houden."

"Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten," zei Bob langzaam; ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.

"Daar heb ik niets geen lust in," zei ik. "Kijk dit 's!" Ik haalde den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.

Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn waarvan hij mij onkundig wilde houden?

"Lees het," zei ik. "Ken je die hand?"

Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De inhoud luidde: ""Er is een jongen hier op school die iets voor jou wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil het geheim houden.""

Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.

"Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?" vroeg hij.

"Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak," zei ik, "maar ik heb het je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?"

"Het is de hand van Dester," antwoordde Bob heel kalm.

"Dus het is afkomstig van Brunton," zei ik.

"Ja, natuurlijk."

"Ben jij dengeen dien ze bedoelen?" vroeg ik, terwijl ik hem onafgebroken aanzag.

"Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien."

"Dus je wilt iets voor me geheim houden?"

"Ja."

"En dat is?"

"Dat zal ik je niet vertellen."

"Weet Brunton het?"

"Ja, maar van hem zal je niets hooren."

"Omdat jij precies doet wat hij wil," hernam ik.

"Het doet er niet toe waarom," antwoordde Bob kortaf.

"En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest," viel ik plotseling heftig uit. "Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui; dat is alles."

Bob stond op en wees naar de deur. "Je verveelt me," zei hij heel bedaard. "Ruk uit alsjeblieft."

Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde afschieten. "Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten," zei ik, "dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. 'k Zou wel eens willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen."

HOOFDSTUK XXIV.

IK LEID DEN OPSTAND.

Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd behandeld.

Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat laag en gemeen was.

"We moeten zoo'n herrie maken dat Kolman het hoort," zei ik telkens. "Die moet er zich mee bemoeien."

"Waarom?" vroeg Stenford heel bedaard.

"Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen," antwoordde ik, "en dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd."

De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd kon worden als gevolg van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren en keurden het plan niet meer zoo sterk af.

Kien was de eenige die onverschillig bleef. "Maak toch niet zoo'n herrie," zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. "Je stelt je aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt." Na deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den opstand die werd beraamd.

"Ondankbare rakker," merkte Stenford lachend op; "dat is nu weer echt iets voor Kien om het zoo op te nemen."

Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren vast besloten--dat was ik althans--om te verhoeden dat hij zulk een schandelijke bejegening zou ondergaan.

"'t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop," zei ik uitdagend. "'t Is best mogelijk dat ik op m'n gezicht krijg, maar ik denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als iemand moet boeten, dan ben ik het."

Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. "Hoe wil je het aanleggen?" vroeg een van de jongens die practisch was uitgevallen.

"Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen afranselen," zei ik. "Het zijn er maar twee moet je niet vergeten."

"Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd," antwoordde die jongen. "Ze trekken dus partij voor elkaar."

"Natuurlijk," hernam ik, "maar ze zullen maar met hun tweeën in die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen beletten dat ze Kien met een hand aanraken?"

"Hm! dat zou wel gaan," zei Stenford, "en daarna?"

"Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalst figuur geslagen en vertellen het natuurlijk aan niemand."

"En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit voortkwam?"

"Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd," riep ik uit op zegevierenden toon.

Eenige juichkreten werden aangeheven.

"Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt," ging ik hoe langer hoe opgewondener voort. "Natuurlijk is er wat moed voor noodig, maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt."

Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en Burns me achterop.

"Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen haar op m'n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen," zei Stenford, "maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet boeten."

"Z-zoo d-denk ik er ook over," viel Burns in.

"Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten," hernam Stenford. "Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is, dan laten ze je allemaal in den steek."

"Ik zal volhouden," zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.

"Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken," zei Stenford. "Ik dacht dat--"

"Och wat!" riep ik kwaad. "Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet meer dezelfde kerel."

"Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan," zei Burns, "d-dat zou J-Juniper ook doen."

"En wat zegt die ervan?" vroeg ik. "Je hebt hem natuurlijk alles overgebriefd."

"D-dat heb ik n-niet gedaan," antwoordde Burns; "maar Juniper weet altijd alles."

Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een spottenden blik naar ons drieën. "Zoo, jeugdige aanvoerder," zei hij tegen me, "hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang in elkaar geflansd?"

Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.

"Het moet een soort Marseillaise worden, jongen," zei Jim met een sierlijk gebaar van den arm. "Er moet iets inkomen van bloed dat den grond drenkt! Vindt je ook niet?"

"Wij zullen beletten dat het gebeurt," zei ik op uitdagenden toon.

"Heel goed," merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op, alsof ik iets over het weer had gezegd.

"Ja, wij verdragen het niet," riep ik uit.

"Groot gelijk," hernam Juniper; "jullie moet zoo iets niet verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?"

"Ja," zei ik kortaf.

"En hoe luidde het oordeel van uw vriend?"

Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem op de hoogte.

"K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden," stotterde Burns.

"Och, kom," hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te vinden. "De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor hem het woord op als een dappere Trojaan."

"Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt," mompelde ik.

"Maar dat is nu eenmaal gebeurd," zei Juniper, "en daarom zou ik u ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend in deze zaak op te volgen."

Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik scheen te krijgen in het geval.

"Wel allemachtig, nu wordt het ernst," riep hij uit. "Zulke blikken worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig weer ontmoeten."

Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren: "Scheid uit met die malligheid, kerel."

Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.

"Type van een vent, die Juniper!" zei Stenford; "je weet nooit of ie je voor den gek houdt of niet."

"Dat w-weet ik wel," zei Burns; "hij is een b-beste k-kerel."

"Hij kan mij geweldig vervelen," zei ik nijdig. "Toe vooruit; we komen anders nog te laat."

We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool werd Kien geroepen.

"Wat moeten we doen, Ellinghem?" werd me van alle kanten gevraagd.

We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.

"Zullen we hem vasthouden?" werd door een van de jongens voorgesteld.

"Als we hem 's verstopten," zei een ander.

"Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z'n gezicht krijgen," zei een derde.

"Laat ie gaan," beval ik.

Kien was trouwens al op z'n eigen houtje vertrokken om zijn straf te ondergaan.

"Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn," hernam ik.

"Wie van de prefekten zijn het?" vroeg ik aan den jongen die Kien was komen roepen.

"Norman en Kitsjin," antwoordde hij.

"Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak," zei Stenford.

"N-Norman z-zal hem d-de les lezen," zei Burns.

"Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?" vroeg iemand.

"Nee, dat zal ie niet," zei ik. "Vooruit jongens, ga mee. Zijn jullie klaar?"

De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd, den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was aangebroken.

"Toe vooruit!" riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij heen wierp. "De jongens die niet bang zijn volgen me!"

Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden, want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar als een wapen mee droeg.